CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
L. MEDINA
van 9 januari 2025 ( 1 )
Zaak C‑665/23
IL
tegen
Veracash SAS
[verzoek van de Cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]
„Prejudiciële verwijzing – Betalingsdiensten in de interne markt – Richtlijn 2007/64/EG – Niet-toegestane betalingstransacties – Kennisgeving van niet-toegestane betalingstransacties – Kennisgevingstermijn – Vertraging in de kennisgeving die niet opzettelijk en niet het gevolg van grove nalatigheid is – Terugbetalingsplicht van de betalingsdienstaanbieder – Aansprakelijkheid van de betaler wegens niet-toegestane betalingstransacties”
I. Inleiding
|
1. |
De onderhavige zaak betreft bepaalde aspecten van aansprakelijkheid voor in richtlijn 2007/64/EG ( 2 ) vermelde niet-toegestane transacties. Daarbij komt de vraag aan de orde van de samenhang tussen de bepalingen van deze richtlijn die meer in het bijzonder zien op de verplichting van de betaler om onverwijld kennis te geven van een niet-toegestane transactie en de gevolgen bij gebreke van kennisgeving, wanneer de niet-toegestane transactie voortvloeit uit het niet-toegestane gebruik van een betaalinstrument. Deze zaak biedt het Hof, in aansluiting op zijn arrest in de zaak CRCAM ( 3 ), een nadere gelegenheid om te onderzoeken hoe de belangen van de betaler en die van de betalingsdienstaanbieder kunnen worden afgewogen. |
II. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
|
2. |
Artikel 56 van richtlijn 2007/64, met het opschrift „Plichten van de betalingsdienstgebruiker met betrekking tot betaalinstrumenten”, bepaalde in lid 1: „De betalingsdienstgebruiker die gemachtigd is om een betaalinstrument te gebruiken, voldoet aan de volgende verplichtingen:
|
|
3. |
Artikel 58 („Kennisgeving van niet-toegestane of foutieve betalingstransacties”) van richtlijn 2007/64 luidde als volgt: „De betalingsdienstgebruiker die zich rekenschap geeft van een niet-toegestane of foutieve betalingstransactie welke aanleiding geeft tot een vordering, met inbegrip van een vordering krachtens artikel 75, verkrijgt alleen rectificatie van zijn betalingsdienstaanbieder indien hij hem onverwijld en uiterlijk dertien maanden na de valutadatum van de debitering kennisgeeft van de bewuste transactie, tenzij de betalingsdienstaanbieder, in voorkomend geval, de informatie betreffende die betalingstransactie niet overeenkomstig titel III heeft verstrekt of ter beschikking heeft gesteld.” |
|
4. |
In artikel 60 van richtlijn 2007/64, met het opschrift „Aansprakelijkheid van de betalingsdienstaanbieder wegens niet-toegestane betalingstransacties”, was in lid 1 bepaald: „De lidstaten zorgen ervoor dat, onverminderd artikel 58, de betalingsdienstaanbieder van de betaler, in geval van een niet-toegestane betalingstransactie, de betaler onmiddellijk het bedrag van de niet-toegestane betalingstransactie terugbetaalt en, in voorkomend geval, de betaalrekening die met dat bedrag was gedebiteerd, herstelt in de toestand zoals die geweest zou zijn mocht de niet-toegestane betalingstransactie niet hebben plaatsgevonden.” |
|
5. |
Artikel 61 van richtlijn 2007/64, met als opschrift „Aansprakelijkheid van de betaler wegens niet-toegestane betalingstransacties”, was als volgt verwoord: „1. In afwijking van artikel 60 draagt de betaler tot een bedrag van ten hoogste 150 EUR het verlies met betrekking tot niet-toegestane betalingstransacties dat voortvloeit uit het gebruik van een verloren of gestolen betaalinstrument of, indien de betaler heeft nagelaten de veiligheid van de gepersonaliseerde veiligheidskenmerken ervan te waarborgen, uit onrechtmatig gebruik van een betaalinstrument. 2. De betaler draagt alle verliezen die uit niet-toegestane betalingstransacties voortvloeien, indien deze zich hebben voorgedaan doordat hij frauduleus heeft gehandeld of opzettelijk of met grove nalatigheid een of meer verplichtingen uit hoofde van artikel 56 niet is nagekomen. In dergelijke gevallen is het in lid 1 van dit artikel bedoelde maximumbedrag niet van toepassing. 3. In gevallen waarin de betaler niet frauduleus of opzettelijk zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 56 heeft verzaakt, kunnen de lidstaten de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde aansprakelijkheid beperken, met name rekening houdend met de aard van de gepersonaliseerde veiligheidskenmerken van het betaalinstrument en met de omstandigheden waarin het is verloren, gestolen of onrechtmatig werd gebruikt. 4. Na de kennisgeving overeenkomstig artikel 56, lid 1, onder b), heeft het gebruik van het verloren, gestolen of wederrechtelijk toegeëigende betaalinstrument geen financiële gevolgen voor de betaler, tenzij deze frauduleus heeft gehandeld. […]” |
B. Nationaal recht
|
6. |
Richtlijn 2007/64 is in nationaal recht omgezet bij ordonnance no 2009‑866 du 15 juillet 2009 relative aux conditions régissant la fourniture de services de paiement et portant création des établissements de paiement (verordening nr. 2009‑866 van 15 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor het aanbieden van betalingsdiensten en betreffende de oprichting van betalingsinstellingen), waarbij met name de artikelen L. 133‑17, L. 133‑18, L. 133‑19 en L. 133‑24 van de code monétaire et financier (Frans monetair en financieel wetboek) zijn ingevoerd, zoals van toepassing in het hoofdgeding. |
|
7. |
Artikel L. 133‑17(I) van de code monétaire et financier bepaalt dat „[w]anneer de betalingsdienstgebruiker zich rekenschap geeft van het verlies, de diefstal, het onrechtmatig gebruik of het niet-toegestane gebruik van het betaalinstrument of de daarmee verband houdende gegevens, hij zijn betalingsdienstaanbieder of de door laatstgenoemde gespecificeerde entiteit daarvan onverwijld in kennis stelt, zodat het instrument kan worden geblokkeerd”. |
|
8. |
Artikel L. 133‑18 van dit wetboek luidt: „Indien de gebruiker overeenkomstig artikel L. 133‑24 kennisgeeft van een niet-toegestane betalingstransactie, betaalt de betalingsdienstaanbieder van de betaler onmiddellijk het bedrag van de niet-toegestane transactie aan die betaler terug en herstelt hij in voorkomend geval de betaalrekening die met dat bedrag was gedebiteerd in de toestand zoals die zou zijn geweest indien de niet-toegestane betalingstransactie niet had plaatsgevonden. De betaler en zijn betalingsdienstaanbieder kunnen bij overeenkomst een aanvullende compensatie overeenkomen.” |
|
9. |
Artikel L. 133‑19 van dit wetboek bepaalt: „I. In geval van een niet-toegestane betalingstransactie als gevolg van verlies of diefstal van het betaalinstrument draagt de betaler, vóór de in artikel L. 133‑17 bedoelde kennisgeving, de verliezen in verband met het gebruik van dat instrument tot een maximum van 150 EUR. De betaler is echter niet aansprakelijk voor een niet-toegestane betalingstransactie zonder gebruik van het gepersonaliseerde veiligheidskenmerk. II. De betaler is niet aansprakelijk indien de niet-toegestane betalingstransactie is uitgevoerd door onrechtmatig gebruik van het betaalinstrument of de daarmee verband houdende gegevens buiten medeweten van de betaler. Evenmin is hij aansprakelijk in geval van vervalsing van het betaalinstrument indien de betaler op het tijdstip van de niet-toegestane betalingstransactie in het bezit was van zijn instrument. III. Tenzij hij frauduleus handelt, draagt de betaler geen financiële gevolgen indien de betalingsdienstaanbieder niet voorziet in passende middelen waarmee kennisgeving kan worden gedaan om het betaalinstrument overeenkomstig artikel L. 133‑17 te blokkeren. IV. De betaler draagt alle verliezen als gevolg van niet-toegestane betalingstransacties indien die verliezen het gevolg zijn van frauduleus handelen van de betaler of indien hij opzettelijk of door grove nalatigheid niet heeft voldaan aan de verplichtingen van de artikelen L. 133‑16 en L. 133‑17.” |
|
10. |
Ten slotte is in artikel L. 133‑24 van dit wetboek bepaald: „De betalingsdienstgebruiker geeft zijn betalingsdienstaanbieder onverwijld en uiterlijk dertien maanden na de valutadatum van de debitering kennis van een niet-toegestane of foutieve betalingstransactie. Bij gebreke van kennisgeving binnen deze termijn vervalt zijn recht, tenzij de betalingsdienstaanbieder hem de informatie betreffende die betalingstransactie niet overeenkomstig hoofdstuk IV van titel 1 van boek III heeft verstrekt of ter beschikking heeft gesteld. Behalve in gevallen waarin de gebruiker een natuurlijke persoon is die handelt voor andere dan zakelijke of professionele doeleinden, kunnen de partijen besluiten om af te wijken van dit artikel.” |
III. Hoofdgeding en prejudiciële vragen
|
11. |
IL was houder van een goudrekening bij Veracash SAS. Op 24 maart 2017 heeft Veracash een nieuwe opname- en betaalpas naar zijn adres gezonden. IL heeft aangevoerd dat hij die pas niet had aangevraagd noch had ontvangen en dat er van 30 maart tot en met 17 mei 2017 dagelijks geld van zijn rekening is opgenomen zonder dat hij daarvoor toestemming had gegeven. IL heeft Veracash voor de tribunal de grande instance d’Évry ( 4 ) (rechter in eerste aanleg Évry, Frankrijk) gedagvaard met het verzoek om terugbetaling en betaling van een schadevergoeding. |
|
12. |
Aangezien zijn vordering in eerste aanleg gedeeltelijk is afgewezen, heeft IL hoger beroep ingesteld bij de cour d’appel de Paris (rechter in tweede aanleg Parijs, Frankrijk). Bij arrest van 3 januari 2022 is zijn hoger beroep afgewezen, met name op grond dat hij zich niet kon beroepen op artikel L. 133‑18 van de code monétaire et financier omdat hij niet „onmiddellijk” ( 5 ) en „onverwijld” aan Veracash kennis had gegeven van de litigieuze transacties. Deze bevinding was gebaseerd op het feit dat IL op 23 mei 2017, bijna twee maanden na de eerste betwiste opname, een betwistingsformulier aan Veracash had toegezonden. |
|
13. |
Vervolgens heeft IL cassatieberoep ingesteld bij de Cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk), de verwijzende rechter. Hij voert twee cassatiemiddelen aan. Met het eerste onderdeel van het tweede middel ( 6 ) beklaagt IL zich erover dat de cour d’appel de Paris, door te beslissen als deze heeft gedaan, geen rekening had gehouden met het feit dat de betaler tot dertien maanden na de valutadatum van de debitering de tijd heeft om kennis te geven van de transactie en dus inbreuk heeft gemaakt op artikel L. 133‑24 van de code monétaire et financier, zoals van toepassing in het hoofdgeding. |
|
14. |
De verwijzende rechter wijst erop dat de beslechting van het geschil afhangt van de vraag of de betalingsdienstaanbieder kan weigeren het bedrag van een niet-toegestane transactie terug te betalen wanneer de betaler weliswaar binnen dertien maanden na de valutadatum van de debitering kennis heeft gegeven van de transactie, maar hiermee heeft gedraald zonder dat deze vertraging het gevolg is van opzet of grove nalatigheid zijnerzijds. |
|
15. |
Op dat punt verschilt het standpunt van partijen in het hoofdgeding. IL, verzoeker in het hoofdgeding, betoogt primair dat de betalingsdienstgebruiker vanaf de valutadatum van de debitering dertien maanden de tijd heeft om kennis te geven van de niet-toegestane transactie. Veracash, verweerster in het hoofdgeding, voert aan dat de wetgever de gebruiker in artikel L. 133‑24 van de code monétaire et financier weliswaar heeft verplicht om onverwijld kennis te geven van een niet-toegestane transactie, maar dat hij door het instellen van een termijn van dertien maanden een dubbele termijn heeft willen invoeren en dat de termijn van dertien maanden een uiterste termijn is. Zij voegt daaraan toe dat met deze bepaling werd beoogd om van de gebruiker van de dienst, zodra hij een onregelmatigheid ontdekt, te eisen dat hij onmiddellijk reageert door de dienstverlener hiervan op de hoogte te brengen. |
|
16. |
Volgens de verwijzende rechter kan een letterlijke lezing van artikel 58 van richtlijn 2007/64 tot de conclusie leiden – zoals de cour d’appel de Paris heeft geoordeeld – dat de betalingsdienstaanbieder de terugbetaling van het bedrag van een niet-toegestane betalingstransactie mag weigeren op de enkele grond dat de betalingsdienstgebruiker hem hier pas laat kennis van heeft gegeven, ook al is dit binnen de termijn van dertien maanden gebeurd. |
|
17. |
De verwijzende rechter verklaart echter dat een dergelijke uitlegging moeilijk verenigbaar lijkt met artikel 61, lid 2, van richtlijn 2007/64. Uit die bepaling volgt dat de betaler zijn recht op terugbetaling slechts verliest, indien hij met name opzettelijk of door grove nalatigheid een of meer verplichtingen uit hoofde van artikel 56 van die richtlijn niet is nagekomen, waaronder de verplichting om de betalingsdienstaanbieder onverwijld in kennis te stellen van het verlies, de diefstal of het onrechtmatig gebruik van het betaalinstrument of van het niet-toegestane gebruik ervan. |
|
18. |
De verwijzende rechter merkt op dat het Hof, toen het in het arrest CRCAM verzocht werd om artikel 58 van richtlijn 2007/64 uit te leggen, zich niet hoefde uit te spreken over de gevolgen van de niet-nakoming door de betaler van de verplichting om zijn betalingsdienstaanbieder onverwijld in kennis te stellen van het feit dat hij een niet-toegestane transactie had vastgesteld. |
|
19. |
Hoewel de verwijzende rechter inziet waarom het nuttig is dat de betaler ertoe wordt aangezet de nodige zorgvuldigheid te betrachten bij het informeren van zijn betalingsdienstaanbieder, is hij in het licht van artikel 61, lid 2, van richtlijn 2007/64 van mening dat de Uniewetgever niet elke vertraging, ongeacht de omstandigheden, heeft willen bestraffen door de betaler zijn recht op terugbetaling volledig te ontnemen. |
|
20. |
De verwijzende rechter is van mening dat het recht op terugbetaling van de door een niet-toegestane transactie veroorzaakte verliezen die door een onmiddellijke kennisgeving hadden kunnen worden vermeden, alleen aan de betaler kan worden ontzegd als die kennisgeving opzettelijk of als gevolg van grove nalatigheid zijnerzijds pas laat werd gedaan. |
|
21. |
Gelet op een en ander heeft de Cour de cassation de behandeling van de zaak geschorst en de volgende vragen aan het Hof voorgelegd:
|
|
22. |
Veracash, de Tsjechische en de Franse regering, en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. |
IV. Beoordeling
A. Eerste vraag
|
23. |
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 58 van richtlijn 2007/64, gelezen in het licht van de artikelen 56, 60 en 61 ervan, aldus moet worden uitgelegd dat de betaler het recht op terugbetaling van het bedrag van een niet-toegestane transactie wordt ontzegd wanneer hij zijn betalingsdienstaanbieder pas laat kennis heeft gegeven van die transactie, ook al werd die kennisgeving binnen dertien maanden na de valutadatum van de debitering gedaan. |
|
24. |
Om die vraag te kunnen beantwoorden, geef ik eerst een algemeen overzicht van de bepalingen die van toepassing zijn op de contractuele verplichtingen van partijen met betrekking tot betaalinstrumenten en niet-toegestane betalingstransacties, en van de voorschriften inzake aansprakelijkheid voor verliezen die voortvloeien uit niet-toegestane transacties. ( 7 ) Vervolgens verschaf ik enige duidelijkheid over de samenhang tussen de kennisgevingsverplichtingen van de betaler. |
1. Contractuele verplichtingen van partijen en aansprakelijkheid voor verliezen die voortvloeien uit niet-toegestane transacties
|
25. |
Globaal genomen kunnen twee groepen bepalingen worden onderscheiden die in het hoofdgeding van belang zijn. Bij de artikelen 56 en 57 van richtlijn 2007/64 worden de contractuele verplichtingen van de betalingsdienstgebruiker ( 8 ) en van de betalingsdienstaanbieder ( 9 ) met betrekking tot betaalinstrumenten vastgesteld. De artikelen 58 tot en met 61 van deze richtlijn betreffen niet-toegestane betalingstransacties en zien op de kennisgevingsplicht van de betalingsdienstgebruiker, de bewijslast en de aansprakelijkheid van elke partij. |
|
26. |
Artikel 56 is van toepassing op de contractuele verplichtingen van de betalingsdienstgebruiker met betrekking tot betaalinstrumenten. Zo is de betalingsdienstgebruiker verplicht om het betaalinstrument overeenkomstig de voorwaarden ervan te gebruiken, om de veiligheid van de gepersonaliseerde veiligheidskenmerken van het betaalinstrument te waarborgen en om de betalingsdienstaanbieder onverwijld in kennis te stellen wanneer hij zich rekenschap geeft van het verlies, de diefstal of het onrechtmatig gebruik van het betaalinstrument of van het niet-toegestane gebruik ervan. |
|
27. |
Krachtens artikel 57, lid 1, onder a) en b), moet de betalingsdienstaanbieder zijnerzijds onder meer ervoor zorgen dat de gepersonaliseerde veiligheidskenmerken van het betaalinstrument enkel toegankelijk zijn voor de betalingsdienstgebruiker en mag hij geen ongevraagd betaalinstrument toezenden, tenzij een eerder uitgegeven betaalinstrument moet worden vervangen. Voorts moet de betalingsdienstaanbieder er krachtens artikel 57, lid 1, onder c), voor zorgen dat er te allen tijde passende middelen beschikbaar zijn om, in geval van het verlies, de diefstal of het onrechtmatig gebruik van het betaalinstrument of van het niet-toegestane gebruik ervan, de betalingsdienstgebruiker in staat te stellen een kennisgeving krachtens artikel 56, lid 1, onder b), te doen. Ten slotte moet de betalingsdienstaanbieder volgens artikel 57, lid 1, onder d), beletten dat het betaalinstrument nog kan worden gebruikt nadat die kennisgeving is gedaan. |
|
28. |
Artikel 58 betreft onder meer ( 10 ) niet-toegestane betalingstransacties. ( 11 ) Volgens dit artikel moet de betalingsdienstgebruiker als vereiste om van de betalingsdienstaanbieder rectificatie te kunnen verkrijgen, aan een algemene kennisgevingsverplichting voldoen. ( 12 ) De betalingsdienstgebruiker „die zich rekenschap geeft van een niet-toegestane […] betalingstransactie welke aanleiding geeft tot een vordering” moet de betalingsdienstaanbieder „onverwijld en uiterlijk dertien maanden na de valutadatum van de debitering [kennisgeven] van de bewuste transactie”. De enige uitzondering op die verplichting betreft het geval waarin de betalingsdienstaanbieder de informatie betreffende die betalingstransactie niet overeenkomstig titel III van richtlijn 2007/64 heeft verstrekt of ter beschikking heeft gesteld. |
|
29. |
Artikel 59 van die richtlijn bevat, als onderdeel van de voorschriften inzake aansprakelijkheid in geval van niet-toegestane transacties, bepalingen over de bewijslast die in het voordeel van de betalingsdienstgebruiker zijn. De bewijslast valt in wezen op de betalingsdienstaanbieder, die moet aantonen dat de transactie geauthentificeerd, juist geregistreerd en geboekt is. ( 13 ) |
|
30. |
In de praktijk is het gevolg van de bewijsregeling van artikel 59 van richtlijn 2007/64 dat de betalingsdienstaanbieder verplicht is tot onmiddellijke terugbetaling overeenkomstig artikel 60, lid 1, ervan zodra de in artikel 58 ervan bepaalde kennisgeving binnen de hiervoor voorgeschreven termijn heeft plaatsgevonden. ( 14 ) |
|
31. |
Artikel 61 is van toepassing op de aansprakelijkheid van de betaler in de specifieke situatie waarin het verlies dat het gevolg is van een niet-toegestane transactie voortvloeit uit het gebruik van een verloren of gestolen betaalinstrument of uit onrechtmatig gebruik van een betaalinstrument. Uit lid 1 van dat artikel volgt dat de aansprakelijkheid van de betaler wegens niet-toegestane transacties beperkt is tot een bedrag van ten hoogste 150 EUR. ( 15 ) De aansprakelijkheid van de betaler is echter onbeperkt wanneer hij frauduleus heeft gehandeld of opzettelijk of met grove nalatigheid een of meer verplichtingen uit hoofde van artikel 56 niet is nagekomen (waaronder de verplichting om kennis te geven van het verlies, de diefstal of het onrechtmatig gebruik van het betaalinstrument of van het niet-toegestane gebruik ervan). Uit artikel 61, lid 4, volgt dat de betaler na de kennisgeving van het verlies, de diefstal of het onrechtmatig gebruik van het betaalinstrument geen financiële gevolgen meer draagt, tenzij deze frauduleus heeft gehandeld. |
2. Samenhang tussen de kennisgevingsverplichtingen van de betaler
|
32. |
Uit het hierboven uiteengezette rechtskader volgt dat de gebruiker een algemene zorgvuldigheidsplicht heeft ten aanzien van het betaalinstrument. Een specifieke verschijningsvorm van die zorgvuldigheidsplicht is de kennisgevingsverplichting. ( 16 ) Deze verplichting neemt een centrale plaats in bij de voorschriften inzake aansprakelijkheid voor niet-toegestane transacties, waarbij zij als „maatstaf” dient voor de toewijzing van verantwoordelijkheid aan de betaler en de dienstverlener wegens niet-toegestane transacties. ( 17 ) |
|
33. |
Er kunnen ten minste drie situaties worden onderscheiden die tot de kennisgevingsverplichting van de gebruiker leiden. |
|
34. |
De eerste situatie is die waarin de gebruiker zich rekenschap geeft van het verlies, de diefstal of het onrechtmatig gebruik van het betaalinstrument of van het niet-toegestane gebruik ervan. In die situatie is de betalingsdienstgebruiker blijkens artikel 56, lid 1, onder b), van richtlijn 2007/64 verplicht om de dienstverlener onverwijld in kennis te stellen. Zoals uit artikel 57, lid 1, onder d), van deze richtlijn, gelezen in het licht van overweging 32 ervan, blijkt, is die kennisgeving bedoeld om de betalingsdienstaanbieder in staat te stellen om het betaalinstrument te blokkeren en verder niet-toegestaan gebruik te beletten. |
|
35. |
De tweede situatie is die waarin de gebruiker zich rekenschap geeft van een niet-toegestane transactie. In een dergelijk geval moet de gebruiker krachtens artikel 58 van die richtlijn, om rectificatie van de niet-toegestane transactie te kunnen verkrijgen, de betalingsdienstaanbieder daarvan onverwijld kennisgeven. Het doel van de kennisgevingsverplichting uit hoofde van dat artikel is om de betaler in staat te stellen om de niet-toegestane transactie te betwisten en terugbetaling ervan te verkrijgen. |
|
36. |
Waar artikel 56, lid 1, onder b), een preventieve functie heeft, in die zin dat op grond ervan het betaalinstrument kan worden geblokkeerd en dat het waakt voor het risico van niet-toegestane transacties, heeft artikel 58 met name een compenserende functie, in die zin dat het de terugbetaling van de niet-toegestane transactie mogelijk maakt. ( 18 ) |
|
37. |
De derde situatie is die waarin de twee eerdere situaties zich (bijna) gelijktijdig voordoen. Zoals de Commissie terecht in haar memoires heeft opgemerkt, en zoals in het hoofdgeding het geval blijkt te zijn, kan een niet-toegestane transactie volgen op het verlies, de diefstal, onrechtmatig gebruik of het niet-toegestane gebruik van het betaalinstrument. In een dergelijke situatie moeten de kennisgevingsverplichtingen die voortvloeien uit artikel 56, lid 1, onder b), en uit artikel 58 op coherente wijze worden toegepast. Om deze coherentie te waarborgen, moet de kennisgeving (en de betwisting) van een niet-toegestane transactie uit hoofde van artikel 58 worden geacht de kennisgeving overeenkomstig artikel 56, lid 1, onder b), te omvatten. In dit soort situaties heeft de kennisgeving van de niet-toegestane transactie zowel een preventieve functie als een compenserende functie, en vervangt deze de kennisgeving overeenkomstig artikel 56. ( 19 ) |
3. Tijdsbestek voor kennisgeving uit hoofde van artikel 58 van richtlijn 2007/64
|
38. |
Volgens artikel 58 van richtlijn 2007/64 moet de betaler binnen een specifiek tijdsbestek voldoen aan zijn kennisgevingsverplichting jegens de betalingsdienstaanbieder. Voor het verkrijgen van rectificatie van de aanbieder moet de betalingsdienstgebruiker „die zich rekenschap geeft van een niet-toegestane […] betalingstransactie” hem „onverwijld en uiterlijk dertien maanden na de valutadatum van de debitering” kennisgeven. |
|
39. |
De kwestie die in de eerste vraag aan de orde wordt gesteld, is of de betalingsdienstgebruiker het recht op rectificatie verliest als een kennisgeving pas laat wordt gedaan, ook al vindt die kennisgeving binnen dertien maanden na de valutadatum van de debitering plaats. Het antwoord op deze vraag hangt af van de vraag of de verplichting om „onverwijld” van een niet-toegestane transactie kennis te geven wanneer de gebruiker zich daarvan rekenschap geeft, een aparte en afzonderlijke voorwaarde is die cumulatief van toepassing is, tezamen met de verplichting om binnen dertien maanden na de valutadatum van de debitering kennis te geven. |
|
40. |
Volgens vaste rechtspraak dient bij de uitlegging van een bepaling van het Unierecht niet alleen rekening te worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt. Ook de totstandkomingsgeschiedenis van een Unierechtelijke bepaling kan relevante informatie voor de uitlegging ervan verschaffen. ( 20 ) |
|
41. |
Ten eerste moet ten aanzien van de bewoordingen van artikel 58 reeds aan het begin worden opgemerkt dat de temporele voorwaarden voor de kennisgeving verbonden zijn aan de uitdrukking „en uiterlijk”. Deze uitdrukking lijkt aan te geven dat artikel 58 twee aparte voorwaarden stelt, die beide moeten worden nagekomen voordat het recht op rectificatie ontstaat. |
|
42. |
De twee temporele voorwaarden verschillen voorts naar aard en reikwijdte. |
|
43. |
De uitdrukking „onverwijlde” kennisgeving wordt niet in richtlijn 2007/64 gedefinieerd. ( 21 ) Zoals de Franse regering in wezen heeft aangevoerd, kan die uitdrukking, afhankelijk van de taalversie, aldus worden uitgelegd dat deze de nadruk legt op de onmiddellijke aard van de kennisgeving ( 22 ) of op de buitensporig lange duur van de vertraging ( 23 ). |
|
44. |
Ondanks de verschillende nuances waarvan, afhankelijk van de taalversie, sprake is, zij erop gewezen dat artikel 58 niet naar een onmiddellijke handeling verwijst. Dit duidt op een zekere bewegingsruimte bij het per geval beoordelen van de tijdigheid van de reactie van de betaler. Die betaler moet dus, gelet op de omstandigheden, zo spoedig mogelijk handelen. In ieder geval mag niet worden aangenomen dat de betaler te laat is indien hij zich in feite niet bewust was van de gebeurtenis die tot de niet-toegestane transactie heeft geleid. ( 24 ) |
|
45. |
Die uitlegging wordt bevestigd in overweging 31 van richtlijn 2007/64, waarin wordt vermeld dat de betalingsdienstgebruiker de betalingsdienstaanbieder „zo spoedig mogelijk” in kennis moet stellen van betwistingen in verband met vermeende niet-toegestane transacties. |
|
46. |
Gelet op overweging 31 van richtlijn 2007/64 moet de uitdrukking „onverwijld” aldus worden begrepen dat de betalingsdienstgebruiker snel moet handelen, hetgeen, zoals de Commissie in wezen heeft opgemerkt, met inachtneming van de omstandigheden beoordeeld dient te worden. |
|
47. |
De noodzaak om rekening te houden met de omstandigheden van ieder geval duidt erop, zoals de Tsjechische regering in wezen heeft aangevoerd, dat het vereiste dat de kennisgeving „onverwijld” moet geschieden een subjectief vereiste is. De subjectieve aard ervan vloeit ook voort uit het uitgangspunt ervan, te weten de kennis van de niet-toegestane transactie. |
|
48. |
Anders dan voor die subjectieve temporele voorwaarde geldt, is de voorwaarde dat de kennisgeving uiterlijk dertien maanden na de valutadatum van de debitering moet plaatsvinden een objectieve voorwaarde. Het verstrijken van dertien maanden kan immers objectief worden vastgesteld en hangt niet af van de omstandigheden van het geval. Voorts hangt de datum waarop de dertien maanden beginnen te lopen niet af van de vraag of de betaler zich rekenschap heeft gegeven van de niet-toegestane transactie (hetgeen overigens lastig vast te stellen zou kunnen zijn), ( 25 ) maar van de valutadatum van de debitering. |
|
49. |
In zijn arrest CRCAM heeft het Hof duidelijk gemaakt dat de termijn van dertien maanden een „maximale termijn” is waarbinnen kennisgeving moet plaatsvinden. ( 26 ) Een gebruiker die zijn betalingsdienstaanbieder niet binnen die termijn kennis heeft gegeven van een niet-toegestane transactie, kan die aanbieder niet aansprakelijk stellen – ook niet op basis van het gemene recht – en bijgevolg geen terugbetaling van die niet-toegestane transactie verkrijgen. ( 27 ) Zoals Veracash heeft aangevoerd, is de termijn van dertien maanden een „uiterste termijn” („délai butoir”), waarbinnen kennisgeving moet plaatsvinden. |
|
50. |
Uit het voorgaande volgt dat de verplichting tot „onverwijlde” kennisgeving losstaat van die tot kennisgeving binnen de termijn van dertien maanden. Indien de betalingsdienstgebruiker niet „onverwijld” kennisgeeft van de niet-toegestane transactie wanneer hij zich daarvan rekenschap geeft, kan dit niet simpelweg worden „gecompenseerd” door een kennisgeving die binnen dertien maanden na de valutadatum van de debitering plaatsvindt. |
|
51. |
Ten tweede vindt de letterlijke uitlegging van artikel 58 van richtlijn 2007/64 steun in een contextuele uitlegging van die bepaling. |
|
52. |
In zijn arrest CRCAM heeft het Hof geoordeeld dat artikel 58, waarnaar artikel 60, lid 1, van die richtlijn verwijst, de betalingsdienstgebruiker een algemene kennisgevingsverplichting oplegt. ( 28 ) Zoals ik hierboven heb benadrukt, ( 29 ) neemt de kennisgeving een centrale plaats in bij de voorschriften inzake aansprakelijkheid die op niet-toegestane betalingstransacties van toepassing is. Indien zou worden aanvaard dat de betaler dertien maanden kan wachten alvorens over te gaan tot betwisting van een transactie waarvan hij zich rekenschap heeft gegeven, zou de verplichting om „onverwijld” daarvan kennis te geven minder doeltreffend zijn. In de specifieke situatie waarin de niet-toegestane transactie het gevolg is van het verlies, de diefstal of het onrechtmatig gebruik van het betaalinstrument, leidt een late kennisgeving van die transactie ertoe dat de betalingsdienstaanbieder met vertraging maatregelen overeenkomstig artikel 57, lid 1, onder d), van richtlijn 2007/64 neemt. Voorts leidt de late kennisgeving van niet-toegestane transacties waarvan de betaler zich rekenschap heeft gegeven tot vertraging in de aansprakelijkstelling van de betalingsdienstaanbieder volgens artikel 60 van deze richtlijn. Zoals de Commissie in wezen heeft aangevoerd, ondermijnt de late kennisgeving van niet-toegestane transacties waarvan de betaler zich rekenschap heeft gegeven dus ook de doelstellingen van artikel 57, lid 1, onder d), en artikel 60 ervan. |
|
53. |
Ten derde vinden de letterlijke uitlegging en de contextuele uitlegging van die bepaling steun in een teleologische uitlegging van artikel 58 van richtlijn 2007/64. In de specifieke situatie waarin verliezen die uit niet-toegestane transacties voortvloeien het gevolg zijn van het verlies, de diefstal of het onrechtmatig gebruik van een betaalinstrument, belet de late kennisgeving de betalingsdienstaanbieder om onmiddellijk maatregelen te nemen en verhoogt deze het risico van niet-toegestane transacties. Een onnodige vertraging bij het in kennis stellen van de betalingsdienstaanbieder ondermijnt dus het preventieve doel van kennisgeving. ( 30 ) |
|
54. |
Voorts ondermijnt een uitlegging volgens welke de betaler gerechtigd is tot rectificatie, ook al heeft hij niet onverwijld kennisgegeven, de rechtszekerheid en de afweging van belangen tussen de betalingsdienstaanbieder en de betalingsdienstgebruiker, zoals de Commissie in wezen heeft benadrukt. |
|
55. |
Ten vierde vindt de uitlegging die uit een letterlijke, contextuele en teleologische uitlegging van artikel 58 van richtlijn 2007/64 volgt, steun in de ontstaansgeschiedenis van deze richtlijn. |
|
56. |
Uit de totstandkomingsgeschiedenis blijkt dat in het oorspronkelijke voorstel van de Commissie voor een richtlijn ( 31 ) geen maximumtermijn werd opgelegd, zoals dat thans wel het geval is in artikel 58 van richtlijn 2007/64, dat is ingevoerd tijdens het wetgevingsproces. ( 32 ) Die invoering van de uniforme termijn van dertien maanden was echter niet bedoeld ter vervanging van de verplichting tot onverwijlde kennisgeving. Zoals het Hof in zijn arrest CRCAM heeft benadrukt, is snel gebleken dat de invoering van die termijn noodzakelijk was om de rechtszekerheid van de gebruiker van deze diensten en de aanbieder ervan te waarborgen. ( 33 ) Door in een maximale termijn van dertien maanden te voorzien, wordt gewaarborgd dat de betalingstransactie na het verstrijken van die termijn onherroepelijk wordt. ( 34 ) De doelstelling om te waarborgen dat een transactie onherroepelijk wordt, heeft echter geen gevolgen voor de aparte verplichting van de gebruiker tot onverwijlde kennisgeving. |
|
57. |
Hieruit volgt dat de betalingsdienstgebruiker aan beide voorwaarden van artikel 58 van richtlijn 2007/64 moet voldoen. Dit laat onverlet de toepassing van artikel 61, lid 2, van deze richtlijn, dat ziet op de aansprakelijkheid van de betaler wanneer de verliezen die uit een niet-toegestane transactie voortvloeien onder meer het gevolg zijn van het opzettelijk of met grove nalatigheid niet kennisgeven van het verlies, de diefstal of het onrechtmatig gebruik van het betaalinstrument, hetgeen het voorwerp van de tweede prejudiciële vraag is. |
|
58. |
Gelet op een en ander moet artikel 58 van richtlijn 2007/64, gelezen in het licht van de artikelen 56, 60 en 61 ervan, aldus worden uitgelegd dat de betaler in beginsel het recht op terugbetaling van het bedrag van een niet-toegestane transactie wordt ontzegd wanneer hij zijn betalingsdienstaanbieder pas laat kennis heeft gegeven van die transactie, ook al werd die kennisgeving binnen dertien maanden na de valutadatum van de debitering gedaan. Dit laat de toepassing van artikel 61, lid 2, van deze richtlijn onverlet. |
B. Tweede vraag
|
59. |
Hoewel de verwijzende rechter in zijn tweede vraag geen specifieke bepaling van richtlijn 2007/64 noemt, blijkt niettemin uit de verwijzingsbeslissing dat hij een uitlegging wenst van artikel 61, lid 2, van deze richtlijn, gelezen in het licht van artikel 56, lid 1, onder b), ervan. Opgemerkt zij dat de tweede vraag pas aan bod komt indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord. |
|
60. |
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter dus in wezen te vernemen of artikel 61, lid 2, van richtlijn 2007/64, gelezen in het licht van artikel 56, lid 1, onder b), van deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat, in geval van verliezen die voortvloeien uit een niet-toegestane transactie die het gevolg is van het verlies, de diefstal of het onrechtmatig gebruik van het betaalinstrument of van het niet-toegestane gebruik ervan, het recht op terugbetaling alleen aan de betaler kan worden ontzegd indien hij opzettelijk of door grove nalatigheid de betalingsdienstaanbieder daarvan niet in kennis heeft gesteld. |
|
61. |
Bij artikel 61 van richtlijn 2007/64 worden specifieke bepalingen vastgesteld, die van toepassing zijn op de voorschriften inzake aansprakelijkheid voor verliezen die voortvloeien uit niet-toegestane transacties die het gevolg zijn van het gebruik van verloren, gestolen of onrechtmatig gebruikte betaalinstrumenten. ( 35 ) Meer in het bijzonder volgt uit artikel 61, lid 2, van deze richtlijn, gelezen in het licht van artikel 56, lid 1, onder b), ervan, dat de betaler aansprakelijk is voor alle verliezen die uit niet-toegestane transacties voortvloeien, indien deze zich onder meer hebben voorgedaan doordat hij opzettelijk of met grove nalatigheid de betalingsdienstaanbieder niet in kennis heeft gesteld van het verlies, de diefstal of het onrechtmatig gebruik van het betaalinstrument of van het niet-toegestane gebruik ervan. |
|
62. |
Artikel 61, lid 2, verwijst niet uitdrukkelijk naar de kennisgevingsverplichting van artikel 58. Zoals hierboven is benadrukt, ( 36 ) omvat de kennisgeving van een niet-toegestane transactie uit hoofde van artikel 58 echter, afhankelijk van de situatie en de gang van zaken, de kennisgeving overeenkomstig artikel 56, lid 1, onder b), wanneer de niet-toegestane transactie voortvloeit uit het verlies, de diefstal of het onrechtmatig gebruik van een betaalinstrument. In dergelijke situaties moet, voor een coherente uitlegging van artikel 61, lid 2, artikel 56, lid 1, onder b), en artikel 58, de kennisgeving uit hoofde van artikel 58 aan de voorwaarden van artikel 61, lid 2, voldoen. |
|
63. |
Het recht op terugbetaling wordt de betaler dus ontzegd wanneer hij „opzettelijk of met grove nalatigheid” geen kennis heeft gegeven van de niet-toegestane transactie na het verlies, de diefstal of het onrechtmatig gebruik van het betaalinstrument. |
|
64. |
Uit overweging 33 van richtlijn 2007/64 volgt dat, bij de beoordeling of sprake is geweest van nalatigheid, alle omstandigheden in aanmerking moeten worden genomen. Blijkens die overweging moet het bewijs voor en de mate van de beweerde nalatigheid volgens het nationale recht worden beoordeeld. |
|
65. |
Waar het begrip „nalatigheid” een onopzettelijk handelen of nalaten impliceert waardoor de aansprakelijke persoon zijn zorgvuldigheidsplicht schendt, kan het begrip „grove nalatigheid” enkel een gekwalificeerde schending van die zorgvuldigheidsplicht betreffen. ( 37 ) Hoewel richtlijn 2015/2366 niet van toepassing is in het hoofdgeding, wordt daarin die uitlegging van het begrip „grove nalatigheid” bevestigd. In overweging 72 ervan wordt vermeld dat „een grove nalatigheid […] meer dan louter nalatigheid [dient] in te houden, en dus gedrag dat een aanzienlijke mate van onvoorzichtigheid vertoont”. |
|
66. |
In ieder geval volgt uit artikel 59, lid 2, van richtlijn 2007/64 dat het enkele gebruik van het betaalinstrument op zichzelf geen voldoende bewijs vormt dat de betaler frauduleus heeft gehandeld of opzettelijk of met grove nalatigheid een of meer van zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 56 ervan niet is nagekomen. |
|
67. |
Bijgevolg volstaat voor de toepassing van artikel 61, lid 2, van richtlijn 2007/64 een enkele schending van de zorgvuldigheidsplicht, of „eenvoudige nalatigheid”, zoals de Commissie het heeft geformuleerd, niet om terugbetaling aan de betaler uit te sluiten. ( 38 ) Zoals de verwijzende rechter terecht heeft opgemerkt, „bestraft” artikel 61, lid 2, dus niet elke vertraging in de kennisgeving, ongeacht de omstandigheden en het gedrag van de betaler. Enkel een vertraging in de kennisgeving die te wijten is aan de opzet of grove nalatigheid van de betaler leidt tot het verlies van het recht op terugbetaling. |
|
68. |
Gelet op een en ander moet artikel 61, lid 2, van richtlijn 2007/64, gelezen in het licht van artikel 56, lid 1, onder b), van deze richtlijn, aldus worden uitgelegd dat, in geval van verliezen die voortvloeien uit een niet-toegestane transactie die het gevolg is van het verlies, de diefstal of het onrechtmatig gebruik van het betaalinstrument of van het niet-toegestane gebruik ervan, het recht op terugbetaling alleen aan de betaler kan worden ontzegd, indien hij opzettelijk of door grove nalatigheid de betalingsdienstaanbieder daarvan niet in kennis heeft gesteld. |
C. Derde vraag
|
69. |
Hoewel de verwijzende rechter in zijn derde vraag geen specifieke bepaling van richtlijn 2007/64 noemt, blijkt niettemin uit de verwijzingsbeslissing dat hij een uitlegging wenst van artikel 61, lid 2, van deze richtlijn, meer in het bijzonder van de reikwijdte van niet-toegestane transacties waarvan de betaler het risico draagt. Opgemerkt zij dat de derde vraag pas aan bod komt indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord. |
|
70. |
Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter dus in wezen te vernemen of artikel 61, lid 2, van richtlijn 2007/64 aldus moet worden uitgelegd dat de betaler, in geval van verliezen die voortvloeien uit niet-toegestane transacties waarvan de betaler opzettelijk of met grove nalatigheid pas laat kennis heeft gegeven, voor alle niet-toegestane transacties het recht op terugbetaling verliest of alleen voor de transacties die hadden kunnen worden voorkomen indien de kennisgeving niet laat was gedaan. |
|
71. |
Ter zake dient volgens de vaste, hierboven aangehaalde rechtspraak ( 39 ) bij de uitlegging van een bepaling van het Unierecht niet alleen rekening te worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt. |
|
72. |
Om te beginnen, wat betreft de bewoordingen van artikel 61, lid 2, van richtlijn 2007/64 luidt deze bepaling dat de betaler „alle verliezen [draagt] die uit niet-toegestane betalingstransacties voortvloeien”, indien deze zich onder meer hebben voorgedaan doordat hij opzettelijk of met grove nalatigheid zijn kennisgevingsverplichting niet is nagekomen. Enerzijds lijken de uitdrukkingen „alle verliezen” en „niet-toegestane betalingstransacties” aan te geven dat de reikwijdte van de transacties ten aanzien waarvan een betaler zijn verplichtingen niet nakomt, ruim moet worden uitgelegd. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen transacties die hadden kunnen worden vermeden en transacties die niet hadden kunnen worden vermeden indien sprake was geweest van een tijdige kennisgeving. |
|
73. |
Anderzijds legt de uitdrukking „verliezen […] voorgedaan” een oorzakelijk verband tussen de verliezen en het gedrag van de betaler aan wiens zijde deze verliezen zich door onder meer het ontbreken van een kennisgeving hebben „voorgedaan”. Het vereiste van dit oorzakelijke verband kan aldus worden uitgelegd, zoals de Commissie in wezen heeft gesteld, dat enkel die verliezen gedekt zijn die voortvloeien uit transacties die door een tijdige kennisgeving hadden kunnen worden vermeden. |
|
74. |
In plaats daarvan geven de context en de doelstelling van artikel 61, lid 2, van richtlijn 2007/64 mijns inziens echter aan dat de betaler alle verliezen draagt van alle niet-toegestane transacties indien hij daarvan opzettelijk of met grove nalatigheid geen kennis heeft gegeven. |
|
75. |
In de tweede plaats zij er, ten aanzien van de context van die bepaling, allereerst aan herinnerd dat frauduleus handelen of opzet of grove nalatigheid bij de niet-nakoming van een of meer verplichtingen uit hoofde van artikel 56 van richtlijn 2007/64 een centrale rol speelt bij de onbeperkte aansprakelijkheid van de betaler. Uit deze bepaling volgt dat dergelijk gedrag gevolgen voor de betaler dient te hebben, namelijk het verlies van het recht op terugbetaling. |
|
76. |
Aansluitend hierop, en zoals ik reeds heb benadrukt, ( 40 ) neemt de kennisgeving in het stelsel van aansprakelijkheid voor niet-toegestane transacties een centrale plaats in. In het bijzonder wanneer de betwiste transactie het gevolg is van het niet-toegestane gebruik van een betaalinstrument, heeft kennisgeving een preventieve functie, waarmee de betalingsdienstaanbieder in staat wordt gesteld om het betaalinstrument te blokkeren en het risico van niet-toegestane betalingstransacties te verlagen. De voorschriften inzake aansprakelijkheid voor dergelijke niet-toegestane transacties zijn gebaseerd op de aanname dat deze transacties door een tijdige kennisgeving hadden kunnen worden vermeden. Het zou ingaan tegen de logica van het stelsel van aansprakelijkheid om ten behoeve van het recht op terugbetaling een onderscheid te maken tussen twee categorieën transacties, te weten die welke hadden kunnen worden voorkomen en die welke niet hadden kunnen worden voorkomen. |
|
77. |
In de derde plaats wordt die conclusie bevestigd door het doel van artikel 61, lid 2, van richtlijn 2007/64 en de bepalingen waarvan het deel uitmaakt. Met de voorschriften inzake aansprakelijkheid voor niet-toegestane transacties die voortvloeien uit het verlies, de diefstal of het onrechtmatig gebruik van het betaalinstrument wordt getracht de belangen van de betaler en de betalingsdienstaanbieder tegen elkaar af te wegen. Het zodanig terugbrengen van de reikwijdte van de aansprakelijkheid dat deze slechts voor een deel van de niet-toegestane transacties zou gelden, zou haaks staan op deze afweging van de belangen van de contractpartijen. Tevens zou dat de doelstelling ondermijnen om de betaler aan te zetten tot een onverwijlde kennisgeving aan de betalingsdienstaanbieder. |
|
78. |
Gelet op een en ander moet artikel 61, lid 2, van richtlijn 2007/64 mijns inziens aldus worden uitgelegd dat de betaler, in geval van verliezen die voortvloeien uit niet-toegestane transacties waarvan hij opzettelijk of met grove nalatigheid pas laat kennis heeft gegeven, voor alle niet-toegestane transacties het recht op terugbetaling verliest en niet alleen voor de transacties die hadden kunnen worden voorkomen indien de kennisgeving niet laat was gedaan. |
V. Conclusie
|
79. |
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vragen van de Cour de cassation te beantwoorden als volgt:
|
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.
( 2 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt tot wijziging van de richtlijnen 97/7/EG, 2002/65/EG, 2005/60/EG en 2006/48/EG, en tot intrekking van richtlijn 97/5/EG (PB 2007, L 319, blz. 1). Deze richtlijn is ingetrokken en vervangen door richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van richtlijn 2007/64/EG (PB 2015, L 337, blz. 35). Gelet op de feiten van het geschil in het hoofdgeding, en zoals de verwijzende rechter ook uiteenzet, is op de onderhavige zaak richtlijn 2007/64 van toepassing.
( 3 ) Arrest van 2 september 2021 (C‑337/20, EU:C:2021:671; hierna: „arrest CRCAM”).
( 4 ) Op 1 januari 2020 werd deze naam veranderd in „tribunal judiciaire d’Évry” (rechter in eerste aanleg Évry, Frankrijk).
( 5 ) De verwijzing in dat arrest naar de verplichting om „onmiddellijk” kennis te geven van de transactie, hangt naar alle waarschijnlijkheid samen met de opname van dat woord in de algemene voorwaarden die op het gebruik van de „Veracard”-pas van toepassing zijn en die in dat arrest zijn overgenomen.
( 6 ) De prejudiciële verwijzing betreft enkel het eerste onderdeel van het tweede middel.
( 7 ) Zie Μavromati, D., The Law of Payment Services in the EU: The EC Directive on Payment Services in the Internal Market, Kluwer Law International, Alphen aan den Rijn, 2008, blz. 220 e.v.
( 8 ) Volgens artikel 4, punt 10, van richtlijn 2007/64 wordt onder „betalingsdienstgebruiker” een natuurlijke of rechtspersoon verstaan die in de hoedanigheid van betaler, begunstigde of beide van een betalingsdienst gebruikmaakt. De begrippen „betaler” en „begunstigde” worden gedefinieerd in de punten 7 en 8 van dat artikel.
( 9 ) In de zin van artikel 4, punt 9, van richtlijn 2007/64.
( 10 ) Die bepaling ziet ook op „foutieve betalingstransacties”. Aangezien het hoofdgeding transacties betreft waarvoor de betaler geen toestemming had gegeven, in tegenstelling tot transacties die niet in overeenstemming waren met de instructies van de betaler, concentreer ik mij op de situatie van niet-toegestane betalingstransacties.
( 11 ) De omstandigheden waarin een betalingstransactie als niet-toegestaan dient te worden aangemerkt, worden vermeld in artikel 54 van richtlijn 2007/64.
( 12 ) Zie in die zin arrest CRCAM (punt 33).
( 13 ) Arrest CRCAM (punt 40).
( 14 ) Ibidem.
( 15 ) Zie Geva, B., „The EU payment services directive: An outsider’s view”, Yearbook of European Law, deel 28, nr. 1, 2009, blz. 177‑215, op blz. 200, waar wordt benadrukt dat zelfs van die beperkte aansprakelijkheid sprake is wanneer de betaler geen blaam treft en zich onbewust is van de omstandigheden waarin uit hoofde van artikel 56 van richtlijn 2007/64 kennis dient te worden gegeven.
( 16 ) Zie Bourguignon, C., „L’utilisateur dans la nouvelle loi sur les services de paiement: entre protection et responsabilisation”, in Jacquemin, H., Michaux, B., en Bourguignon, C., Actualités en droit du numérique, Anthemis, Limal, 2019, blz. 153‑215, op blz. 206.
( 17 ) Ibidem, op blz. 207, waar de kennisgevingsverplichting wordt beschreven als een „curseur de la répartition des responsabilités”. Zie in dezelfde trant Guimarães, M.R., en Steennot, R., „Allocation of liability in case of payment fraud: who bears the risk of innovation? A comparison of Belgian and Portuguese law in the context of PSD2”, European Review of Private Law, Kluwer Law International, 2022, deel 30, nr. 1, blz. 29‑72, op blz. 46, volgens wie „het uiteindelijke oorzakelijke verband tussen het gedrag [van de gebruiker] en de niet-toegestane betalingstransacties eindigt met de kennisgeving”.
( 18 ) Torck, S., „Délai de contestation des opérations de paiement non autorisées: renvoi préjudiciel de la Cour de Cassation”, Revue de droit bancaire et financier, nr. 2, 2024, opmerking 28.
( 19 ) Ibidem; Torck merkt op dat de betwisting uit hoofde van artikel 58 in de plaats komt van de kennisgeving uit hoofde van artikel 56, die door de omstandigheden geen werking meer heeft („la contestation fondée sur l’article 58 prend le relais du signalement fondé sur l’article 56, rendu inefficace par les circonstances”).
( 20 ) Arrest CRCAM (punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 21 ) De Franse regering heeft in haar opmerkingen een analyse verschaft van de uitdrukking „onverwijld”, waarbij zij de verplichtingen in aanmerking heeft genomen die in andere Unierechtelijke handelingen aan de Commissie of de lidstaten worden opgelegd. De verschillen tussen een instelling van de Unie of een autoriteit van een lidstaat en een privépersoon, te weten de betaler, sluiten echter mijns inziens enige analogie uit.
( 22 ) Dat lijkt het geval te zijn in de Franse („sans tarder”), de Nederlandse („onverwijld”), de Duitse („unverzüglich”), de Griekse („αμελλητί”) en de Italiaanse („senza indugio”) taalversie.
( 23 ) Dat lijkt het geval te zijn in de Engelse („without undue delay”), de Spaanse („sin tardanza injustificada”) en de Letse („bez liekas kavēšanās”) taalversie.
( 24 ) Zie Storck, M., e.a., Code Monétaire et Financier. Annoté et commenté, 14e druk, Dalloz, Parijs, 2024, blz. 170, en Hennard, G., „Loi sur les services de paiement: l’exécution des opérations de paiement – Responsabilités en cas d’inexécution ou d’exécution incorrecte des opérations de paiement”, in Betalingsdiensten – Services de paiement, 1e druk, Intersentia, Brussel, 2011, blz. 137‑194, op blz. 172.
( 25 ) Zie Guimarães, M.R., en Steennot, R., reeds aangehaald, voetnoot 17, blz. 48.
( 26 ) Zie arrest CRCAM (punten 38 en 50).
( 27 ) Arrest CRCAM (punt 36).
( 28 ) Ibidem, punt 33.
( 29 ) Zie punt 32 van de onderhavige conclusie.
( 30 ) Zie de punten 34 en 36 van de onderhavige conclusie.
( 31 ) Uitvoering van het Lissabon-programma van de Gemeenschap – Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende betalingsdiensten in de interne markt en tot wijziging van de richtlijnen 97/7/EG, 2002/12/EG en 2002/65/EG [COM(2005) 603 definitief].
( 32 ) Zie de conclusie van advocaat-generaal Saugmandsgaard Øe in het arrest CRCAM (C‑337/20, EU:C:2021:564, punten 44‑46).
( 33 ) Arrest CRCAM (punt 48).
( 34 ) Ibidem, punt 49.
( 35 ) Zie punt 31 van de onderhavige conclusie.
( 36 ) Punt 37 van de onderhavige conclusie.
( 37 ) Zie in die zin arrest van 3 juni 2008, Intertanko e.a. (C‑308/06, EU:C:2008:312, punten 75 en 76).
( 38 ) Zie Guimarães, M.R., en Steennot, R., reeds aangehaald, voetnoot 17, blz. 50, met voorbeelden uit de nationale rechtspraak.
( 39 ) Punt 40 van de onderhavige conclusie.
( 40 ) Punten 32 en 52 van de onderhavige conclusie.