EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 12.4.2021
COM(2021) 180 final
2021/0096(NLE)
Voorstel voor een
BESLUIT VAN DE RAAD
betreffende het namens de Europese Unie in het regionaal stuurcomité van de Vervoersgemeenschap in te nemen standpunt in verband met bepaalde administratieve en personeelsaangelegenheden van de Vervoersgemeenschap
TOELICHTING
1.Onderwerp van het voorstel
Dit voorstel betreft een besluit tot vaststelling van het namens de Unie in te nemen standpunt in het bij het Verdrag tot oprichting van de Vervoersgemeenschap (“het verdrag”) opgerichte regionaal stuurcomité in verband met de geplande vaststelling door dat comité van besluiten betreffende diverse administratieve aangelegenheden: 1) de vergoeding van de kosten van externen die worden uitgenodigd om deel te nemen aan vergaderingen van de Vervoersgemeenschap, 2) de vergoeding van de reis- en verhuiskosten bij indiensttreding en beëindiging van de dienst van personeelsleden van het permanent secretariaat van de Vervoersgemeenschap en 3) de bijdrage van de Vervoersgemeenschap aan de gezondheids-, werkloosheids-, pensioen- en invaliditeitsverzekering voor personeelsleden van het permanent secretariaat van de Vervoersgemeenschap.
2.Achtergrond van het voorstel
2.1.Het Verdrag tot oprichting van de Vervoersgemeenschap
De Europese Unie is partij bij het Verdrag tot oprichting van de Vervoersgemeenschap, dat sinds 2017 voorlopig werd toegepast en op 1 mei 2019 in werking is getreden.
2.2.Het regionaal stuurcomité
Het regionaal stuurcomité is opgericht bij artikel 24 van het verdrag. Het is verantwoordelijk voor het beheer van het verdrag en zorgt voor de goede uitvoering ervan. Daartoe doet het aanbevelingen en neemt het besluiten in de gevallen waarin het verdrag voorziet. Het regionaal stuurcomité:
a) bereidt de werkzaamheden van de ministerraad voor;
b) neemt besluiten tot instelling van technische comités;
c) doet aanbevelingen en neemt besluiten overeenkomstig het verdrag;
d) neemt passende maatregelen naar aanleiding van de vaststelling van nieuwe EU-handelingen, met name door de herziening van bijlage I bij het verdrag;
e) stelt, na raadpleging van de ministerraad, de directeur van het permanent secretariaat aan;
f) kan één of meer adjunct-directeuren van het permanent secretariaat aanstellen;
g) stelt de regels van het permanent secretariaat vast;
h) kan door een besluit de bijdragen aan de begroting wijzigen;
i) stelt de jaarlijkse begroting van de Vervoersgemeenschap vast;
j) stelt een besluit vast waarin de procedure voor de uitvoering van de begroting, voor het voorleggen en nazien van de rekeningen en voor inspecties wordt gespecificeerd;
k) neemt besluiten over geschillen die door de overeenkomstsluitende partijen zijn voorgelegd;
l) stelt algemene beginselen vast inzake de toegang tot documenten die in het bezit zijn van bij of op grond van het verdrag opgerichte instanties;
m) neemt ten behoeve van de ministerraad jaarlijkse verslagen aan over de verwezenlijking van het uitgebreide netwerk;
n) bepaalt de termijnen waarbinnen en de wijze waarop de Zuidoost-Europese partijen bepaalde EU-handelingen dienen om te zetten.
2.3.De beoogde handelingen van het regionaal stuurcomité
Het regionaal stuurcomité moet besluiten nemen over 1) de vergoeding van de kosten van externen die worden uitgenodigd om deel te nemen aan vergaderingen van de Vervoersgemeenschap, 2) de vergoeding van de reis- en verhuiskosten bij indiensttreding en beëindiging van de dienst van personeelsleden van het permanent secretariaat van de Vervoersgemeenschap, en 3) de bijdrage van de Vervoersgemeenschap aan de gezondheids-, werkloosheids-, pensioen- en invaliditeitsverzekering voor personeelsleden van het permanent secretariaat van de Vervoersgemeenschap.
De beoogde besluiten zullen voor de partijen bindend zijn overeenkomstig artikel 25, lid 1, van het verdrag.
3.Namens de Unie in te nemen standpunt
De vaststelling van deze besluiten door het regionaal stuurcomité is noodzakelijk voor de uitvoering van het verdrag en voor een behoorlijk management van het permanent secretariaat. Omdat de Unie partij is bij het verdrag, dient zij een standpunt in te nemen.
4.Rechtsgrondslag
4.1.Procedurele rechtsgrondslag
4.1.1.Beginselen
Artikel 218, lid 9, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voorziet in de vaststelling van besluiten tot bepaling van “de standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst”.
Het begrip “handelingen met rechtsgevolgen” omvat handelingen die rechtsgevolgen hebben uit hoofde van de op het betrokken lichaam toepasselijke volkenrechtelijke bepalingen. Onder dit begrip vallen ook instrumenten die volkenrechtelijk niet bindend zijn, maar die “beslissende invloed [kunnen hebben] op de inhoud van de regelgeving die de wetgever van de Unie vaststelt”.
4.1.2.Toepassing op het onderhavige geval
Het regionaal stuurcomité is een lichaam dat is opgericht krachtens een overeenkomst, namelijk het Verdrag tot oprichting van de Vervoersgemeenschap.
De door het regionaal stuurcomité vast te stellen besluiten zijn handelingen met rechtsgevolgen. Overeenkomstig artikel 30 van het verdrag is het regionaal stuurcomité bevoegd om regels vast te stellen met betrekking tot het permanent secretariaat, in het bijzonder betreffende de werkomstandigheden van het personeel van het secretariaat. Krachtens artikel 35 van het verdrag is het regionaal stuurcomité bevoegd om besluiten vast te stellen waarin de procedures voor de tenuitvoerlegging van de begroting worden gespecificeerd. Vanwege hun aard, en als onderdeel van het op het regionaal stuurcomité toepasselijke internationaal recht, bevatten die regels elementen die gevolgen hebben voor de rechtspositie van de partijen bij het verdrag en derhalve ook van de Unie. Bijgevolg moet worden aangenomen dat die regels rechtsgevolgen hebben.
De beoogde handelingen strekken niet tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van het verdrag.
De procedurele rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 218, lid 9, VWEU.
4.2.Materiële rechtsgrondslag
4.2.1.Beginselen
De materiële rechtsgrondslag voor een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU vast te stellen besluit wordt in de eerste plaats bepaald door de doelstelling en de inhoud van de beoogde handeling ten aanzien waarvan namens de Unie een standpunt wordt ingenomen. Als de beoogde handeling een tweeledige doelstelling heeft of bestaat uit twee componenten, waarvan er een kan worden gezien als hoofddoelstelling of hoofdcomponent, terwijl de andere doelstelling of de andere component slechts ondergeschikt is, moet het overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU vast te stellen besluit op één materiële rechtsgrondslag worden gebaseerd, namelijk die welke vereist is voor de hoofddoelstelling of de hoofdcomponent dan wel de belangrijkste doelstelling of component.
Wanneer een beoogde handeling tegelijkertijd meerdere onlosmakelijk met elkaar verbonden doelstellingen of componenten heeft, zonder dat de ene ondergeschikt is aan de andere, moet een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU vast te stellen besluit bij wijze van uitzondering de verschillende desbetreffende rechtsgrondslagen als materiële rechtsgrondslag hebben.
4.2.2.Toepassing op het onderhavige geval
De beoogde handelingen zijn noodzakelijk voor de correcte werking van het Verdrag tot oprichting van de Vervoersgemeenschap. Het verdrag heeft doelstellingen en componenten op het gebied van enerzijds wegvervoer, spoorvervoer en vervoer over de binnenwateren, vervoerswijzen die onder artikel 91 VWEU vallen, en anderzijds op het gebied van zeevervoer, dat onder artikel 100, lid 2, VWEU valt. Door hun horizontale karakter bestrijken de beoogde handelingen al die aspecten.
Het voorgestelde besluit heeft derhalve de volgende artikelen als materiële rechtsgrondslag: artikel 91 en artikel 100, lid 2, VWEU.
4.3.Conclusie
De rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is artikel 91 en artikel 100, lid 2, VWEU, in samenhang met artikel 218, lid 9, VWEU.
5.Bekendmaking van de beoogde handeling
Overeenkomstig artikel 25, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Vervoersgemeenschap worden de besluiten van het regionaal stuurcomité bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
2021/0096 (NLE)
Voorstel voor een
BESLUIT VAN DE RAAD
betreffende het namens de Europese Unie in het regionaal stuurcomité van de Vervoersgemeenschap in te nemen standpunt in verband met bepaalde administratieve en personeelsaangelegenheden van de Vervoersgemeenschap
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 91 en artikel 100, lid 2, in samenhang met artikel 218, lid 9,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
(1)Het Verdrag tot oprichting van de Vervoersgemeenschap is door de Unie gesloten bij Besluit (EU) 2019/392 van de Raad en is op 1 mei 2019 in werking getreden.
(2)Het overeenkomstig artikel 24 van het Verdrag tot oprichting van de Vervoersgemeenschap opgerichte regionaal stuurcomité is verantwoordelijk voor het beheer en de goede uitvoering van dat verdrag. Overeenkomstig de artikelen 30 en 35 van het verdrag moet dat comité regels vaststellen betreffende de werkomstandigheden van het personeel van het permanent secretariaat van de Vervoersgemeenschap en betreffende de uitvoering van de begroting.
(3)Het regionaal stuurcomité zal tijdens zijn vergadering van mei 2021 besluiten nemen over de vergoeding van de onkosten van externen die worden uitgenodigd om deel te nemen aan vergaderingen van de Vervoersgemeenschap; de vergoeding van de reis- en verhuiskosten bij indiensttreding en beëindiging van de dienst van personeelsleden van het permanent secretariaat van de Vervoersgemeenschap; de bijdrage van de Vervoersgemeenschap aan de gezondheids-, werkloosheids-, pensioen- en invaliditeitsverzekering voor personeelsleden van het permanent secretariaat van de Vervoersgemeenschap. Indien deze kwesties niet tijdens die vergadering worden behandeld, wordt de vaststelling van die besluiten verschoven naar de volgende vergadering.
(4)Het is passend het standpunt vast te stellen dat namens de Unie moet worden ingenomen in het regionaal stuurcomité, aangezien die besluiten noodzakelijk zijn voor de goede werking van het permanent secretariaat van de Vervoersgemeenschap en bindend zullen zijn voor de Unie,
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in het regionaal stuurcomité dat is opgericht bij het Verdrag tot oprichting van de Vervoersgemeenschap met betrekking tot de vaststelling van regels inzake de vergoeding van de onkosten van externen die worden uitgenodigd om deel te nemen aan vergaderingen van de Vervoersgemeenschap; de vergoeding van de reis- en verhuiskosten bij indiensttreding en beëindiging van de dienst van personeelsleden van het permanent secretariaat van de Vervoersgemeenschap; en de bijdrage van de Vervoersgemeenschap aan de gezondheids-, werkloosheids-, pensioen- en invaliditeitsverzekering voor personeelsleden van het permanent secretariaat van de Vervoersgemeenschap is gebaseerd op de desbetreffende ontwerpbesluiten van het regionaal stuurcomité die aan dit besluit zijn gehecht.
Kleine wijzigingen van die ontwerpbesluiten kunnen door de vertegenwoordigers van de Unie in het regionaal stuurcomité zonder nader besluit van de Raad worden goedgekeurd.
Artikel 2
Dit besluit is gericht tot de Commissie.
Gedaan te Brussel,
Voor de Raad
De voorzitter