<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><ORDER xmlns:fmx="http://opoce" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://formex.publications.europa.eu/schema/formex-05.55-20141201.xd"><BIB.ORDER><REF.CASE FILE="n.a."><NO.CASE>T‑438/15</NO.CASE></REF.CASE><NO.CELEX>62015TO0438</NO.CELEX><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:T:2016:142">EU:T:2016:142</NO.ECLI><NO.SEQ>0001</NO.SEQ><PAGE.FIRST.ECR>1</PAGE.FIRST.ECR><PAGE.SEQ>1</PAGE.SEQ><PAGE.LAST.ECR>6</PAGE.LAST.ECR><PAGE.TOTAL>6</PAGE.TOTAL><AUTHOR>T</AUTHOR></BIB.ORDER><CURR.TITLE><PAGE.HEADER><P>BESCHIKKING VAN <DATE ISO="20160309">9. 3. 2016</DATE> – ZAAK T‑438/15</P><P>PORT AUTONOME DU CENTRE ET DE L’OUEST E.A. / COMMISSIE</P></PAGE.HEADER></CURR.TITLE><TITLE><TI><P><HT TYPE="UC">Beschikking van het Gerecht</HT> (Negende kamer)</P><P><DATE ISO="20160309">9 maart 2016</DATE><NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="STAR" NOTE.ID="E0001"><P>Procestaal: Frans.</P></NOTE></P></TI></TITLE><INDEX><KEYWORD>Staatssteun</KEYWORD><KEYWORD>Vennootschapsbelasting</KEYWORD><KEYWORD>Door België ten gunste van de Belgische havens toegekende steun</KEYWORD><KEYWORD>Brief van de Commissie waarbij de lidstaat ervan in kennis wordt gesteld dat volgens haar eerste onderzoek deze steun als onverenigbaar met de interne markt moet worden beschouwd en dat wellicht dienstige maatregelen zullen worden genomen</KEYWORD><KEYWORD>Handeling waartegen geen beroep kan worden ingesteld</KEYWORD><KEYWORD>Niet-ontvankelijkheid</KEYWORD></INDEX><ORDER.INIT><P>In zaak T‑438/15,</P></ORDER.INIT><PARTIES><PLAINTIFS><P><HT TYPE="BOLD">Port autonome du Centre et de l’Ouest SCRL</HT>, gevestigd te La Louvière (België),</P><P><HT TYPE="BOLD">Port autonome de Namur</HT>, gevestigd te Namen (België),</P><P><HT TYPE="BOLD">Port autonome de Charleroi</HT>, gevestigd te Charleroi (België),</P><P>en</P><P><HT TYPE="BOLD">Waals Gewest</HT> (België),</P><P>vertegenwoordigd door J. Vanden Eynde, advocaat,</P><PARTY.STATUS>verzoekers,</PARTY.STATUS></PLAINTIFS><AGAINST>tegen</AGAINST><DEFENDANTS><P><HT TYPE="BOLD">Europese Commissie</HT>, vertegenwoordigd door S. Noë en B. Stromsky als gemachtigden,</P><PARTY.STATUS>verweerster,</PARTY.STATUS></DEFENDANTS></PARTIES><P>betreffende een verzoek tot nietigverklaring van het besluit dat zou zijn vervat in de brief van de Commissie van <DATE ISO="20150601">1 juni 2015</DATE>, waarbij wordt aangenomen dat de vrijstelling van vennootschapsbelasting ten gunste van de Belgische havens bestaande, met de interne markt onverenigbare staatssteun vormt [staatssteun SA.38393 (2014/CP)],</P><P>geeft</P><PREAMBLE.GEN><PREAMBLE.INIT><P>HET GERECHT (Negende kamer),</P><P>samengesteld als volgt: G. Berardis (rapporteur), president, O. Czúcz en A. Popescu, rechters,</P><P>griffier: E. Coulon,</P></PREAMBLE.INIT><?PAGE NO="2"?><PREAMBLE.FINAL>de navolgende</PREAMBLE.FINAL></PREAMBLE.GEN><CONTENTS.ORDER><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><P><HT TYPE="BOLD">Beschikking</HT></P></TI></TITLE><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P><HT TYPE="BOLD">Voorgeschiedenis van het geding</HT></P></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0001"><NO.P>1</NO.P><TXT>In de loop van 2013 hebben de diensten van de Europese Commissie aan alle lidstaten een vragenlijst over de werking van en de belastingregeling voor hun havens toegezonden teneinde een algemeen overzicht ter zake te krijgen en de situatie van de havens uit het oogpunt van de regels van de Europese Unie inzake staatssteun op te helderen. Vervolgens is tussen de diensten van de Commissie en de Belgische autoriteiten briefwisseling daarover gevoerd.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0002"><NO.P>2</NO.P><TXT>Bij brief van <DATE ISO="20140709">9 juli 2014</DATE> heeft de Commissie krachtens artikel 17 van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van <DATE ISO="19990322">22 maart 1999</DATE> tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [108 VWEU] (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="083" PAGE.FIRST="1" DATE.PUB="1999">PB L 83, blz. 1</REF.DOC.OJ>) deze autoriteiten in kennis gesteld van haar eerste beoordeling van de Belgische belastingregeling voor de havens wat een eventuele kwalificatie ervan als staatssteun en hun verenigbaarheid met de interne markt aangaat. In deze brief is zij tot een eerste oordeel gekomen, namelijk dat de vrijstelling van vennootschapsbelasting ten gunste van de Belgische havens onverenigbare staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU vormde, en heeft zij haar voornemen aangekondigd om een samenwerkingsprocedure in te leiden teneinde de betrokken regeling te heronderzoeken. Bovendien heeft zij de Belgische autoriteiten gemeld dat dit heronderzoek kon leiden tot een voorstel voor dienstige maatregelen krachtens artikel 18 van deze verordening teneinde de onverenigbare steun af te schaffen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0003"><NO.P>3</NO.P><TXT>De Belgische autoriteiten hebben hun opmerkingen bij de Commissie ingediend en de diensten van de Commissie hebben bij brief van <DATE ISO="20150601">1 juni 2015</DATE> (hierna: <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0001" REF.END="QE0001"/>bestreden brief<QUOT.END REF.START="QS0001" CODE="201D" ID="QE0001"/>) daarop geantwoord als volgt:</TXT><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START CODE="201E" ID="QS0002" REF.END="QE0002"/>[...] Wij hebben de door u aangekaarte punten onderzocht. Gelet op deze gegevens meld ik u dat het eerste oordeel van de diensten van de Commissie nog steeds luidt dat het feit dat de economische activiteiten van de havens niet aan vennootschapsbelasting zijn onderworpen, met de interne markt onverenigbare staatssteun vormt om de volgende redenen:</P><P>[...]</P><P>Gelet op de juridische precedenten blijven de diensten van de Commissie bij hun eerste standpunt dat in hun brief van <DATE ISO="20140709">9 juli 2014</DATE> is verwoord [...] Bijgevolg breng ik België ervan op de hoogte dat de Commissie ertoe gedwongen kan zijn de volgende fase van de procedure aan te vatten en België formele voorstellen te doen in verband met door België te nemen dienstige maatregelen [...]<QUOT.END REF.START="QS0002" CODE="201D" ID="QE0002"/></P></QUOT.S></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P><HT TYPE="BOLD">Procedure en conclusies van partijen</HT></P></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0004"><NO.P>4</NO.P><TXT>Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op <DATE ISO="20150730">30 juli 2015</DATE>, hebben verzoekers, zijnde Port autonome du Centre et de l’Ouest SCRL, Port autonome de Namur, Port autonome de Charleroi en het Waalse Gewest, het onderhavige beroep ingesteld.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0005"><NO.P>5</NO.P><TXT>Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op <DATE ISO="20151103">3 november 2015</DATE>, heeft de Commissie krachtens artikel 130, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0006"><NO.P>6</NO.P><TXT>Verzoekers hebben over deze exceptie geen opmerkingen ingediend.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="3"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0007"><NO.P>7</NO.P><TXT>Bij afzonderlijke akten, neergelegd ter griffie van het Gerecht op <DATE ISO="20151124">24 november 2015</DATE>, hebben Port autonome de Liège en Société régionale du port de Bruxelles verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van verzoekers.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0008"><NO.P>8</NO.P><TXT>In het verzoekschrift vragen verzoekers het Gerecht:</TXT><P><LIST TYPE="DASH"><ITEM><P>het beroep ontvankelijk te verklaren;</P></ITEM><ITEM><P>de bestreden brief nietig te verklaren;</P></ITEM><ITEM><P>de Commissie te verwijzen in de kosten.</P></ITEM></LIST></P></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0009"><NO.P>9</NO.P><TXT>De Commissie concludeert dat het Gerecht:</TXT><P><LIST TYPE="DASH"><ITEM><P>het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaart;</P></ITEM><ITEM><P>verzoekers verwijst in de kosten.</P></ITEM></LIST></P></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P><HT TYPE="BOLD">In rechte</HT></P></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0010"><NO.P>10</NO.P><TXT>Ingevolge artikel 130 van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, indien het door een partij bij afzonderlijke akte wordt verzocht om over de niet-ontvankelijkheid of de onbevoegdheid uitspraak te doen zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan, beslissen bij met redenen omklede beschikking, zonder de behandeling voort te zetten.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0011"><NO.P>11</NO.P><TXT>In casu acht het Gerecht zich door de processtukken voldoende voorgelicht en oordeelt het dat bijgevolg kan worden beslist zonder de behandeling voort te zetten.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0012"><NO.P>12</NO.P><TXT>Vooraf zij eraan herinnerd dat, anders dan het geval is voor nieuwe steun, die is geregeld in artikel 108, leden 2 en 3, VWEU, artikel 108, lid 1, VWEU met betrekking tot bestaande steun bepaalt dat de Commissie tezamen met de lidstaten de in die staten bestaande steunregelingen aan een voortdurend onderzoek onderwerpt en hun dienstige maatregelen voorstelt, welke de geleidelijke ontwikkeling of de werking van de interne markt vereist.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0013"><NO.P>13</NO.P><TXT>Verordening nr. 659/1999 verduidelijkt in de artikelen 17 tot en met 19 de procedure die geldt voor de bestaande steunregelingen:</TXT><QUOT.S LEVEL="1"><ARTICLE IDENTIFIER="017"><TI.ART><HT TYPE="ITALIC"><QUOT.START CODE="201E" ID="QS0003" REF.END="QE0003"/>Artikel 17</HT></TI.ART><ALINEA><P>Samenwerking op grond van artikel [108], lid 1, [VWEU]</P><P><LIST TYPE="ARAB"><ITEM><NP><NO.P>1.</NO.P><TXT>De Commissie ontvangt van de betrokken lidstaat alle nodige informatie om in samenspraak met deze lidstaat krachtens artikel [108], lid 1, [VWEU] de bestaande steunregelingen te kunnen onderzoeken.</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>2.</NO.P><TXT>Indien de Commissie van mening is dat een steunregeling niet of niet langer verenigbaar is met de [interne] markt, stelt zij de betrokken lidstaat van haar eerste oordeel in kennis en geeft zij de betrokken lidstaat de gelegenheid om binnen een termijn van één maand zijn opmerkingen in te dienen. In naar behoren gerechtvaardigde gevallen kan de Commissie deze termijn verlengen.</TXT></NP></ITEM></LIST></P></ALINEA></ARTICLE><ARTICLE IDENTIFIER="018"><TI.ART><HT TYPE="ITALIC">Artikel 18</HT></TI.ART><ALINEA>Voorstel voor dienstige maatregelen</ALINEA><?PAGE NO="4"?><ALINEA><P>Indien de Commissie, in het licht van de door een lidstaat overeenkomstig artikel 17 verstrekte informatie, tot de gevolgtrekking komt dat de bestaande steunregeling niet of niet langer verenigbaar is met de [interne] markt, geeft zij een aanbeveling waarbij de betrokken lidstaat dienstige maatregelen worden voorgesteld. Die aanbeveling kan met name voorstellen inhouden om:</P><P><LIST TYPE="alpha"><ITEM><NP><NO.P>a)</NO.P><TXT>de betrokken steunregeling inhoudelijk te wijzigen, of</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>b)</NO.P><TXT>procedurele vereisten in te voeren, of</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>c)</NO.P><TXT>de steunregeling af te schaffen.</TXT></NP></ITEM></LIST></P></ALINEA></ARTICLE><ARTICLE IDENTIFIER="019"><TI.ART><HT TYPE="ITALIC">Artikel 19</HT></TI.ART><STI.ART>Rechtsgevolgen van een voorstel voor dienstige maatregelen</STI.ART><PARAG IDENTIFIER="019.001"><NO.PARAG>1.</NO.PARAG><ALINEA>Indien de betrokken lidstaat de voorgestelde maatregelen aanvaardt en de Commissie daarvan in kennis stelt, legt de Commissie dit vast en deelt zij dit aan de lidstaat mede. Door zijn aanvaarding verbindt de lidstaat zich ertoe de dienstige maatregelen ten uitvoer te leggen.</ALINEA></PARAG><PARAG IDENTIFIER="019.002"><NO.PARAG>2.</NO.PARAG><ALINEA>Indien de betrokken lidstaat de voorgestelde maatregelen niet aanvaardt en de Commissie, gelet op de argumenten van de betrokken lidstaat, bij haar zienswijze blijft dat die maatregelen noodzakelijk zijn, leidt zij de procedure van artikel 4, lid 4, in. De artikelen 6, 7 en 9 zijn mutatis mutandis van toepassing.<QUOT.END REF.START="QS0003" CODE="201D" ID="QE0003"/></ALINEA></PARAG></ARTICLE></QUOT.S></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0014"><NO.P>14</NO.P><TXT>Artikel 4, lid 4, en de artikelen 6 en 7 van verordening nr. 659/1999 betreffen de formele onderzoeksprocedure als bedoeld in artikel 108, lid 2, VWEU, terwijl artikel 9 de herroeping regelt van een besluit dat is genomen na afloop van deze procedure.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0015"><NO.P>15</NO.P><TXT>Volgens de rechtspraak die dateert van vóór de vaststelling van verordening nr. 659/1999, waarbij deze rechtspraak grotendeels is gecodificeerd, brengt het feit dat de Commissie wel of niet dienstige maatregelen voorstelt, geen definitieve rechtsgevolgen teweeg, aangezien de lidstaat bij niet-aanvaarding van de voorgestelde dienstige maatregelen niet verplicht is zich daarnaar te voegen (arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="19961022">22 oktober 1996</DATE>, <NAME.CASE>Salt Union/Commissie</NAME.CASE>, <NO.CASE>T‑330/94</NO.CASE>, Jurispr., <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:T:1996:154">EU:T:1996:154</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0035">35</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0016"><NO.P>16</NO.P><TXT>Uit artikel 19, lid 1, van verordening nr. 659/1999 vloeit immers voort dat, ingeval de lidstaat de door de Commissie voorgestelde dienstige maatregelen aanvaardt, de Commissie dit vaststelt en dit meedeelt aan de lidstaat, die door deze aanvaarding verplicht is deze maatregelen ten uitvoer te leggen. Volgens de rechtspraak vormt het besluit van de Commissie waarbij de voorstellen van de lidstaat worden vastgesteld en deze voorstellen bindend worden, overeenkomstig dit artikel, een voor beroep vatbare handeling (arresten van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20140227">27 februari 2014</DATE>, <NAME.CASE>Stichting Woonpunt e.a./Commissie</NAME.CASE>, <NO.CASE>C‑132/12 P</NO.CASE>, Jurispr., <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2014:100">EU:C:2014:100</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0072">72</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>, en <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20090311">11 maart 2009</DATE>, <NAME.CASE>TF1/Commissie</NAME.CASE>, <NO.CASE>T‑354/05</NO.CASE>, Jurispr., <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:T:2009:66">EU:T:2009:66</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0067">67</REF.NP.ECR>‑<REF.NP.ECR REF="NP0070">70</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0017"><NO.P>17</NO.P><TXT>Ingeval de lidstaat de door de Commissie voorgestelde dienstige maatregelen weigert, is de Commissie gehouden, zo zij van mening is dat dergelijke maatregelen nog steeds noodzakelijk zijn voor de goede werking van de interne markt, de in artikel 108, lid 2, VWEU bedoelde procedure in te leiden. Na afloop van deze procedure moet de Commissie een van de in artikel 7 van verordening nr. 659/1999 bedoelde besluiten nemen. Het na afloop van deze procedure genomen besluit roept bindende rechtsgevolgen in het leven die de belangen van de betrokkenen kunnen aantasten, en vormt dus een voor beroep vatbare handeling daar bij dat besluit de procedure wordt beëindigd en een definitieve uitspraak wordt gedaan over de verenigbaarheid van de onderzochte maatregel met de regels inzake staatssteun (arresten van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20031127">27 november 2003</DATE>, <NAME.CASE>Regione Siciliana/Commissie</NAME.CASE>, <NO.CASE>T‑190/00</NO.CASE>, Jurispr., <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:T:2003:316">EU:T:2003:316</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0045">45</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>, en <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20110920">20 september 2011</DATE>, <NAME.CASE>Regione autonoma della Sardegna e.a./Commissie</NAME.CASE>, <NO.CASE>T‑394/08, T‑408/08, T‑453/08 en T‑454/08</NO.CASE>, Jurispr., <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:T:2011:493">EU:T:2011:493</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0077">77</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="5"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0018"><NO.P>18</NO.P><TXT>In casu is, anders dan in de twee hierboven bedoelde gevallen, de bestreden brief tot stand gekomen in het kader van de in artikel 17, lid 1, van verordening nr. 659/1999 bedoelde procedure van samenwerking tussen de betrokken lidstaat en de Commissie, die eventueel kan uitmonden in een krachtens artikel 18 van deze verordening gedaan voorstel voor dienstige maatregelen.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0019"><NO.P>19</NO.P><TXT>Zoals de Commissie terecht stelt, zijn, aangezien het voorstel voor dienstige maatregelen geen voor beroep vatbare handeling vormt (punt 15 hierboven), de voorbereidende handelingen die aan deze voorstellen voor dienstige maatregelen voorafgaan – zoals de bestreden brief –, a fortiori evenmin handelingen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen (zie in die zin beschikking van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="19990514">14 mei 1999</DATE>, <NAME.CASE>US Steel Košice/Commissie</NAME.CASE>, <NO.CASE>T‑22/07</NO.CASE>, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:T:2009:158">EU:T:2009:158</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0055">55</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0020"><NO.P>20</NO.P><TXT>Volgens vaste rechtspraak kan tegen handelingen of besluiten die tot stand komen in een uit verscheidene fasen bestaande procedure, met name na een interne procedure, immers slechts worden opgekomen wanneer het maatregelen betreft die aan het einde van die procedure het standpunt van de instelling definitief vastleggen; hiertoe behoren dus niet voorlopige maatregelen ter voorbereiding van het eindbesluit (zie beschikking van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20150303">3 maart 2015</DATE>, <NAME.CASE>Gemeente Nijmegen/Commissie</NAME.CASE>, <NO.CASE>T‑251/13</NO.CASE>, Jurispr., <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:T:2015:142">EU:T:2015:142</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0028">28</REF.NP.ECR> </REF.DOC.ECR>en aldaar aangehaalde rechtspraak).</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0021"><NO.P>21</NO.P><TXT>Dat is in casu kennelijk niet het geval voor de bestreden brief, aangezien uit de inhoud van deze brief duidelijk blijkt dat het gaat om een <QUOT.START CODE="201E" ID="QS0004" REF.END="QE0004"/>eerste standpunt<QUOT.END REF.START="QS0004" CODE="201D" ID="QE0004"/> van de Commissie en dat de Commissie bijgevolg ertoe gedwongen kon zijn over te gaan tot de volgende fase van de procedure, waarbij formele voorstellen betreffende door het Koninkrijk België te nemen dienstige maatregelen worden gedaan.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0022"><NO.P>22</NO.P><TXT>Verzoekers verwijzen niettemin naar rechtspraak volgens welke een besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure een handeling kan zijn waartegen beroep krachtens artikel 263 VWEU kan worden ingesteld (arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20021023">23 oktober 2002</DATE>, <NAME.CASE>Diputación Foral de Guipúzcoa e.a./Commissie</NAME.CASE>, <NO.CASE>T‑269/99, T‑271/99 en T‑272/99</NO.CASE>, Jurispr., <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:T:2002:258">EU:T:2002:258</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0038">38</REF.NP.ECR>‑<REF.NP.ECR REF="NP0040">40</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>). Zij voeren tevens aan dat volgens de rechtspraak, wanneer de Commissie in een besluit haar eerste beoordeling bevestigt, dat besluit definitief wordt wanneer het niet binnen de beroepstermijnen wordt aangevochten (arrest van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20050510">10 mei 2005</DATE>, <NAME.CASE>Italië/Commissie</NAME.CASE>, <NO.CASE>C‑400/99</NO.CASE>, Jurispr., <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2005:275">EU:C:2005:275</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0017">17</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>).</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0023"><NO.P>23</NO.P><TXT>Evenwel dient te worden vastgesteld dat, anders dan het geval is voor de besluiten waarover het ging in de zaken waarnaar verzoekers verwijzen, de bestreden brief in casu noch een besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure in de zin van artikel 108, lid 2, VWEU en artikel 4, lid 4, van verordening nr. 659/1999, noch een besluit tot beëindiging van deze procedure in de zin van artikel 7 van deze verordening vormt.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0024"><NO.P>24</NO.P><TXT>Volgens de rechtspraak kan een besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure, in bepaalde gevallen, weliswaar autonome rechtsgevolgen teweegbrengen, met name wanneer het besluit niet-aangemelde en nog steeds tot uitvoering gebrachte nieuwe steunmaatregelen betreft (zie beschikking <REF.DOC.ECR><NAME.CASE>Gemeente Nijmegen/Commissie</NAME.CASE>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0020">20</REF.NP.ECR> supra, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:T:2015:142">EU:T:2015:142</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0030">30</REF.NP.ECR> </REF.DOC.ECR>en aldaar aangehaalde rechtspraak) of wanneer de Commissie bij dat besluit maatregelen die volgens de betrokken lidstaat geen steun of bestaande steun vormen, als nieuwe steun aanmerkt (arresten van <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20011009">9 oktober 2001</DATE>, <NAME.CASE>Italië/Commissie</NAME.CASE>, <NO.CASE>C‑400/99</NO.CASE>, Jurispr., <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2001:528">EU:C:2001:528</NO.ECLI>, punten <REF.NP.ECR REF="NP0062">62</REF.NP.ECR> en <REF.NP.ECR REF="NP0069">69</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>, en <REF.DOC.ECR><DATE ISO="20021023">23 oktober 2002</DATE>, <NAME.CASE>Diputación Foral de Álava e.a./Commissie</NAME.CASE>, <NO.CASE>T‑346/99–T‑348/99</NO.CASE>, Jurispr., <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:T:2002:259">EU:T:2002:259</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0033">33</REF.NP.ECR></REF.DOC.ECR>), wegens de met nieuwe steun gepaard gaande verplichting tot opschorting krachtens artikel 108, lid 3, VWEU.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0025"><NO.P>25</NO.P><TXT>In casu volstaat het evenwel vast te stellen dat de bestreden brief geen dergelijk besluit vormt, ook niet impliciet, maar een brief die voorafgaat aan een eventueel voorstel voor dienstige maatregelen van de Commissie in het kader van de in artikel 17 van verordening nr. 659/1999 bedoelde procedure van samenwerking tussen de lidstaat en de Commissie, betreffende een bestaande steunregeling.</TXT></NP.ECR><?PAGE NO="6"?><NP.ECR IDENTIFIER="NP0026"><NO.P>26</NO.P><TXT>In het kader van een dergelijke procedure blijft de lidstaat vrij de betrokken steunregeling toe te passen en individuele steun uit hoofde van die regeling toe te kennen zolang hij niet beslist deze regeling te beëindigen of te wijzigen, na aanvaarding van de door de Commissie voorgestelde dienstige maatregelen (zie in die zin arrest Stichting Woonpunt e.a./Commissie, punt 16 supra, punten 71‑74) of zolang de Commissie geen negatief eindbesluit neemt krachtens artikel 7, lid 5, van verordening nr. 659/1999, waarbij deze steunregeling onverenigbaar met de interne markt wordt verklaard (zie arrest <REF.DOC.ECR><NAME.CASE>Italië/Commissie</NAME.CASE>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0024">24</REF.NP.ECR> supra, <NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2001:528">EU:C:2001:528</NO.ECLI>, punt <REF.NP.ECR REF="NP0048">48</REF.NP.ECR> </REF.DOC.ECR>en aldaar aangehaalde rechtspraak).</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0027"><NO.P>27</NO.P><TXT>Gelet op al deze overwegingen luidt de conclusie dat de bestreden brief geen handeling vormt die definitieve rechtsgevolgen in het leven roept, waartegen beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 263 VWEU kan worden ingesteld.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0028"><NO.P>28</NO.P><TXT>Bijgevolg dient de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid te worden toegewezen en dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P><HT TYPE="BOLD">Kosten</HT></P></TI></TITLE><NP.ECR IDENTIFIER="NP0029"><NO.P>29</NO.P><TXT>Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoekers in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten.</TXT></NP.ECR><NP.ECR IDENTIFIER="NP0030"><NO.P>30</NO.P><TXT>Volgens artikel 144, lid 10, van het Reglement voor de procesvoering dragen de indiener van een verzoek tot interventie en de hoofdpartijen, indien in de hoofdzaak een einde komt aan het geding voordat op het verzoek tot interventie is beslist, ieder hun eigen kosten in verband met het verzoek tot interventie. In casu had het Gerecht, op het tijdstip van de uitspraak op de ontvankelijkheid van het hoofdberoep bij wege van de onderhavige beschikking, nog niet beslist op de verzoeken tot interventie van Port autonome de Liège en van Société régionale du port de Bruxelles. Derhalve zullen zij overeenkomstig deze bepaling hun eigen kosten dragen.</TXT></NP.ECR></GR.SEQ></GR.SEQ><JURISDICTION><INTRO><P>HET GERECHT (Negende kamer)</P><P>beschikt:</P></INTRO><LIST TYPE="ARAB"><ITEM><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD">1)</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD">Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.</HT></TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD">2)</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD">Port autonome du Centre et de l’Ouest SCRL, Port autonome de Namur, Port autonome de Charleroi en het Waalse Gewest zullen hun eigen kosten alsmede de kosten van de Europese Commissie dragen.</HT></TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P><HT TYPE="BOLD">3)</HT></NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD">Port autonome de Liège en Société régionale du port de Bruxelles zullen hun eigen kosten dragen.</HT></TXT><P>Luxemburg, <DATE ISO="20160309">9 maart 2016</DATE>.</P></NP></ITEM></LIST></JURISDICTION></CONTENTS.ORDER><SIGNATURE.CASE><SIGNATORY><P>De griffier</P><P>E. Coulon</P></SIGNATORY><SIGNATORY><P>De president</P><P>G. Berardis</P></SIGNATORY></SIGNATURE.CASE></ORDER>