BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Vierde kamer – uitgebreid)
9 maart 2022 ( *1 )
„Beroep tot nietigverklaring – Vertegenwoordiging door een advocaat die ten opzichte van de verzoekende partij niet de hoedanigheid van onafhankelijke derde heeft – Niet-ontvankelijkheid”
In zaak T‑727/20,
Nigar Kirimova, wonende te München (Duitsland), vertegenwoordigd door A. Parassina en A. García López, advocaten,
verzoekster,
tegen
Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door G. Predonzani en A. Söder als gemachtigden,
verweerder,
betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot nietigverklaring van het besluit van de uitvoerend directeur van het EUIPO van 30 september 2020 houdende afwijzing van het verzoek van verzoekster om haar ontheffing te verlenen van de voorwaarde om de nationaliteit van een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte te bezitten die is gesteld voor inschrijving op de lijst van door het EUIPO erkende gemachtigden,
geeft
HET GERECHT (Vierde kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: S. Gervasoni, president, L. Madise, P. Nihoul, R. Frendo (rapporteur) en J. Martín y Pérez de Nanclares, rechters,
griffier: E. Coulon,
de navolgende
Beschikking
Voorgeschiedenis van het geding
|
1 |
Verzoekster, Nigar Kirimova, was ten tijde van de feiten jurist bij het advocatenkantoor Brandstock Legal Rechtsanwaltgesellschaft mbH (hierna: „Brandstock Legal”). Op 10 oktober 2019 heeft zij overeenkomstig artikel 120 van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1) bij het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) een verzoek om inschrijving op de lijst van door het EUIPO erkende gemachtigden ingediend. Aangezien zij de Azerbeidzjaanse nationaliteit heeft, heeft zij tegelijk krachtens lid 4, onder b), van dat artikel ontheffing aangevraagd van de voorwaarde om de nationaliteit te bezitten van een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte (EER) die is neergelegd in artikel 120, lid 2, onder a), van deze verordening (hierna: „nationaliteitsvoorwaarde”). |
|
2 |
Bij schrijven van 30 januari 2020 heeft het EUIPO verzoekster ervan in kennis gesteld dat haar verzoek om ontheffing niet-ontvankelijk was omdat het niet was gestaafd door de vereiste bewijzen. |
|
3 |
Op 9 en 13 maart 2020 heeft verzoekster haar opmerkingen naar aanleiding van het schrijven van 30 januari 2020 ingediend. |
|
4 |
Op 30 september 2020 heeft de uitvoerend directeur van het EUIPO verzoeksters verzoek om ontheffing van de nationaliteitsvoorwaarde afgewezen (hierna: „bestreden besluit”). |
Procedure en conclusies van partijen
|
5 |
Bij verzoekschrift, ondertekend door een advocaat van Brandstock Legal en neergelegd ter griffie van het Gerecht op 7 december 2020, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld. |
|
6 |
In het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang beschreven in artikel 89 van zijn Reglement voor de procesvoering heeft het Gerecht verzoekster verzocht opheldering te geven over een eventuele arbeidsverhouding tussen haar en haar advocaat. Verzoekster heeft op 20 januari 2021 op dit verzoek gereageerd. |
|
7 |
Het EUIPO heeft zijn verweerschrift ingediend op 21 april 2021. |
|
8 |
Op 7 juni 2021 heeft verzoekster haar repliek ingediend en op 23 juli 2021 heeft het EUIPO zijn dupliek neergelegd. |
|
9 |
Bij beslissing van 21 september 2021 heeft de president van het Gerecht de onderhavige zaak krachtens artikel 27, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering met het oog op een optimale benutting van het rechtsprekende vermogen van het Gerecht en dus in het belang van een goede rechtsbedeling toegewezen aan een andere rechter-rapporteur. |
|
10 |
Op voorstel van de Vierde kamer heeft het Gerecht overeenkomstig artikel 28 van het Reglement voor de procesvoering besloten om de zaak naar een uitgebreide kamer te verwijzen. |
|
11 |
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
|
|
12 |
Het EUIPO verzoekt het Gerecht:
|
In rechte
|
13 |
Zonder bij afzonderlijke akte krachtens artikel 130, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering een exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen voert het EUIPO aan dat het beroep niet-ontvankelijk is. |
|
14 |
Het EUIPO stelt dat een partij uit hoofde van artikel 19, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie niet zelf mag procederen, maar een beroep moet doen op de diensten van een advocaat en dat uit de rechtspraak naar voren komt dat een advocaat in de zin van die bepaling een derde is die vanuit structureel, hiërarchisch en functioneel oogpunt onafhankelijk is van de partij die hij in rechte vertegenwoordigt. De advocaat die namens verzoekster het beroep heeft ingesteld, was ten tijde van de instelling van het beroep advocaat bij hetzelfde advocatenkantoor als verzoekster en was haar meerdere, zodat zij niet voldoet aan de voorwaarde van een derde die ten opzichte van haar onafhankelijk is. Aan het beroep kleeft dus een gebrek dat niet kan worden hersteld en als zodanig is het niet-ontvankelijk. |
|
15 |
Krachtens artikel 129 van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht op voorstel van de rechter-rapporteur in elke stand van het geding ambtshalve, de partijen gehoord, beslissen om bij met redenen omklede beschikking uitspraak te doen over de middelen van niet-ontvankelijkheid die van openbare orde zijn. In casu acht het Gerecht zich voldoende voorgelicht door de stukken van het dossier. Derhalve besluit het uitspraak te doen bij met redenen omklede beschikking zonder de procedure voort te zetten. |
|
16 |
Artikel 19, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat overeenkomstig artikel 53, eerste alinea, van toepassing is op de procedure voor het Gerecht, bepaalt dat andere partijen dan de lidstaten, de instellingen van de Europese Unie, de staten die partij zijn bij de EER-Overeenkomst en de in die Overeenkomst bedoelde Toezichthoudende Autoriteit van de Europese Vrijhandelsassociatie door een advocaat moeten worden vertegenwoordigd. De vierde alinea voegt daaraan toe dat alleen een advocaat die bevoegd is om op te treden voor een rechterlijke instantie van een lidstaat of van een andere staat die partij is bij de EER-Overeenkomst een partij voor de rechterlijke instanties van de Unie kan vertegenwoordigen of bijstaan. |
|
17 |
Aangezien in artikel 19, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie niet naar het nationale recht van de lidstaten wordt verwezen, moet het begrip „advocaat” in de gehele Unie autonoom en uniform worden uitgelegd, waarbij niet enkel rekening dient te worden gehouden met de bewoordingen van die bepaling, maar ook met de context en het doel ervan (zie arrest van 4 februari 2020, Uniwersytet Wrocławski en Polen/REA, C‑515/17 P en C‑561/17 P, EU:C:2020:73, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
18 |
Volgens vaste rechtspraak blijkt uit artikel 19, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat een partij in de zin van deze bepaling gehouden is voor de indiening van een beroep voor het Gerecht een beroep te doen op de diensten van een derde (zie in die zin arrest van 4 februari 2020, Uniwersytet Wrocławski en Polen/REA, C‑515/17 P en C‑561/17 P, EU:C:2020:73, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
19 |
Het doel van het vereiste van vertegenwoordiging in rechte door een derde komt overeen met de opvatting van de rol van een advocaat die optreedt in het belang van een goede rechtsbedeling en vooral om de belangen van de volmachtgever zo goed mogelijk te beschermen en te verdedigen, waarbij de advocaat geheel onafhankelijk dient op te treden en de wet en beroeps- en gedragsregels in acht dient te nemen (zie in die zin arrest van 4 februari 2020, Uniwersytet Wrocławski en Polen/REA, C‑515/17 P en C‑561/17 P, EU:C:2020:73, punten 61 en 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
20 |
De vraag van de onafhankelijkheid van de advocaat moet tevens worden beoordeeld in het licht van het recht van eenieder op een doeltreffende voorziening in rechte en van het recht om zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen, die zijn neergelegd in artikel 47, eerste en tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (zie in die zin de conclusie van advocaat-generaal Bobek in de gevoegde zaken Uniwersytet Wrocławski en Polen/REA, C‑515/17 P en C‑561/17 P, EU:C:2019:774, punten 78 en 104). Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat voor de vertegenwoordiging in rechte een vertrouwensband moet bestaan die is gebaseerd op een privékeuze en contractvrijheid: de cliënt is vrij om zijn advocaat te kiezen en de advocaat is in beginsel vrij om zijn cliënten te kiezen (zie in die zin de conclusie van advocaat-generaal Bobek in de gevoegde zaken Uniwersytet Wrocławski en Polen/REA, C‑515/17 P en C‑561/17 P, EU:C:2019:774, punt 111). |
|
21 |
Gelet op de rol die de advocaat heeft bij de effectieve rechterlijke bescherming van de belangen van zijn cliënt (zie punt 19 supra) en op artikel 47 van het Handvest van de grondrechten moet elke inmenging in de relatie tussen hem en zijn cliënt gebaseerd zijn op ernstige redenen waarom er een duidelijke en dwingende noodzaak bestaat om „de verzoeker tegen zijn advocaat te beschermen” (conclusie van advocaat-generaal Bobek in de gevoegde zaken Uniwersytet Wrocławski en Polen/REA, C‑515/17 P en C‑561/17 P, EU:C:2019:774, punt 111). Dientengevolge wordt de onafhankelijkheidsplicht van de advocaat, zoals het Hof heeft geoordeeld, niet opgevat als het ontbreken van om het even welke band met zijn cliënt, maar als het ontbreken van banden die kennelijk een ongunstige invloed hebben op zijn vermogen om zich te kwijten van zijn taak, namelijk zijn cliënt verdedigen en zodoende diens belangen zo goed mogelijk dienen (arrest van 4 februari 2020, Uniwersytet Wrocławski en Polen/REA, C‑515/17 P en C‑561/17 P, EU:C:2020:73, punten 64 en 67). |
|
22 |
In het licht van artikel 19, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, de daarop gebaseerde rechtspraak en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten en aangezien de Unierechter derhalve beroepen enkel niet-ontvankelijk kan verklaren indien de advocaat kennelijk niet onafhankelijk is, volgt a contrario dat het in beginsel aan de daartoe bevoegde nationale autoriteiten staat om alle andere problemen te beslechten die voortvloeien uit de verstrengeling van belangen, met name aan de autoriteiten die belast zijn met het handhaven van gedragsregels en tuchtregelingen, en dat de Unierechter slechts bij uitzondering tussenbeide komt. |
|
23 |
Volgens vaste rechtspraak dienen uitzonderingen strikt te worden uitgelegd om te voorkomen dat algemene regelingen worden uitgehold (zie arrest van 22 april 2010, Commissie/Verenigd Koninkrijk, C‑346/08, EU:C:2010:213, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
24 |
Daaruit volgt dat de gevallen waarin een advocaat zijn cliënt niet mag vertegenwoordigen van zodanige aard en omvang moeten zijn dat duidelijk is dat de advocaat, ook al is hij in formeel opzicht een derde jegens de verzoeker, economische of persoonlijke banden met het voorwerp van het geschil dan wel met een van de partijen heeft die gegronde twijfel doen ontstaan over zijn onafhankelijkheid (conclusie van advocaat-generaal Bobek in de gevoegde zaken Uniwersytet Wrocławski en Polen/REA, C‑515/17 P en C‑561/17 P, EU:C:2019:774, punt 137). Met andere woorden, deze banden moeten ernstige gronden vormen die ertoe leiden te veronderstellen dat de advocaat niet voldoende afstand heeft tot zijn cliënt om diens belangen zo goed mogelijk te beschermen en te verdedigen (zie in die zin arrest van 4 februari 2020, Uniwersytet Wrocławski en Polen/REA, C‑515/17 P en C‑561/17 P, EU:C:2020:73, punten 61 en 62). |
|
25 |
In dat verband moet rekening worden gehouden met de professionele omgeving waarin de advocaat optreedt bij gelegenheid van de zaak voor de Unierechter om te verzekeren dat hij daadwerkelijk de hoedanigheid van onafhankelijke derde heeft (zie in die zin arrest van 6 september 2012, Prezes Urzędu Komunikacji Elektronicznej en Polen/Commissie, C‑422/11 P en C‑423/11 P, EU:C:2012:553, punt 25). |
|
26 |
Vertegenwoordiging van de verzoekende partij door een persoon die haar werknemer is of economisch van haar afhankelijk is, kan dus niet voldoen aan het vereiste van vertegenwoordiging door een onafhankelijke derde (beschikking van 5 september 2013, ClientEarth/Raad, C‑573/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:564, punt 13). |
|
27 |
Niettemin kan miskenning van het vereiste van onafhankelijkheid van een advocaat in een groot aantal andere feitencomplexen worden vastgesteld. Deze feitelijke situaties moeten dus van geval tot geval worden onderzocht (zie in die zin beschikking van 20 november 2017, BikeWorld/Commissie, T‑702/15, EU:T:2017:834, punt 35, en de conclusie van advocaat-generaal Bobek in de gevoegde zaken Uniwersytet Wrocławski en Polen/REA, C‑515/17 P en C‑561/17 P, EU:C:2019:774, punt 64). |
|
28 |
Zo heeft het Hof inderdaad geoordeeld dat de enkele band uit een civielrechtelijke overeenkomst inzake onderwijstaken onvoldoende was om de betrokken docent het vermogen te ontzeggen om zijn universiteit als advocaat te vertegenwoordigen (arrest van 4 februari 2020, Uniwersytet Wrocławski en Polen/REA, C‑515/17 P en C‑561/17 P, EU:C:2020:73, punten 66-68). Niettemin zag het geschil in casu op de ontbinding van een overeenkomst tussen de verzoekende universiteit en het Uitvoerend Agentschap onderzoek (REA) over de subsidie van een onderzoeksproject Cossar (Cooperative Spectrum Sensing Algorithms for Cognitive Radio Networks) die niets van doen had met de professionele omgeving van haar vertegenwoordiger, namelijk het onderwijs in internationaal privaatrecht. Met andere woorden, het geschil hield geen enkel verband met het werk van de advocaat binnen de volmachtgevende instelling. |
|
29 |
Bij wijze van illustratie van de uiteenlopende situaties die in aanmerking moeten worden genomen, heeft het Hof geoordeeld dat een advocaat die belangrijke administratieve en financiële bevoegdheden binnen een rechtspersoon heeft of die daarvoor hoge directiefuncties uitoefent, daarentegen niet voldoende onafhankelijk is van die rechtspersoon om hem te vertegenwoordigen (zie in die zin beschikkingen van 29 september 2010, EREF/Commissie, C‑74/10 P en C‑75/10 P, niet gepubliceerd, EU:C:2010:557, punten 50 en 51, en 6 april 2017, PITEE/Commissie, C‑464/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:291, punt 25). |
|
30 |
Evenzo heeft het Gerecht geoordeeld dat een advocaat niet voldeed aan de voorwaarde van de hoedanigheid van onafhankelijke derde ten opzichte van een verzoekende vennootschap waarvan hij 10 % van het kapitaal hield (beschikking van 20 november 2017, BikeWorld/Commissie, T‑702/15, EU:T:2017:834, punten 37, 38, 40 en 41, en de conclusie van advocaat-generaal Bobek in de gevoegde zaken Uniwersytet Wrocławski en Polen/REA, C‑515/17 P en C‑561/17 P, EU:C:2019:774, punt 43), zelfs zonder dat sprake was van enige gezagsverhouding op grond van een arbeidsovereenkomst tussen de advocaat en de vennootschap. |
|
31 |
Evenzo heeft het Hof geoordeeld dat advocaten in loondienst van een entiteit die verbonden was met de door hen vertegenwoordigde partij, maar daarmee niet samenviel, niet voldeden aan het vereiste van onafhankelijkheid, omdat deze twee entiteiten weliswaar formeel gescheiden waren maar hun belangen grotendeels gelijkliepen (arrest van 6 september 2012, Prezes Urzędu Komunikacji Elektronicznej en Polen/Commissie, C‑422/11 P en C‑423/11 P, EU:C:2012:553, punt 25). |
|
32 |
In casu blijkt uit het dossier dat verzoekster op de datum van indiening van het verzoekschrift een baan had als jurist bij het advocatenkantoor Brandstock Legal en dat Parassina, de advocaat die het verzoekschrift heeft ondertekend, advocaat was bij datzelfde kantoor. Verzoekster maakte zelfs deel uit van het team dat Parassina leidde en was haar plaatsvervanger. |
|
33 |
Daaruit volgt dat verzoekster en haar advocaat bijzonder nauwe beroepsmatige banden hadden. |
|
34 |
De stellingen in tegengestelde zin van verzoekster in haar memories naar aanleiding van de in punt 6 supra genoemde maatregelen tot organisatie van de procesgang (dat wil zeggen nadat haar aandacht was gevestigd op het probleem dat haar vertegenwoordiging kon vormen) kunnen dus niet worden aanvaard; deze hielden in dat er tussen haar advocaat en haar geen enkele structurele of functionele afhankelijkheidsband was, hun verhouding horizontaal was en niet verticaal, en dat zij zelfs deel uitmaakten van twee onderscheiden organisatorische structuren. |
|
35 |
Bovendien waren de banden tussen verzoekster en Parassina des te nauwer daar het onderhavige geding rechtstreeks betrekking heeft op het beroep van verzoekster, een beroep dat zij op de datum van indiening van het verzoekschrift uitoefende binnen hetzelfde kantoor als Parassina en onder haar leiding. Het beroep ziet immers op de weigering om verzoekster ontheffing te verlenen, waardoor zij niet erkend kan worden als vertegenwoordiger van natuurlijke personen of rechtspersonen voor het EUIPO. Haar werk bij Brandstock Legal en in het team geleid door Parassina bestond er juist in intellectuele-eigendomszaken te behandelen. |
|
36 |
Daarnaast moet worden opgemerkt dat verzoekster haar verzoek om inschrijving op de lijst van door het EUIPO erkende gemachtigden en haar verzoek om ontheffing van de nationaliteitsvoorwaarde heeft verzonden met behulp van de fax van haar werkgever en dat zij naast haar privépostadres en privé-e-mailadres in die twee verzoeken ook haar professionele e-mailadres heeft vermeld. Ook haar opmerkingen van 9 en 13 maart 2020 naar aanleiding van het schrijven van 30 januari 2020 heeft zij met die fax verzonden. |
|
37 |
Uit het dossier en de processtukken blijkt eveneens dat Brandstock Legal in het algemeen en Parassina in het bijzonder meermaals blijk hebben gegeven van hun belang bij het verzoek van verzoekster aan het EUIPO en bij de beslechting van het geding. |
|
38 |
Ten eerste is ten behoeve van de procedure voor het EUIPO een aanbevelingsbrief opgesteld op het briefpapier van Brandstock Legal en in haar naam. Deze brief, gedateerd op 6 maart 2020 en ondertekend door de advocaat van verzoekster, was bedoeld ter ondersteuning van het verzoek tot heroverweging van 9 maart 2020 en daaraan als bijlage gehecht. In deze brief onderstreepte de advocaat van verzoekster dat zij een aanzienlijke bijdrage leverde aan het werk van het kantoor. Ter afsluiting vermeldde zij dat „wij zeer erkentelijk zouden zijn als [zij] als gemachtigde zou worden erkend” door het EUIPO. |
|
39 |
Ten tweede vermeldt het verzoekschrift dat Brandstock Legal – dat volgens verzoekster uitsluitend werkzaam is op het gebied van het merkenrecht en het intellectuele-eigendomsrecht – „alle kosten in verband met [haar] inschrijving in het Ierse [merkenregister] draagt, want het is ook in het belang van [het kantoor] dat de formele kwalificatie van verzoekster de inhoud van haar werk correct weerspiegelt”, zoals het EUIPO opmerkt. |
|
40 |
Ten derde vermeldt het verzoekschrift dat „verzoekster wordt vertegenwoordigd door Parassina zelf, want als haar leidinggevende weet zij beter dan wie dan ook dat verzoekster over zeer goede kwalificaties beschikt”. Ter illustratie voegt zij daaraan toe dat „het team van Brandstock [Legal] in geval van aanbestedingen om nieuwe cliënten te werven organogrammen verstrekt met het team dat over de portefeuilles gaat, waarin verzoekster wordt voorgesteld als een van de langstzittende en meest ervaren leden van het team dat voor [het kantoor] werft”. |
|
41 |
Ten vierde vermeldt het verzoekschrift dat „de specifieke portefeuille [van een] cliënt […] aan verzoekster was toegewezen, gelet op zijn verzoeken, zijn omvangrijke portefeuille en zijn belang voor Brandstock Legal, want zij is een van de beste en kundigste werknemers van het kantoor”. |
|
42 |
Ten vijfde onderstreept het verzoekschrift uitdrukkelijk dat „de inschrijving van verzoekster op de lijst van door het EUIPO erkende gemachtigden […] belangrijk is voor [het kantoor] en het team”, zodat „het bestreden besluit niet alleen verzoekster benadeelt, maar ook [het kantoor]”. |
|
43 |
Enerzijds blijkt uit deze gegevens dat Brandstock Legal, waarvan Parassina een afdeling leidde, op de datum van indiening van het beroep een rechtstreeks belang had bij de uitkomst van het geding. Anderzijds blijkt daaruit ook dat geen geloof kan worden gehecht aan de beweringen van verzoekster in haar repliek dat Parassina haar enkel vertegenwoordigde als vriendin en dat Brandstock Legal geen bijzonder belang had bij haar inschrijving als merkengemachtigde. |
|
44 |
Verzoekster stelt dat de inschrijving op de lijst van door het EUIPO erkende gemachtigden niet noodzakelijk was om haar baan te behouden. |
|
45 |
Dat neemt evenwel niet weg dat Parassina op de datum van indiening van het beroep duidelijk niet voldoende afstand had om de belangen van haar cliënt zo goed mogelijk te beschermen en te verdedigen en zich dus in een situatie bevond die kennelijk een ongunstige invloed had op haar vermogen om zich te kwijten van haar taak, gelet op de professionele omgeving van deze zaak, namelijk de nauwe betrekkingen tussen verzoekster, haar vertegenwoordiger en Brandstock Legal, en de diepgaande en uitdrukkelijke samenloop van de economische belangen van de betrokken personen (zie de punten 19, 21 en 24 supra). |
|
46 |
Derhalve moet worden overwogen dat Parassina niet kon worden beschouwd als een onafhankelijke derde en dus niet kon optreden als een onafhankelijke derde „advocaat” in de zin van artikel 19, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie. |
|
47 |
Overigens is de bijzondere band tussen Brandstock Legal en Parassina enerzijds en verzoekster anderzijds, die ten grondslag lag aan hun specifieke belang bij het geding, na de indiening van het beroep verbroken omdat verzoekster ervoor heeft gekozen haar loopbaan voort te zetten als raadsvrouw voor merkenrecht bij de Duitse vestiging van een internationale vennootschap, en wordt verzoekster nu tevens vertegenwoordigd door een tweede advocaat die niet tot het kantoor van Brandstock Legal behoort. Niettemin moet eraan worden herinnerd dat de ontvankelijkheid van een beroep wordt beoordeeld naar de situatie op het moment waarop het verzoekschrift is ingediend [zie beschikking van 16 januari 2020, Hemp Foods Australia/EUIPO – Cabrejos (Sativa), T‑128/19, niet gepubliceerd, EU:T:2020:3, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak] en dat het vereiste van ondertekening door een advocaat die is toegelaten tot de uitoefening van zijn beroep bij een rechterlijke instantie van een lidstaat of een andere staat die partij is bij de EER-Overeenkomst een wezenlijk vormvoorschrift is, en niet een van de voorwaarden die volgens artikel 78, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering na verstrijken van de termijn voor het instellen van beroep kunnen worden hersteld (zie naar analogie beschikkingen van 5 september 2013, ClientEarth/Raad, C‑573/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:564, punten 22 en 23, en 17 juli 2014, Brown Brothers Harriman/BHIM, C‑101/14 P, niet gepubliceerd, EU:C:2014:2115, punt 21). |
|
48 |
Gelet op een en ander moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. |
Kosten
|
49 |
Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. |
|
50 |
Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van het EUIPO te worden verwezen in haar eigen kosten en in de kosten van het EUIPO. |
|
HET GERECHT (Vierde kamer – uitgebreid) beschikt: |
|
|
|
Luxemburg, 9 maart 2022. De griffier E. Coulon De president S. Gervasoni |
( *1 ) Procestaal: Engels.