<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><ORDER xmlns:fmx="http://opoce" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://formex.publications.europa.eu/schema/formex-05.58-20161101.xd"><BIB.ORDER><REF.CASE FILE="n.a."><NO.CASE>C-807/19</NO.CASE></REF.CASE><NO.CELEX>62019CO0807</NO.CELEX><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2020:967">EU:C:2020:967</NO.ECLI><NO.SEQ>0001</NO.SEQ><PAGE.FIRST.ECR>1</PAGE.FIRST.ECR><PAGE.SEQ>1</PAGE.SEQ><PAGE.LAST.ECR>13</PAGE.LAST.ECR><PAGE.TOTAL>13</PAGE.TOTAL><AUTHOR>CJ</AUTHOR></BIB.ORDER><CURR.TITLE><PAGE.HEADER><P><HT TYPE="SC">Beschikking van <DATE ISO="20201126">26. 11. 2020</DATE> – Zaak C‑807/19</HT></P><P><HT TYPE="SC">DSK Bank en FrontEx International</HT></P></PAGE.HEADER></CURR.TITLE><TITLE><TI><P><HT TYPE="UC">Beschikking van het Hof</HT> (Zesde kamer)</P><P><DATE ISO="20201126">26 november 2020</DATE><NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="STAR" NOTE.ID="E0001"><P>Procestaal: Bulgaars.</P></NOTE></P></TI></TITLE><INTERMEDIATE><INDEX IDX.CLOSE="”" SEPARATOR=" – " IDX.OPEN="„"><KEYWORD>Prejudiciële verwijzing</KEYWORD><KEYWORD>Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering</KEYWORD><KEYWORD>Bescherming van de consument</KEYWORD><KEYWORD>Richtlijn 93/13/EEG</KEYWORD><KEYWORD>Artikelen 3 en 6 tot en met 8</KEYWORD><KEYWORD>Richtlijn 2008/48/EG</KEYWORD><KEYWORD>Artikel 22</KEYWORD><KEYWORD>Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten</KEYWORD><KEYWORD>Onderzoek dat de nationale rechter ambtshalve verricht</KEYWORD><KEYWORD>Nationale betalingsbevelprocedure</KEYWORD></INDEX></INTERMEDIATE><ORDER.INIT><P>In zaak C‑807/19,</P><P>betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sofiyski rayonen sad (rechter in eerste aanleg Sofia, Bulgarije) bij beslissing van <DATE ISO="20191104">4 november 2019</DATE>, ingekomen bij het Hof op <DATE ISO="20191104">4 november 2019</DATE>, in de procedure ingeleid door</P></ORDER.INIT><PARTIES><P><HT TYPE="BOLD"><QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0001" ID="QS0001"/>DSK Bank<QUOT.END REF.START="QS0001" CODE="201D" ID="QE0001"/> EAD,</HT></P><P><HT TYPE="BOLD"><QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0002" ID="QS0002"/>FrontEx International<QUOT.END REF.START="QS0002" CODE="201D" ID="QE0002"/> EAD,</HT></P></PARTIES><P>geeft</P><PREAMBLE.GEN><PREAMBLE.INIT><P>HET HOF (Zesde kamer),</P><P>samengesteld als volgt: L. Bay Larsen, kamerpresident, C. Toader (rapporteur) en M. Safjan, rechters,</P><P>advocaat-generaal: M. Szpunar,</P><P>griffier: A. Calot Escobar,</P></PREAMBLE.INIT><GR.VISA><VISA>gezien de stukken,</VISA></GR.VISA><GR.CONSID><CONSID><P>gelet op de opmerkingen van:</P><LIST TYPE="NDASH"><ITEM><P><QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0003" ID="QS0003"/>DSK Bank<QUOT.END REF.START="QS0003" CODE="201D" ID="QE0003"/> EAD, vertegenwoordigd door V. Mihneva als gemachtigde,</P></ITEM><ITEM><P>de Europese Commissie, vertegenwoordigd door Y. G. Marinova, G. Goddin en N. Ruiz García als gemachtigden,</P></ITEM></LIST></CONSID></GR.CONSID><GR.VISA><VISA>gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,</VISA></GR.VISA><PREAMBLE.FINAL>de navolgende</PREAMBLE.FINAL></PREAMBLE.GEN><?PAGE NO="2"?><CONTENTS.ORDER><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><P><HT TYPE="BOLD">Beschikking</HT></P></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0001"><NO.P>1</NO.P><TXT>Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 6 tot en met 8 van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van <DATE ISO="19930405">5 april 1993</DATE> betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="095" PAGE.FIRST="29" DATE.PUB="1993">PB 1993, L 95, blz. 29</REF.DOC.OJ>) en van artikel 22, lid 1, van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van <DATE ISO="20080423">23 april 2008</DATE> inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="133" PAGE.FIRST="66" DATE.PUB="2008">PB 2008, L 133, blz. 66</REF.DOC.OJ>).</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0002"><NO.P>2</NO.P><TXT>Dit verzoek is ingediend in het kader van twee gedingen tussen respectievelijk <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0004" ID="QS0004"/>DSK Bank<QUOT.END REF.START="QS0004" CODE="201D" ID="QE0004"/> EAD en <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0005" ID="QS0005"/>FrontEx International<QUOT.END REF.START="QS0005" CODE="201D" ID="QE0005"/> EAD, enerzijds, en consumenten, die geen partij zijn bij de procedure, anderzijds, in het kader van betalingsbevelprocedures.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><P><HT TYPE="BOLD">Toepasselijke bepalingen</HT></P></TI></TITLE><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">Unierecht</HT></HT></P></TI></TITLE><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><P><HT TYPE="ITALIC">Richtlijn 93/13</HT></P></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0003"><NO.P>3</NO.P><TXT>Artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 bepaalt:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><ALINEA><QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0006" ID="QS0006"/>Een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.<QUOT.END REF.START="QS0006" CODE="201D" ID="QE0006"/></ALINEA></QUOT.S></P></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0004"><NO.P>4</NO.P><TXT>Artikel 6 van die richtlijn luidt:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><PARAG IDENTIFIER="006.001"><NO.PARAG><QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0007" ID="QS0007"/>1.</NO.PARAG><ALINEA>De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.</ALINEA></PARAG><PARAG IDENTIFIER="006.002"><NO.PARAG>2.</NO.PARAG><ALINEA>De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de consument de door deze richtlijn geboden bescherming niet wordt ontzegd door de keuze van het recht van een derde land als recht dat op de overeenkomst van toepassing is, wanneer er een nauwe band bestaat tussen de overeenkomst en het grondgebied van een lidstaat.<QUOT.END REF.START="QS0007" CODE="201D" ID="QE0007"/></ALINEA></PARAG></QUOT.S></P></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0005"><NO.P>5</NO.P><TXT>Artikel 7, lid 1, van die richtlijn bepaalt:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><ALINEA><QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0008" ID="QS0008"/>De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.<QUOT.END REF.START="QS0008" CODE="201D" ID="QE0008"/></ALINEA></QUOT.S></P></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0006"><NO.P>6</NO.P><TXT>Artikel 8 van die richtlijn luidt:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><ALINEA><QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0009" ID="QS0009"/>Ter verhoging van het beschermingsniveau van de consument kunnen de lidstaten op het onder deze richtlijn vallende gebied strengere bepalingen aannemen of handhaven, voor zover deze verenigbaar zijn met het Verdrag.<QUOT.END REF.START="QS0009" CODE="201D" ID="QE0009"/></ALINEA></QUOT.S></P></NP.ECR></GR.SEQ><?PAGE NO="3"?><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><P><HT TYPE="ITALIC">Richtlijn 2008/48</HT></P></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0007"><NO.P>7</NO.P><TXT>De overwegingen 9 en 10 van richtlijn 2008/48 luiden:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><CONSID><NP><NO.P><QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0010" ID="QS0010"/>(9)</NO.P><TXT>Volledige harmonisatie is nodig om te waarborgen dat alle consumenten in de Gemeenschap een hoog en gelijkwaardig niveau van bescherming van hun belangen genieten en om een echte interne markt te creëren. Het mag de lidstaten derhalve niet worden toegestaan andere nationale bepalingen te handhaven of in te voeren dan er in deze richtlijn zijn vastgelegd. Deze beperking moet echter alleen gelden voor door deze richtlijn geharmoniseerde bepalingen. Wanneer zulke geharmoniseerde bepalingen niet bestaan, moeten de lidstaten de vrijheid houden om nationale wetgeving te handhaven of in te voeren. Zo kunnen de lidstaten bijvoorbeeld nationale bepalingen handhaven of invoeren inzake de hoofdelijke aansprakelijkheid van de verkoper of de aanbieder van diensten en de kredietgever. Een ander voorbeeld van deze mogelijkheid voor de lidstaten is het handhaven of invoeren van nationale bepalingen over het annuleren van een koop‑ of dienstverleningsovereenkomst indien de consument gebruikmaakt van zijn recht van herroeping van de kredietovereenkomst. Op dit punt moet de lidstaten in het geval van kredietovereenkomsten met onbepaalde looptijd de mogelijkheid worden geboden om een minimumtermijn vast te stellen tussen het moment waarop de kredietgever om aflossing verzoekt en de dag waarop het krediet moet worden afgelost.</TXT></NP></CONSID><CONSID><NP><NO.P>(10)</NO.P><TXT>De in deze richtlijn vervatte definities bepalen het toepassingsgebied van de harmonisatie. De verplichting voor de lidstaten om uitvoering te geven aan de bepalingen van deze richtlijn dient derhalve te worden beperkt tot het toepassingsgebied zoals dat door deze definities is omschreven. Deze richtlijn mag de lidstaten evenwel niet beletten de bepalingen van de richtlijn overeenkomstig het gemeenschapsrecht toe te passen op gebieden die niet onder het toepassingsgebied ervan vallen. [...]<QUOT.END REF.START="QS0010" CODE="201D" ID="QE0010"/></TXT></NP></CONSID></QUOT.S></P></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0008"><NO.P>8</NO.P><TXT>Artikel 10 van die richtlijn, met als opschrift <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0011" ID="QS0011"/>In de kredietovereenkomst te vermelden informatie<QUOT.END REF.START="QS0011" CODE="201D" ID="QE0011"/>, bevat in lid 2 een aantal elementen die in de kredietovereenkomst op duidelijke en beknopte wijze moeten worden vermeld.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0009"><NO.P>9</NO.P><TXT>Artikel 17 van die richtlijn bepaalt:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><PARAG IDENTIFIER="017.001"><NO.PARAG><QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0012" ID="QS0012"/>1.</NO.PARAG><ALINEA>Indien de rechten die de kredietgever op grond van de kredietovereenkomst heeft, dan wel de overeenkomst zelf, aan een derde worden overgedragen, kan de consument jegens de nieuwe houder de excepties en verweermiddelen opwerpen die hem jegens de oorspronkelijke kredietgever ter beschikking stonden, met inbegrip van schuldvergelijking, mits deze in de betrokken lidstaat is toegestaan.</ALINEA></PARAG><PARAG IDENTIFIER="017.002"><NO.PARAG>2.</NO.PARAG><ALINEA>De consument wordt geïnformeerd over de in lid 1 bedoelde overdracht, behalve indien de oorspronkelijke kredietgever, in overleg met de nieuwe houder van de schuldvordering, tegenover de consument het krediet verder beheert.<QUOT.END REF.START="QS0012" CODE="201D" ID="QE0012"/></ALINEA></PARAG></QUOT.S></P></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0010"><NO.P>10</NO.P><TXT>Artikel 22, lid 1, van die richtlijn luidt:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><ALINEA><QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0013" ID="QS0013"/>In zoverre deze richtlijn geharmoniseerde bepalingen bevat, mogen de lidstaten geen bepalingen handhaven of invoeren in hun nationale wetgeving die afwijken van die welke in deze richtlijn zijn vastgesteld.<QUOT.END REF.START="QS0013" CODE="201D" ID="QE0013"/></ALINEA></QUOT.S></P></NP.ECR></GR.SEQ></GR.SEQ><?PAGE NO="4"?><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">Bulgaars recht</HT></HT></P></TI></TITLE><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><P><HT TYPE="ITALIC">GPK</HT></P></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0011"><NO.P>11</NO.P><TXT>Artikel 410, leden 1 en 2, van de grazhdanski protsesualen kodeks (Bulgaars wetboek van burgerlijke rechtsvordering), zoals gepubliceerd in DV nr. 83 van <DATE ISO="20191022">22 oktober 2019</DATE> (hierna: <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0014" ID="QS0014"/>GPK<QUOT.END REF.START="QS0014" CODE="201D" ID="QE0014"/>), bepaalt:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><PARAG IDENTIFIER="410.001"><NO.PARAG><QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0015" ID="QS0015"/>(1)</NO.PARAG><ALINEA><P>De schuldeiser kan een verzoek om een betalingsbevel indienen:</P><P>1. op grond van een geldvordering of vordering betreffende vervangbare zaken, voor zover de Rayonen sad [(rechter in eerste aanleg)] voor die vordering bevoegd is;</P><P>[...]</P></ALINEA></PARAG><PARAG IDENTIFIER="410.002"><NO.PARAG>(2)</NO.PARAG><ALINEA>Het verzoekschrift moet een verzoek om een executoriale titel bevatten en voldoen aan de voorwaarden van artikel 127, leden 1 en 3, en artikel 128, punten 1 en 2. In dat verzoek moet een bankrekening of ander betaalmiddelen worden opgegeven.<QUOT.END REF.START="QS0015" CODE="201D" ID="QE0015"/></ALINEA></PARAG></QUOT.S></P></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0012"><NO.P>12</NO.P><TXT>Artikel 411 GPK luidt:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><PARAG IDENTIFIER="411.001"><NO.PARAG><QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0016" ID="QS0016"/>(1)</NO.PARAG><ALINEA>Het verzoek moet worden ingediend bij de Rayonen sad in het district waar de schuldenaar zijn vaste woonadres of vestigingsadres heeft. De rechter gaat binnen drie dagen ambtshalve na of hij ratione loci bevoegd is. [...]</ALINEA></PARAG><PARAG IDENTIFIER="411.002"><NO.PARAG>(2)</NO.PARAG><ALINEA><P>De rechter onderzoekt het verzoek tijdens een terechtzitting inzake de procedurele aspecten en vaardigt binnen de in lid 1 bepaalde termijn een betalingsbevel uit, tenzij:</P><P><LIST TYPE="ARAB"><ITEM><NP><NO.P>1.</NO.P><TXT>het verzoek niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 410 en de verzoeker die tekortkomingen niet binnen drie dagen na kennisgeving ervan verhelpt;</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>2.</NO.P><TXT>het verzoek in strijd is met de wet of de goede zeden;</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>3.</NO.P><TXT>de schuldenaar geen vast woonadres of vestigingsadres heeft op het grondgebied van de Republiek Bulgarije;</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>4.</NO.P><TXT>de schuldenaar zijn gewone verblijfplaats niet op het grondgebied van de Republiek Bulgarije heeft of zijn activiteit niet op het grondgebied van de Republiek Bulgarije uitoefent.</TXT></NP></ITEM></LIST></P></ALINEA></PARAG><PARAG IDENTIFIER="411.003"><NO.PARAG>(3)</NO.PARAG><ALINEA>Indien het verzoek wordt toegewezen, vaardigt de rechter een betalingsbevel uit dat aan de schuldenaar wordt betekend.<QUOT.END REF.START="QS0016" CODE="201D" ID="QE0016"/></ALINEA></PARAG></QUOT.S></P></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0013"><NO.P>13</NO.P><TXT>Artikel 414, leden 1 en 2, bepaalt:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><PARAG IDENTIFIER="414.001"><NO.PARAG><QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0017" ID="QS0017"/>(1)</NO.PARAG><ALINEA>De schuldenaar kan schriftelijk verzet doen tegen het betalingsbevel of onderdelen daarvan. Behoudens in de in artikel 414a bedoelde gevallen hoeft dit verzet niet te worden gemotiveerd.</ALINEA></PARAG><PARAG IDENTIFIER="414.002"><NO.PARAG>(2)</NO.PARAG><ALINEA>Verzet moet binnen een termijn van twee weken na betekening van het bevel worden aangetekend. Deze termijn kan niet worden verlengd.<QUOT.END REF.START="QS0017" CODE="201D" ID="QE0017"/></ALINEA></PARAG></QUOT.S></P></NP.ECR><?PAGE NO="5"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0014"><NO.P>14</NO.P><TXT>Artikel 418, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging betreft, luidt:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><PARAG IDENTIFIER="418.001"><NO.PARAG><QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0018" ID="QS0018"/>(1)</NO.PARAG><ALINEA>Wanneer het verzoek vergezeld gaat van een in artikel 417 bedoeld document waarop de schuldvordering is gebaseerd, kan de schuldeiser de rechter verzoeken om de onmiddellijke tenuitvoerlegging te gelasten en een executoriale titel af te geven.</ALINEA></PARAG><PARAG IDENTIFIER="418.002"><NO.PARAG>(2)</NO.PARAG><ALINEA>De executoriale titel wordt afgegeven nadat de rechter de formele regelmatigheid van het document is nagegaan en heeft vastgesteld dat dit document het bewijs is van een uitvoerbare schuldvordering jegens de schuldenaar. [...]<QUOT.END REF.START="QS0018" CODE="201D" ID="QE0018"/></ALINEA></PARAG></QUOT.S></P></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0015"><NO.P>15</NO.P><TXT>Artikel 419, leden 1 tot en met 3, bepaalt:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><PARAG IDENTIFIER="419.001"><NO.PARAG><QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0019" ID="QS0019"/>(1)</NO.PARAG><ALINEA>Tegen de beschikking waarbij een verzoek tot onmiddellijke tenuitvoerlegging wordt toegewezen kan afzonderlijk beroep worden ingesteld. Dit beroep moet binnen een termijn van twee weken na de betekening van het betalingsbevel worden ingesteld.</ALINEA></PARAG><PARAG IDENTIFIER="419.002"><NO.PARAG>(2)</NO.PARAG><ALINEA>Het afzonderlijke beroep tegen deze beschikking tot onmiddellijke tenuitvoerlegging moet worden ingesteld op het ogenblik dat verzet wordt aangetekend tegen het uitgevaardigde betalingsbevel. Dit beroep kan alleen worden gebaseerd op overwegingen die inherent zijn aan de in artikel 417 bedoelde documenten.</ALINEA></PARAG><PARAG IDENTIFIER="419.003"><NO.PARAG>(3)</NO.PARAG><ALINEA>Het instellen van beroep tegen de beschikking tot onmiddellijke tenuitvoerlegging schorst de tenuitvoerlegging niet.<QUOT.END REF.START="QS0019" CODE="201D" ID="QE0019"/></ALINEA></PARAG></QUOT.S></P></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0016"><NO.P>16</NO.P><TXT>Artikel 420, met als opschrift <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0020" ID="QS0020"/>Schorsing van de tenuitvoerlegging<QUOT.END REF.START="QS0020" CODE="201D" ID="QE0020"/>, luidt:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><PARAG IDENTIFIER="420.001"><NO.PARAG><QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0021" ID="QS0021"/>(1)</NO.PARAG><ALINEA>Het verzet tegen het betalingsbevel schorst de gedwongen tenuitvoerlegging niet in de gevallen van artikel 417, punten 1 tot en met 9, behalve wanneer de schuldenaar de schuldeiser een passende waarborg verstrekt volgens de regeling van de artikelen 180 en 181 van de zakon za zadalzheniyata i dogovorite [(Bulgaarse wet op de verbintenissen en de overeenkomsten)].</ALINEA></PARAG><PARAG IDENTIFIER="420.002"><NO.PARAG>(2)</NO.PARAG><ALINEA>Wanneer binnen de termijn om verzet aan te tekenen een met schriftelijke bewijzen gestaafd verzoek tot schorsing wordt ingediend, kan het gerecht dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging heeft gelast, deze schorsen, zelfs wanneer geen waarborg in de zin van lid 1 wordt verstrekt.</ALINEA></PARAG><PARAG IDENTIFIER="420.003"><NO.PARAG>(3)</NO.PARAG><ALINEA>Tegen de beslissing die wordt genomen op het verzoek tot schorsing kan afzonderlijk beroep worden ingesteld.<QUOT.END REF.START="QS0021" CODE="201D" ID="QE0021"/></ALINEA></PARAG></QUOT.S></P></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><P><HT TYPE="ITALIC">Wet tot wijziging en aanvulling van de GPK</HT></P></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0017"><NO.P>17</NO.P><TXT>De zakon za izmenenie i dopalnenie na GPK (Bulgaarse wet tot wijziging en aanvulling van de GPK), zoals gepubliceerd in DV nr. 100 van <DATE ISO="20191220">20 december 2019</DATE> (hierna: <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0022" ID="QS0022"/>wet tot wijziging van de GPK<QUOT.END REF.START="QS0022" CODE="201D" ID="QE0022"/>), bepaalt:</TXT><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0023" ID="QS0023"/>§ 1. Aan artikel 7 [GPK] wordt het volgende lid 3 toegevoegd:</P><P><QUOT.START CODE="201A" REF.END="QE0024" ID="QS0024"/>(3) De rechter gaat ambtshalve na of er sprake is van oneerlijke bedingen in een overeenkomst met een consument. Hij geeft de partijen de mogelijkheid om opmerkingen over deze vragen te formuleren.<QUOT.END REF.START="QS0024" CODE="2019" ID="QE0024"/></P><P>[...]<QUOT.END REF.START="QS0023" CODE="201D" ID="QE0023"/></P></QUOT.S></NP.ECR><?PAGE NO="6"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0018"><NO.P>18</NO.P><TXT>Die wet voegt aan artikel 410 GPK het volgende lid 3 toe:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><ALINEA><QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0025" ID="QS0025"/>Wanneer de schuldvordering ontstaat uit een overeenkomst met een consument, wordt de overeenkomst, indien het een schriftelijke overeenkomst betreft, bij het verzoekschrift gevoegd, samen met alle aanhangsels en bijlagen, alsook – in voorkomend geval – de toepasselijke algemene voorwaarden.<QUOT.END REF.START="QS0025" CODE="201D" ID="QE0025"/></ALINEA></QUOT.S></P></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0019"><NO.P>19</NO.P><TXT>Die wet voegt aan artikel 411, lid 2, GPK een nieuw punt 3 toe:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0026" ID="QS0026"/>De rechter onderzoekt het verzoek tijdens een terechtzitting inzake de procedurele aspecten en vaardigt binnen de in lid 1 bepaalde termijn een betalingsbevel uit, tenzij:</P><P>[...]</P><PARAG IDENTIFIER="411.003"><NO.PARAG>3.</NO.PARAG><ALINEA>het verzoek is gebaseerd op een oneerlijk beding in een overeenkomst met een consument, of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat er sprake is van een dergelijk beding<QUOT.END REF.START="QS0026" CODE="201D" ID="QE0026"/>.</ALINEA></PARAG></QUOT.S></P></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0020"><NO.P>20</NO.P><TXT>Bij deze wet wordt artikel 417 GPK als volgt gewijzigd en aangevuld:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><PARAG IDENTIFIER="417.001"><NO.PARAG><QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0027" ID="QS0027"/>1.</NO.PARAG><ALINEA>In punt 2 worden de bewoordingen <QUOT.START CODE="201A" REF.END="QE0028" ID="QS0028"/>de gemeenten en de banken<QUOT.END REF.START="QS0028" CODE="2019" ID="QE0028"/> vervangen door: <QUOT.START CODE="201A" REF.END="QE0029" ID="QS0029"/>en de gemeenten, of een uittreksel uit de boekhouding van de bank, waarbij het document waaruit de schuldvordering van de bank voortvloeit wordt gevoegd, alsook alle bijlagen erbij, met inbegrip van de toepasselijke algemene voorwaarden<QUOT.END REF.START="QS0029" CODE="2019" ID="QE0029"/>.</ALINEA></PARAG><PARAG IDENTIFIER="417.002"><NO.PARAG>2.</NO.PARAG><ALINEA>Aan punt 10 wordt de volgende tweede zin toegevoegd: <QUOT.START CODE="201A" REF.END="QE0030" ID="QS0030"/>Wanneer het stuk aan order de waarborg vormt voor een schuldvordering die voortvloeit uit een overeenkomst met een consument, dient de overeenkomst, indien het een schriftelijke overeenkomst betreft, bij het verzoekschrift te worden gevoegd, samen met alle bijlagen, met inbegrip van de toepasselijke algemene voorwaarden.<QUOT.END REF.START="QS0030" CODE="2019" ID="QE0030"/><QUOT.END REF.START="QS0027" CODE="201D" ID="QE0027"/></ALINEA></PARAG></QUOT.S></P></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0021"><NO.P>21</NO.P><TXT>De wet tot wijziging van de GPK heeft artikel 420, leden 1 en 2, GPK als volgt aangevuld:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><PARAG IDENTIFIER="420.001"><NO.PARAG><QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0031" ID="QS0031"/>(1)</NO.PARAG><ALINEA>Het verzet tegen het betalingsbevel schorst de gedwongen tenuitvoerlegging niet in de gevallen van artikel 417, punten 1 tot en met 9, behalve wanneer de schuldenaar de schuldeiser een passende waarborg verstrekt volgens de regeling van de artikelen 180 en 181 van de wet op de verbintenissen en de overeenkomsten. Wanneer de schuldenaar een consument is, bedraagt de waarborg niet meer dan een derde van de schuldvordering.</ALINEA></PARAG><PARAG IDENTIFIER="420.002"><NO.PARAG>(2)</NO.PARAG><ALINEA><P>Het gerecht dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging heeft gelast, kan deze schorsen, zelfs wanneer geen waarborg in de zin van lid 1 wordt verstrekt, wanneer een verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging is ingediend dat wordt gestaafd met schriftelijke bewijzen waaruit blijkt dat:</P><P>1. de schuldvordering niet verschuldigd is;</P><P>2. de schuldvordering berust op een oneerlijk beding in een overeenkomst met een consument;</P><P>3. het bedrag van de schuldvordering die krachtens de overeenkomst met de consument verschuldigd is, onjuist is berekend.<QUOT.END REF.START="QS0031" CODE="201D" ID="QE0031"/></P></ALINEA></PARAG></QUOT.S></P></NP.ECR></GR.SEQ><?PAGE NO="7"?><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><P><HT TYPE="ITALIC">Wet inzake consumentenkredietovereenkomsten</HT></P></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0022"><NO.P>22</NO.P><TXT>Artikel 10 van de zakon za potrebitelskia kredit (Bulgaarse wet inzake consumentenkredietovereenkomsten), in de versie die gold ten tijde van de feiten van de hoofdgedingen (DV nr. 17 van <DATE ISO="20190226">26 februari 2019</DATE>), waarbij richtlijn 2008/48 is omgezet, bepaalt in lid 1:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><ALINEA><QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0032" ID="QS0032"/>De consumentenkredietovereenkomst wordt schriftelijk gesloten, op papier of op een andere duurzame drager, duidelijk en begrijpelijk, en alle elementen van de overeenkomst moeten in een uniform lettertype met hetzelfde formaat en dezelfde lettergrootte van minstens 12 worden voorgesteld. De overeenkomst wordt opgemaakt in twee exemplaren; één exemplaar voor elke partij bij de overeenkomst.<QUOT.END REF.START="QS0032" CODE="201D" ID="QE0032"/></ALINEA></QUOT.S></P></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0023"><NO.P>23</NO.P><TXT>Artikel 26 van die wet bepaalt:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><PARAG IDENTIFIER="026.001"><NO.PARAG><QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0033" ID="QS0033"/>(1)</NO.PARAG><ALINEA>De schuldeiser kan de schuldvordering die voortvloeit uit de consumentenkredietovereenkomst slechts aan een derde overdragen indien die overeenkomst in deze mogelijkheid voorziet.</ALINEA></PARAG><PARAG IDENTIFIER="026.002"><NO.PARAG>(2)</NO.PARAG><ALINEA>Wanneer de schuldeiser de schuldvordering die voortvloeit uit de consumentenkredietovereenkomst aan een derde overdraagt, kan de consument jegens deze derde alle bezwaren aanvoeren die hij jegens de oorspronkelijke schuldeiser kon aanvoeren, met inbegrip van de exceptie van schuldvergelijking.<QUOT.END REF.START="QS0033" CODE="201D" ID="QE0033"/></ALINEA></PARAG></QUOT.S></P></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0024"><NO.P>24</NO.P><TXT>Artikel 33 van die wet luidt:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><PARAG IDENTIFIER="033.001"><NO.PARAG><QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0034" ID="QS0034"/>(1)</NO.PARAG><ALINEA>In geval van betalingsachterstand van de consument heeft de schuldeiser alleen voor het onbetaald gebleven bedrag recht op interest; deze interest wordt berekend voor de duur van de betalingsachterstand.</ALINEA></PARAG><PARAG IDENTIFIER="033.002"><NO.PARAG>(2)</NO.PARAG><ALINEA>Wanneer de consument achterstaat op de betalingen die hij krachtens het krediet verschuldigd is, mogen de boeten wegens betalingsachterstand niet hoger zijn dan de wettelijke interest.</ALINEA></PARAG><PARAG IDENTIFIER="033.003"><NO.PARAG>(3)</NO.PARAG><ALINEA>De schuldeiser kan een gedeeltelijke betaling van het consumentenkrediet niet weigeren.<QUOT.END REF.START="QS0034" CODE="201D" ID="QE0034"/></ALINEA></PARAG></QUOT.S></P></NP.ECR></GR.SEQ></GR.SEQ></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><P><HT TYPE="BOLD">Hoofdgedingen en prejudiciële vragen</HT></P></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0025"><NO.P>25</NO.P><TXT>In de zaak over DSK Bank heeft deze bank de verwijzende rechter verzocht om op basis van een uittreksel uit haar boekhouding van <DATE ISO="20191003">3 oktober 2019</DATE> een onmiddellijk uitvoerbaar betalingsbevel af te geven jegens een consument die geen partij is bij de procedure.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0026"><NO.P>26</NO.P><TXT>DSK Bank heeft aangevoerd dat zij op <DATE ISO="20180308">8 maart 2018</DATE> een consumentenkredietovereenkomst had gesloten met deze consument, die 17 maanden betalingsachterstand had, van <DATE ISO="20180320">20 maart 2018</DATE> tot en met <DATE ISO="20190720">20 juli 2019</DATE>. Het opgegeven bedrag voor de laatste verschuldigde betaling was hoger dan de vorige, namelijk 564,44 Bulgaarse lev (BGN) (ongeveer 288 EUR), in plaats van 167,23 BGN (ongeveer 85 EUR), zonder dat dit werd uitgelegd.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0027"><NO.P>27</NO.P><TXT>DSK Bank heeft ook een kopie van een andere, op <DATE ISO="20180225">25 februari 2018</DATE> gesloten consumentenkredietovereenkomst overgelegd, die was bestemd voor de financiering van een gsm en een levensverzekeringspremie met de bank als begunstigde. Deze overeenkomst bevatte de voorwaarden voor de verkrijging en de terugbetaling van het krediet, namelijk de betaling van 18 maandelijkse aflossingen, alsook de algemene voorwaarden, en was door de consument ondertekend.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="8"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0028"><NO.P>28</NO.P><TXT>In de zaak aangaande FrontEx International stelt deze onderneming dat zij middels een overeenkomst tot overdracht van een schuldvordering van de onderneming City Cash een schuldvordering heeft verkregen jegens een consument die op <DATE ISO="20160715">15 juli 2016</DATE> een kredietovereenkomst met laatstgenoemde onderneming had gesloten. FrontEx International heeft bij de verwijzende rechter zonder enig document over te leggen een verzoek om een betalingsbevel jegens deze consument ingediend.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0029"><NO.P>29</NO.P><TXT>In beide bij hem aanhangige zaken vermoedt de verwijzende rechter dat er sprake is van oneerlijke bedingen in de consumentenkredietovereenkomsten, en wil hij de aan de schuldvorderingen ten grondslag liggende overeenkomsten kunnen onderzoeken.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0030"><NO.P>30</NO.P><TXT>Hij geeft echter in de eerste plaats aan dat bevelprocedures op grond van het Bulgaarse recht summier en eenzijdig verlopen, zodat de consument vóór het bevel wordt uitgevaardigd geen mogelijkheid heeft om zich ertegen te verzetten.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0031"><NO.P>31</NO.P><TXT>In de tweede plaats vermeldt deze rechter de rechtspraak van de Varhoven kasatsionen sad (hoogste rechterlijke instantie, Bulgarije), waaruit met name blijkt dat de rechtbank, ten eerste, in het kader van een betalingsbevelprocedure op grond van artikel 410 GPK geen bewijzen verzamelt, aangezien het doel van de procedure er niet in bestaat om het bestaan van de schuldvordering zelf vast te stellen, maar alleen om na te gaan of deze schuldvordering betwist wordt en, ten tweede, zich in het kader van een betalingsbevelprocedure op grond van artikel 417 GPK uitspreekt op basis van het door de verzoeker overgelegde document, aangezien deze rechtbank geen andere stukken dan de in dit artikel bedoelde documenten mag onderzoeken.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0032"><NO.P>32</NO.P><TXT>In de derde plaats zet deze rechter uiteen dat de rechters van de Sofiyski rayonen sad (rechter in eerste aanleg Sofia, Bulgarije), gelet op hun werklast, niet in staat zijn om na te gaan of de consumentenkredietovereenkomsten die bij de verzoekschriften tot afgifte van betalingsbevelen worden gevoegd, oneerlijke bedingen bevatten.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0033"><NO.P>33</NO.P><TXT>Daarop heeft de Sofiyski rayonen sad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><LIST TYPE="OTHER"><ITEM><NP><NO.P><QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0035" ID="QS0035"/>1)</NO.P><TXT>Levert de omstandigheid dat een nationale rechterlijke instantie met een aanzienlijk hogere werklast kampt dan andere rechterlijke instanties in dezelfde aanleg en dat deze rechterlijke instantie hierdoor wordt belet de haar overgelegde documenten op grond waarvan een voorlopige tenuitvoerlegging moet of kan worden bevolen te onderzoeken en tegelijkertijd binnen een redelijke termijn ter zake uitspraak te doen, als zodanig schending op van het Unierecht inzake consumentenbescherming of van andere grondrechten?</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>2)</NO.P><TXT>Moet de nationale rechterlijke instantie weigeren uitspraken te doen die kunnen leiden tot een tenuitvoerlegging wanneer de consument daartegen geen verzet aantekent, indien zij ernstige vermoedens heeft dat het verzoek berust op een oneerlijk beding in een consumentenovereenkomst, ook indien daarvoor overtuigend bewijs in het dossier ontbreekt?</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>3)</NO.P><TXT>Indien de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord: mag de nationale rechterlijke instantie, voor zover zij dergelijke vermoedens koestert, aanvullend bewijsmateriaal verlangen van de verkoper die partij is bij de overeenkomst, ook wanneer zij volgens nationaal recht in het kader van een procedure waarin een mogelijk uitvoerbare uitspraak wordt gedaan daartoe niet bevoegd is zolang de schuldenaar geen verzet aantekent?</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>4)</NO.P><TXT>Gelden de vereisten krachtens het Unierecht in samenhang met de richtlijnen tot harmonisatie van het consumentenrecht inzake een door de nationale rechterlijke instantie ambtshalve te verrichten vaststelling van bepaalde omstandigheden ook in gevallen waarin de nationale wetgever de<?PAGE NO="9"?> consumenten aanvullende bescherming (meer rechten) toekent bij een nationale wet tot uitvoering van een bepaling van een richtlijn die de toekenning van een dergelijke versterkte bescherming toestaat?<QUOT.END REF.START="QS0035" CODE="201D" ID="QE0035"/></TXT></NP></ITEM></LIST></QUOT.S></P></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0034"><NO.P>34</NO.P><TXT>De verwijzende rechter heeft het Hof ook verzocht om deze zaak overeenkomstig artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof volgens de versnelde procedure te behandelen.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><P><HT TYPE="BOLD">Procedure bij het Hof</HT></P></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0035"><NO.P>35</NO.P><TXT>Bij beslissing van de president van het Hof van <DATE ISO="20191203">3 december 2019</DATE> is het verzoek om overeenkomstig artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof uitspraak te doen volgens de versnelde procedure afgewezen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0036"><NO.P>36</NO.P><TXT>In herinnering zij immers gebracht dat het vereiste van het nationale recht om de bij de verwijzende rechter aanhangige zaken snel te beslechten, op zich niet kan volstaan als rechtvaardiging om overeenkomstig artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering een versnelde procedure toe te passen (beschikkingen van de president van het Hof van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20151223">23 december 2015</DATE>, <NAME.CASE>Vilkas</NAME.CASE>, <NO.CASE>C‑640/15</NO.CASE>, niet gepubliceerd, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2015:862">EU:C:2015:862</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0008">8</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>, en <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20160608">8 juni 2016</DATE>, <NAME.CASE>Garrett Pontes Pedroso</NAME.CASE>, <NO.CASE>C‑242/16</NO.CASE>, niet gepubliceerd, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:432">EU:C:2016:432</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0014">14</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0037"><NO.P>37</NO.P><TXT>Voorts is het vaste rechtspraak dat zuiver economische belangen, hoe gewichtig en legitiem deze ook zijn, op zich de toepassing van een versnelde procedure niet kunnen rechtvaardigen, ook al is de schuldenaar een consument (beschikking van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20180410">10 april 2018</DATE>, <NAME.CASE>Del Moral Guasch</NAME.CASE>, <NO.CASE>C‑125/18</NO.CASE>, niet gepubliceerd, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2018:253">EU:C:2018:253</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0011">11</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> en aldaar aangehaalde rechtspraak).</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0038"><NO.P>38</NO.P><TXT>Ook het enkele belang van de justitiabelen dat de draagwijdte van de rechten die zij aan het Unierecht ontlenen zo snel mogelijk wordt vastgesteld, hoe gewichtig en legitiem dat belang ook is, of het feit dat het hoofdgeding economisch of sociaal gevoelig ligt, betekent op zich niet dat de zaak binnen korte termijnen moet worden behandeld in de zin van artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof (beschikkingen van de president van het Hof van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20160413">13 april 2016</DATE>, <NAME.CASE>Indėlių ir investicijų draudimas</NAME.CASE>, <NO.CASE>C‑109/16</NO.CASE>, niet gepubliceerd, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:267">EU:C:2016:267</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0008">8</REF.NP.ECR> en <REF.NP.ECR REF="NP0009">9</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>, en <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20160215">15 februari 2016</DATE>, <NAME.CASE>Anisimovienė e.a</NAME.CASE>., <NO.CASE>C‑688/15</NO.CASE>, niet gepubliceerd, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2016:92">EU:C:2016:92</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0008">8</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> en aldaar aangehaalde rechtspraak).</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0039"><NO.P>39</NO.P><TXT>Bij beschikking van <DATE ISO="20200528">28 mei 2020</DATE>, ingekomen bij de griffie van het Hof op <DATE ISO="20200603">3 juni 2020</DATE>, verduidelijkt de verwijzende rechter de wijzigingen die in de GPK zijn aangebracht bij de wet tot wijziging daarvan, en die op <DATE ISO="20191224">24 december 2019</DATE> in werking zijn getreden. Bij beslissing van de president van het Hof van <DATE ISO="20200622">22 juni 2020</DATE> is deze beschikking aan het dossier toegevoegd en ter informatie aan partijen en belanghebbenden ter kennis gebracht.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><P><HT TYPE="BOLD">Beantwoording van de prejudiciële vragen</HT></P></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0040"><NO.P>40</NO.P><TXT>Krachtens artikel 99 van zijn Reglement voor de procesvoering kan het Hof, wanneer het antwoord op een prejudiciële vraag duidelijk uit de rechtspraak kan worden afgeleid of er over dit antwoord redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan, in elke stand van het geding op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, beslissen om bij met redenen omklede beschikking uitspraak te doen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0041"><NO.P>41</NO.P><TXT>Deze bepaling dient in het kader van de onderhavige prejudiciële verwijzing te worden toegepast.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="10"?><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">Eerste vraag</HT></HT></P></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0042"><NO.P>42</NO.P><TXT>Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het Unierecht aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de nationale rechter die om een betalingsbevel is verzocht, vanwege praktische moeilijkheden, zoals zijn werklast, afziet van het onderzoek of een beding in een overeenkomst tussen een verkoper en een consument oneerlijk is.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0043"><NO.P>43</NO.P><TXT>Eerst en vooral zij eraan herinnerd dat blijkens de rechtspraak de uit richtlijn 93/13 voortvloeiende rechten slechts effectief kunnen worden beschermd indien de nationale procedurele regeling erin voorziet dat in de procedure tot afgifte van een betalingsbevel of de procedure tot executie van een dergelijk bevel ambtshalve door een rechter wordt getoetst of de betrokken overeenkomst oneerlijke bedingen bevat (arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20180920">20 september 2018</DATE>, <NAME.CASE>EOS KSI Slovensko</NAME.CASE>, <NO.CASE>C‑448/17</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2018:745">EU:C:2018:745</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0045">45</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> en aldaar aangehaalde rechtspraak). Wanneer een nationale rechterlijke instantie die beslist in de procedure tot afgifte van een betalingsbevel zelf vaststelt – zoals in het hoofdgeding – dat moet worden onderzocht of er in de betrokken overeenkomsten sprake is van oneerlijke bedingen, moet deze daadwerkelijk over de mogelijkheid beschikken om dat te doen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0044"><NO.P>44</NO.P><TXT>Ook zij in herinnering gebracht dat de rechterlijke organisatie in de lidstaten, ook aangaande de bepalingen inzake de toewijzing van zaken, onder de bevoegdheid van de lidstaten valt. Niettemin moeten de lidstaten bij de uitoefening van deze bevoegdheid de verplichtingen nakomen die voor hen voortvloeien uit het Unierecht (zie in die zin arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20200326">26 maart 2020</DATE>, <NAME.CASE>Miasto Łowicz en Prokurator Generalny</NAME.CASE>, <NO.CASE>C‑558/18 en C‑563/18</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2020:234">EU:C:2020:234</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0036">36</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> en aldaar aangehaalde rechtspraak).</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0045"><NO.P>45</NO.P><TXT>Eventuele praktische moeilijkheden die verband houden met de werklast kunnen dus niet rechtvaardigen dat het Unierecht niet wordt toegepast. Elke nationale rechter die in het kader van zijn bevoegdheid belast is met de toepassing van de bepalingen van het Unierecht, is verplicht de volle werking van deze normen te verzekeren (zie in die zin arresten van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="19780309">9 maart 1978</DATE>, <NAME.CASE>Simmenthal</NAME.CASE>, <NO.CASE>106/77</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1978:49">EU:C:1978:49</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0021">21</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>, en <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20140911">11 september 2014</DATE>, <NAME.CASE>A</NAME.CASE>, <NO.CASE>C‑112/13</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2014:2195">EU:C:2014:2195</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0036">36</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0046"><NO.P>46</NO.P><TXT>Bijgevolg stelt de omstandigheid dat een nationale rechterlijke instantie met een aanzienlijk hogere werklast kampt dan andere rechterlijke instanties in dezelfde aanleg, de rechters van die rechterlijke instantie niet vrij van de verplichting om het Unierecht efficiënt en onverkort toe te passen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0047"><NO.P>47</NO.P><TXT>Gelet op een en ander dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat het Unierecht aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de nationale rechter die om een betalingsbevel is verzocht, vanwege praktische moeilijkheden, zoals zijn werklast, afziet van het onderzoek of er sprake is van een oneerlijk beding in een overeenkomst tussen een verkoper en een consument.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">Tweede en derde vraag</HT></HT></P></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0048"><NO.P>48</NO.P><TXT>Met zijn tweede en derde vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moeten worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat een nationale rechter die om een betalingsbevel is verzocht en vermoedt dat dit verzoek is gebaseerd op een oneerlijk beding in een consumentenkredietovereenkomst in de zin van richtlijn 93/13, de mogelijkheid heeft om bij gebreke van verzet door de consument aanvullende informatie op te vragen bij de schuldeiser teneinde te onderzoeken of dit beding werkelijk oneerlijk is.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0049"><NO.P>49</NO.P><TXT>Volgens artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 binden oneerlijke bedingen in overeenkomsten de consument niet. Bovendien is het volgens vaste rechtspraak zo dat richtlijn 93/13, gelet op de aard en het gewicht van het openbaar belang van de bescherming van consumenten, die zich ten opzichte van verkopers in een zwakke positie bevinden, de lidstaten verplicht – zoals blijkt uit artikel 7, lid 1, juncto de vierentwintigste overweging ervan – om in doeltreffende en geschikte middelen te voorzien om een<?PAGE NO="11"?> eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers (zie in die zin arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20200709">9 juli 2020</DATE>, <NAME.CASE>Raiffeisen Bank en BRD Groupe Societé Générale</NAME.CASE>, <NO.CASE>C‑698/18 en C‑699/18</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2020:537">EU:C:2020:537</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0052">52</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> en aldaar aangehaalde rechtspraak).</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0050"><NO.P>50</NO.P><TXT>Dienaangaande zij vastgesteld dat het Hof zich reeds heeft kunnen uitspreken over de uitlegging van de artikelen 6 en 7 van richtlijn 93/13 wat betreft de ambtshalve uit te oefenen bevoegdheden van een nationale rechter in nationale betalingsbevelprocedures.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0051"><NO.P>51</NO.P><TXT>De nationale rechter moet weliswaar ambtshalve toetsen of een contractueel beding dat binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13 valt oneerlijk is en zodoende het gebrek aan evenwicht tussen de consument en de verkoper compenseren, doch enkel op voorwaarde dat hij over de daartoe noodzakelijke juridische en feitelijke gegevens beschikt. Zoals het Hof heeft kunnen verduidelijken, gelden deze overwegingen ook voor een betalingsbevelprocedure (zie in die zin arresten van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20180913">13 september 2018</DATE>, <NAME.CASE>Profi Credit Polska</NAME.CASE>, <NO.CASE>С‑176/17</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2018:711">EU:C:2018:711</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0042">42</REF.NP.ECR> en <REF.NP.ECR REF="NP0043">43</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>, en <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20200311">11 maart 2020</DATE>, <NAME.CASE>Lintner</NAME.CASE>, <NO.CASE>C‑511/17</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2020:188">EU:C:2020:188</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0026">26</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> en aldaar aangehaalde rechtspraak).</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0052"><NO.P>52</NO.P><TXT>Dienaangaande staat het aan de nationale rechter die beslist in een procedure tot afgifte van een betalingsbevel om, indien nodig ambtshalve, maatregelen van instructie te nemen teneinde het aan hem overgelegde dossier aan te vullen en de partijen te verzoeken om hem, met inachtneming van het beginsel van hoor en wederhoor, de daartoe benodigde opheldering en documenten te verstrekken, wanneer de juridische en feitelijke gegevens in dat dossier ernstige twijfels doen rijzen over het eerlijke karakter van bepaalde bedingen waartegen de consument niet is opgekomen, maar die wel verband houden met het voorwerp van het geding, zonder dat het evenwel mogelijk is om ter zake definitieve beoordelingen te verrichten, en wanneer volgens deze rechter moet worden beoordeeld of deze bedingen oneerlijk zijn. Hieruit volgt dat de nationale rechter ambtshalve maatregelen van instructie moet nemen voor zover de reeds in het bovengenoemde dossier opgenomen juridische en feitelijke gegevens ernstige twijfels doen rijzen over het eerlijke karakter van bepaalde bedingen (zie in die zin arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20200311">11 maart 2020</DATE>, <NAME.CASE>Lintner</NAME.CASE>, <NO.CASE>C‑511/17</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2020:188">EU:C:2020:188</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0037">37</REF.NP.ECR> en <REF.NP.ECR REF="NP0038">38</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0053"><NO.P>53</NO.P><TXT>Bijgevolg vloeit uit deze rechtspraak voort dat een nationale rechter die is verzocht om een betalingsbevel op grond van een schuldvordering die is ontstaan uit bedingen in een consumentenovereenkomst in de zin van richtlijn 93/13, en die vermoedt dat deze bedingen oneerlijk zijn, zonder evenwel ter zake definitieve beoordelingen te kunnen verrichten en bij gebreke van verzet door de consument, de schuldeiser in casu zo nodig ambtshalve kan verzoeken om de bewijzen over te leggen die hij nodig heeft om te beoordelen of deze bedingen oneerlijk zijn.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0054"><NO.P>54</NO.P><TXT>Gelet op een en ander dient op de tweede en de derde vraag te worden geantwoord dat artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moeten worden uitgelegd dat zij er niet aan in de weg staan dat een nationale rechter die om een betalingsbevel is verzocht en vermoedt dat dit verzoek is gebaseerd op een oneerlijk beding in de consumentenkredietovereenkomst in de zin van richtlijn 93/13, de mogelijkheid heeft om bij gebreke van verzet door de consument aanvullende informatie op te vragen bij de schuldeiser teneinde te onderzoeken of dit beding werkelijk oneerlijk is.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P><HT TYPE="BOLD"><HT TYPE="ITALIC">Vierde vraag</HT></HT></P></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0055"><NO.P>55</NO.P><TXT>Eerst dient te worden opgemerkt dat de verwijzende rechter deze vierde vraag blijkens het verzoek om een prejudiciële beslissing stelt in het licht van artikel 10, lid 1, van de wet inzake consumentenkredietovereenkomsten, dat een minimale lettergrootte voor de overeenkomst voorschrijft, artikel 26 van deze wet, dat de toestemming van de consument vereist voor de overdracht van de schuldvordering, en artikel 33 ervan, dat de boeten wegens betalingsachterstand beperkt tot het bedrag van de wettelijke interest.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="12"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0056"><NO.P>56</NO.P><TXT>Zowel richtlijn 93/13 als richtlijn 2008/48 is weliswaar van toepassing op overeenkomsten tussen een verkoper en een consument, waaronder met name consumentenkredietovereenkomsten zoals die welke aan de orde zijn in beide zaken die bij de verwijzende rechter aanhangig zijn, maar de nationale bepalingen waarop de verwijzende rechter doelt, kunnen niet worden beschouwd als de omzetting van richtlijn 2008/48, zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft aangegeven.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0057"><NO.P>57</NO.P><TXT>Vastgesteld zij immers dat richtlijn 2008/48 geen harmonisatie tot stand heeft gebracht op het gebied van uittreksels uit de boekhouding van banken of op dat van overeenkomsten inzake de overdracht van schuldvorderingen, als basis voor de inning van een uit een consumentenkredietovereenkomst voortvloeiende schuldvordering (zie in die zin beschikking van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20181128">28 november 2018</DATE>, <NAME.CASE>PKO Bank Polski</NAME.CASE>, <NO.CASE>C‑632/17</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2018:963">EU:C:2018:963</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0031">31</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> en aldaar aangehaalde rechtspraak).</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0058"><NO.P>58</NO.P><TXT>Richtlijn 93/13 daarentegen strekt overeenkomstig artikel 1 ervan tot de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument. Volgens artikel 3, lid 1, van deze richtlijn wordt een beding als oneerlijk beschouwd indien het het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Bovendien wordt in artikel 4, lid 2, en artikel 5 van deze richtlijn vastgesteld dat de bedingen van de overeenkomst duidelijk en begrijpelijk moeten zijn geformuleerd.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0059"><NO.P>59</NO.P><TXT>Derhalve zal de vraag van de verwijzende rechter uitsluitend in het licht van richtlijn 93/13 worden beantwoord.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0060"><NO.P>60</NO.P><TXT>Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 3 en 8 van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met de artikelen 6 en 7 van deze richtlijn, aldus moeten worden uitgelegd dat de nationale rechter die ambtshalve onderzoekt of de bedingen van een overeenkomst tussen een verkoper en een consument oneerlijk zijn, teneinde te bepalen of er sprake is van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de verplichtingen die krachtens deze overeenkomst op de partijen rusten, ook rekening mag houden met de nationale bepalingen die de consument een betere bescherming garanderen dan die waarin deze richtlijn voorziet.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0061"><NO.P>61</NO.P><TXT>Uit artikel 8 van richtlijn 93/13 blijkt dat de lidstaten, ter verhoging van het beschermingsniveau van de consument, op het onder deze richtlijn vallende gebied strengere bepalingen kunnen aannemen of handhaven, voor zover deze verenigbaar zijn met het VWEU. Bijgevolg brengt deze richtlijn een minimale harmonisatie tot stand. Bij de beoordeling of een contractueel beding oneerlijk is, moet rekening worden gehouden met de normatieve context die samen met dat beding de rechten en verplichtingen van de partijen bepaalt [arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20200910">10 september 2020</DATE>, <NAME.CASE>A (Onderverhuur van een sociale huurwoning)</NAME.CASE>, <NO.CASE>C‑738/19</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2020:687">EU:C:2020:687</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0037">37</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> en aldaar aangehaalde rechtspraak].</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0062"><NO.P>62</NO.P><TXT>Voorts moet, om te bepalen of een beding een <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0036" ID="QS0036"/>aanzienlijke verstoring van het evenwicht<QUOT.END REF.START="QS0036" CODE="201D" ID="QE0036"/> tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen veroorzaakt ten nadele van de consument, met name rekening worden gehouden met de regels van het nationale recht die toepassing vinden wanneer partijen op dit punt geen regeling hebben getroffen. Aan de hand van een dergelijk vergelijkend onderzoek kan de nationale rechter beoordelen of, en in voorkomend geval in welke mate, de overeenkomst de consument in een minder gunstige rechtspositie brengt dan die welke het geldende nationale recht bepaalt (zie in die zin arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20170126">26 januari 2017</DATE>, <NAME.CASE>Banco Primus</NAME.CASE>, <NO.CASE>C‑421/14</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2017:60">EU:C:2017:60</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0059">59</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR> en aldaar aangehaalde rechtspraak).</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0063"><NO.P>63</NO.P><TXT>Gelet op een en ander dient op de vierde vraag te worden geantwoord dat de artikelen 3 en 8 van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met de artikelen 6 en 7 van deze richtlijn, aldus moeten worden uitgelegd dat de nationale rechter die ambtshalve onderzoekt of de bedingen van een overeenkomst tussen een verkoper en een consument oneerlijk zijn, teneinde te bepalen of er sprake is van een<?PAGE NO="13"?> aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de verplichtingen die krachtens deze overeenkomst op de partijen rusten, ook rekening mag houden met de nationale bepalingen die de consument een betere bescherming garanderen dan die waarin deze richtlijn voorziet.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><P><HT TYPE="BOLD">Kosten</HT></P></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0064"><NO.P>64</NO.P><TXT>Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ><JURISDICTION><INTRO>Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:</INTRO><LIST TYPE="ARAB"><ITEM><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD">1)</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD">Het Unierecht moet aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de nationale rechter die om een betalingsbevel is verzocht, vanwege praktische moeilijkheden, zoals zijn werklast, afziet van het onderzoek of er sprake is van een oneerlijk beding in een overeenkomst tussen een verkoper en een consument.</HT></TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD">2)</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD">Artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van <DATE ISO="19930405">5 april 1993</DATE> betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, moeten aldus worden uitgelegd dat zij er niet aan in de weg staan dat een nationale rechter die om een betalingsbevel is verzocht en vermoedt dat dit verzoek is gebaseerd op een oneerlijk beding in de consumentenkredietovereenkomst in de zin van richtlijn 93/13, de mogelijkheid heeft om bij gebreke van verzet door de consument aanvullende informatie op te vragen bij de schuldeiser teneinde te onderzoeken of dit beding werkelijk oneerlijk is.</HT></TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD">3)</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD">De artikelen 3 en 8 van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met de artikelen 6 en 7 van deze richtlijn, moeten aldus worden uitgelegd dat de nationale rechter die ambtshalve onderzoekt of de bedingen van een overeenkomst tussen een verkoper en een consument oneerlijk zijn, teneinde te bepalen of er sprake is van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de verplichtingen die krachtens deze overeenkomst op de partijen rusten, ook rekening mag houden met de nationale bepalingen die de consument een betere bescherming garanderen dan die waarin deze richtlijn voorziet.</HT></TXT></NP></ITEM></LIST></JURISDICTION></CONTENTS.ORDER><SIGNATURE.CASE><SIGNATORY><P>ondertekeningen</P></SIGNATORY></SIGNATURE.CASE></ORDER>