<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><JUDGMENT xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://formex.publications.europa.eu/schema/formex-04.cj-20080212.xd"><BIB.JUDGMENT><REF.CASE FILE="ECRCJ1982NLA.0400138901.case.xml"><NO.CASE>147/81</NO.CASE></REF.CASE><NO.CELEX>61981J0147</NO.CELEX><NO.SEQ>0008.0001</NO.SEQ><PAGE.FIRST>1389</PAGE.FIRST><PAGE.SEQ>2</PAGE.SEQ><PAGE.LAST>1399</PAGE.LAST><PAGE.TOTAL>11</PAGE.TOTAL><AUTHOR>CJ</AUTHOR></BIB.JUDGMENT><CURR.TITLE><LEFT>ARREST VAN <DATE ISO="19820429">29. 4. 1982</DATE> — ZAAK 147/81</LEFT><RIGHT>MERKUR FLEISCH-IMPORT / HAUPTZOLLAMT HAMBURG-ERICUS</RIGHT></CURR.TITLE><TITLE><TI><P><IE/></P></TI></TITLE><JUDGMENT.INIT><P>In zaak 147/81,</P><P>betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Finanzgericht Hamburg, in het aldaar aanhangig geding tussen</P></JUDGMENT.INIT><?PAGE NO="1390"?><PARTIES><PLAINTIFS><P>Merkur Fleisch-Import GmbH, te Hamburg,</P></PLAINTIFS><AGAINST>en</AGAINST><DEFENDANTS><P>Hauptzollamt Hamburg-Ericus,</P></DEFENDANTS></PARTIES><P>om een prejudiciële beslissing over de geldigheid van artikel 1, lid 3, van verordening nr. 572/78 van de Commissie van <DATE ISO="19780321">21 maart 1978</DATE> houdende uitvoeringsbepalingen inzake de bijzondere invoerregeling voor bepaalde soorten voor verwerking bestemd bevroren rundvlees en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 597/77 (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="078" DATE.PUB="1978" PAGE.FIRST="17">PB L 78 van 1978, blz. 17</REF.DOC.OJ>),</P><P>wijst</P><PREAMBLE><PREAMBLE.INIT><P>HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),</P><P>samengesteld als volgt: A. Touffait, kamerpresident, Mackenzie Stuart en U. Everling, rechters,</P><P>advocaat-generaal: F. Capotorti</P><P>griffier: P. Heim</P></PREAMBLE.INIT><PREAMBLE.FINAL><P>het navolgende</P></PREAMBLE.FINAL></PREAMBLE><CONTENTS.JUDGMENT><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><P>ARREST</P></TI></TITLE><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P>De feiten</P></TI></TITLE><P>De feiten, het procesverloop en de conclusies, middelen en argumenten van partijen kunnen worden samengevat als volgt:</P><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><NP><NO.P>I —</NO.P><TXT>De feiten en het procesverloop</TXT></NP></TI></TITLE><P>Verzoekster in het hoofdgeding importeerde op <DATE ISO="19781016">16 oktober 1978</DATE> in de Bondsrepubliek Duitsland <FT TYPE="DECIMAL">13539,1</FT> kg bevroren rundvlees zonder been van onderverdeling 02.01 A II-b-4-bb van het gemeenschappelijk douanetarief (GDT). Overeenkomstig artikel 1, lid 1, sub a, van verordening nr. 572/78 van de Commissie van <DATE ISO="19780321">21 maart 1978</DATE> houdende uitvoeringsbepalingen inzake de bijzondere invoerregeling voor bepaalde soorten voor verwerking bestemd bevroren rundvlees, verklaarde verzoekster op de<?PAGE NO="1391"?> dag van invoer schriftelijk, dat het vlees bestemd was om te worden verwerkt tot andere produkten dan conserven als bedoeld in artikel 14, lid 1, sub b, van 's Raads verordening nr. 805/68. Op grond van die verklaring was verzoekster voorshands niet verplicht tot betaling van een heffing; wel had zij, overeenkomstig artikel 1, lid 1, sub b, van verordening nr. 572/78, een waarborgsom te storten, overeenkomende met het bedrag van de op de dag van invoer geldende heffing. Zou verzoekster niet het bewijs leveren dat zij het ingevoerde bevroren vlees binnen drie maanden na de maand van invoer in het aangegeven bedrijf had verwerkt, dan konden de nationale instanties de heffing dus alsnog innen.</P><P>Bij een inspectie in het verwerkingsbedrijf stelde de Duitse douane vast, dat er binnen de termijn van drie maanden slechts <FT TYPE="NUMBER">5150</FT> kg bevroren vlees was verwerkt. Overeenkomstig artikel 1, lid 3, tweede en derde alinea, van verordening nr. 572/78, werd daarop een gedeelte van de waarborgsom, overeenkomende met de hoeveelheid te laat verwerkt vlees, verbeurdverklaard, met vaststelling — overeenkomstig artikel 1, lid 8, der verordening — van het alsnog te betalen aanvullende bedrag op DM <FT TYPE="DECIMAL">42044,49</FT>.</P><P>Verzoekster ging in beroep bij het Finanzgericht te Hamburg, en vorderde nietigverklaring van de douanebeschikking wegens onwettigheid van de in verordening nr. 572/78 voorziene vervaltermijn.</P><P>Bij beschikking van <DATE ISO="19810507">7 mei 1981</DATE> heeft het Finanzgericht Hamburg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof van Justitie verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:</P><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START ID="QS0001" REF.END="QE0001" CODE="201E"/>Is artikel 1, lid 3, van verordening (EEG) nr. 572/78 van de Commissie van <DATE ISO="19780321">21 maart 1978</DATE> ongeldig, voor zover het bepaalt dat de door de importeur gestelde waarborg als heffing wordt verbeurd bij overschrijding van de in die bepaling gestelde termijn voor de verwerking van bevroren rundvlees overeenkomstig zijn bestemming, of mag die bepaling zo worden uitgelegd, dat de waarborg niet wordt verbeurd bij een geringe termijnoverschrijding (12 dagen)?<QUOT.END ID="QE0001" REF.START="QS0001" CODE="201D"/></P></QUOT.S><P>Krachtens artikel 20 van 's Hofs Sta-tuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door Merkur Fleisch-Import GmbH, vertegenwoordigd door M. Landry van het advocatenkantoor Modest te Hamburg, en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Sack, lid van haar juridische dienst.</P><P>Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en de advocaat-generaal gehoord, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Bij beschikking van <DATE ISO="19811111">11 november 1981</DATE> heeft het Hof de zaak naar de Derde kamer verwezen.</P></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><NP><NO.P>II —</NO.P><TXT>Schriftelijke opmerkingen, ingediend krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG</TXT></NP></TI></TITLE><GR.SEQ LEVEL="4"><TITLE><TI><NP><NO.P>A —</NO.P><TXT>Opmerkingen van verzoekster in bet hoofdgeding</TXT></NP></TI></TITLE><P>Volgens verzoekster in het hoofdgeding berust verordening nr. 572/78 van de Commissie allereerst op artikel 14, lid 4, sub c, van verordening nr. 805/68 van de<?PAGE NO="1392"?> Raad in de versie van verordening nr. 425/77, waarbij de Commissie is gemachtigd bepalingen ter uitvoering van artikel 14 vast te stellen, en met name betreffende de controle op het gebruik van het ingevoerde vlees.</P><P>Enerzijds houdt die machtiging in, dat de door de Commissie vastgestelde uitvoeringsvoorschriften moeten zijn gericht op — en bruikbaar moeten zijn voor — de verwezenlijking van de doelstelling van artikel 14 van verordening nr. 805/68, namelijk de bescherming van de mededingingspositie van de verwerkende industrie van de Gemeenschap ten opzichte van buiten de Gemeenschap gevestigde concurrenten. Voor de verwezenlijking van die doelstelling was het evenwel niet nodig dat er termijnen werden gesteld, laat staan vervaltermijnen.</P><P>Anderzijds kan zulk een machtiging niet inhouden, dat de Commissie het recht op schorsing van de verplichting tot betaling van de heffing, vervat in artikel 14 van verordening nr. 805/68 van de Raad, fundamenteel zou mogen inperken door vaststelling van een verwerkingstermijn die de vorm van een vervaltermijn aanneemt. De bevoegdheid daartoe had de Commissie slechts door een uitdrukkelijke althans duidelijke machtiging van de Raad kunnen worden toegekend, doch dit is niet gebeurd. Van de noodzaak van zulk een uitdrukkelijke machtiging door de Raad blijkt wel, wanneer men artikel 14 legt naast artikel 15 van verordening nr. 805/68, waarin de Raad de afgifte van een invoer- en uitvoercertificaat met zoveel woorden afhankelijk stelt van het verschaffen van een waarborg, ter verzekering dat er tijdens de geldigheidsduur van het certificaat tot invoer of uitvoer zal worden overgegaan; de waarborgsom wordt verbeurd wanneer de transactie gedurende die termijn niet of slechts gedeeltelijk wordt verwezenlijkt.</P><P>Door de vaststelling van vervaltermijnen wordt het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel geweld aangedaan. Van schending van die beginselen mag in de eerste plaats worden gesproken, omdat het hierbedoelde voorschrift op overtredingen van heel verschillende zwaarte, dat wil zeggen op een simpele of zelfs minimale termijnoverschrijding zo goed als op het algeheel achterwege laten van de verwerking, één en dezelfde sanctie stelt. En waar de waarborgsom volgens bedoeld voorschrift in zijn geheel wordt verbeurd wanneer het bewijs van verwerking niet is geleverd binnen een termijn van zes maanden na de maand van invoer, wordt ook het evenredigheidsbeginsel geschonden: zie de uitspraak van het Hof van Justitie in de zaken nrs. <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="122/78+240/78" YEAR="1979" PAGE.ECR="677">122/78 en 240/78 (Jurispr. 1979, blz. 677 en 2137)</REF.DOC.ECR>. Tenslotte worden er in de hierbedoelde bepaling buitensporig zware sancties voorzien. Het gaat in artikel 14, lid 4, sub c, van verordening nr. 805/68 allereerst om de nakoming van de verplichting tot verwerking van de waar; het stellen van een termijn is slechts een controlemaatregel, zodat niet-inachtneming ervan er niet toe mag leiden dat het voordeel, gelegen in de schorsing van de verplichting tot betaling der heffing, als zodanig aan het nalatige bedrijf wordt ontnomen.</P><P>Verzoekster in het hoofdgeding concludeert, dat de Commissie weliswaar termijnen voor de verwerking — en sancties bij overschrijding van die termijnen — mocht voorzien, maar dat zulke sancties niet konden inhouden dat het voordeel, gelegen in de schorsing van de verplichting tot betaling der heffing, geheel en al aan de betrokkene werd ontnomen, en in ieder geval had er naar gelang van de<?PAGE NO="1393"?> ernst der termijnoverschrijding moeten worden gedifferentieerd. Verzoekster acht artikel 1, lid 3, van verordening nr. 572/78 dan ook ongeldig.</P></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="4"><TITLE><TI><NP><NO.P>Β —</NO.P><TXT>Opmerkingen van de Commissie</TXT></NP></TI></TITLE><P>De Commissie komt er allereerst tegen op, dat artikel 1, lid 3, van verordening nr. 572/78 zou kunnen worden uitgelegd op een wijze die het algeheel achterwege laten van de heffing zou kunnen rechtvaardigen in gevallen van minimale termijnoverschrijding. Weliswaar vond het Hof van Justitie reeds gelegenheid om, uitgaande van een uitlegging overeenkomstig het Verdrag, van de bewoordingen van soortgelijke bepalingen afstand te nemen (arrest van <DATE ISO="19790621">21 juni 1979</DATE>, zaak <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="240/78" YEAR="1979" PAGE.ECR="2137">240/78, Jurispr. 1979, blz. 2137</REF.DOC.ECR>, en <DATE ISO="19800603">3 juni 1980</DATE>, zaak <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="135/79" YEAR="1980" PAGE.ECR="1713">135/79, Jurispr. 1980, blz. 1713</REF.DOC.ECR>), maar dat neemt niet weg, dat er van een uitlegging <QUOT.START ID="QS0002" REF.END="QE0002" CODE="201E"/>overeenkomstig<QUOT.END ID="QE0002" REF.START="QS0002" CODE="201D"/> het Verdrag slechts sprake kan zijn, wanneer die uitlegging beantwoordt aan de doelstelling van een bepaling en de wetgever niet kennelijk voor een andere oplossing heeft geopteerd. De onderhavige bepaling, volgens welke de heffing ook bij een geringe termijnoverschrijding alsnog wordt geïnd, beantwoordt echter precies aan de bedoeling van de Commissie en aan de doelstelling van de bijzondere invoerregeling van artikel 14 van <QUOT.START ID="QS0003" REF.END="QE0003" CODE="201A"/>s Raads verordening nr. 805/68. In zulke omstandigheden mag de rechter zich bij het uitleggen van de bepaling niet in de plaats van de wetgever stellen. Ook kan niet bij wege van uitlegging worden vastgesteld wat een geringe termijnoverschrijding is en wat in zo'n geval een passende sanctie is.</P><P>De Commissie bespreekt vervolgens de geldigheid van artikel 1, leden 3 en 8, van verordening nr. 572/78. Met betrekking tot de vraag of de hierbedoelde bepaling zich verdraagt met het machtigingsvoorschrift van <QUOT.END ID="QE0003" REF.START="QS0003" CODE="2019"/>s Raads verordening nr. 805/68, betoogt de Commissie allereerst dat niet de waarborgregeling verzoekster <QUOT.START ID="QS0004" REF.END="QE0004" CODE="201E"/>dwars<QUOT.END ID="QE0004" REF.START="QS0004" CODE="201D"/> zit, maar het feit dat er in verordening nr. 572/78 een verwerkingstermijn van drie maanden is voorzien, bij overschrijding waarvan de heffing alsnog wordt geïnd. Voor de oplossing van het geschil doet het niet terzake of de waarborgregeling op zichzelf wettig is; ook wanneer er bij overschrijding geen waarborgsom kon worden ingehouden, zou de onderneming, bij overschrijding van de gestelde termijn van drie maanden, evengoed tot betaling van de heffing gehouden zijn. De Commissie meent dat het bepalen van een verwerkingstermijn en het stellen van een sanctie op termijnoverschrijding volstrekt binnen het kader blijft van de bevoegdheden die de Raad bij artikel 14 van verordening nr. 805/68 aan de Commissie heeft overgedragen; volgens dit artikel stelt de Commissie uitvoeringsbepalingen vast voor de aldaar vastgelegde bijzondere regeling bij invoer van bepaalde soorten voor verwerking bestemd vlees, en met name voorschriften betreffende de controle op het gebruik van het ingevoerde vlees. Zulk een controle brengt noodzakelijkerwijs mee, dat er door de Commissie, handelende binnen de redelijkerwijs aan haar discretionaire bevoegdheid te stellen grenzen, een verwerkingstermijn wordt vastgesteld. Dit heeft de Commissie gedaan door de betrokkenen voor de verwerking ten hoogste vier maanden min één dag en tenminste drie maanden plus één dag toe te staan. Reeds in artikel 14 van verordening nr. 805/68 is een driemaandelijkse<?PAGE NO="1394"?> verdeling voorzien van de voor een jaar op de balans van de Raad vastgestelde behoefte aan ter verwerking ingevoerd vlees, en het was dus geheel normaal dat de Commissie, niet alleen voor de import, maar ook voor de verwerking gedurende het gehele jaar, een geregelde verdeling voorzag. Een korte termijn vindt in ieder geval zijn rechtvaardiging in het streven de vorming van voorraden onverwerkt bevroren vlees voor speculatieve doeleinden te voorkomen en een doeltreffende controle te verzekeren.</P><P>Wat tenslotte het evenredigheidsbeginsel betreft, dit wordt door de omstreden bepalingen geenszins geschonden; men dient hier te onderscheiden tussen gevallen waarin het verlies van de waarborgsom als een echte straf overkomt, en gevallen als het onderhavige, waarin de ondernemer zich alleen maar een bijzonder voordeel ziet ontgaan dat hem voorshands was toegekend op voorwaarde dat hij zich aan de desbetreffende regels zou houden. In deze laatste gevallen komt, wanneer de gestelde voorwaarden niet worden nageleefd, het toegekende recht te vervallen, zonder dat de overheid precies behoeft te onderzoeken of de voorwaarden helemaal of slechts ten dele niet zijn nageleefd. De Commissie is bovendien van mening, in haar verordening nr. 572/78 het evenredigheidsbeginsel voldoende recht te hebben doen wedervaren, door voor gevallen van overmacht overschrijding van de termijn te tolereren en de inning achteraf van de eventuele heffing slechts te voorzien voor het gedeelte van de ingevoerde partij vlees, dat niet binnen de gestelde termijn is verwerkt. De door verzoekster aangehaalde uitspraken van het Hof doen in dit verband niet terzake, immers in beide aangehaalde zaken had een geringe overschrijding van een simpele <QUOT.START ID="QS0005" REF.END="QE0005" CODE="201E"/>délai d'ordre<QUOT.END ID="QE0005" REF.START="QS0005" CODE="201D"/> tot oplegging van de sanctie geleid, terwijl de onderhavige termijn is gesteld om de eerbiediging te verzekeren van de voornaamste verplichting die de betrokkene tegenover de overheid heeft en die hem ter verwezenlijking van het doel van de regeling is opgelegd. In zulke gevallen heeft het Hof het verlies van de waarborgsom bij overschrijding van de gestelde termijnen juist wél in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel bevonden (arresten van <DATE ISO="19701217">17 december 1970</DATE>, zaak 11/70, <DATE ISO="19740130">30 januari 1974</DATE>, zaak 186/73, en <DATE ISO="19770511">11 mei 1977</DATE>, zaken <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="99/76+100/76" YEAR="1970" PAGE.ECR="1125">99 en 100/76, Jurispr. 1970, blz. 1125, 1974, blz. 533, en 1977, blz. 861</REF.DOC.ECR>).</P><P>De Commissie acht ook de redenering van het Finanzgericht Hamburg ongegrond, volgens welke de waarborgsom in het belang van de verbruikers niet wegens een betrekkelijk geringe overschrijding van de verwerkingstermijn mag worden verbeurdverklaard. De termijn is juist in het belang van de verbruikers vastgesteld, namelijk om te voorkomen dat de verwerking om speculatieve redenen wordt vertraagd. Dit voordeel weegt zeker op tegen het nadeel dat, in de zeldzame gevallen waarin de verwerking niet binnen de gestelde termijn is geschied, voor de verbruiker voortvloeit uit het feit dat de verwerker de extra last welke in de heffing besloten ligt, in zijn verkoopprijs doorberekent.</P><P>De Commissie geeft het Hof in overweging, de prejudiciële vraag van het Finanzgericht Hamburg te beantwoorden als volgt:</P><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START ID="QS0006" REF.END="QE0006" CODE="201E"/>Bij onderzoek van de aan hef Hof gestelde vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van artikel 1, leden 2, 3 en 8, van verordening nr. 572/78, voor wat betreft de inning achteraf van de heffing<?PAGE NO="1395"?> bij overschrijding van de verwerkingstermijn en de storting vooraf van een waarborgsom in verband met deze regeling.<QUOT.END ID="QE0006" REF.START="QS0006" CODE="201D"/></P></QUOT.S></GR.SEQ></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><NP><NO.P>III —</NO.P><TXT>Mondelinge behandeling</TXT></NP></TI></TITLE><P>Ter terechtzitting van <DATE ISO="19820114">14 januari 1982</DATE> zijn mondelinge opmerkingen gemaakt door Merkur Fleisch-Import GmbH, vertegenwoordigd door M. Landry van het advocatenkantoor Modest te Hamburg, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Sack, lid van haar juridische dienst.</P><P>De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van <DATE ISO="19820211">11 februari 1982</DATE> conclusie genomen.</P></GR.SEQ></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P>In rechte</P></TI></TITLE><NP><NO.P>1</NO.P><TXT>Bij beschikking van <DATE ISO="19810507">7 mei 1981</DATE>, ingekomen ten Hove op 10 juni daaropvolgende, heeft het Finanzgericht Hamburg krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de geldigheid van artikel 1, lid 3, van verordening nr. 572/78 van de Commissie van <DATE ISO="19780321">21 maart 1978</DATE> houdende uitvoeringsbepalingen inzake de bijzondere invoerregeling voor bepaalde soorten voor verwerking bestemd bevroren rundvlees (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="078" DATE.PUB="1978" PAGE.FIRST="17">PB L 78 van 1978, blz. 17</REF.DOC.OJ>).</TXT></NP><NP><NO.P>2</NO.P><TXT>Blijkens de stukken verzocht verzoekster in het hoofdgeding bij aangifte ten invoer van <DATE ISO="19781016">16 oktober 1978</DATE>, de Duitse douane om inklaring van <FT TYPE="NUMBER">13539</FT> kg voor verwerking bestemd bevroren rundvlees zonder been. De inklaring vond plaats op de voorwaarden van artikel 1 van verordening nr. 572/78 van de Commissie. Naderhand stelde de douane vast dat slechts <FT TYPE="NUMBER">5150</FT> kg vlees was verwerkt in het tijdvak van <DATE ISO="19790125">25</DATE> tot <DATE ISO="19790131">31 januari 1979</DATE>, dat wil zeggen binnen de in artikel 1, lid 3, van verordening nr. 572/78 gestelde termijn, en <FT TYPE="DECIMAL">8389,1</FT> kg tussen <DATE ISO="19790201">1</DATE> en <DATE ISO="19790212">12 februari 1979</DATE>.</TXT></NP><NP><NO.P>3</NO.P><TXT>Gezien deze overschrijding van de termijn verklaarde de douane overeenkomstig artikel 1, lid 3, tweede en derde alinea, van verordening nr. 572/78 de door verzoekster gestorte waarborgsom verbeurd naar rato van de hoeveelheid te laat verwerkt vlees, en stelde met toepassing van artikel 1, lid 8, van die verordening het door verzoekster als heffing te betalen aanvullende bedrag vast op DM <FT TYPE="DECIMAL">42044,49</FT>.</TXT></NP><?PAGE NO="1396"?><NP><NO.P>4</NO.P><TXT>Verzoekster stelde bij het Finanzgericht beroep in tot nietigverklaring van de aldus vastgestelde heffing, op grond dat toepassing van de heffing wegens een zeer geringe overschrijding van de verwerkingstermijn in strijd was met het evenredigheidsbeginsel.</TXT></NP><NP><NO.P>5</NO.P><TXT>Van mening dat twijfel bestond omtrent de geldigheid van de betrokken bepaling van gemeenschapsrecht, heeft het Finanzgericht het Hof van Justitie de prejudiciële vraag voorgelegd of artikel 1, lid 3, van verordening nr. 572/78 van de Commissie van <DATE ISO="19780321">21 maart 1978</DATE> ongeldig is, voor zover het bepaalt dat de door de importeur gestelde waarborg als heffing wordt verbeurd bij overschrijding van de in die bepaling gestelde termijn voor de verwerking van bevroren rundvlees overeenkomstig zijn bestemming, respectievelijk of die bepaling zo mag worden uitgelegd, dat de waarborg niet wordt verbeurd bij een geringe termijnoverschrijding, namelijk met twaalf dagen.</TXT></NP><NP><NO.P>6</NO.P><TXT>Volgens verzoekster in het hoofdgeding verleent artikel 14, van verordening nr. 805/68 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, zoals gewijzigd bij verordening nr. 425/77 van <DATE ISO="19770214">14 februari 1977</DATE> (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="061" DATE.PUB="1977" PAGE.FIRST="1">PB L 61 van 1977, blz. 1</REF.DOC.OJ>), die de grondslag vormt van verordening nr. 572/78 van de Commissie, deze laatste niet de bevoegdheid een vervaltermijn vast te stellen.</TXT></NP><NP><NO.P>7</NO.P><TXT>Dit artikel bepaalt in lid 4, sub c, dat de uitvoeringsbepalingen voor de schorsing van de heffing op voor consumptie bestemd bevroren vlees, en met name die welke betrekking hebben op de controle van het gebruik van het ingevoerde vlees, door de Commissie worden vastgesteld. Deze in algemene bewoordingen gestelde machtiging brengt voor de Commissie het recht en de plicht mee, alle nodige maatregelen te nemen teneinde te verzekeren dat de door de Raad vastgestelde regeling zodanig wordt uitgevoerd, dat de daarmee beoogde doelstellingen ten volle worden verwezenlijkt.</TXT></NP><NP><NO.P>8</NO.P><TXT>De met het instellen van een bijzondere invoerregeling voor bepaalde soorten voor verwerking bestemd rundvlees beoogde doelstellingen zijn omschreven in de zevende overweging van de considerans van basisverordening nr. 805/68 van de Raad. Aldaar wordt gesteld dat de schorsing van de heffing ten doel heeft een bevredigende voorziening voor de verwerkende industrieën van de Gemeenschap te waarborgen, doch dat dit niet ten koste mag<?PAGE NO="1397"?> gaan van het fundamentele beginsel dat vlees van communautaire produktie de voorkeur geniet. Het bestaan en de omvang van het recht op schorsing van de heffing staan met andere woorden in rechtstreeks verband met de toestand en de ontwikkeling van de communautaire markt.</TXT></NP><NP><NO.P>9</NO.P><TXT>Omdat op die markt in betrekkelijk korte tijd wijzigingen kunnen optreden, is het noodzakelijk de bijzondere invoerregeling aan die wijzigingen te kunnen aanpassen. Te dien einde bepaalt overigens verordening nr. 805/68 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening nr. 425/77, in artikel 14, lid 4, sub a, dat de hoeveelheden die met schorsing van de heffing kunnen worden ingevoerd, ieder kwartaal door de Commissie worden vastgesteld. Deze bepaling zou haar doel volstrekt missen indien de verwerkende ondernemingen de mogelijkheid hadden speculatieve voorraden aan te houden, waardoor zij de gevolgen van een eventuele besnoeiing of zelfs afschaffing van de bijzondere invoerregeling door de Commissie ter bescherming van de communautaire markt, zouden kunnen tenietdoen.</TXT></NP><NP><NO.P>10</NO.P><TXT>De Commissie was derhalve gerechtigd ter bevordering van de door de Raad terzake beoogde doelstellingen, in de uitvoeringsvoorschriften te bepalen dat het met schorsing van de heffing ingevoerde vlees binnen een bepaalde termijn moest worden verwerkt.</TXT></NP><NP><NO.P>11</NO.P><TXT>Verzoekster in het hoofdgeding voert voorts aan, dat het verliezen van het recht op schorsing in geval van termijnoverschrijding in wanverhouding staat tot de ernst van het verzuim, dat de met de regeling nagestreefde doeleinden niet schaadt.</TXT></NP><NP><NO.P>12</NO.P><TXT>Dit argument berust op een onjuiste beoordeling van hetgeen met de betrokken regeling wordt beoogd, doordat het de noodzaak de regel van de gemeenschapspreferentie te handhaven, uit het oog verliest; deze preferentie zou om de boven aangegeven redenen niet kunnen worden gewaarborgd indien de ondernemingen die van de schorsing van de heffing bij invoer gebruik maken, geen termijn voor de verwerking werd gesteld. Wanneer de verwerking niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, worden de met de regeling beoogde doelstellingen rechtstreeks in gevaar gebracht. De daarop gestelde sanctie is dus geenszins onevenredig.</TXT></NP><?PAGE NO="1398"?><NP><NO.P>13</NO.P><TXT>Tenslotte verwijt verzoekster in het hoofdgeding de Commissie, aan de overschrijding van de termijn automatisch de toepassing van de heffing te hebben gekoppeld, ongeacht hoe groot die overschrijding is, en daarmee het beginsel van gelijke behandeling te hebben geschonden. Dit verwijt treft echter geen doel in het geval van verordening nr. 572/78 van de Commissie, nu deze de toepassing van de bestreden bepaling bij overmacht uitsluit en in artikel 1, lid 1, sub c, de berekeningsgrondslag van de toe te passen heffing beperkt tot de niet binnen de gestelde termijn verwerkte produkten.</TXT></NP><NP><NO.P>14</NO.P><TXT>Waar bij het onderzoek van de gestelde vraag niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van de betrokken bepaling kunnen aantasten, dient het Finanzgericht Hamburg te worden geantwoord, dat artikel 1, lid 3, van verordening nr. 572/78 niet ongeldig is voor zover het bepaalt dat de door de importeur gestelde waarborg als heffing wordt verbeurd bij overschrijding van de in die bepaling gestelde termijn voor de verwerking van bevroren rundvlees overeenkomstig zijn bestemming.</TXT></NP><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><P>Kosten</P></TI></TITLE><NP><NO.P>15</NO.P><TXT>De kosten door de Commissie wegens indiening harer opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen.</TXT></NP><NP><NO.P>16</NO.P><TXT>Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.</TXT></NP></GR.SEQ></GR.SEQ></GR.SEQ><JURISDICTION><INTRO><P>HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),</P><P>uitspraak doende op de door het Finanzgericht Hamburg bij beschikking van <DATE ISO="19810507">7 mei 1981</DATE> gestelde vragen, verklaart voor recht:</P></INTRO><P>Artikel 1, lid 3, van verordening nr. 572/78 is niet ongeldig voor zover het bepaalt dat de door de importeur gestelde waarborg als heffing<?PAGE NO="1399"?> wordt verbeurd bij overschrijding van de in die bepaling gestelde termijn voor de verwerking van bevroren rundvlees overeenkomstig zijn bestemming.</P></JURISDICTION></CONTENTS.JUDGMENT><SIGNATURE.CASE><P>Touffait</P><P>Mackenzie Stuart</P><P>Everling</P><P>Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op <DATE ISO="19820429">29 april 1982</DATE>.</P><SIGNATORY><P>De griffier</P><P>voor deze</P><P>H. A. Rühl</P></SIGNATORY><SIGNATORY><P>hoofdadministrateur</P><P>De president van de Derde kamer</P><P>A. Touffait</P></SIGNATORY></SIGNATURE.CASE></JUDGMENT>