2004/17/EG: Beschikking van de Raad van 22 december 2003 tot wijziging van deel V, punt 1.4, van de Gemeenschappelijke Visuminstructies en deel I, punt 4.1.2, van het Gemeenschappelijk Handboek, namelijk de opneming onder de voor te leggen bewijsstukken van het bewijs van een reisverzekering tot dekking van ziektekosten ingeval een eenvormig inreisvisum wordt afgegeven
Publicatieblad Nr. L 005 van 09/01/2004 blz. 0079 - 0080
Beschikking van de Raad van 22 december 2003 tot wijziging van deel V, punt 1.4, van de Gemeenschappelijke Visuminstructies en deel I, punt 4.1.2, van het Gemeenschappelijk Handboek, namelijk de opneming onder de voor te leggen bewijsstukken van het bewijs van een reisverzekering tot dekking van ziektekosten ingeval een eenvormig inreisvisum wordt afgegeven (2004/17/EG) DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op Verordening (EG) nr. 789/2001 van de Raad van 24 april 2001 tot verlening van uitvoeringsbevoegdheden aan de Raad met betrekking tot bepaalde gedetailleerde voorschriften en praktische procedures voor de behandeling van visumaanvragen(1), Gelet op Verordening (EG) nr. 790/2001 van de Raad van 24 april 2001 tot verlening van uitvoeringsbevoegdheden aan de Raad met betrekking tot bepaalde gedetailleerde voorschriften en praktische procedures inzake de uitvoering van de controle en de bewaking aan de grenzen(2), Gezien het initiatief van de Helleense Republiek, Overwegende hetgeen volgt: (1) De Europese Raad van Tampere heeft in punt 22 van de conclusies beklemtoond dat "een actief gemeenschappelijk beleid inzake visa en valse documenten verder dient te worden ontwikkeld, met inbegrip van nauwere samenwerking tussen de consulaten van de Europese Unie in derde landen...". (2) Een essentiële voorwaarde voor de toepassing van het gemeenschappelijk beleid wat de afgifte van visa betreft, is een zo groot mogelijke harmonisatie van de voorwaarden voor de afgifte van visa, in het bijzonder op het gebied van de bewijsstukken die betrekking hebben op de middelen van bestaan en welke ter staving van de aanvragen worden voorgelegd. (3) Visumaanvragers moeten met de bewijsstukken waarom hun wordt verzocht, onder meer kunnen aantonen dat zij beschikken over een persoonlijke of groepsreisverzekering ter dekking van eventuele uitgaven voor repatriëring om medische redenen, dringende medische zorg en/of spoedbehandeling in een ziekenhuis tijdens hun verblijf op het grondgebied van de lidstaten die de bepalingen van het Schengenacquis volledig toepassen. (4) In beginsel moeten de aanvragers een verzekering in het land van verblijf afsluiten. Indien dit niet mogelijk is, moeten zij die verzekering in een ander land proberen af te sluiten. (5) Het is wenselijk te voorzien in uitzonderingen op de reisverzekeringsverplichting voor houders van diplomatieke paspoorten, dienstpaspoorten en andere officiële paspoorten, alsmede in de mogelijkheid om in het kader van de plaatselijke consulaire samenwerking aan te tonen dat onderdanen van bepaalde derde landen niet aan deze eis hoeven te voldoen. Daarnaast moeten de diplomatieke of consulaire posten die de aanvraag behandelen, de mogelijkheid hebben om in bepaalde gevallen wanneer zij dit dienstig achten, vrijstelling van die verplichting te verlenen. (6) Het is wenselijk dat een opmerking wordt aangebracht in de zone voor nationale gegevens van de visumsticker, om aan te geven dat de houder van het visum vrijgesteld is van de reisverzekeringsverplichting. Het Gemeenschappelijk Handboek dient te worden aangevuld met een bepaling dat, indien de houder aan de grensovergang geen bewijs van een dergelijke verzekering kan overleggen, de bevoegde ambtenaar moet nagaan of zo'n opmerking is aangebracht. (7) Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het Protocol betreffende de positie van Denemarken, dat is gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van deze beschikking en is het niet gebonden door of onderworpen aan de toepassing ervan. Aangezien er met deze beschikking wordt beoogd voort te bouwen op het Schengenacquis krachtens de bepalingen van titel IV van het derde deel van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, beslist Denemarken op grond van artikel 5 van genoemd protocol binnen een termijn van zes maanden nadat de Raad deze beschikking heeft vastgesteld, of het deze in zijn nationale wetgeving zal omzetten. (8) Wat IJsland en Noorwegen betreft, vormt deze beschikking een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis zoals bedoeld in de door de Raad van de Europese Unie, de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen gesloten overeenkomst inzake de wijze waarop deze twee staten worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis(3), die vallen onder artikel 1, punt A, van Besluit 1999/437/EG(4) inzake bepaalde toepassingsbepalingen van die overeenkomst. (9) Deze beschikking vormt een ontwikkeling van bepalingen van het Schengenacquis waaraan het Verenigd Koninkrijk niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2000/365/EG van de Raad van 29 mei 2000 betreffende het verzoek van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland deel te mogen nemen aan enkele van de bepalingen van het Schengenacquis(5); het Verenigd Koninkrijk neemt derhalve niet deel aan de aanneming van deze beschikking en is hieraan niet gebonden noch onderworpen aan de toepassing ervan. (10) Deze beschikking vormt een ontwikkeling van bepalingen van het Schengenacquis waaraan Ierland niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2002/192/EG van de Raad van 28 februari 2002 betreffende het verzoek van Ierland deel te mogen nemen aan enkele van de bepalingen van het Schengenacquis(6); Ierland neemt derhalve niet deel aan de aanneming van deze beschikking en is hieraan niet gebonden noch onderworpen aan de toepassing ervan. (11) Deze beschikking is een rechtshandeling die voortbouwt op het Schengenacquis of daaraan is verbonden zoals bedoeld in artikel 3, lid 2, van de Toetredingsakte van 2003, HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING VASTGESTELD: Artikel 1 Aan deel V, punt 1.4, tweede alinea, derde streepje, van de Gemeenschappelijke Visuminstructies wordt, na de term "(bijlage 7) (1)", het volgende toegevoegd: "Tevens dient de verzoeker, ter staving van het verzoek om afgifte van een visum voor een verblijf van korte duur, te bewijzen dat hij houder is van een toereikende, geldige persoonlijke of collectieve reisverzekering ter dekking van eventuele uitgaven voor repatriëring om medische redenen, dringende medische zorg en/of spoedbehandeling in een ziekenhuis. In beginsel moeten de aanvragers een verzekering in het land van verblijf afsluiten. Indien dit niet mogelijk is, moeten zij die verzekering in een ander land proberen te sluiten. Sluit de uitnodiger voor de aanvrager een verzekering af, dan moet hij zulks in zijn eigen woonplaats doen. De verzekering moet geldig zijn op het gehele grondgebied van de lidstaten die de bepalingen van het Schengenacquis volledig toepassen, en moet de hele duur van het verblijf van de betrokkene bestrijken. De minimumdekking bedraagt 30000 EUR. In beginsel dient het bewijs van deze verzekering te worden overgelegd bij de afgifte van het visum. De bevoegde diplomatieke of consulaire post die de visumaanvraag behandelt, kan besluiten dat aan deze verplichting is voldaan wanneer is aangetoond dat er op grond van de beroepssituatie van de aanvrager een voldoende verzekeringsdekking mag worden verondersteld. De diplomatieke of consulaire posten kunnen per geval besluiten tot vrijstelling van de betreffende verplichting voor de houders van diplomatieke paspoorten, dienstpaspoorten en andere officiële paspoorten of indien hiermee nationale, met de buitenlandse of ontwikkelingspolitiek verband houdende of andere belangrijke openbare belangen worden gediend. Tevens kunnen er uitzonderingen worden gemaakt op de verplichting om een bewijs van reisverzekering over te leggen, wanneer in het kader van de plaatselijke consulaire samenwerking wordt aangetoond dat het verkrijgen van een dergelijke verzekering voor de onderdanen van bepaalde derde landen niet mogelijk is. Bij de beoordeling of een verzekering toereikend is, kunnen de lidstaten verifiëren of schuldvorderingen op de verzekeringsmaatschappij invorderbaar zouden zijn in een lidstaat, Zwitserland of Liechtenstein;". Artikel 2 Aan het eind van deel I, punt 4.1.2, van het Gemeenschappelijk Handboek wordt de volgende alinea toegevoegd: "Overeenkomstig deel V, punt 1.4, tweede alinea, derde streepje, van de Gemeenschappelijke Visuminstructie dient de aanvrager, ter ondersteuning van de aanvraag om afgifte van een visum voor kort verblijf of reisvisum, te bewijzen dat hij houder is van een toereikende, geldige persoonlijke of collectieve reisverzekering ter dekking van eventuele uitgaven voor repatriëring om medische redenen, dringende medische zorg en/of spoedbehandeling in een ziekenhuis. Een visumplichtige onderdaan van een derde land kan echter vrijgesteld zijn van de bovengenoemde verplichting. In dat geval moet de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging dan wel de met de grenscontrole belaste autoriteit in de zone voor nationale gegevens van de visumsticker de opmerking 'GEEN VERZEKERING VEREIST' aanbrengen.". Artikel 3 Deze beschikking is van toepassing met ingang van 1 juni 2004. Deze beschikking is gericht tot de lidstaten, overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. Gedaan te Brussel, 22 december 2003. Voor de Raad De voorzitter A. Matteoli (1) PB L 116 van 26.4.2001, blz. 2. (2) PB L 116 van 26.4.2001, blz. 5. (3) PB L 176 van 10.7.1999, blz. 36. (4) PB L 176 van 10.7.1999, blz. 31. (5) PB L 131 van 1.6.2000, blz. 43. (6) PB L 64 van 7.3.2002, blz. 20.