<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><ORDER xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://formex.publications.europa.eu/schema/formex-04.cj-20080212.xd"><BIB.ORDER><REF.CASE FILE="ECRT11998NLA.0100027101.case.xml"><NO.CASE>T-182/97</NO.CASE></REF.CASE><NO.CELEX>61997B0182</NO.CELEX><NO.SEQ>0012.0001</NO.SEQ><PAGE.FIRST>273</PAGE.FIRST><PAGE.SEQ>1</PAGE.SEQ><PAGE.LAST>284</PAGE.LAST><PAGE.TOTAL>12</PAGE.TOTAL><AUTHOR>T</AUTHOR></BIB.ORDER><CURR.TITLE><LEFT>BESCHIKKING VAN <DATE ISO="19980216">16.2.1998</DATE> — ZAAK T-182/97</LEFT><RIGHT>SMANOR E. A. / COMMISSIE</RIGHT></CURR.TITLE><TITLE><TI><P><HT TYPE="UC">Beschikking van het Gerecht</HT> (Tweede kamer)</P><P><DATE ISO="19980216">16 februari 1998</DATE><NOTE NOTE.ID="E0001" NUMBERING="STAR"><P>Procestaal: Frans.</P></NOTE></P></TI></TITLE><ORDER.INIT><P>In zaak T-182/97,</P></ORDER.INIT><PARTIES><PLAINTIFS><P><HT TYPE="BOLD">Smanor</HT> SA, vennootschap naar Frans recht, gevestigd te Saint-Martin-d'Écublei (Frankrijk),</P><P><HT TYPE="BOLD">H. Ségaud en M. Ségaud,</HT> wonende te Saint-Martin-d'Écublei,</P><P>vertegenwoordigd door L. Roques, advocaat te Val de Marne, Rue du Général de Larminat 7-9, Créteil (Frankrijk),</P><PARTY.STATUS>verzoekers,</PARTY.STATUS></PLAINTIFS><AGAINST>tegen</AGAINST><DEFENDANTS><P><HT TYPE="BOLD">Commissie van de Europese Gemeenschappen,</HT> vertegenwoordigd door R. Wainwright, juridisch hoofdadviseur, en O. Couvert-Castera, bij de Commissie gedetacheerd nationaal ambtenaar, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,</P><PARTY.STATUS>verweerster,</PARTY.STATUS></DEFENDANTS></PARTIES><?PAGE NO="II-274"?><SUBJECT><P>betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van <DATE ISO="19970521">21 mei 1997</DATE> om geen niet-nakomingsprocedure tegen de Franse Republiek in te leiden,</P><P>geeft</P></SUBJECT><PREAMBLE.GEN><PREAMBLE.INIT><P>HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer),</P><P>samengesteld als volgt: A. Kalogeropoulos, kamerpresident, C. W. Bellamy en J. Pirrung, rechters,</P><P>griffier: H.Jung</P></PREAMBLE.INIT><PREAMBLE.FINAL><P>de navolgende</P></PREAMBLE.FINAL></PREAMBLE.GEN><CONTENTS.ORDER><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><P>Beschikking</P></TI></TITLE><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P>De feiten</P></TI></TITLE><NP><NO.P>1</NO.P><TXT>Smanor SA (hierna: <QUOT.START ID="QS0001" REF.END="QE0001" CODE="201E"/>Smanor<QUOT.END ID="QE0001" REF.START="QS0001" CODE="201D"/>), waarvan de deelgenoten Ségaud de bestuurders en meerderheidsaandeelhouders zijn, is een Franse vennootschap die zich bezighield met de productie en verkoop van verse en diepgevroren zuivelproducten, inzonderheid yoghurt, bereid volgens een geoctrooieerde diepvriesmethode die zij zelf had ontwikkeld.</TXT></NP><NP><NO.P>2</NO.P><TXT>Vanaf 1977 werden door de Franse autoriteiten tegen haar stappen ondernomen en werd strafvervolging ingesteld, teneinde haar op basis van de destijds geldende Franse bepalingen te verbieden die producten onder de benaming <QUOT.START ID="QS0002" REF.END="QE0002" CODE="201E"/>yaourt<QUOT.END ID="QE0002" REF.START="QS0002" CODE="201D"/> of <QUOT.START ID="QS0003" REF.END="QE0003" CODE="201E"/>yoghourt<QUOT.END ID="QE0003" REF.START="QS0003" CODE="201D"/> in de handel te brengen.</TXT></NP><?PAGE NO="II-275"?><NP><NO.P>3</NO.P><TXT>Van mening dat de verschillende tegen haar ingestelde vervolgingen aan de oorsprong lagen van haar financiële moeilijkheden en op onwettige regelingen berustten, stelde zij in 1986 tegen de Franse Staat een beroep in tot vergoeding van de schade die zij daardoor zou hebben geleden. Tevens diende zij bij de Commissie een klacht in tegen de Franse Republiek, stellende dat het Franse decreet nr. 82-184 van <DATE ISO="19820222">22 februari 1982</DATE> (hierna: <QUOT.START ID="QS0004" REF.END="QE0004" CODE="201E"/>decreet nr. 82-184<QUOT.END ID="QE0004" REF.START="QS0004" CODE="201D"/>) tot wijziging van decreet nr. 63-695 van <DATE ISO="19630710">10 juli 1963</DATE> betreffende de bestrijding van fraude ter zake van gefermenteerde melk en yoghurt, in strijd was met richtlijn 79/112/EEG van de Raad van <DATE ISO="19781218">18 december 1978</DATE> betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen bestemd voor de eindverbruiker alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="033" DATE.PUB="1979" PAGE.FIRST="1">PB 1979, L 33, biz. 1</REF.DOC.OJ>; hierna: <QUOT.START ID="QS0005" REF.END="QE0005" CODE="201E"/>richtlijn 79/112<QUOT.END ID="QE0005" REF.START="QS0005" CODE="201D"/>). In antwoord op deze klacht deelde de Commissie Smanor bij brief van <DATE ISO="19880403">3 april 1988</DATE> mee, dat de Franse Republiek in gebreke zou worden gesteld overeenkomstig artikel 169 EG-Verdrag.</TXT></NP><NP><NO.P>4</NO.P><TXT>In 1987 werd Smanor in het kader van een gerechtelijk-herstelprocedure voor het Tribunal de commerce de L'Aigle gedagvaard. Deze rechterlijke instantie oordeelde dat de liquiditeitsproblemen van Smanor te wijten waren aan de Franse regeling inzake yoghurt, en verzocht het Hof bij vonnis van <DATE ISO="19870921">21 september 1987</DATE> om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 30 tot en met 36 van het Verdrag en de artikelen 5, 15 en 16 van richtlijn 79/112, met betrekking tot decreet nr. 82-184.</TXT></NP><NP><NO.P>5</NO.P><TXT>In zijn arrest van <DATE ISO="19880714">14 juli 1988</DATE>, Smanor (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="298/87" YEAR="1988" PAGE.ECR="4489">298/87, Jurispr. blz. 4489</REF.DOC.ECR>) verklaarde het Hof voor recht:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><LIST TYPE="ARAB"><ITEM><NP><NO.P><QUOT.START ID="QS0006" REF.END="QE0006" CODE="201E"/>1)</NO.P><TXT>Artikel 30 van het Verdrag staat eraan in de weg, dat een lidstaat op producten die zijn ingevoerd uit een andere lidstaat waar zij regelmatig zijn vervaardigd en in de handel gebracht, een nationale regeling toepast volgens welke de benaming <QUOT.START ID="QS0007" REF.END="QE0007" CODE="201A"/>yoghurt<QUOT.END ID="QE0007" REF.START="QS0007" CODE="2019"/> enkel mag worden gebruikt voor verse yoghurt met uitsluiting van diepgevroren yoghurt, wanneer de kenmerken van deze laatste niet wezenlijk verschillen van die van het verse product en een passende etikettering, voorzien van een uiterste datum voor verkoop of consumptie, volstaat om de consumenten naar behoren te informeren.</TXT></NP></ITEM><?PAGE NO="II-276"?><ITEM><NP><NO.P>2)</NO.P><TXT>De bepalingen van richtlijn 79/112, en met name artikel 5 daarvan, moeten aldus worden uitgelegd, dat zij zich verzetten tegen de toepassing van een nationale regeling volgens welke de verkoopbenaming <QUOT.START ID="QS0008" REF.END="QE0008" CODE="201A"/>yoghurt<QUOT.END ID="QE0008" REF.START="QS0008" CODE="2019"/> niet mag worden gebruikt voor ingevoerde of inheemse producten die een diepvriesbehandeling hebben ondergaan, wanneer deze producten voor het overige voldoen aan de voorwaarden die de nationale regeling stelt voor toekenning van deze benaming aan verse producten.<QUOT.END ID="QE0006" REF.START="QS0006" CODE="201D"/></TXT></NP></ITEM></LIST></QUOT.S></P></NP><NP><NO.P>6</NO.P><TXT>Daarop werd decreet nr. 82-184 afgeschaft en vervangen door decreet nr. 88-1203 van <DATE ISO="19881230">30 december 1988</DATE>.</TXT></NP><NP><NO.P>7</NO.P><TXT>In het kader van de in 1986 tegen de Franse Staat ingestelde aansprakelijkheidsvordering verwierp de Franse Cour de cassation bij arrest van <DATE ISO="19901016">16 oktober 1990</DATE> het beroep van Smanor tegen een arrest van de Cour d'appel de Caen van <DATE ISO="19880421">21 april 1988</DATE>, waarbij haar schadevordering was afgewezen op grond dat de door de dienst fraudebestrijding tegen de vennootschap ingestelde vervolgingen niet als een zware fout waren aan te merken.</TXT></NP><NP><NO.P>8</NO.P><TXT>Na de eerste klacht in 1986 tegen de Franse Republiek (zie punt 3, supra), diende Smanor in 1990, 1991, 1993 en 1995 opnieuw klachten in met betrekking tot de onwettigheid van de Franse regeling inzake yoghurt en de gestelde schending door de Franse Republiek van haar recht op schadevergoeding. In haar laatste klacht, van <DATE ISO="19950111">11 januari 1995</DATE> en door de Commissie ingeschreven onder nr. 95/4059, hekelde zij wederom de weigering van de Franse rechterlijke instanties om recht te doen aan haar vorderingen tot vergoeding van de schade die zij zou hebben geleden door de toepassing, in Frankrijk, van met het gemeenschapsrecht onverenigbare regelingen.</TXT></NP><NP><NO.P>9</NO.P><TXT>Bij brief van <DATE ISO="19961009">9 oktober 1996</DATE> eiste Smanor van de Commissie, dat deze een niet-nakomingsprocedure tegen Frankrijk zou inleiden. Teneinde haar in staat te stellen een aansprakelijkheidsactie tegen de Franse Staat aanhangig te maken op de grondslag van 's Hofs arrest van <DATE ISO="19911119">19 november 1991</DATE>, Francovich e. a. (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-6/90+C-9/90" YEAR="1991" PAGE.ECR="I-5357">C-6/90 en C-9/90, Jurispr. blz. I-5357</REF.DOC.ECR>), zou de Commissie de door de Franse Republiek gepleegde<?PAGE NO="II-277"?> inbreuken moeten vaststellen, te weten, met name, dat de Franse Republiek richtlijn 79/112 niet tijdig had geïmplementeerd en dat de Franse rechterlijke instanties hadden geweigerd Smanor na 's Hofs arrest van <DATE ISO="19880714">14 juli 1988</DATE> (reeds aangehaald) schadeloos te stellen.</TXT></NP><NP><NO.P>10</NO.P><TXT>Op <DATE ISO="19961209">9 december 1996</DATE> stelden verzoekers bij het Gerecht een beroep wegens nalaten en tot schadeloosstelling in tegen de Commissie, op grond dat deze had verzuimd een niet-nakomingsprocedure uit hoofde van artikel 169 EG-Verdrag tegen de Franse Republiek in te leiden.</TXT></NP><NP><NO.P>11</NO.P><TXT>Bij beschikking van <DATE ISO="19970703">3 juli 1997</DATE>, Smanor e. a./Commissie (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="T-201/96" YEAR="1997" PAGE.ECR="II-1081">T-201/96, Jurispr. blz. II-1081</REF.DOC.ECR>), is dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.</TXT></NP><NP><NO.P>12</NO.P><TXT>In tussentijd had het directoraat-generaal Interne markt en financiële diensten (DG XV) van de Commissie bij brief van <DATE ISO="19970218">18 februari 1997</DATE> aan Ségaud de redenen meegedeeld, waarom de in de klacht van <DATE ISO="19950111">11 januari 1995</DATE> genoemde feiten niet volstonden om een niet-nakomingsprocedure tegen de Franse Republiek in te leiden. Het bestaan van een inbreuk op het gemeenschapsrecht, aldus die brief, leek twijfelachtig, gelet op, in de eerste plaats, de in het arrest Francovich e. a. (reeds aangehaald) gestelde voorwaarden voor een eventuele aansprakelijkheid van een lidstaat, en, in de tweede plaats, de wijze waarop de Franse rechterlijke instanties die voorwaarden hadden beoordeeld. Bijgevolg zou aan de Commissie worden voorgesteld de klacht als afgedaan te beschouwen, behoudens eventuele opmerkingen die klager zou willen indienen.</TXT></NP><NP><NO.P>13</NO.P><TXT>Bij brieven van 2 en <DATE ISO="19970311">11 maart 1997</DATE> deed Ségaud zijn opmerkingen aan de Commissie toekomen. Hij insisteerde nogmaals op de gegrondheid van Smanors klacht en verzocht de Commissie een onderzoek in te stellen naar de circulaires die de Franse overheidsinstanties in het kader van de gedingen rond Smanor tot de betrokken strafrechters hadden gericht.</TXT></NP><?PAGE NO="II-278"?><NP><NO.P>14</NO.P><TXT>Bij brief van <DATE ISO="19970521">21 mei 1997</DATE> deelde DG XV Ségaud mee, dat de Commissie had besloten de klacht af te leggen.</TXT></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P>Het procesverloop en de conclusies van partijen</P></TI></TITLE><NP><NO.P>15</NO.P><TXT>Bij op <DATE ISO="19970617">17 juni 1997</DATE> ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift hebben Smanor en de deelgenoten Ségaud het onderhavige beroep ingesteld.</TXT></NP><NP><NO.P>16</NO.P><TXT>Bij afzonderlijke akte, ingeschreven ter griffie van het Gerecht op <DATE ISO="19970722">22 juli 1997</DATE>, heeft de Commissie een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen in de zin van artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering. Verzoekers hebben op <DATE ISO="19970916">16 september 1997</DATE> hun opmerkingen over die exceptie ingediend.</TXT></NP><NP><NO.P>17</NO.P><TXT>In hun verzoekschrift concluderen verzoekers dat het het Gerecht behage:</TXT><P><LIST TYPE="DASH"><ITEM><P>de brief van de Commissie van <DATE ISO="19970521">21 mei 1997</DATE> in alle onderdelen nietig te verklaren;</P></ITEM><ITEM><P>recht te doen aan hun tot de Commissie gericht verzoek betreffende de mededeling van de stukken betreffende de zaak Smanor, die zich in de Franse bestuursarchieven bevinden.</P></ITEM></LIST></P></NP><?PAGE NO="II-279"?><NP><NO.P>18</NO.P><TXT>In haar exceptie van niet-ontvankelijkheid concludeert de Commissie dat het het Gerecht behage:</TXT><P><LIST TYPE="DASH"><ITEM><P>het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;</P></ITEM><ITEM><P>verzoekers in de kosten te veroordelen.</P></ITEM></LIST></P></NP><NP><NO.P>19</NO.P><TXT>In hun opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid concluderen verzoekers dat het het Gerecht behage:</TXT><P><LIST TYPE="DASH"><ITEM><P>de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid te verwerpen;</P></ITEM><ITEM><P>het beroep gegrond te verklaren;</P></ITEM><ITEM><P>de Commissie te gelasten haar onderzoeksbevoegdheden uit te oefenen en alle stukken betreffende de zaak Smanor, die zich in de Franse bestuursarchieven bevinden, zowel aan het Gerecht als aan verzoekers mee te delen.</P></ITEM></LIST></P></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P>De ontvankelijkheid</P></TI></TITLE><NP><NO.P>20</NO.P><TXT>Indien een partij verzoekt dat het Gerecht uitspraak zal doen over de niet-ontvankelijkheid zonder op de zaak ten gronde in te gaan, geschiedt volgens artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering de verdere behandeling van de exceptie mondeling, tenzij het Gerecht anders beslist.</TXT></NP><?PAGE NO="II-280"?><NP><NO.P>21</NO.P><TXT>In casu acht het Gerecht zich voldoende ingelicht door de stukken van het dossier om zonder mondelinge behandeling uitspraak te kunnen doen.</TXT></NP><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><P>Argumenten van partijen</P></TI></TITLE><NP><NO.P>22</NO.P><TXT>De Commissie is van oordeel, dat het beroep tot nietigverklaring kennelijk niet-ontvankelijk is. Volgens vaste rechtspraak kunnen particulieren niet opkomen tegen de weigering van de Commissie om een niet-nakomingsprocedure in te leiden (arresten Hof van <DATE ISO="19660301">1 maart 1966</DATE>, Lütticke e. a./Commissie, <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="48/65" YEAR="1966" PAGE.ECR="27">48/65, Jurispr. blz. 27</REF.DOC.ECR>, en <DATE ISO="19900517">17 mei 1990</DATE>, Sonito e. a./Commissie, <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-87/89" YEAR="1990" PAGE.ECR="I-1981">C-87/89, Jurispr. blz. I-1981</REF.DOC.ECR>; beschikking Hof van <DATE ISO="19920612">12 juni 1992</DATE>, Asia Motor France e. a./Commissie, <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-29/92" YEAR="1992" PAGE.ECR="I-3935">C-29/92, Jurispr. blz. I-3935, punt 21</REF.DOC.ECR>; beschikkingen Gerecht van <DATE ISO="19941129">29 november 1994</DATE>, Bernardi/Commissie, <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="T-479/93+T-559/93" YEAR="1994" PAGE.ECR="II-1115">T-479/93 en T-559/93, Jurispr. blz. II-1115</REF.DOC.ECR>, en <DATE ISO="19951113">13 november 1995</DATE>, Dumez/Commissie, <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="T-126/95" YEAR="1995" PAGE.ECR="II-2863">T-126/95, Jurispr. blz. II-2863</REF.DOC.ECR>). Deze rechtspraak is niet enkel gebaseerd op de discretionaire bevoegdheid van de Commissie ex artikel 169 van het Verdrag, maar ook op de omstandigheid dat de handeling die van de Commissie wordt verlangd, bestaat in de vaststelling van een met redenen omkleed advies, welke handeling niet voor beroep vatbaar is omdat het gaat om een handeling die voorafgaat aan de eventuele instelling van een beroep wegens niet-nakoming bij het Hof.</TXT></NP><NP><NO.P>23</NO.P><TXT>Verzoekers repliceren, dat de brief van de Commissie van <DATE ISO="19970521">21 mei 1997</DATE> een voor beroep vatbare handeling is, daar zij het definitieve standpunt van de Commissie, voorafgaande aan de aflegging van de klacht, vastlegt. Zij verwijzen hiervoor naar 's Hofs arrest van <DATE ISO="19970318">18 maart 1997</DATE>, Guérin automobiles/Commissie (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-282/95 P" YEAR="1997" PAGE.ECR="I-1503">C-282/95 P, Jurispr. blz. I-1503</REF.DOC.ECR>), volgens hetwelk (punt 36) de Commissie gehouden is <QUOT.START ID="QS0009" REF.END="QE0009" CODE="201E"/>hetzij een procedure in te leiden tegen de persoon waartegen de klacht zich richt (...) hetzij een definitieve beslissing tot afwijzing van de klacht te nemen, waartegen beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld bij de gemeenschapsrechter<QUOT.END ID="QE0009" REF.START="QS0009" CODE="201D"/>. Verder betogen zij dat, gelet op de rechtspraak van het Hof inzake de aansprakelijkheid van de lidstaten voor het niet implementeren van richtlijnen en op de door de Franse Republiek gepleegde inbreuken, de Commissie zich niet met een beroep<?PAGE NO="II-281"?> op haar discretionaire bevoegdheid kan onttrekken aan haar verplichting toe te zien op de eerbiediging van het gemeenschapsrecht.</TXT></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><P>Beoordeling door het Gerecht</P></TI></TITLE><NP><NO.P>24</NO.P><TXT>Het Gerecht stelt vast, dat dit beroep strekt tot nietigverklaring van het besluit van <DATE ISO="19970521">21 mei 1997</DATE>, waaruit blijkt van het voornemen van de Commissie om geen niet-nakomingsprocedure tegen de Franse Republiek in te leiden, en om bijgevolg de klacht van verzoekers over een schending van het gemeenschapsrecht door die staat af te leggen.</TXT></NP><NP><NO.P>25</NO.P><TXT>Volgens vaste rechtspraak van het Hof en het Gerecht evenwel kunnen particulieren niet opkomen tegen een weigering van de Commissie om een niet-nakomingsprocedure tegen een lidstaat in te leiden (zie, met name, arresten Hof Lütticke e. a./Commissie, reeds aangehaald, blz. 39, en van <DATE ISO="19970220">20 februari 1997</DATE>, Bundesverband der Bilanzbuchhalter/Commissie, <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-107/95 P" YEAR="1997" PAGE.ECR="I-947">C-107/95 P, Jurispr. blz. I-947, punt 19</REF.DOC.ECR>; zie voorts beschikkingen Asia Motor France e. a./Commissie, reeds aangehaald, punt 21, en Dumez/Commissie, reeds aangehaald, punt 33).</TXT></NP><NP><NO.P>26</NO.P><TXT>Herinnerd zij hier aan artikel 169 van het Verdrag, dat bepaalt:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START ID="QS0010" REF.END="QE0010" CODE="201E"/>Indien de Commissie van oordeel is dat een lidstaat een van de krachtens dit Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, brengt zij dienaangaande een met redenen omkleed advies uit, na deze staat in de gelegenheid te hebben gesteld zijn opmerkingen te maken. Indien de betrokken staat dit advies niet binnen de door de Commissie vastgestelde termijn opvolgt, kan de Commissie de zaak aanhangig maken bij het Hof van Justitie.<QUOT.END ID="QE0010" REF.START="QS0010" CODE="201D"/></P></QUOT.S></P></NP><?PAGE NO="II-282"?><NP><NO.P>27</NO.P><TXT>De Commissie is dus niet verplicht een niet-nakomingsprocedure in te leiden, maar beschikt op dat punt over een discretionaire bevoegdheid, wat uitsluit dat particulieren van haar zouden kunnen eisen dat zij in een bepaalde zin beslist, en een beroep tot nietigverklaring zouden kunnen instellen tegen haar weigering om te handelen (zie, bijvoorbeeld, arrest Sonito/Commissie, reeds aangehaald, punt 6, en beschikking Gerecht van <DATE ISO="19950123">23 januari 1995</DATE>, Bundesverband der Bilanzbuchhalter/Commissie, <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="T-84/94" YEAR="1995" PAGE.ECR="II-101">T-84/94, Jurispr. blz. II-101, punt 23</REF.DOC.ECR>). Enkel wanneer de Commissie van oordeel is, dat de betrokken lidstaat een van zijn verplichtingen niet is nagekomen, brengt zij een met redenen omkleed advies uit. Wanneer de staat dan dat advies niet binnen de gestelde termijn opvolgt, kan de Commissie — maar moet zij niet — zich tot het Hof wenden om de verweten niet-nakoming te doen vaststellen.</TXT></NP><NP><NO.P>28</NO.P><TXT>Aangezien voorts enkel het Hof bevoegd is vast te stellen dat een staat de krachtens het gemeenschapsrecht op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, kan de door een klagende particulier verlangde handeling geen andere zijn dan een met redenen omkleed advies van de Commissie. Een dergelijke handeling nu is slechts een prealabel voor de eventuele instelling van een beroep wegens niet-nakoming bij het Hof en is dus niet te beschouwen als een voor beroep tot nietigverklaring vatbare handeling, zodat evenmin kan worden opgekomen tegen de weigering een niet-nakomingsprocedure in te leiden (arrest Lütticke e. a./Commissie, reeds aangehaald, en beschikking Dumez/Commissie, reeds aangehaald, punt 37).</TXT></NP><NP><NO.P>29</NO.P><TXT>Verzoekers kunnen zich in casu niet beroepen op het arrest Guérin automobiles/Commissie (reeds aangehaald), aangezien het in die zaak ging om een procedure uit hoofde van verordening nr. 17 van de Raad van <DATE ISO="19620206">6 februari 1962</DATE>: Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 1962, blz. 204; hierna: <QUOT.START ID="QS0011" REF.END="QE0011" CODE="201E"/>verordening nr. 17<QUOT.END ID="QE0011" REF.START="QS0011" CODE="201D"/>). In een procedure krachtens artikel 169 van het Verdrag is de procespositie van de partijen die een klacht bij de Commissie hebben ingediend, fundamenteel verschillend van die van de klager in het kader van een procedure uit hoofde van verordening nr. 17 (zie met name beschikking Gerecht van <DATE ISO="19970929">29 september 1997</DATE>, Sateba/Commissie, <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="T-83/97" YEAR="1997" PAGE.ECR="II-1523">T-83/97, Jurispr. blz. II-1523, punt 32</REF.DOC.ECR>). In laatstbedoelde procedure hebben de klagers procedurele rechten die duidelijk zijn omschreven in verordening nr. 99/63/EEG van de Commissie van<?PAGE NO="II-283"?> <DATE ISO="19630725">25 juli 1963</DATE> over het horen van belanghebbenden en derden overeenkomstig artikel 19, leden 1 en 2, van verordening nr. 17 (PB 1963, blz. 2268), zoals het recht om in kennis te worden gesteld van de redenen waarom de Commissie geen gevolg zal geven aan hun klacht, en het recht hun opmerkingen daarover in te dienen. Bovendien kunnen zij de beslissing waartoe de Commissie aan het eind van die procedure is gekomen, door de rechter laten toetsen (zie met name arrest Hof van <DATE ISO="19771025">25 oktober 1977</DATE>, Metro/Commissie, <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="26/76" YEAR="1977" PAGE.ECR="1875">26/76, Jurispr. blz. 1875, 1902</REF.DOC.ECR>, en arrest Guérin automobiles/Commissie, reeds aangehaald, punt 36). In het kader van een procedure uit hoofde van artikel 169 van het Verdrag beschikken degenen die een klacht hebben ingediend, niet over dergelijke procedurele rechten.</TXT></NP><NP><NO.P>30</NO.P><TXT>Uit het voorgaande volgt, dat het beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk moet worden verklaard.</TXT></NP><NP><NO.P>31</NO.P><TXT>Bijgevolg behoeft niet te worden beslist op het verzoek van verzoeker, de Commissie te gelasten de stukken betreffende de zaak Smanor die zich in de Franse bestuursarchieven zouden bevinden, mee te delen.</TXT></NP></GR.SEQ></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P>Kosten</P></TI></TITLE><NP><NO.P>32</NO.P><TXT>Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen indien dat is gevorderd. Aangezien verzoekers in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij, overeenkomstig de conclusie van de Commissie op dat punt, in de kosten te worden verwezen.</TXT></NP></GR.SEQ></GR.SEQ><?PAGE NO="II-284"?><JURISDICTION><INTRO><P>HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer)</P><P>beschikt:</P></INTRO><LIST TYPE="ARAB"><ITEM><NP><NO.P>1)</NO.P><TXT>Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>2)</NO.P><TXT>Verzoekers worden verwezen in de kosten van het geding.</TXT></NP></ITEM></LIST></JURISDICTION></CONTENTS.ORDER><SIGNATURE.CASE><P>Luxemburg, <DATE ISO="19980216">16 februari 1998</DATE>.</P><SIGNATORY><P>De griffier</P><P>H.Jung</P></SIGNATORY><SIGNATORY><P>De president van de Tweede kamer</P><P>A. Kalogeropoulos</P></SIGNATORY></SIGNATURE.CASE></ORDER>