Voorstel voor een uitvoerings besluit van de Raadwaarbij Polen wordt gemachtigd een bijzondere maatregel toe te passen die afwijkt van artikel 26, lid 1, onder a), en artikel 168 van richtlijn2006/112/EG betreffende hetgemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde /* COM/2010/0293 def. - NLE 2010/0161 */
[pic] | EUROPESE COMMISSIE | Brussel, 7.6.2010 COM(2010)293 definitief 2010/0161 (NLE) Voorstel voor een UITVOERINGSBESLUIT VAN DE RAAD waarbij Polen wordt gemachtigd een bijzondere maatregel toe te passen die afwijkt van artikel 26, lid 1, onder a), en artikel 168 van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde TOELICHTING ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL Overeenkomstig artikel 395 van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde[1] (hierna "de btw-richtlijn" genoemd) kan de Raad op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen elke lidstaat machtigen bijzondere, van de bepalingen van deze richtlijn afwijkende maatregelen te treffen, teneinde de belastinginning te vereenvoudigen of bepaalde vormen van belastingfraude of -ontwijking te voorkomen. Bij brief, ingekomen bij het secretariaat-generaal van de Commissie op 16 november 2009, heeft de Republiek Polen verzocht om een maatregel te mogen toepassen die afwijkt van artikel 26, lid 1, onder a), en artikel 168 van de btw-richtlijn. Overeenkomstig artikel 395, lid 2, van de btw-richtlijn heeft de Commissie de overige lidstaten bij brief van 14 december 2009 van het verzoek van de Republiek Polen in kennis gesteld. Bij brief van 17 december 2009 heeft de Commissie de Republiek Polen meegedeeld dat zij over alle gegevens beschikte die zij nodig achtte voor de beoordeling van het verzoek zoals hieronder uiteengezet. De overgrote meerderheid van bedrijven in Polen, namelijk meer dan 95%, zijn microbedrijven, in vele gevallen familiebedrijven, en de voertuigen die zij bezitten of leasen, worden vaak zowel voor privé- als voor bedrijfsdoeleinden gebruikt; in grotere bedrijven is het dan weer zo dat werknemers vaak niet-financiële voordelen krijgen, zoals een auto van de zaak, die ook zowel voor privé- als voor bedrijfsdoeleinden wordt gebruikt. Kort gezegd komt het erop neer dat de overgrote meerderheid van voertuigen die in het bezit zijn van bedrijven, zowel voor privé- als voor bedrijfsdoeleinden worden gebruikt. Momenteel is een bedrijf dat een voertuig voor privédoeleinden gebruikt, over dit privégebruik btw verschuldigd op grond van artikel 26, lid 1, onder a), van de btw-richtlijn. Omdat sommige voertuigen zodanig zijn ontworpen dat zij net zo goed voor privé- als voor bedrijfsdoeleinden kunnen worden gebruikt, is het volgens de Poolse autoriteiten moeilijk om precies te bepalen in welke mate de voertuigen in kwestie door de belastingplichtige privé worden gebruikt. Dat geldt niet alleen voor de belastingplichtige zelf, maar ook voor de belastingdienst, die controle op dit privégebruik moet uitoefenen. Om deze problemen op te lossen en de toepassing van het btw-stelsel te vereenvoudigen, verzoekt Polen om een derogatie op grond waarvan enerzijds het privégebruik van sommige voertuigen buiten de btw-heffing kan blijven maar anderzijds ook de aftrek van voorbelasting op de initiële aankoop of huur van deze voertuigen tot 60% kan worden beperkt. De Poolse autoriteiten hebben becijferd dat dit percentage overeenstemt met de gemiddelde omvang van het zakelijke gebruik van dit soort voertuigen. De aftrek zou maximaal 6 000 PLN bedragen. Dit cijfer is gebaseerd op de prijs van een standaardauto (55 000 PLN) en moet voorkomen dat er een overdreven aftrek plaatsvindt voor luxeauto's, waarvan kan worden verwacht dat zij meer voor privédoeleinden worden gebruikt. Deze maatregel wordt van toepassing op voertuigen met een maximaal laadvermogen van meer dan 500 kg en een toegestaan maximumgewicht van 3,5 ton. Een uitzondering wordt gemaakt voor voertuigen die duidelijk zijn bestemd om uitsluitend voor een bedrijfsactiviteit te worden gebruikt, met name voertuigen die zijn aangekocht met het oog op wederverkoop of verhuur, voertuigen die in beginsel zijn bestemd voor het vervoer van goederen, voertuigen die zijn ingericht voor bepaalde diensten (bv. wegenwachtvoertuigen, laadvoertuigen en lijkwagens), en voertuigen die zijn ingericht voor het vervoer van ten minste 10 personen, de bestuurder daaronder begrepen. Dit onderscheid strekt ertoe de toepassing van de maatregel te beperken tot de voertuigen die zowel privé als zakelijk kunnen worden gebruikt. RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDE PARTIJEN EN EFFECTBEOORDELING Er behoefde geen beroep te worden gedaan op externe deskundigheid. JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET VOORSTEL Dit besluit machtigt Polen tot toepassing van een bijzondere maatregel die afwijkt van de artikelen 26 en 168 van de btw-richtlijn ter zake van de aftrek van de btw op de aankoop, verwerving, invoer, huur of leasing van sommige voertuigen. Dit besluit is gebaseerd op artikel 395 van de btw-richtlijn. Dit besluit betreft een machtiging die wordt verleend aan een lidstaat op diens eigen verzoek, en houdt geen enkele verplichting in. Gelet op de strikte beperking in tijd en werkingssfeer lijkt de bijzondere maatregel in verhouding te staan tot het beoogde doel. Overeenkomstig artikel 395 van de btw-richtlijn kan slechts van de normale btw-regels worden afgeweken indien de Raad een lidstaat daartoe op voorstel van de Commissie met eenparigheid van stemmen machtigt. Een besluit van de Raad is het enige geschikte instrument, aangezien het tot een individuele lidstaat kan worden gericht. GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING Het voorstel heeft geen negatieve gevolgen voor de EU-begroting. AANVULLENDE INFORMATIE Het voorstel bevat een vervalbepaling. 2010/0161 (NLE) Voorstel voor een UITVOERINGSBESLUIT VAN DE RAAD waarbij Polen wordt gemachtigd een bijzondere maatregel toe te passen die afwijkt van artikel 26, lid 1, onder a), en artikel 168 van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, Gelet op Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde[2], en met name op artikel 395, lid 1, Gezien het voorstel van de Europese Commissie, Overwegende hetgeen volgt: 1. Bij brief, ingekomen bij het secretariaat-generaal van de Commissie op 16 november 2009, heeft Polen verzocht om machtiging tot toepassing van een bijzondere maatregel die afwijkt van de bepalingen van Richtlijn 2006/112/EG met betrekking tot het recht op aftrek van de voorbelasting. 2. De Commissie heeft de overige lidstaten bij brief van 14 december 2009 van het Poolse verzoek in kennis gesteld. Bij brief van 17 december 2009 heeft de Commissie Polen meegedeeld dat zij over alle gegevens beschikte die zij nodig achtte voor de beoordeling van het verzoek. 3. Sommige voertuigen zijn zodanig ontworpen dat zij net zo goed voor privé- als voor bedrijfsdoeleinden kunnen worden gebruikt. Momenteel dient een belastingplichtige die voornemens is een voertuig waarvoor hij de btw op de aankoop geheel of gedeeltelijk heeft afgetrokken, voor privédoeleinden te gebruiken, btw over dat gebruik te voldoen. Het is evenwel niet gemakkelijk voor de belastingplichtige om de precieze omvang van dit privégebruik te bepalen, noch voor de belastingdienst om controle daarop uit te oefenen. 4. Om de belastinginning te vereenvoudigen, verzoekt Polen derhalve om een derogatie op grond waarvan het recht op aftrek ter zake van de aankoop van een voertuig dat zowel voor privé- als voor bedrijfsdoeleinden wordt gebruikt, kan worden beperkt tot 60% van de btw op de aankoop, verwerving, invoer, huur of leasing van sommige voertuigen. De belastingplichtige hoeft dan ook niet langer btw over het privégebruik van het voertuig te voldoen. 5. De bijzondere maatregel geldt uitsluitend voor voertuigen met een maximaal laadvermogen van meer dan 500 kg en een toegestaan maximumgewicht van 3,5 ton, en voor een btw-aftrek van niet meer dan 6 000 PLN. Dit plafond voor de btw-aftrek moet voorkomen dat er een overdreven aftrek plaatsvindt voor de btw op de aankoop of huur van luxeauto's, waarvan kan worden verwacht dat zij meer voor privédoeleinden worden gebruikt. Voertuigen die zijn ingericht voor bepaalde diensten, zoals wegenwachtvoertuigen, lijkwagens en laadvoertuigen, en voertuigen voor de wederverkoop of verhuur vallen niet onder de derogatie. 6. De machtiging geldt voor een beperkte periode en vervalt op 31 december 2013. Op basis van de ervaring die in de tussentijd wordt opgedaan, kan worden geëvalueerd of de derogatie nog langer gerechtvaardigd is. 7. De derogatie heeft geen negatieve gevolgen voor de eigen middelen van de Unie uit de btw, HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD: Artikel 1 In afwijking van artikel 168 van Richtlijn 2006/112/EG wordt Polen gemachtigd het recht op aftrek van de btw op de aankoop, verwerving, invoer, huur of leasing van voertuigen te beperken tot 60%, met een maximumbedrag van 6 000 PLN. Deze beperking geldt uitsluitend voor voertuigen met een maximaal laadvermogen van meer dan 500 kg en een toegestaan maximumgewicht van 3,5 ton. Artikel 2 Artikel 1 is niet van toepassing op de volgende categorieën van voertuigen: 8. voertuigen die zijn aangekocht met het oog op wederverkoop, verhuur of leasing; 9. voertuigen die zijn bestemd voor het vervoer van goederen, 10. voertuigen die zijn ingericht voor bepaalde diensten, 11. voertuigen die zijn ingericht voor het vervoer van ten minste 10 personen, de bestuurder daaronder begrepen. Artikel 3 In afwijking van artikel 26, lid 1, onder a), van Richtlijn 2006/112/EG wordt Polen gemachtigd het gebruik van een voertuig waarop de in artikel 1 van dit besluit bedoelde beperking van toepassing is, voor de privédoeleinden van een belastingplichtige of van zijn personeel, of, meer in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden, niet gelijk te stellen aan een dienst verricht onder bezwarende titel. Artikel 4 Dit besluit vervalt op 31 december 2013. Artikel 5 Dit besluit is gericht tot de Republiek Polen. Gedaan te Brussel, Voor de Raad De voorzitter [1] PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1. [2] PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1.