|
7.4.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 91/18 |
BESLUIT (EU) 2016/541 VAN DE RAAD
van 15 februari 2016
tot aanmaning van Griekenland om maatregelen te treffen om het tekort te verminderen in de mate die nodig wordt geacht om de buitensporigtekortsituatie te verhelpen (2015/1410) (1)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 126, lid 9,
Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Overeenkomstig artikel 126 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna „VWEU” genoemd) dienen de lidstaten buitensporige overheidstekorten te vermijden. Daartoe is in datzelfde artikel een buitensporigtekortprocedure vastgelegd. Het stabiliteits- en groeipact, waarvan het correctieve deel bestaat in de tenuitvoerlegging van de buitensporigtekortprocedure, verschaft het kader waarin, met inachtneming van de economische situatie, het overheidsstreven naar een spoedige terugkeer naar solide begrotingssituaties wordt ondersteund. |
|
(2) |
Op 27 april 2009 heeft de Raad overeenkomstig artikel 104, lid 6, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap besloten dat er in Griekenland een buitensporig tekort bestond. |
|
(3) |
Op 10 mei 2010 heeft de Raad op basis van artikel 126, lid 9, en artikel 136 VWEU zijn goedkeuring gehecht aan Besluit 2010/320/EU (2) gericht tot Griekenland met het oog op de versterking en verdieping van het begrotingstoezicht en tot aanmaning van Griekenland om maatregelen te treffen om het tekort te verminderen in de mate die nodig wordt geacht om de buitensporigtekortsituatie uiterlijk in 2014 te verhelpen. De Raad heeft bepaald dat het buitensporige tekort uiterlijk in 2014 gecorrigeerd moet zijn en heeft jaarlijkse streefcijfers voor het overheidstekort vastgesteld. |
|
(4) |
Besluit 2010/320/EU is diverse malen ingrijpend gewijzigd. Aangezien verdere wijzigingen nodig waren, is dit besluit bij Besluit 2011/734/EU van de Raad (3) op 12 juli 2011 omwille van de duidelijkheid herschikt. Dat besluit is vervolgens herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd tussen 8 juli 2011 en december 2012 (4). |
|
(5) |
De zeer ernstige verslechtering van de financiële situatie van Griekenland heeft de lidstaten van de eurozone ertoe doen besluiten dit land stabiliteitssteun toe te kennen met de bedoeling de financiële stabiliteit in de eurozone als geheel te vrijwaren; deze steun wordt gecombineerd met multilaterale bijstand van het Internationaal Monetair Fonds. Van mei 2010 tot juni 2015 werd door de lidstaten van de eurozone steun verleend in de vorm van zowel een bilaterale Griekse leningfaciliteit als een lening van de Europese faciliteit voor financiële stabiliteit (hierna „EFSF” genoemd). Aan de steun van de leninggevers waren uitgebreide beleidsvoorwaarden verbonden, waaronder de naleving door Griekenland van Besluit 2011/734/EU en de latere wijzigingen daarvan. |
|
(6) |
Op 8 juli 2015 verzocht Griekenland om financiële bijstand uit het Europees stabiliteitsmechanisme (hierna „ESM” genoemd) in de vorm van een lening met een looptijd van drie jaar en op 12 juli 2015 werd een principeakkoord bereikt over een lening van maximaal 86 000 miljoen EUR aan Griekenland. Op 17 juli belastte de raad van gouverneurs van het ESM de Europese Commissie, in overleg met de Europese Centrale Bank en het Internationaal Monetair Fonds, met de onderhandelingen over een memorandum van overeenstemming met de beleidsvoorwaarden voor financiële bijstand voor de periode 2015-2018 overeenkomstig artikel 13, lid 3, van het ESM-verdrag. |
|
(7) |
In overeenstemming met Verordening (EU) nr. 472/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende de versterking van het economische en budgettaire toezicht op lidstaten in de eurozone die ernstige moeilijkheden ondervinden of dreigen te ondervinden ten aanzien van hun financiële stabiliteit (5), en met name artikel 7, moet een lidstaat die om financiële bijstand van het ESM verzoekt een macro-economisch aanpassingsprogramma (hierna „het programma” genoemd) ter goedkeuring aan de Raad voorleggen. Met een dergelijk programma wordt beoogd de goedkeuring te garanderen van een reeks hervormingen die vereist zijn om de houdbaarheid van de overheidsfinanciën en het regelgevingsklimaat te verbeteren. |
|
(8) |
Het door Griekenland opgestelde programma werd goedgekeurd door de Raad bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/544 van de Raad (6). |
|
(9) |
In artikel 10, lid 2, onder b), van Verordening (EU) nr. 472/2013 is ook bepaald dat, indien een lidstaat die krachtens artikel 7 van die verordening is onderworpen aan een macro-economisch aanpassingsprogramma tevens het voorwerp is van een besluit uit hoofde van artikel 126, lid 9, VWEU tot correctie van een buitensporig tekort, de jaarlijkse begrotingsdoelstellingen in het macro-economisch aanpassingsprogramma worden geïntegreerd in het besluit tot aanmaning uit hoofde van artikel 5, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (7) en dat daarnaast de maatregelen waarmee die doelstellingen van het macro-economisch aanpassingsprogramma moeten worden bereikt, eveneens worden geïntegreerd in het besluit tot aanmaning uit hoofde van artikel 5, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1467/97. In artikel 10, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 472/2013 is verder bepaald dat de lidstaat is vrijgesteld van het indienen van verslagen uit hoofde van artikel 5, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1467/97. Tot slot is in artikel 10, lid 2, onder c), van Verordening (EU) nr. 472/2013 bepaald dat de in artikel 7, lid 4, van die verordening bedoelde monitoring moet worden verricht en dat de lidstaat wordt vrijgesteld van de monitoring uit hoofde van artikel 10, lid 1, en artikel 10 bis van Verordening (EG) nr. 1467/97 en van de monitoring die aan ieder besluit uit hoofde van artikel 6, lid 2, van die verordening ten grondslag ligt. |
|
(10) |
De economische bedrijvigheid in Griekenland zal volgens de huidige prognoses op een veel lager niveau uitkomen dan bij de laatste wijziging van Besluit 2011/734/EU in december 2012 werd aangenomen. Zowel het reële als het nominale bbp zal in 2015 en 2016 naar verwachting veel lager liggen dan in de voorjaarsprognoses 2015 van de Commissie werd aangenomen, wat te wijten is aan onzekerheid over het beleid, een gebrekkige tenuitvoerlegging van de hervormingen, een tekort aan overheidsinkomsten, de „bank holidays” en de invoering van kapitaalcontroles. De Commissie heeft haar prognoses voor de bbp-groei in augustus 2015 geactualiseerd, zoals nodig ter ondersteuning van de onderhandelingen over het memorandum van overeenstemming dat voor een ESM-programma is vereist. Volgens deze prognoses zal het reële bbp in 2015-2016 naar verwachting met respectievelijk 2,3 % en 1,3 % krimpen (in tegenstelling tot de in de voorjaarsprognoses 2015 verwachte positieve groei van 0,5 % en 2,9 % in de desbetreffende jaren), om daarna weer te groeien met 2,7 % in 2017 en 3,1 % in 2018. Deze sterke versombering van het economische scenario voor 2015-2016 gaat gepaard met een even scherpe verslechtering van de vooruitzichten voor de overheidsfinanciën bij ongewijzigd beleid. |
|
(11) |
Volgens schattingen zou Griekenland zijn structureel tekort met 16 procentpunten van het bbp hebben verbeterd en het tekort van 15,2 % in 2009 hebben omgebogen in een overschot van naar schatting 1 % in 2014, waarmee in 2009-2014 een verbetering van het structurele saldo tot stand werd gebracht die ruim boven het door de Raad voor die periode aanbevolen minimum van 10 procentpunten van het bbp lag. In 2014 maakte het overheidstekort 3,5 % van het bbp uit en lag het duidelijk onder het voor 2014 bij het besluit van de Raad vastgestelde maximum voor het overheidstekort (op basis van ESR 2010) van 4,5 % van het bbp. Het primair batig saldo van 0,4 % van het bbp was daarentegen veel zwakker dan verwacht en bleef onder de doelstelling van 1,5 % van het bbp door een combinatie van factoren, waaronder de omslag in de economische cyclus en de negatieve gevolgen daarvan voor de begrotingsinkomsten, de versoepeling van het begrotingsbeleid en de toegenomen economische onzekerheid. Door het verslechterende macro-economische klimaat in combinatie met tijdelijke begrotingsmaatregelen die in 2015 aflopen, is het echter onmogelijk geworden om de streefwaarde voor het primaire begrotingssaldo van 3 % van het bbp in 2015, die in de in december 2012 goedgekeurde laatste wijziging van Besluit 2011/734/EU was beoogd, te realiseren. De begrotingsdoelstellingen zijn daarom aanzienlijk naar beneden bijgesteld, rekening houdend met de macro-economische omstandigheden en de huidige begrotingssituatie, om te voorkomen dat het begrotingsbeleid op korte termijn te sterk wordt aangescherpt. |
|
(12) |
Griekenland zal bijgevolg een nieuw begrotingstraject volgen waarin doelstellingen voor het primaire overschot van respectievelijk – 0,25 %, 0,5 %, 1,75 % en 3,5 % van het bbp in 2015, 2016, 2017 en 2018 en latere jaren worden vooropgesteld. Het traject van de begrotingsdoelstellingen sluit aan bij de verwachte groei van de Griekse economie naarmate deze zich herstelt van de diepste recessie ooit. De herziening van het traject impliceert dat het begrotingstekort van de overheid in 2017 zal teruglopen tot minder dan 3 % van het bbp. |
|
(13) |
Volgens de geactualiseerde prognoses van de diensten van de Commissie voor de nominale bbp-groei zal het primaire overheidssaldo uitkomen op een tekort van 7 631 miljoen EUR (4,4 % van het bbp) in 2015, een tekort van 6 166 miljoen EUR (3,6 % van het bbp) in 2016, een tekort van 4 089 miljoen EUR (2,3 % van het bbp) in 2017 en een tekort van 753 miljoen EUR (0,4 % van het bbp) in 2018. |
|
(14) |
De door het Griekse parlement goed te keuren begroting voor 2016 maakt deel uit van de budgettaire middellangetermijnstrategie (BMTS) 2016-2019 en heeft een aanzienlijke en vervroegde budgettaire consolidatie tot doel die een besparing van meer dan 6 900 miljoen EUR, of bijna 4 % van het bbp, moet opleveren. |
|
(15) |
Het feit dat de definitieve evaluatie van het EFSF-programma niet is voltooid, de gemiste schuldendienstbetalingen, het aflopen van het EFSF-programma en de invoering van kapitaalcontroles hebben nieuwe omstandigheden gecreëerd die hebben geleid tot een verdere sterke verslechtering van de houdbaarheid van de schuld. Deze ontwikkeling is het gevolg van lagere ramingen van de groei, een neerwaartse bijstelling van de doelstellingen voor het primaire overschot, een neerwaartse herziening van de opbrengsten uit privatiseringen, een sterke verslechtering van de financieringsbehoeften van de banksector na de invoering van kapitaalcontroles, de noodzaak van het sneller wegwerken van de betalingsachterstanden naar aanleiding van het liquiditeitstekort van de overheid en waarderingseffecten als gevolg van de waardevermindering van de euro ten opzichte van de bijzondere trekkingsrechten. Als gevolg van deze ontwikkelingen zal de schuldquote in 2016 naar verwachting 198,3 % bedragen en zal ze daarna volgens het basisscenario weer afnemen tot 169,3 % in 2020, 154,5 % in 2022 en 115,9 % in 2030. |
|
(16) |
In het licht van deze ontwikkelingen moet het aanpassingstraject voor de correctie van het buitensporige tekort worden geactualiseerd. De door Griekenland aangegane verbintenis heeft niet alleen betrekking op de budgettaire consolidatiemaatregelen, maar ook op de vereiste maatregelen om het groeivriendelijke karakter van deze consolidatiemaatregelen te versterken en de negatieve sociale gevolgen ervan tot een minimum te beperken. |
|
(17) |
Elke bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/544 van de Raad opgelegde maatregel draagt bij tot de verwezenlijking van de vereiste begrotingsaanpassing. Sommige maatregelen hebben rechtstreekse gevolgen voor de begrotingssituatie van Griekenland, terwijl andere structurele maatregelen zijn die zullen resulteren in een betere budgettaire governance en een gezondere begrotingssituatie op middellange termijn. |
|
(18) |
In het licht van het bovenstaande blijkt het noodzakelijk om de vorige jaarlijkse begrotingsdoelstellingen en de maatregelen om deze doelstellingen te halen, te herzien. De nieuwe jaarlijkse begrotingsdoelstellingen en maatregelen om die doelstellingen te halen, zijn die welke zijn opgenomen in Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/544, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Griekenland maakt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk in 2017 een einde aan de thans bestaande buitensporigtekortsituatie.
2. Het aanpassingstraject voor de correctie van het buitensporige tekort heeft als doel de jaarlijkse streefcijfers voor het overheidstekort, zoals vastgesteld bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/544, te behalen en wordt gebaseerd op doelstellingen voor het primaire overschot van respectievelijk – 0,25 %, 0,5 %, 1,75 % en 3,5 % van het bbp in 2015, 2016, 2017 en 2018 en latere jaren. Het traject van de begrotingsdoelstellingen sluit aan bij de verwachte groei van de Griekse economie naarmate deze zich herstelt van de diepste recessie ooit. De herziening van het traject impliceert dat het begrotingstekort van de overheid in 2017 zal teruglopen tot minder dan 3 % van het bbp.
3. Griekenland neemt en geeft volledig uitvoering aan alle budgettaire, economische en structurele aanpassingsmaatregelen in het economisch en financieel aanpassingsprogramma zoals goedgekeurd bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/544.
4. Griekenland staat klaar om verdere maatregelen te nemen mochten er zich risico's voor de begrotingsplannen aandienen. De budgettaire consolidatiemaatregelen moeten er op groeivriendelijke wijze voor zorgen dat er een blijvende verbetering van het structurele saldo van de overheid optreedt.
Artikel 2
Dit besluit wordt van kracht op de dag van de kennisgeving ervan.
Artikel 3
Dit besluit is gericht tot de Helleense Republiek.
Gedaan te Brussel, 15 februari 2016.
Voor de Raad
De voorzitter
M.H.P. VAN DAM
(1) Deze handeling is oorspronkelijk alleen in het Engels vastgesteld en is bekendgemaakt in PB L 219 van 20.8.2015, blz. 8.
(2) PB L 145 van 11.6.2010, blz. 6.
(3) PB L 296 van 15.11.2011, blz. 38.
(4) Besluit 2011/791/EU van de Raad van 8 november 2011 (PB L 320 van 3.12.2011, blz. 28), Besluit 2012/211/EU van de Raad van 13 maart 2012 (PB L 113 van 25.4.2012, blz. 8), Besluit 2013/6/EU van de Raad van 4 december 2012 (PB L 4 van 9.1.2013, blz. 40).
(5) PB L 140 van 27.5.2013, blz. 1.
(6) Zie bladzijde 27 van dit Publicatieblad.