|
Publicatieblad |
NL C-serie |
|
C/2024/4019 |
17.7.2024 |
P9_TA(2023)0254
Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2023: opname van het overschot van het begrotingsjaar 2022
Resolutie van het Europees Parlement van 11 juli 2023 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2023 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2023 tot opname van het overschot van het begrotingsjaar 2022 (09682/2023 – C9-0208/2023 – 2023/0103(BUD))
(C/2024/4019)
Het Europees Parlement,
|
— |
gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, |
|
— |
gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, |
|
— |
gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (1), en met name artikel 44, |
|
— |
gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 20232, definitief vastgesteld op 23 november 2022 (2), |
|
— |
gezien Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 van de Raad van 17 december 2020 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027 (3) (“MFK-verordening”), |
|
— |
gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 16 december 2020 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie betreffende begrotingsdiscipline, samenwerking in begrotingszaken en goed financieel beheer, alsmede betreffende nieuwe eigen middelen, met inbegrip van een routekaart voor de invoering van nieuwe eigen middelen (4), |
|
— |
gezien Besluit (EU, Euratom) 2020/2053 van de Raad van 14 december 2020 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie, en tot intrekking van Besluit 2014/335/EU, Euratom (5), |
|
— |
gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2023, goedgekeurd door de Commissie op 12 april 2023 (COM(2023)0250), |
|
— |
gezien het standpunt inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2023, vastgesteld door de Raad op 19 juni 2023 en toegezonden aan het Parlement op 20 juni 2023 (09682/2023 – C9-0208/2023), |
|
— |
gezien zijn resolutie van 10 mei 2023 over de gevolgen voor de EU-begroting 2024 van de stijgende financieringskosten van het herstelinstrument voor de Europese Unie (6), |
|
— |
gezien de artikelen 94 en 96 van zijn Reglement, |
|
— |
gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A9-0225/2023), |
|
A. |
overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2023 is ingediend ter opneming in de begroting 2023 van het overschot van het begrotingsjaar 2022 ten belope van 2 519 miljoen EUR; |
|
B. |
overwegende dat de hoofdonderdelen van dat overschot bestaan uit een positief resultaat bij de ontvangsten ter hoogte van 2 198,4 miljoen EUR en een onderbesteding ter hoogte van 320,6 miljoen EUR; |
|
C. |
overwegende dat het overschot aan de ontvangstenzijde voornamelijk het gevolg is van een hoger dan verwacht bedrag aan douanerechten (iets meer dan 2 miljard EUR); overwegende dat het overschot aan administratieve ontvangsten ten belope van 170 miljoen EUR grotendeels is toe te schrijven aan het percentage van de salarisaanpassing dat hoger uitviel dan oorspronkelijk was geraamd, waardoor ook het niveau van belastingen, heffingen en pensioenbijdragen is gestegen; overwegende dat het overschot aan financiële ontvangsten, achterstandsrente en boeten 141 miljoen EUR bedraagt; |
|
D. |
overwegende dat aan de uitgavenzijde de onderbesteding bij de betalingen door de Commissie in totaal 247 miljoen EUR bedroeg voor 2022 en 75 miljoen EUR voor overdrachten van 2021; overwegende dat de onderbesteding en de annulering van kredieten van de andere instellingen laag uitvallen in vergelijking met de voorgaande jaren; |
|
E. |
overwegende dat de jaarlijkse vaste bni-verlagingen die Duitsland, Nederland, Denemarken, Zweden en Oostenrijk genieten, iets meer dan 5 miljard EUR netto bedragen; overwegende dat de marges in de begroting van de Unie zeer krap zijn en dat de beperkte flexibiliteit in de begroting waarschijnlijk zal worden geabsorbeerd door hogere kosten in verband met de terugbetaling van NGEU; |
|
1. |
neemt kennis van het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2023 zoals ingediend door de Commissie, dat tot doel heeft het overschot van 2022, ter hoogte van 2 519 miljoen EUR, in de begroting op te nemen, overeenkomstig artikel 18, lid 3, van het Financieel Reglement; |
|
2. |
wijst er nogmaals op dat dit overschot zal leiden tot een vermindering van de totale bijdrage van de lidstaten in de financiering van de begroting 2023; herinnert ook aan de hoge financieringsbehoeften om de vele uitdagingen aan te pakken waarmee de Unie wordt geconfronteerd, zoals de gevolgen van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne en de klimaatverandering, en de stijgende financieringskosten van NGEU, die het vermogen van de begroting van de Unie om de prioriteiten en het beleid van de Unie te financieren en in te spelen op opkomende behoeften ernstig zouden kunnen beperken; dringt er daarom bij de lidstaten op aan gebruik te maken van de verlaging van hun bni-bijdragen als gevolg van het overschot van 2022 om maatregelen op die gebieden te financieren of om als extra flexibiliteit te gebruiken, zodat tegemoet wordt gekomen aan de herhaalde oproepen om te zorgen voor voldoende flexibiliteit en marges in de begroting van de Unie en te kunnen reageren op dringende behoeften zonder dat de reeds overeengekomen begrotingskredieten in het gedrang komen; |
|
3. |
herinnert aan zijn gevestigde standpunt dat boeten en vergoedingen moeten worden gebruikt als extra ontvangsten voor de begroting van de Unie en niet zouden mogen leiden tot een overeenkomstige verlaging van de bni-bijdragen; |
|
4. |
neemt kennis van de berekening van de jaarlijkse vaste bni-verlagingen voor bepaalde lidstaten, die iets meer dan 5 miljard EUR netto bedragen; wijst erop dat deze kortingen worden berekend aan de hand van de meest recente deflator voor het bruto binnenlands product voor de Unie en niet aan de hand van de standaarddeflator van 2 %; benadrukt dat door het huidige hoge inflatiecijfer de omvang van de kortingen derhalve toeneemt en tegelijkertijd de reële waarde van de begroting van de Unie vermindert, waardoor de financieringskloof voor de Unie nog groter wordt; herinnert aan zijn gevestigde standpunt dat kortingen en andere correctiemechanismen afgeschaft zouden moeten worden; |
|
5. |
hecht zijn goedkeuring aan het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2023; |
|
6. |
verzoekt zijn Voorzitter te constateren dat de gewijzigde begroting nr. 2/2023 definitief is vastgesteld, en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie; |
|
7. |
verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de overige instellingen en de betrokken organen, alsmede aan de nationale parlementen. |
(1) PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.
(3) PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 11.
(4) PB L 433 I van 22.12.2020, blz. 28.
(5) PB L 424 van 15.12.2020, blz. 1.
(6) Aangenomen teksten, P9_TA(2023)0194.
ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/4019/oj
ISSN 1977-0995 (electronic edition)