CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
A. RANTOS
van 27 april 2023 ( 1 )
Zaak C‑45/22
HK
tegen
Federale Pensioendienst (FPD)
[verzoek van de tribunal du travail francophone de Bruxelles (Franstalige arbeidsrechtbank Brussel, België) om een prejudiciële beslissing]
„Prejudiciële verwijzing – Coördinatie van de socialezekerheidsstelsels – Verordening (EG) nr. 883/2004 – Artikel 55, lid 1, onder a) – Samenloop van uitkeringen van verschillende aard – Deling van de bedragen van de uitkering of uitkeringen of andere inkomsten, voor zover in aanmerking genomen, door het aantal uitkeringen – Begrip ‚bedragen voor zover in aanmerking genomen’ – Eerbiediging van de eigen kenmerken van de nationale socialezekerheidswetgevingen – Persoon die meerdere rust- en overlevingspensioenen ontvangt uit verschillende lidstaten – Toepassing van de nationale anticumulatiebepalingen – Berekeningsmethode voor het bedrag van een overlevingspensioen”
I. Inleiding
|
1. |
Verordening (EG) nr. 883/2004 ( 2 ) beoogt blijkens de overwegingen 1 en 45 ervan te zorgen voor de coördinatie van de nationale socialezekerheidsstelsels van de lidstaten, zodat het recht op vrij verkeer van personen daadwerkelijk kan worden uitgeoefend, en aldus bij te dragen tot de verhoging van de levensstandaard en de verbetering van de arbeidsomstandigheden van personen die zich binnen de Unie verplaatsen. |
|
2. |
In dat kader heeft die verordening met name tot doel de draagwijdte te beperken van nationale anticumulatiebepalingen op het gebied van rust- en overlevingspensioenen die ertoe leiden dat de uitkering waarop een verzekerde in een lidstaat aanspraak kan maken, wordt verminderd omdat hij in een andere lidstaat een uitkering geniet. ( 3 ) Zo bepaalt artikel 55, lid 1, onder a), van die verordening dat indien het voor het ontvangen van uitkeringen van verschillende aard of andere inkomsten vereist is dat de in de wetgeving van de betrokken lidstaten vastgelegde anticumulatiebepalingen worden toegepast op twee of meer onafhankelijke uitkeringen, de bevoegde organen de bedragen van de uitkering of uitkeringen of andere inkomsten delen, voor zover in aanmerking genomen, door het aantal uitkeringen dat aan die anticumulatiebepalingen is onderworpen. |
|
3. |
Hoe moeten de in die bepaling bedoelde bewoordingen „bedragen voor zover in aanmerking genomen” worden uitgelegd? Moet meer bepaald het totale bedrag van de betrokken uitkeringen worden gedeeld of veeleer het gedeelte van de inkomsten dat een plafond voor cumulatie van de verschillende betrokken uitkeringen overschrijdt? Dit is in wezen de vraag van de tribunal du travail francophone de Bruxelles (Franstalige arbeidsrechtbank Brussel, België). Aangezien het Hof artikel 55 van verordening nr. 883/2004 nooit eerder heeft uitgelegd, gaat het daarbij om een nieuwe vraag. |
|
4. |
Het verzoek om een prejudiciële beslissing is ingediend in het kader van een geding tussen HK, die meerdere rust- en overlevingspensioenen ontvangt uit verschillende lidstaten, en de Federale Pensioendienst (FPD) (België) over de berekeningsmethode voor het bedrag van het Belgische overlevingspensioen waarop hij na het overlijden van zijn echtgenote recht heeft. |
II. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
1. Verordening (EEG) nr. 1408/71
|
5. |
Artikel 46 quater van verordening (EEG) nr. 1408/71 ( 4 ), dat in deze verordening is opgenomen bij verordening (EEG) nr. 1248/92 ( 5 ) en als opschrift heeft „Bijzondere bepalingen van toepassing in geval van samenloop van één of meer uitkeringen als bedoeld in artikel 46 bis, lid 1, met één of meer uitkeringen van verschillende aard of met andere inkomsten wanneer er twee of meer betrokken lidstaten zijn”, bepaalt in lid 1 het volgende: „Indien de toekenning van uitkeringen van verschillende aard of van andere inkomsten tevens leidt tot vermindering, schorsing of intrekking van twee of meer uitkeringen als bedoeld in artikel 46, lid 1, onder a), i), worden de bedragen die bij een strikte toepassing van de bij de wetgeving van de betrokken lidstaten vastgestelde bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking niet zouden worden uitgekeerd, gedeeld door het aantal uitkeringen dat aan vermindering, schorsing of intrekking onderworpen is.” |
|
6. |
Verordening nr. 1408/71 is met ingang van 1 mei 2010 ingetrokken en vervangen door verordening nr. 883/2004. |
2. Verordening nr. 883/2004
|
7. |
De overwegingen 1, 4, 28 tot en met 31 en 45 van verordening nr. 883/2004 luiden:
[…]
[…]
[…]
|
|
8. |
In artikel 2 van deze verordening, met als opschrift „Personele werkingssfeer”, staat: „1. Deze verordening is van toepassing op onderdanen van een lidstaat, staatlozen en vluchtelingen, die in een van de lidstaten wonen, en op wie de wetgeving van een of meer lidstaten van toepassing is of geweest is, alsmede op hun gezinsleden en hun nabestaanden. 2. Tevens is deze verordening van toepassing op de nabestaanden van de personen op wie de wetgeving van een of meer lidstaten van toepassing is geweest, ongeacht de nationaliteit van die personen, indien hun nabestaanden onderdanen van een van de lidstaten, staatlozen of vluchtelingen zijn die in een van de lidstaten wonen.” |
|
9. |
Artikel 3 van deze verordening, met als opschrift „Materiële werkingssfeer”, bepaalt in lid 1: „Deze verordening is van toepassing op alle wetgeving betreffende de volgende takken van sociale zekerheid: […] d) uitkeringen bij ouderdom; e) uitkeringen aan nabestaanden; […]” |
|
10. |
Hoofdstuk 5 van titel III van deze verordening, met als opschrift „Ouderdoms- en nabestaandenpensioenen”, bevat onder meer de artikelen 52 tot en met 55. |
|
11. |
Artikel 52 van verordening nr. 883/2004, met als opschrift „Toekenning van uitkeringen”, bepaalt in de leden 1 tot en met 3: „1. Het bevoegde orgaan berekent het bedrag van de verschuldigde uitkering:
2. In voorkomend geval past het bevoegde orgaan op het overeenkomstig lid 1, onder a) en b), berekende bedrag alle bepalingen toe inzake vermindering, schorsing of intrekking van de wetgeving krachtens welke deze uitkering wordt toegekend, binnen de grenzen van de artikelen 53 tot en met 55. 3. De betrokkene is gerechtigd om van het bevoegde orgaan van elke lidstaat het hoogste uitkeringsbedrag te ontvangen dat overeenkomstig het bepaalde in lid 1, onder a) en b), berekend is.” |
|
12. |
Artikel 53 van deze verordening, met als opschrift „Anticumulatiebepalingen”, bepaalt in de leden 1 en 2 het volgende: „1. Samenloop van invaliditeits-, ouderdoms- en nabestaandenuitkeringen die worden berekend of toegekend op basis van tijdvakken van verzekering en/of wonen welke door eenzelfde persoon zijn vervuld, wordt beschouwd als samenloop van uitkeringen van dezelfde aard. 2. Samenloop van uitkeringen die in de zin van lid 1 niet als uitkeringen van dezelfde aard kunnen worden aangemerkt, wordt beschouwd als samenloop van uitkeringen van verschillende aard.” |
|
13. |
Artikel 54 van deze verordening, met als opschrift „Bijzondere bepalingen inzake samenloop van prestaties van dezelfde aard”, luidt: „1. In geval van samenloop van uitkeringen van dezelfde aard die verschuldigd zijn krachtens de wetgeving van twee of meer lidstaten, worden de anticumulatievoorschriften waarin de wetgeving van een lidstaat voorziet, niet toegepast op een pro-rata-uitkering. 2. De anticumulatievoorschriften zijn alleen op een onafhankelijke prestatie van toepassing indien het een uitkering betreft:
De onder a) en b) bedoelde uitkeringen en overeenkomsten zijn vermeld in bijlage IX.” |
|
14. |
Artikel 55 van deze verordening, met als opschrift „Samenloop van een of meer uitkeringen van verschillende aard”, bepaalt in lid 1, onder a): „Indien het voor het ontvangen van uitkeringen van verschillende aard of andere inkomsten vereist is dat de in de wetgeving van de betrokken lidstaten vastgelegde anticumulatiebepalingen worden toegepast op:
De toepassing van deze bepaling mag er evenwel niet toe leiden dat de betrokkene zijn status van gepensioneerde wordt ontnomen voor de toepassing van de andere hoofdstukken van titel III, volgens de voorwaarden en procedures van de toepassingsverordening”. |
B. Belgisch recht
|
15. |
Artikel 20, eerste en vierde lid, van koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers ( 6 ) luidt in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „koninklijk besluit nr. 50”): „Het overlevingspensioen kan niet worden samengevoegd met een rustpensioen of met enig ander als rustpensioen geldend voordeel, tenzij ten belope van het door de Koning bepaald bedrag. […] De Koning bepaalt in hoeverre het overlevingspensioen kan worden verminderd wanneer de langstlevende echtgenoot een overlevingspensioen of enig ander als dusdanig geldend voordeel geniet krachtens een regeling inzake rust- en overlevingspensioenen van een vreemd land of krachtens een regeling toepasselijk op het personeel van een volkenrechtelijke instelling.” |
|
16. |
Artikel 52, § 1, van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers ( 7 ) luidt in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „koninklijk besluit van 21 december 1967”): „Wanneer de langstlevende echtgenoot aanspraak kan maken, enerzijds, op een overlevingspensioen krachtens de pensioenregeling voor werknemers en, anderzijds, op één of meer rustpensioenen of op voordelen die als dusdanig gelden krachtens de pensioenregeling voor werknemers of één of meer andere pensioenregelingen, mag het overlevingspensioen niet worden samen genoten met de vermelde rustpensioenen dan tot beloop van een som gelijk aan 110 % van het bedrag van het overlevingspensioen dat aan de langstlevende echtgenoot zou zijn toegekend voor een volledige loopbaan. […] Wanneer de in het eerste lid bedoelde echtgenoot eveneens aanspraak kan maken op één of meer overlevingspensioenen of op voordelen die als dusdanig gelden in de zin van artikel 10bis van [koninklijk besluit nr. 50], mag het overlevingspensioen niet meer belopen dan het verschil tussen, enerzijds 110 % van het bedrag van het overlevingspensioen voor een volledige loopbaan en, anderzijds, de som van de bedragen van de rustpensioenen of van de als dusdanig geldende voordelen bedoeld in het eerste lid, en van een bedrag gelijk aan het overlevingspensioen als werknemer voor een volledige loopbaan, vermenigvuldigd met de breuk of met de som van de breuken die de belangrijkheid van de overlevingspensioenen in de andere pensioenregelingen, die van de zelfstandigen uitgezonderd, uitdrukken. Deze breuken zijn die welke voor de toepassing van het voormelde artikel 10bis in aanmerking werden of zouden worden genomen. […]” |
|
17. |
In artikel 52bis van het koninklijk besluit van 21 december 1967 wordt bepaald: „Voor de toepassing van artikel 20, derde en vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 50 wordt het bedrag van het overlevingspensioen van de langstlevende echtgenoot toegekend krachtens het koninklijk besluit nr. 50 of de wet van 20 juli 1990 (of het koninklijk besluit van 23 december 1996), verminderd met het bedrag van het overlevingspensioen of elke als zodanig geldende uitkering verleend krachtens een regeling van een vreemd land of krachtens een regeling van toepassing op het personeel van een volkenrechtelijke instelling waaraan niet kan worden verzaakt.” |
|
18. |
In artikel 7, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels ( 8 ) wordt in de op het hoofdgeding toepasselijke versie bepaald: „Indien de echtgenoot vóór de ingangsdatum van zijn rustpensioen is overleden, is het overlevingspensioen gelijk aan 80 t.h. van het bedrag van het rustpensioen berekend overeenkomstig artikel 5, § 1, eerste lid a), van dit besluit dat aan de echtgenoot overeenkomstig dit besluit zou zijn toegekend.” |
III. Hoofdgeding, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof
|
19. |
De echtgenote van HK is gestorven op 29 november 2016. |
|
20. |
Op 1 december 2016 ontving HK op persoonlijke titel een Belgisch rustpensioen van 11962,55 EUR per jaar en een Spaans rustpensioen van 8276,28 EUR per jaar. Aangezien de echtgenote van HK in verschillende lidstaten, namelijk België, Spanje en Finland, had gewerkt en aldaar socialezekerheidsbijdragen had betaald, ontving HK na haar overlijden ook een Spaans overlevingspensioen van 5123,88 EUR per jaar en een Fins overlevingspensioen van 1281,24 EUR per jaar. |
|
21. |
Wat België betreft, heeft de FPD HK bij brief van 3 januari 2017 meegedeeld dat hij diens eventuele recht op een Belgisch overlevingspensioen onderzocht. Op 22 december 2017 heeft de FPD HK laten weten dat hij geen recht had op een dergelijk overlevingspensioen aangezien de som van zijn rustpensioenen te hoog was. Op 26 december 2017 heeft HK bij de FPD bezwaar gemaakt tegen deze weigeringsbeslissing. Vervolgens hebben HK en de FPD brieven uitgewisseld over de wijze waarop de verschillende pensioenuitkeringen die HK ontving, in aanmerking moesten worden genomen om te bepalen of en in hoeverre hij recht had op een Belgisch overlevingspensioen. |
|
22. |
Bij beslissing van 18 september 2019 heeft de FPD HK meegedeeld dat zijn situatie opnieuw was onderzocht en dat hij met ingang van 1 december 2016 recht had op een Belgisch overlevingspensioen ten bedrage van 1929,03 EUR bruto per jaar. De FPD heeft aangegeven dat het recht van HK op een Belgisch overlevingspensioen ambtshalve was onderzocht omdat de Republiek Finland nationale anticumulatiebepalingen toepaste. De FPD heeft daaraan toegevoegd dat bij de vaststelling van dit brutobedrag rekening was gehouden met het cumulatieplafond, aangezien HK tevens een Belgisch rustpensioen ontving. |
|
23. |
Op 14 april 2020 heeft HK tegen de beslissing van de FPD van 18 september 2019 beroep ingesteld bij de tribunal du travail francophone de Bruxelles, de verwijzende rechter, met als argument dat hij krachtens artikel 55 van verordening nr. 883/2004 recht had op een Belgisch overlevingspensioen ten bedrage van 6339,01 EUR bruto per jaar. |
|
24. |
De verwijzende rechter merkt op dat in de Belgische regeling de cumulatie van een rustpensioen en een overlevingspensioen is toegestaan, zij het met beperkingen, op grond van artikel 20, eerste lid, van koninklijk besluit nr. 50, dat is uitgevoerd bij artikel 52, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 21 december 1967. Voorts volgt uit artikel 20, vierde lid, van koninklijk besluit nr. 50, gelezen in samenhang met artikel 52bis van het koninklijk besluit van 21 december 1967, dat een overlevingspensioen van een Belgische werknemer niet kan worden gecumuleerd met een of meer krachtens een buitenlandse wettelijke regeling toegekende overlevingspensioenen. Volgens dat artikel 52bis wordt het bedrag van het overlevingspensioen van een Belgische werknemer immers verminderd met het bedrag van het (of de) krachtens een buitenlandse regeling toegekende overlevingspensioen(en). |
|
25. |
Overeenkomstig artikel 54 van verordening nr. 883/2004 mogen in geval van samenloop van uitkeringen van dezelfde aard uit meerdere lidstaten de anticumulatiebepalingen waarin de nationale regeling voorziet, evenwel slechts worden toegepast op bepaalde uitkeringen, die in bijlage IX bij die verordening zijn vermeld. Het overlevingspensioen voor werknemers komt niet voor op de lijst van de door het Koninkrijk België in die bijlage opgenomen uitkeringen. Bijgevolg is artikel 52bis van het koninklijk besluit van 21 december 1967 in het hoofdgeding niet van toepassing. De FPD heeft dan ook op grond van artikel 52, § 1, eerste lid, van dat koninklijk besluit het Belgische en het Spaanse rustpensioen, dat HK op persoonlijke titel ontvangt, in aanmerking genomen. |
|
26. |
Volgens de verwijzende rechter moet in het onderhavige geval de samenloop van een overlevingspensioen voor werknemers met rustpensioenen, namelijk een Belgisch en een buitenlands rustpensioen, worden beschouwd als een samenloop van uitkeringen van verschillende aard in de zin van artikel 55 van verordening nr. 883/2004, aangezien de op basis van de beroepsloopbaan van twee verschillende personen berekende uitkeringen niet als uitkeringen van dezelfde aard kunnen worden beschouwd. |
|
27. |
Die rechter voegt daaraan toe dat artikel 52 van verordening nr. 883/2004 een onderscheid maakt tussen „autonoom pensioen” en „uitkering pro rata”, en dat de betrokkene gerechtigd is om van het bevoegde orgaan van elke lidstaat het hoogste uitkeringsbedrag te ontvangen dat overeenkomstig het bepaalde in lid 1, onder a) en b), van dat artikel berekend is. De FPD heeft in casu berekend dat zowel voor het Belgische rustpensioen als voor het Belgische overlevingspensioen het autonoom pensioen voor HK voordeliger was dan de uitkering pro rata. Die rechter verklaart dat volgens zijn onderzoek HK geen recht heeft op een overlevingspensioen op grond van de berekening van de uitkering pro rata in de zin van artikel 52, lid 1, onder b), van die verordening. |
|
28. |
Wat de berekening van het autonoom pensioen betreft, heeft HK volgens die rechter recht op een overlevingspensioen uitsluitend als gevolg van de toepassing van artikel 55, lid 1, onder a), van verordening nr. 883/2004. Andere werknemers die een Belgisch rustpensioen voor werknemers genieten dat gelijk is aan dat van HK, namelijk 20238,83 EUR, zouden in België immers geen overlevingspensioen hebben ontvangen. HK bevindt zich dus in een gunstigere situatie als gevolg van de toepassing van het Unierecht. |
|
29. |
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat HK en de FPD met betrekking tot het desbetreffende Belgische overlevingspensioen tot dezelfde bevinding komen wat de volgende aspecten betreft:
|
|
30. |
Voorts volgt uit de verwijzingsbeslissing dat HK en de FPD de manier waarop de overschrijding van het cumulatieplafond moet worden berekend, verschillend interpreteren. Volgens de FPD moet voor de vaststelling van de overschrijding het bedrag van het overlevingspensioen (7638,46 EUR) en de som van de rustpensioenen (20238,83 EUR) worden opgeteld en vervolgens het cumulatieplafond (16458,42 EUR) in mindering worden gebracht, hetgeen resulteert in het bedrag van 11418,87 EUR. Het verminderde overlevingspensioen wordt als volgt berekend: het bedrag van het overlevingspensioen (7638,46 EUR) minus de overschrijding van het cumulatieplafond (11418,87 EUR) gedeeld door twee (het aantal overlevingspensioenen waarop de anticumulatiebepalingen van toepassing zijn, namelijk het Belgische en het Finse overlevingspensioen, aangezien het Spaanse overlevingspensioen niet wordt verminderd), dus minus 5709,43 EUR, zodat dit overlevingspensioen jaarlijks 7638,46 EUR minus 5709,43 EUR, of 1929,03 EUR bedraagt. |
|
31. |
HK berekent de overschrijding van het cumulatieplafond anders: bij de som van de rustpensioenen (20238,83 EUR), die wordt gedeeld door twee, dus 10119,41 EUR, moet het bedrag van het overlevingspensioen (7638,46 EUR) worden opgeteld, en van die som moet het cumulatieplafond (16458,42 EUR) worden afgetrokken, hetgeen overeenkomt met een bedrag van 1299,45 EUR. Het verminderde overlevingspensioen bedraagt dan 7638,46 EUR minus 1299,45 EUR, dus een jaarlijks bedrag van 6399,01 EUR. |
|
32. |
De verwijzende rechter merkt op dat volgens de FPD het Finse overlevingspensioen, dat op 10 november 2017 aan HK is meegedeeld, door de Finse bevoegde organen op dezelfde wijze is berekend als door hem. Die rechter verklaart dat HK van zijn kant verwijst naar de informatie op de website van de Caisse nationale d’assurance vieillesse (Frankrijk), het Franse socialezekerheidsorgaan dat het basispensioen voor werknemers uit de particuliere sector, zelfstandigen, arbeidscontractanten bij de overheid en kunstenaars-auteurs beheert, en met name naar circulaire no 2010/54 (note technique no 3: Pension de réversion) [circulaire nr. 2010/54 (technische nota nr. 3: overlevingspensioen)] van 21 mei 2010 ( 10 ). |
|
33. |
De verwijzende rechter voegt daaraan toe dat de regel van artikel 55, lid 1, onder a), van verordening nr. 883/2004 als zodanig niet was opgenomen in artikel 46 quater van verordening nr. 1408/71, dat voortvloeit uit verordening nr. 1248/92, en dat artikel 55, lid 1, onder a), een wijziging blijkt te hebben aangebracht door niet langer te verwijzen naar „de bedragen die bij een strikte toepassing van de bij de wetgeving van de betrokken lidstaten vastgestelde bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking niet zouden worden uitgekeerd”. |
|
34. |
Tegen deze achtergrond heeft de tribunal du travail francophone de Bruxelles de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
|
|
35. |
Bij het Hof zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door HK, de Belgische regering, de Finse regering en de Europese Commissie. |
IV. Analyse
|
36. |
Met zijn prejudiciële vragen, die tezamen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 55, lid 1, onder a), van verordening nr. 883/2004 aldus moet worden uitgelegd dat indien voor de toekenning van uitkeringen van verschillende aard nationale anticumulatiebepalingen moeten worden toegepast ten aanzien van onafhankelijke uitkeringen, het in de weg staat aan een nationale regeling volgens welke de bevoegde organen, met het oog op de berekening van het bedrag van een overlevingspensioen, het gedeelte van de inkomsten dat een plafond voor cumulatie van de verschillende betrokken pensioenen overschrijdt, delen door het aantal onder die anticumulatiebepalingen vallende overlevingspensioenen. |
|
37. |
In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat HK een Belgisch en een Spaans rustpensioen ontvangt alsook, na het overlijden van zijn echtgenote, een Spaans en een Fins overlevingspensioen. |
|
38. |
Wat de toekenning van een Belgisch overlevingspensioen betreft, verklaart de verwijzende rechter dat het Koninkrijk België anticumulatiebepalingen heeft ingevoerd. Volgens de rechtspraak van het Hof zijn de anticumulatiebepalingen in de wetgeving van een lidstaat, tenzij anders is bepaald, van toepassing op personen die een uitkering ten laste van die lidstaat ontvangen wanneer zij aanspraak kunnen maken op andere socialezekerheidsuitkeringen, zelfs indien deze uitkeringen op grond van de wetgeving van een andere lidstaat zijn verkregen. ( 11 ) Zo wordt overeenkomstig artikel 52, lid 2, van verordening nr. 883/2004 door het bevoegde nationale orgaan in voorkomend geval toepassing gegeven aan alle bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking van de wetgeving krachtens welke die uitkering wordt toegekend, binnen de grenzen van de artikelen 53 tot en met 55 van die verordening. |
|
39. |
Zoals de verwijzende rechter opmerkt, staat de Belgische regeling niet toe dat een overlevingspensioen van een Belgische werknemer wordt gecumuleerd met een of meer krachtens een buitenlandse wetgeving toegekende overlevingspensioenen. ( 12 ) Volgens die rechter is die anticumulatieregeling overeenkomstig artikel 54 van verordening nr. 883/2004, betreffende de samenloop van uitkeringen van dezelfde aard, in casu evenwel niet van toepassing. ( 13 ) De onderhavige zaak ziet derhalve op de berekeningsmethode voor het bedrag van het Belgische overlevingspensioen dat HK ontvangt. |
|
40. |
Dienaangaande volgt uit de verwijzingsbeslissing dat HK en de FPD bij de toepassing van de artikelen 53 tot en met 55 van verordening nr. 883/2004 dezelfde analyse verrichten met betrekking tot het bedrag van het Belgische overlevingspensioen van HK, het cumulatieplafond voor dat pensioen en de som van de in aanmerking te nemen rustpensioenen. ( 14 ) De interpretatie van HK en de FPD verschilt echter wat betreft de volgende stap in de berekening van het bedrag van het aan de nationale anticumulatiebepalingen onderworpen Belgische overlevingspensioen. Volgens de FPD is het door twee (namelijk het aantal betrokken overlevingspensioenen) te delen bedrag het gedeelte van de inkomsten dat een plafond voor cumulatie van de verschillende betrokken pensioenen overschrijdt, terwijl HK stelt dat de som van de betrokken rustpensioenen door twee moet worden gedeeld, hetgeen resulteert in een hoger Belgisch overlevingspensioen. ( 15 ) Zoals de Commissie en HK opmerken, is de door laatstgenoemde gesuggereerde interpretatie niet alleen in zijn persoonlijk geval gunstiger, maar ook in het algemeen voor alle werknemers die hun recht op vrij verkeer hebben uitgeoefend. |
|
41. |
In casu rijst dus de vraag hoe artikel 55, lid 1, onder a), van verordening nr. 883/2004 dient te worden uitgelegd. In deze bepaling, die het Hof nooit eerder heeft onderzocht ( 16 ), staat dat „[i]ndien het voor het ontvangen van uitkeringen van verschillende aard of andere inkomsten vereist is dat de in de wetgeving van de betrokken lidstaten vastgelegde anticumulatiebepalingen worden toegepast op twee of meer onafhankelijke uitkeringen, […] de bevoegde organen de bedragen van de uitkering of uitkeringen of andere inkomsten, voor zover in aanmerking genomen, [delen] door het aantal uitkeringen dat aan die anticumulatiebepalingen is onderworpen”. Deze bepaling voorziet dus in een versoepeling van de nationale anticumulatiebepalingen. ( 17 ) |
|
42. |
In casu moeten op het Belgische overlevingspensioen van HK de nationale anticumulatiebepalingen, namelijk artikel 52 van het koninklijk besluit van 21 december 1967, worden toegepast. |
|
43. |
Voorts wordt niet betwist dat de rustpensioenen van HK en zijn Belgisch overlevingspensioen als „uitkeringen van verschillende aard” moeten worden aangemerkt in de zin van artikel 55 van verordening nr. 883/2004. Overeenkomstig artikel 53, lid 1, van die verordening moet onder samenloop van „uitkeringen van dezelfde aard” immers samenloop van invaliditeits-, ouderdoms- en nabestaandenuitkeringen worden verstaan die worden berekend of toegekend op basis van tijdvakken van verzekering en/of wonen welke „door eenzelfde persoon” zijn vervuld. Uitkeringen die op basis van de beroepsloopbaan van twee verschillende personen, namelijk in casu HK en zijn echtgenote, worden berekend of toegekend, kunnen dus niet als „uitkeringen van dezelfde aard” worden aangemerkt. ( 18 ) Op grond van artikel 53, lid 2, wordt samenloop van uitkeringen die niet „van dezelfde aard” zijn, beschouwd als samenloop van „uitkeringen van verschillende aard”. |
|
44. |
Het hoofdgeding ziet bovendien op „onafhankelijke uitkeringen” in de zin van artikel 55 van verordening nr. 883/2004, voor zover de FPD op grond van artikel 52 van die verordening van oordeel was dat de „onafhankelijke uitkering” (ook „autonoom pensioen” genoemd), zowel wat het Belgische rustpensioen als wat het Belgische overlevingspensioen van HK betreft, voor hem voordeliger was dan de uitkering pro rata. ( 19 ) Voorts voorziet artikel 52 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 in de toepassing van anticumulatiebepalingen ten aanzien van twee of meer onafhankelijke uitkeringen. |
|
45. |
De onderhavige zaak heeft dus meer bepaald betrekking op de betekenis die moet worden gegeven aan de bewoordingen „de bedragen van de uitkering of uitkeringen of andere inkomsten, voor zover in aanmerking genomen,” ( 20 ) in de zin van artikel 55, lid 1, onder a), van verordening nr. 883/2004. Die bewoordingen zijn gelijkwaardig in verschillende taalversies van die bepaling, onder meer in de Spaanse („las cuantías de la prestación o prestaciones u otros ingresos, tal y como hayan sido computados”), de Duitse („die Beträge der Leistung oder Leistungen oder sonstigen Einkünfte, die berücksichtigt worden sind”), de Griekse („την ή τις παροχές ή τα άλλα εισοδήματα, όπως αυτές έχουν ληφθεί υπόψη”), de Engelse („the amounts of the benefit or benefits or other income, as they have been taken into account”), de Italiaanse („gli importi della o delle prestazioni o di altri redditi, di cui si è tenuto conto”), de Poolse („kwoty świadczenia lub świadczeń lub innych dochodów, które zostały uwzględnione”) en de Zweedse („förmånen eller förmånerna eller den andra inkomsten så som de har beaktatset”) taalversie (cursivering van mij). |
|
46. |
Volgens vaste rechtspraak moet bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen en het oogmerk van de handeling waarvan zij deel uitmaakt. Ook de totstandkomingsgeschiedenis van een Unierechtelijke bepaling kan relevante gegevens voor de uitlegging van die bepaling bevatten. ( 21 ) |
|
47. |
Wat in de eerste plaats de bewoordingen van artikel 55, lid 1, onder a), van verordening nr. 883/2004 betreft, verwijst die bepaling naar de toepassing van in „de wetgeving van de betrokken lidstaten” vastgelegde anticumulatiebepalingen en naar de „bevoegde organen”. Via de tussenvoeging „voor zover in aanmerking genomen” laat deze bepaling het dus aan de lidstaten over om te bepalen hoe zij de te delen bedragen van de uitkering of uitkeringen of andere inkomsten „in aanmerking nemen”. Mijns inziens biedt deze bepaling de lidstaten met andere woorden een beoordelingsmarge om te bepalen welke bedragen aan inkomsten in aanmerking moeten worden genomen bij de toepassing van hun anticumulatiebepalingen. |
|
48. |
Dienaangaande betoogt HK dat de bijzin „voor zover in aanmerking genomen” verwijst naar de hoofdzin „de bedragen van de uitkering of uitkeringen of andere inkomsten”, die zijn vastgesteld bij toepassing van de nationale anticumulatiebepalingen, en dat in casu de bedragen door de bevoegde Belgische organen in aanmerking zijn genomen door de selectie van een of meer rustpensioenen. Voorts houdt het feit dat artikel 55, lid 1, onder a), van verordening nr. 883/2004 niet uitdrukkelijk verwijst naar het in aanmerking nemen van het bedrag dat een plafond voor cumulatie van de verschillende betrokken pensioenen overschrijdt, in dat niet van dat bedrag mag worden uitgegaan en bovendien wordt in artikel 55, lid 1, onder b), anders dan in artikel 55, lid 1, onder a), verwezen naar „alle elementen die zijn vastgesteld voor de toepassing van de anticumulatiebepalingen” ( 22 ). |
|
49. |
Die argumenten zijn mijns inziens niet overtuigend. Ten eerste ben ik immers van mening dat de betrokken bedragen, gelet op de bewoordingen van artikel 55, lid 1, onder a), niet alleen in aanmerking kunnen worden genomen bij de selectie van de betrokken pensioenen, maar ook bij de vaststelling van de methode van berekening voor de te delen bedragen. Ten tweede is in die bepaling evenmin uitdrukkelijk opgenomen dat het totale bedrag van de betrokken uitkeringen moet worden gedeeld. Wanneer zou worden aangenomen dat de bewoordingen „bedragen voor zover in aanmerking genomen” noodzakelijkerwijs verwijzen naar het totale bedrag van de betrokken uitkeringen, zou aan die bewoordingen hun betekenis of bestaansreden worden ontnomen en zou de beoordelingsmarge die de Uniewetgever aan de lidstaten heeft willen toekennen, komen te vervallen. |
|
50. |
Uit de bewoordingen van artikel 55, lid 1, onder a), van verordening nr. 883/2004 blijkt mijns inziens dus dat de lidstaten het recht hebben om bij toepassing van hun anticumulatiebepalingen het gedeelte van de inkomsten te delen dat een plafond voor cumulatie van de verschillende betrokken pensioenen overschrijdt. Daarnaast kunnen die lidstaten naar eigen goeddunken besluiten dat veeleer het totale bedrag van de betrokken uitkeringen moet worden gedeeld. |
|
51. |
In de tweede plaats vindt die uitlegging steun in de context van artikel 55, lid 1, onder a), van verordening nr. 883/2004. |
|
52. |
Overeenkomstig overweging 29 van die verordening dienen de migrerende werknemers en hun nabestaanden immers te worden beschermd tegen een „te strikte toepassing” van de nationale voorschriften inzake vermindering, schorsing of intrekking. Het doel van die verordening is dan ook niet om de nationale anticumulatiebepalingen af te schaffen, maar alleen om de gevolgen ervan te beperken wanneer de toepassing ervan bijzonder nadelig is voor werknemers die hun recht op vrij verkeer hebben uitgeoefend. Mijns inziens is het in aanmerking nemen door een lidstaat van het bedrag dat een plafond voor cumulatie van de verschillende betrokken pensioenen overschrijdt, niet bijzonder nadelig voor de betrokken werknemers. ( 23 ) |
|
53. |
Bovendien staat in overweging 4 van diezelfde verordening dat de eigen kenmerken van de nationale socialezekerheidswetgevingen moeten worden gerespecteerd en er enkel een coördinatiemethode dient te worden uitgewerkt. Voorts vloeit uit de overwegingen 30 en 31 van verordening nr. 883/2004 voort dat het aan de nationale wetgever is om voorschriften vast te stellen waarbij een beperking wordt opgelegd op de samenloop van twee of meer in verschillende lidstaten opgebouwde pensioenen, terwijl de Uniewetgever van zijn kant uitsluitend de grenzen dient vast te stellen waarbinnen die voorschriften kunnen worden toegepast. |
|
54. |
Gelet op deze overwegingen deel ik het standpunt van de Finse regering dat artikel 55, lid 1, onder a), van die verordening geen harmonisatie inhoudt van een bepaalde methode voor de berekening van overlevingspensioenen of de hoogte ervan. Het is aan de bevoegde nationale autoriteiten om die berekeningsmethoden bij de toepassing van die bepaling vast te stellen. Zo kan een lidstaat ervoor kiezen het bedrag te delen dat een plafond voor cumulatie van de verschillende betrokken pensioenen overstijgt. Uit de context van die bepaling volgt met andere woorden niet dat de lidstaten wat het te delen bedrag betreft noodzakelijkerwijs de voor de betrokkene gunstigste interpretatie moeten volgen. |
|
55. |
Meer in het algemeen waarborgt het VWEU volgens de rechtspraak van het Hof een werknemer niet dat de uitbreiding van zijn werkzaamheden naar meer dan één lidstaat of de verlegging daarvan naar een andere lidstaat, voor de sociale zekerheid neutraal is. Gelet op de verschillen tussen de socialezekerheidswetgevingen van de lidstaten, kan een dergelijke uitbreiding of verlegging naargelang het geval voor de betrokkene meer of minder voordelig of nadelig uitvallen voor zijn sociale bescherming. Hieruit volgt dat een dergelijke wetgeving, ook wanneer de toepassing ervan minder gunstig uitvalt, in overeenstemming is met de artikelen 45 en 48 VWEU indien zij de betrokken werknemer niet benadeelt ten opzichte van degenen die al hun werkzaamheden uitoefenen in de lidstaat waar zij van toepassing is, of ten opzichte van degenen die er voordien reeds aan onderworpen waren, en indien zij niet zonder meer ertoe leidt dat sociale bijdragen worden betaald die geen recht geven op een tegenprestatie. ( 24 ) |
|
56. |
In het hoofdgeding heeft de verwijzende rechter vastgesteld dat HK uitsluitend als gevolg van de toepassing van artikel 55, lid 1, onder a), van verordening nr. 883/2004 recht heeft op een Belgisch overlevingspensioen. ( 25 ) Derhalve wordt de migrerende werknemer door het Unierecht hoe dan ook bevoordeeld, zelfs wanneer deze bepaling wordt toegepast door het bedrag te delen dat een plafond voor cumulatie van de verschillende betrokken pensioenen overstijgt. ( 26 ) |
|
57. |
In de derde plaats vindt de uitlegging volgens welke een lidstaat ervoor kan kiezen het gedeelte van de inkomsten te delen dat een plafond voor cumulatie van de verschillende betrokken pensioenen overschrijdt, steun in de doelstellingen van verordening nr. 883/2004. Uit de rechtspraak van het Hof volgt immers dat die verordening blijkens de overwegingen 1 en 45 ervan en artikel 42 EG, thans artikel 48 VWEU, het vrije verkeer van werknemers binnen de Europese Unie beoogt te waarborgen zonder afbreuk te doen aan de eigen kenmerken van de nationale socialezekerheidswetgevingen, en te zorgen voor de coördinatie van de nationale socialezekerheidsstelsels van de lidstaten, zodat het recht op vrij verkeer van personen daadwerkelijk kan worden uitgeoefend, en aldus bij te dragen tot de verhoging van de levensstandaard en de verbetering van de arbeidsomstandigheden van personen die zich binnen de Unie verplaatsen. ( 27 ) |
|
58. |
Dienaangaande stelt verordening nr. 883/2004, nog steeds volgens de rechtspraak van het Hof, geen gemeenschappelijke socialezekerheidsregeling in, maar laat zij afzonderlijke nationale regelingen in stand. De lidstaten behouden de bevoegdheid om hun socialezekerheidsregelingen vorm te geven. Bij gebreke van harmonisatie op het niveau van de Unie is het aan elke lidstaat om met eerbiediging van het Unierecht in zijn wetgeving onder meer de voorwaarden vast te stellen die recht geven op sociale uitkeringen. ( 28 ) Als gevolg van het ontbreken van een gezamenlijk socialezekerheidsstelsel dient bovendien de financiële integriteit van de socialezekerheidsstelsels van de lidstaten te worden bewaard, terwijl werknemers die hun recht op vrij verkeer uitoefenen niet benadeeld mogen worden. ( 29 ) Het doel van de anticumulatiebepalingen is derhalve om niet-gerechtvaardigde cumulaties van sociale uitkeringen te vermijden. ( 30 ) |
|
59. |
Uit de doelstellingen van verordening nr. 883/2004 volgt derhalve dat de lidstaten bevoegd zijn om te bepalen op welke manier zij bij de toepassing van artikel 55, lid 1, onder a), van die verordening de bedragen van de uitkering of uitkeringen of andere inkomsten in aanmerking zullen nemen, in het bijzonder met het oog op het bewaren van de financiële integriteit van hun socialezekerheidsstelsel. De lidstaten hebben in die zin het recht maatregelen te nemen om het evenwicht van hun stelsel op lange termijn te waarborgen, zodat alle sociaalverzekerden beschermd kunnen blijven. |
|
60. |
In casu betoogt de Belgische regering dat volgens de toepasselijke nationale regeling inzake werknemerspensioenen, namelijk artikel 52, § 1, van het koninklijk besluit van 21 december 1967, de anticumulatiebepalingen in geval van cumulatie van rust- en overlevingspensioenen alleen van toepassing zijn op het afgeleide recht (het overlevingspensioen) en niet op het persoonlijke recht (het rustpensioen), hetgeen de gekozen berekeningsmethode voor het bedrag van een overlevingspensioen verklaart. Mijns inziens behoort een dergelijke benadering tot de bevoegdheid van de lidstaten en staat het niet aan de Uniewetgever of het Hof om een precieze berekeningsmethode voor de in aanmerking te nemen bedragen op te leggen die voor alle lidstaten zou gelden. |
|
61. |
In de vierde plaats vindt die uitlegging ook steun in de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 55, lid 1, onder a), van verordening nr. 883/2004. Zoals het Hof heeft vastgesteld, zijn bij die verordening de voorschriften van verordening nr. 1408/71 gemoderniseerd en vereenvoudigd zonder dat de doelstelling van die verordening is gewijzigd. ( 31 ) In casu stond in artikel 46 quater van verordening nr. 1408/71, dat voorafging aan artikel 55, lid 1, onder a), van verordening nr. 883/2004, dat indien de toekenning van uitkeringen van verschillende aard of van andere inkomsten tevens leidt tot vermindering, schorsing of intrekking van twee of meer uitkeringen, de bedragen die bij een strikte toepassing van de bij de wetgeving van de betrokken lidstaten vastgestelde bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking niet zouden worden uitgekeerd, worden gedeeld door het aantal uitkeringen dat aan vermindering, schorsing of intrekking onderworpen is. ( 32 ) Ofschoon de Uniewetgever ervoor heeft gekozen om artikel 55, lid 1, onder a), anders te formuleren dan de Commissie had voorgesteld ( 33 ), verwees artikel 46 quater van verordening nr. 1408/71 op basis van hetzelfde beginsel dus ook naar door de lidstaten en niet door de Uniewetgever vastgestelde bedragen. ( 34 ) |
|
62. |
Ten slotte geeft de verwijzende rechter aan dat de Finse bevoegde organen volgens de FPD op precies dezelfde wijze te werk zijn gegaan als deze dienst om het Finse overlevingspensioen van HK te berekenen. ( 35 ) HK van zijn kant verwijst naar een circulaire van de Franse Caisse nationale d’assurance vieillesse, waarin dezelfde interpretatie wordt gevolgd als hij voorstaat. ( 36 ) Ik zie evenwel geen tegenstelling in dit verschil van benadering. Zoals ik voorheen heb verklaard, hebben de lidstaten immers het recht om de berekeningsmethode voor het bedrag van een overlevingspensioen vast te stellen, mits zij het Unierecht eerbiedigen. In casu kan op grond van artikel 55, lid 1, onder a), van verordening nr. 883/2004 hetzij het totale bedrag van de betrokken uitkeringen, hetzij het gedeelte van de inkomsten dat een plafond voor cumulatie van de verschillende betrokken pensioenen overschrijdt, worden gedeeld. De bevoegde organen van de verschillende lidstaten kunnen dus op goede gronden niet dezelfde berekeningsmethode hanteren. |
|
63. |
Gelet op een en ander ben ik van mening dat artikel 55, lid 1, onder a), van verordening nr. 883/2004 aldus moet worden uitgelegd dat indien voor de toekenning van uitkeringen van verschillende aard nationale anticumulatiebepalingen moeten worden toegepast ten aanzien van onafhankelijke uitkeringen, het niet in de weg staat aan een nationale regeling volgens welke de bevoegde organen, met het oog op de berekening van het bedrag van een overlevingspensioen, het gedeelte van de inkomsten dat een plafond voor cumulatie van de verschillende betrokken pensioenen overschrijdt, delen door het aantal onder die anticumulatiebepalingen vallende overlevingspensioenen. |
V. Conclusie
|
64. |
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de tribunal du travail francophone de Bruxelles te beantwoorden als volgt: „Artikel 55, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels moet aldus worden uitgelegd dat indien voor de toekenning van uitkeringen van verschillende aard nationale anticumulatiebepalingen moeten worden toegepast ten aanzien van onafhankelijke uitkeringen, het niet in de weg staat aan een nationale regeling volgens welke de bevoegde organen, met het oog op de berekening van het bedrag van een overlevingspensioen, het gedeelte van de inkomsten dat een plafond voor cumulatie van de verschillende betrokken pensioenen overschrijdt, delen door het aantal onder die anticumulatiebepalingen vallende overlevingspensioenen.” |
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB 2004, L 166, blz. 1, met rectificaties in PB 2004, L 200, blz. 1, en PB 2007, L 204, blz. 30).
( 3 ) Zie de conclusie van advocaat-generaal Bot in de zaak Commissie/Malta (C‑12/14, EU:C:2015:755, punt 1).
( 4 ) Verordening van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB 1971, L 149, blz. 2).
( 5 ) Verordening van de Raad van 30 april 1992 tot wijziging van verordening nr. 1408/71 (PB 1992, L 136, blz. 7).
( 6 ) Belgisch Staatsblad, 27 oktober 1967, blz. 11246.
( 7 ) Belgisch Staatsblad, 16 januari 1968, blz. 441.
( 8 ) Belgisch Staatsblad, 17 januari 1997, blz. 904.
( 9 ) De verwijzende rechter geeft aan dat dit bedrag, dat het alternatieve volledige overlevingspensioen betreft, wordt verkregen door de som van 7481,10 EUR (som van de pensioenbedragen voor de jaren van gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling) te vermenigvuldigen met 44/22 (omgekeerde loopbaanbreuk van uitsluitend de jaren van gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling).
( 10 ) Dit document (in het Frans) kan worden geraadpleegd op het volgende adres: https://www.legislation.cnav.fr/Pages/texte.aspx?Nom=circulaire_cnav_2010_54_21052010_note3.
( 11 ) Zie naar analogie arrest van 15 maart 2018, Blanco Marqués (C‑431/16, EU:C:2018:189, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 12 ) Zie punt 25 van de onderhavige conclusie.
( 13 ) Zie punt 26 van de onderhavige conclusie.
( 14 ) Zie punt 29 van de onderhavige conclusie.
( 15 ) Zie de punten 30 en 31 van de onderhavige conclusie.
( 16 ) In de zaak die heeft geleid tot het arrest van 15 maart 2018, Blanco Marqués (C‑431/16, EU:C:2018:189), heeft de verwijzende rechter in zijn eerste en zijn zesde prejudiciële vraag verwezen naar artikel 55 van verordening nr. 883/2004. Het Hof heeft zich evenwel niet ten gronde over dit artikel uitgesproken.
( 17 ) Zoals een door de verwijzende rechter genoemde auteur opmerkt, wordt „[m]et deze bepaling […] beoogd de nadelige gevolgen voor de begunstigde van de gezamenlijke toepassing van de in de wetgeving van twee of meer lidstaten vastgestelde anticumulatiebepalingen te verhelpen. Indien meerdere onafhankelijke uitkeringen tegelijkertijd moeten worden verminderd bij toepassing van dergelijke bepalingen, moet het bedrag waarop de vermindering, schorsing of intrekking betrekking heeft, worden gedeeld door het aantal uitkeringen dat aan vermindering, schorsing of intrekking onderworpen is”. Zie Robert, F., „Le régime juridique des pensions de retraite après une carrière dans plusieurs États membres”, Journal de droit européen, nr. 223, 2015, blz. 354‑360, in het bijzonder blz. 359.
( 18 ) Zie in die zin arrest van 7 maart 2013, Van den Booren (C‑127/11, EU:C:2013:140, punten 32 en 33).
( 19 ) Zie punt 28 van de onderhavige conclusie.
( 20 ) Cursivering van mij.
( 21 ) Arrest van 16 maart 2023, Towercast (C‑449/21, EU:C:2023:207, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 22 ) Artikel 55, lid 1, onder b), van verordening nr. 883/2004 bepaalt dat „[i]ndien het voor het ontvangen van uitkeringen van verschillende aard of andere inkomsten vereist is dat de in de wetgeving van de betrokken lidstaten vastgelegde anticumulatiebepalingen worden toegepast op een of meer pro-rata-uitkeringen, […] de bevoegde organen rekening [houden] met de uitkering of de uitkeringen of andere inkomsten en alle elementen die zijn vastgesteld voor de toepassing van de anticumulatiebepalingen, zulks op basis van de verhouding tussen de tijdvakken van verzekering en/of wonen, waarmee rekening is gehouden [voor de berekening van] artikel 52, lid 1, onder b), ii)”.
( 23 ) Zo wordt, gelet op artikel 55, lid 1, onder a), tweede alinea, van verordening nr. 883/2004, de betrokkene zijn status van gepensioneerde niet ontnomen voor de toepassing van de overige relevante bepalingen van deze verordening.
( 24 ) Zie arrest van 25 november 2021, Finanzamt Österreich (Gezinsbijslagen voor ontwikkelingswerkers) (C‑372/20, EU:C:2021:962, punt 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 25 ) Zie punt 28 van de onderhavige conclusie.
( 26 ) Dienaangaande heeft het Hof vastgesteld dat, zo de toepassing van de Unieregeling leidt tot bevoordeling van de migrerend werknemer boven de niet-migrerend werknemer, die regeling toch niet discriminerend is, omdat de situatie van migrerende werknemers niet vergelijkbaar is met die van werknemers die hun land nimmer hebben verlaten, en voorts dat de eventuele verschillen ten gunste van migrerende werknemers niet het gevolg zijn van de uitlegging van het Unierecht, maar van het ontbreken van een gemeenschappelijke socialezekerheidsregeling, dan wel van het gebrek aan harmonisatie van de bestaande nationale regelingen, dat door de thans geldende eenvoudige coördinatie niet kan worden opgeheven (zie arrest van 22 april 1993, Levatino, C‑65/92, EU:C:1993:149, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 27 ) Arrest van 3 juni 2021, TEAM POWER EUROPE (C‑784/19, EU:C:2021:427, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 28 ) Zie in die zin arrest van 15 september 2022, Rechtsanwaltskammer Wien (C‑58/21, EU:C:2022:691, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 29 ) Zie in die zin arrest van 21 oktober 2021, Zakład Ubezpieczeń Społecznych I Oddział w Warszawie (C‑866/19, EU:C:2021:865, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 30 ) Zie in die zin arrest van 8 mei 2014, Wiering (C‑347/12, EU:C:2014:300, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 31 ) Zie arrest van 30 september 2021, Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) (C‑285/20, EU:C:2021:785, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 32 ) Zoals een door de verwijzende rechter genoemde auteur opmerkt, betreft de enige inhoudelijke verschuiving tussen verordening nr. 1408/71 en verordening nr. 883/2004, wat ouderdoms- en nabestaandenpensioenen betreft, een van de regels die de draagwijdte van de nationale anticumulatiebepalingen beperken, namelijk de regel dat niet langer het bedrag van de uitkering dat niet zou worden betaald, wordt gedeeld, maar de uitkeringen of inkomsten die in aanmerking worden genomen voor de toepassing van de non-cumulatieregel. Zie Morsa, M., „La coordination des systèmes de sécurité sociale: règlements (CE) 883/2004 et 987/2009 versus règlements no 1408/71 et 574/72: ce qui a changé au 1er mai 2010”, Journal des tribunaux du travail, nr. 1096, 2011, blz. 181‑192, in het bijzonder blz. 191.
( 33 ) Zie het voorstel voor een verordening (EG) van de Raad tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen en van verordening (EEG) nr. 574/72 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71 [COM(98) 547 def.] (PB 1998, C 325, blz. 12). De Commissie wijst er in haar schriftelijke opmerkingen op dat artikel 37 van haar voorstel voor een verordening op soortgelijke wijze was geformuleerd als artikel 46 quater van verordening nr. 1408/71 en dat de formulering van artikel 55, lid 1, onder a), van verordening nr. 883/2004 het resultaat is van tijdens de wetgevingsprocedure gevoerde onderhandelingen.
( 34 ) Ik merk op dat een aantal auteurs in wezen een andere interpretatie volgt, volgens welke bij de toepassing van artikel 55, lid 1, onder a), van verordening nr. 883/2004 thans de samen te voegen bedragen van de pensioenen en niet langer de verminderde sommen worden gedeeld. Zie met name, Verschueren, H., „Regulation 883/2004 and Invalidity and Old-Age Pensions”, European Journal of Social Security, deel 11, 2009, nrs. 1 en 2, blz. 143‑162, in het bijzonder blz. 159; Schuler, R., in Fuchs, M., en Cornelissen, R., EU Social Security Law, A Commentary on EU Regulations 883/2004 and 987/2009, Beck, C.H. – Hart Publishing – Nomos, 2015, blz. 359‑362, in het bijzonder blz. 361, en Lhernould, J.‑P., „Protection sociale et droit de l’Union européenne – Prestations servies dans le cadre des règlements de coordination (CE) no 883/2004 et (CE) no 987/2009”, JurisClasseur Europe, fasc. 618, 2023, punt 53.
( 35 ) Die stelling van de FPD wordt door HK in zijn schriftelijke opmerkingen betwist met de opmerking dat de Finse autoriteiten bij de toekenning van zijn overlevingspensioen artikel 55, lid 1, onder a), van verordening nr. 883/2004 niet hebben toegepast.
( 36 ) Zie punt 32 van de onderhavige conclusie.