14.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 339/14


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het „Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het Europees programma voor aardobservatie (GMES) en zijn initiële operationele diensten (2011-2013)”

(COM(2009) 223 definitief — 2009/0070 (COD))

(2010/C 339/04)

Rapporteur: de heer Van Iersel

De Raad heeft op 30 juni 2009 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig art. 157, lid 3, van het EG-Verdrag te raadplegen over het

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het Europees programma voor aardobservatie (GMES) en zijn initiële operationele diensten (2011–2013)

COM (2009) 223 final – 2009/0070 (COD).

De afdeling „Interne markt, productie en consumptie”, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 5 januari 2010 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 20 en 21 januari 2010 gehouden 459e zitting (vergadering van 20 januari 2010) onderstaand advies uitgebracht, dat met 184 stemmen vóór en 2 tegen, bij 4 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   Het EESC is ingenomen met de verordening inzake aardobservatie (AO) en de initiële operationele diensten. Het gaat om een strategische stap in de richting van een nieuw kader voor de ontwikkeling van een volwassen Europees ruimtebeleid.

1.2   Volgens het EESC kan het wat dit betreft zeer voordelig zijn om bestaand EU-beleid uit te voeren, nieuw beleid te ontwikkelen, de verlening van slimme, op maat gesneden diensten voor Europa en daarbuiten te intensiveren en de internationale onderhandelingspositie te versterken.

1.3   De samenleving en de burgers zullen er dan des te meer baat bij hebben. Ruimtediensten hebben namelijk invloed op een breed spectrum aan uiterst relevante zaken zoals klimaatverandering, rampen, milieu en volksgezondheid – men denke aan de lucht- en waterkwaliteit (vervuiling) –, landbouw en bosbouw, de uitputting van natuurlijke hulpbronnen, ruimtelijke ordening, openbare veiligheid en defensie.

1.4   Een hoge kwaliteit is onontbeerlijk voor ruimtecomponenten en in-situcomponenten; ook de interactiviteit en synergie hiertussen is van cruciaal belang. Ruimtediensten zullen een significante aanvulling vormen op grond-, lucht- en zeediensten. (1)

1.5   Europese agentschappen en publieke diensten in de lidstaten zijn de voornaamste doelgroepen van ruimtediensten. Ook het bedrijfsleven zal er baat bij hebben. Naarmate de markt zich verder ontwikkelt, zullen er steeds meer handige diensten komen voor de publieke en de private sector. Voor de downstreamsector – en dan met name het MKB – zijn speciale aandacht en financiering nodig.

1.6   Governance is van eminent belang. Doorslaggevende factoren zijn:

—

coördinatie en samenhang; hiertoe dient de „ruimte” als een geïntegreerd EU-thema erkend te worden en is de volle inzet van alle bij ruimtebeleid en -activiteiten betrokken DG's van de Commissie en Europese agentschappen vereist;

—

coördinatie tussen de Commissie en allerlei publieke partijen in de lidstaten;

—

praktische kennis binnen de Commissie over welke maatregelen voor de downstreamsector nodig zijn;

—

goede randvoorwaarden om particuliere investeringen te stimuleren.

1.7   Een efficiënte verbinding tussen ruimte-infrastructuur en grondfaciliteiten zal volledige, betrouwbare en continu beschikbare gegevens opleveren. Onbeperkte, open toegang tot gegevens is essentieel om marktverstoringen te voorkomen en de downstreamsector te stimuleren. Welbepaalde gegevens voor de lidstaten en de EU van vertrouwelijke aard moeten worden beschermd.

1.8   Het EESC neemt kennis van de 150 miljoen euro die wordt uitgetrokken om bij wijze van eerste stap de ontwikkeling van toepassingen te bevorderen. Alvorens een algeheel positief oordeel uit te spreken dient eerst nog een aantal kwesties te worden geregeld. Gezien een mogelijk tekort aan financiële middelen, de lancering van B-Sentinel-satellieten naast de A-Sentinels en de verdeling van het EU-budget over de verschillende partijen, zijn verdere onderhandelingen en verduidelijkingen nodig om ervoor te zorgen dat de beleidsdoelstellingen met behulp van het systeem op succesvolle wijze worden verwezenlijkt.

1.9   De toekomstige ruimtediensten hebben betrekking op een breed spectrum aan gebieden die van rechtstreeks belang zijn voor de samenleving en de burger. Daarom zou de EU er zeer goed aan doen om het publiek met een voorlichtingscampagne te doordringen van de voordelen die het van AO mag verwachten. Speciale aandacht dient daarbij uit te gaan naar de opleiding van technisch deskundigen op dit terrein.

1.10   In de Lissabonstrategie na 2010 zou AO een plaats moeten krijgen.

2.   Europees ruimtebeleid in ontwikkeling

2.1   De belangstelling voor de ruimte is vooral om strategische redenen van politieke en economische aard toegenomen. Met het oog op de klimaatverandering, milieu- en ruimtedoelstellingen, de veiligheid van de burger en een aanvullende defensie-infrastructuur is een intensivering van operationele diensten in de ruimte zeer wenselijk.

2.2   Een autonoom Europees ruimtebeleid en autonome diensten zijn nodig gezien de toenemende wereldwijde ruimteactiviteiten door een groeiend aantal partners en concurrenten (2).

2.3   Na de groen- en witboeken die de Commissie in de afgelopen tien jaar publiceerde en de kaderovereenkomst die zij in 2003 met de ESA sloot – stuk voor stuk positieve ontwikkelingen – stemde het EESC onvoorwaardelijk in met de beleidsmaatregelen die in documenten van de Gezamenlijke Ruimteraad, de Commissie en de ESA van april en mei 2007 uiteen zijn gezet (3). In oktober 2009 onderstreepte voorzitter Barroso hoe belangrijk de ruimte is voor een breed scala aan EU-beleidsterreinen (4).

2.4   Al lange tijd levert de ESA indrukwekkend werk. Naast het onderzoek dat het verricht, hebben zijn ruimteprogramma's de weg gebaand voor de ontwikkeling – in samenwerking met particuliere bedrijven – van operationele diensten. Het EESC kwam vorig jaar tot de slotsom dat de ESA een succesvol „industriebeleid” heeft gevoerd. In de nieuwe werkverdeling tussen de ESA en de Commissie krijgt deze laatste de volle verantwoordelijkheid voor de operationele fase van projecten.

2.5   Het EESC heeft al eerder de verwachting uitgesproken dat de inbreng van de Commissie in beleidsvorming en financiering tot meer publieke en private activiteit in de ruimtevaartsector zou moeten leiden.

2.6   Volgens de Commissie zelf is de ontwerpverordening over GMES en zijn initiële operationele diensten (2011-2013) een onontbeerlijke stap op weg naar een volwassen Europees ruimtebeleid.

2.7   GMES heeft geleid tot meer belangstelling en intensievere programmeringsactiviteiten van de kant van Europese agentschappen en de publieke en private sector in Europa.

2.8   Vorig jaar achtte het EESC het een uitstekende zaak dat er binnen DG Ondernemingen een GMES-bureau was opgericht om de coördinatie ter hand te nemen en er aldus voor te zorgen dat het mogelijk grote aantal voordelen van GMES goed wordt benut. Een dergelijke coördinatie is zeer wenselijk aangezien een aantal DG's en het zevende kaderprogramma (FP7) bij een en ander zijn betrokken.

2.9   Een strakkere coördinatie op Europees niveau en tussen de Commissie en de lidstaten zal ook bevorderlijk zijn voor een integrale aanpak in de lidstaten, iets waar het nu nog vaak aan schort. Het zou er ook toe kunnen leiden dat men zich meer bewust wordt van de ruimte, die een beter imago zou kunnen krijgen als daarin speciale diensten voor burgers worden geleverd.

3.   De verordening

3.1   Naast GMES-onderzoek en -ontwikkeling, waarbij de Commissie samenwerkt met de ESA en de lidstaten, zal zij zich vooral bezighouden met zaken die door EU-maatregelen een duidelijke meerwaarde krijgen.

3.2   Blijkens de verordening verwacht de Commissie operationele GMES-diensten op een grotere schaal. Aangezien het om een eerste stap in een nieuw kader gaat, zijn alle betrokken partijen, GMES-coördinatoren in de lidstaten, (potentiële) gebruikers en het bedrijfsleven uitgebreid geraadpleegd over de opzet van het programma – inclusief de selectie van prioriteiten – en het beheer ervan.

3.3   De verordening geeft een rechtsgrond voor het GMES-programma. Uit het budget van de Commissie wordt voor initiële operaties in de periode 2011-2013 een bedrag van 107 miljoen vrijgemaakt. Dit bedrag wordt aangevuld met 43 miljoen euro uit het FP7, zodat het totale bedrag uitkomt op 150 miljoen euro in afwachting van een overeenkomst over het budget van de EU voor de periode 2013-2020 (5).

3.4   De GMES-diensten zullen betrekking hebben op vijf gebieden. In de periode 2011-2013 zal de nadruk liggen op rampenbestrijding en landmonitoring (6).

3.5   De initiële operationele diensten zullen door de Commissie worden beheerd in het kader van de algemene GMES-activiteiten van de EU, die ook onderzoekactiviteiten van de EU en activiteiten van GMES-partners omvatten. Dit kader moet worden onderscheiden van de technische implementatie, die voornamelijk moet worden toevertrouwd aan de ESA.

Uit de raadplegingen bleek niet alleen dat de belanghebbende partijen het in grote lijnen eens zijn, maar ook dat er grote behoefte bestaat aan betrouwbare en nauwkeurige gegevens.

3.6.1   Voor een breed scala aan gebruikers, waaronder onderzoekgemeenschappen, nationale en regionale overheden en veiligheidsdiensten, zijn betrouwbare gegevens een grote – en soms ook zeer dringende – noodzaak.

3.6.2   Betrouwbare en continu beschikbare gegevens zijn een absolute voorwaarde voor de verdere ontwikkeling van AO-markten in Europa door de downstreamsector, die groei en nieuwe banen mogelijk zal maken (7).

3.7   Wat subsidiariteit betreft blijkt uit de algehele beoordeling dat het voor de uit hoofde van de verordening te verlenen diensten nodig is om de inbreng van de verschillende lidstaten op Europees niveau samen te voegen. Dat levert schaalvoordelen op en maakt een efficiënte toepassing van de milieuwetgeving van de EU mogelijk (8).

4.   Algemene opmerkingen

4.1   Naast de bestaande onderzoeksprogramma's, diensten en een aantal activiteiten is het EESC ook zeer te spreken over de initiële operationele diensten waarin de verordening voorziet. Zij vormen een strategische stap in de goede richting.

4.2   Met GMES hebben de Commissie en de ESA een programma opgestart voor het civiele operationele gebruik van satellietgegevens dat, los van zijn meteorologische toepassingen, door zijn omvang uniek is in de wereld. De gestage ontwikkeling en uitvoering van GMES zal het Europese bedrijfsleven de kans bieden om op het wereldtoneel een hoofdrol te spelen.

4.3   Uit de brede raadpleging van alle belanghebbende partijen en de effectbeoordeling blijkt dat er grote eensgezindheid heerst over de doelstellingen en toekomstige mogelijkheden van het programma. Uit diverse specifieke studies, waar speciaal om was verzocht, komen min of meer dezelfde voordelen naar voren. Ook valt eruit op te maken dat de mogelijkheden voor publieke en private deelnemers zullen toenemen (9).

4.4   De voordelen die een breed scala aan publieke en private partijen en het EESC van nieuwe operationele diensten verwachten, laten zich als volgt samenvatten:

—

in strategisch opzicht is Europese AO een goede afspiegeling van de toenemende Europese en internationale verantwoordelijkheid van de EU en van haar blijvende invloed op Europese en mondiale aangelegenheden;

—

met behulp van op maat gesneden en actuele informatie uit de ruimte kunnen de Commissie, de lidstaten en regio's bestaande programma's accurater uitvoeren;

—

(nieuw) beleid kan nauwkeuriger worden uitgestippeld;

—

door kennis te verfijnen en de inzameling van gegevens te verbreden, zal in de ruimte verkregen informatie een aanzienlijke bijdrage leveren aan niet in de ruimte plaatsvindende operaties (10);

—

nieuwe informatie zal de waarde vergroten van Europese agentschappen als het Europees Milieuagentschap en het Europees Defensieagentschap;

—

er komen enorme kansen voor downstreamactiviteiten in de particuliere sector;

—

nieuwe, door nationale overheden en agentschappen verlangde diensten zullen de burgers milieu- en veiligheidsvoordelen opleveren, door de in kaart gebrachte slimme oplossingen leiden tot besparingen en bovendien een groeifactor vormen;

—

bij internationale onderhandeling over onderwerpen als klimaatverandering en over overeenkomsten die op een betere monitoring zijn gericht zal de EU op meer kennis kunnen terugvallen;

—

specifieke diensten die werken met op maat gesneden informatie zullen ondersteuning bieden voor het EU-beleid voor ontwikkelingslanden.

4.5   De kostenbatenanalyse zal naar verwachting gunstig uitvallen: een relatief bescheiden omzet zal aanzienlijke voordelen opleveren.

4.6   De ESA-programma's hebben een looptijd van drie jaar. De Raad zou langetermijnverplichtingen voor de EU moeten vaststellen voor de periode na 2013. De continuïteit van de operationele programma's is immers cruciaal. De langetermijnplanning is doorslaggevend voor de voordelen van aardobservatie voor publieke doeleinden en diensten Het is ook een voorwaarde om de downstreamsector aan te zetten om diensten te ontwikkelen.

4.7   In dit verband is het essentieel dat continuïteit, betrouwbaarheid en volledige en open toegang tot data voor alle betrokkenen gegarandeerd is.

4.8   Een breed draagvlak in heel Europa is onontbeerlijk voor de haalbaarheid van het ruimtebeleid. Er is dringend behoefte aan een EU-communicatiestrategie die de steun van het publiek wekt en duidelijk de voordelen van ruimtegerelateerde diensten voor de samenleving en de burgers belicht.

4.9   In deze context benadrukt het EESC dat scholing en opleiding van technische deskundigen op dit gebied extra aandacht moet krijgen.

5.   Governance

Daar de aanvankelijke operaties bepalend zijn voor de uitbreiding van de diensten in een later stadium, moeten goed management en bestuur van meet af aan gewaarborgd zijn. Bestuur betreft met name de hierna uiteengezette aspecten.

5.1.1   Om begrijpelijke redenen was „Ruimtevaart” een enigszins ondergesneeuwd terrein in de EU, dat nu echter volledige erkenning verdient als beleidsgebied van de Gemeenschap. Het zal naadloos passen in de Lissabonstrategie na 2010 (11).

5.2   Alle DG's van de Commissie die bij Ruimtebeleid betrokken zijn, zouden zij hun activiteiten op elkaar af moeten stemmen om overlappingen te voorkomen. Als meer dan één DG te maken heeft met AO, zouden ze hun acties moeten bundelen.

5.3   Europese agentschappen en DG's, te weten Onderzoek, Milieu, Landbouw, Justitie en Binnenlandse Zaken, Gezondheid en Consumentenbescherming, Ontwikkeling, Handel en Buitenlandse betrekkingen, moeten bij de zaak betrokken worden om de volgende redenen:

—

zij dienen nauwkeurige informatie te leveren voor de opzet van ondersteunende diensten voor satellieten;

—

zij kunnen de vruchten plukken van de verleende diensten.

5.4   Gestroomlijnde benaderingen binnen en door de Commissie zullen ook leiden tot samenhang en interoperabiliteit tussen AO en andere ruimtegerelateerde programma's, zoals telecommunicatie en vervoer.

5.5   Doeltreffende coördinatie is vereist, gezien het grote aantal nationale operatoren die eveneens bij informatieverzameling betrokken zijn.

5.6   Satellieten, automatische meetstations en internet bieden steeds meer mogelijkheden om milieu-ontwikkelingen in real time te volgen. GMES kan in de vorm van „Bijna real time informatie voor besluitvorming” bijdragen tot de meting van de kwaliteit van het milieu in het kader van „Het BBP en verder” (12).

5.7   Om botsingen te voorkomen moet gezien het groeiend aantal satellieten de in de ruimte aanwezige apparatuur goed worden gevolgd. Vervuiling en afval in de ruimte is hoogst onwenselijk.

6.   Specifieke opmerkingen

6.1   Aardobservatie is nog een betrekkelijke kleine markt, in vergelijking met de markten voor ruimtevaart als geheel. In 2005 beliepen de totale inkomsten 1,3 miljard euro, inclusief 0,4 miljard euro in Europa, waarvan de helft voor meteorologische toepassingen.

6.2   De upstreamsector voor AO is voornamelijk in handen van de overheid en afhankelijk van overheidsfinanciering. Ook in het kader van PPP ontwikkelde commerciële observatiesatellieten zijn nog steeds afhankelijk van overheidsfinanciering.

6.3   Data zijn doorslaggevend

6.3.1   Het EESC benadrukt de behoefte aan volledige en open toegang tot data als voorwaarde voor gelijke kansen tussen de overheid en het bedrijfsleven, en als aanzet tot ontwikkeling van de privésector, die nog in de kinderschoenen staat.

6.3.2   De ontwikkeling van een levensvatbare downstreamsector staat of valt met een permanente aanvoer van gegevens. Onzekerheid in dit opzicht zou een enorm nadeel voor de markt zijn: alsof de vereiste infrastructuur niet aan de verwachtingen zou voldoen.

6.3.3   De reacties van het bedrijfsleven op de eerste reeks van operationele satellieten voor GMES (A Sentinels) zijn uitgesproken positief (13). De huidige keten voor het downloaden van ruimtegegevens verdient echter bijzondere aandacht om zeker te zijn van optimale voorwaarden.

6.3.4   Net zo belangrijk voor de haalbaarheid zijn de voorgenomen B Sentinels, ter vervanging van de A Sentinels, en voor de permanente dienstverlening, indien er satellieten uitvallen. De financiering van de B-Sentinels is nog onzeker. Dit moet nog worden veiliggesteld.

6.3.5   Voor de continuïteit van de dienst of de ontwikkeling van nieuwe diensten moet de toekomstige belasting voor het gebruik van de data na overleg zo snel mogelijk voor de downstreamsector worden toegelicht.

6.4   Financiële voorwaarden

6.4.1   De financiële middelen voor de aanvankelijke operaties voor 2011-2013 belopen 150 miljoen euro, d.w.z. 43 miljoen euro onder KP7 en 107 miljoen euro uit de Commissiebegroting. Het EESC dringt aan op opheldering over enkele onbesliste kwesties.

6.4.2   Stakeholders dienen te weten of het bedrag van 107 miljoen euro wordt toegekend als subsidie of krediet. De regels voor deelname verdienen verduidelijking. Komen de aangesloten landen als potentiële begunstigden in aanmerking voor subsidies of contracten?

6.4.3   Gezien de verwachte resultaten lijkt 150 miljoen euro nauwelijks toereikend. Ten eerste is het oordeel vrijwel algemeen, bv. bij ESA en EADS, dat de toekenning van een extra 30 miljoen euro binnen KP7 noodzakelijk is voor in-situ-installaties om aan de vereisten te voldoen. Ten tweede is onduidelijk hoe 2013 gefinancierd wordt, zelfs als de financiële middelen op de EU-begroting voor 2013-2020 worden veiliggesteld.

6.4.4   Ten derde is er bezorgdheid over de geplande lancering van de B-Sentinels omdat de financiering nog niet begroot is, en dus nog steeds hangende is (14).

6.4.5   Een andere kwestie is de financiering van aanverwante mariene, atmosfeer- en veiligheidsdiensten, waar tegelijk met de financiering van land- en nooddiensten, een besluit over had moeten vallen. Het EESC zou graag weten hoe het met de financiering van deze diensten staat en wat het aandeel is van KP7, KP8 en de DG's van de Commissie, net name DG Milieu. Opheldering hierover is van groot belang voor de downstreamsector.

6.4.6   De vereiste aanvullende uitgaven hoeven niet noodzakelijk uitsluitend ten laste te komen van de EU-begroting. Er valt ook te denken aan andere bronnen, zoals de ESA of nationale bijdragen.

6.5   De downstreamsector

6.5.1   De AO-downstreamsector, momenteel in ontwikkeling, is een kleine, versnipperde sector van circa 150 ondernemingen waar in 2006 ongeveer 3 000 mensen werkten. In 2006 bedroegen de totale inkomsten in Europa 250 à 300 miljoen euro. De inkomsten uit de publieke sector belopen circa 150 miljoen euro. De cliënten zijn meestal overheden en agentschappen. De winsten schommelen nogal. De bedrijfstak is in de VS twee à drie keer zo groot als in Europa. Het groeitempo ligt daar ook hoger (15).

6.5.2   De gewenste bundeling van downstreamactiviteiten is al gaande.

6.5.3   De langdurige betrekkingen tussen de ESA en het bedrijfsleven, hoewel op de beperkte schaal van uitgevoerde operaties, heeft ertoe geleid dat de expertise bij de ESA bepaalde diensten heeft mogelijk gemaakt. Dit was de aanzet tot een succesvol industriebeleid.

6.5.4   Aangezien de verantwoordelijkheid voor toepassingen zal verschuiven van de ESA naar de Commissie, dringt het EESC erop aan om zulke technische expertise uit het bedrijfsleven voor de Commissiediensten te behouden.

De grote lijnen van het komende programma zijn duidelijk: de nadruk ligt op inbreng van het MKB, dat met zijn creativiteit volgens het EESC van cruciaal belang is. In dit verband wil het EESC de aandacht vestigen op twee zaken:

6.5.5.1   Projectbegrotingen van 25 miljoen euro vereisen de betrokkenheid van grote ondernemingen. De ESA heeft proactief naar deelname van het MKB gezocht. De Commissie zou ook zo te werk moeten gaan.

6.5.5.2   Het MKB moet op voet van gelijkheid worden uitgenodigd om hoofdaannemer te worden in kleine projecten.

6.5.6   Voor aanbestedingsprojecten voor het beschikbare bedrag van 150 miljoen euro voor 2011-2013 moet de Commissie nagaan of overheidspartijen eventueel concurrentieverstorend werken, hetgeen zou kunnen verergeren door de evaluaties van adviseurs. Momenteel is het vaak onduidelijk welke rol de publieke sector speelt als belangrijkste cliënt voor de diensten.

6.5.7   Aangezien GMES streeft naar de totstandkoming van een innovatieve dienstverlenende industrie voor geo-informatie moet het programma alle industriële spelers bereiken. De tendens is om hoofdzakelijk bedrijven te betrekken die al met ruimtevaart te maken hebben. Wil GMES een duurzame toekomst hebben, dan dienen volgens het EESC echter deelnemers uit de gehele dienstverlenende geo-informatie-industrie te worden uitgenodigd, die al dan niet met ruimtevaart te maken hebben.

6.5.8   Het EESC staat achter financiële steun voor projecten van particuliere ondernemingen ter compensatie van marktfalen in deze strategische en veelbelovende sector.

6.5.9   Momenteel zijn de ruimtevaartactiviteiten in één deel van de EU geconcentreerd. Gezien de huidige mogelijkheden kan en moet verdere ontwikkeling van de downstreamsector in de nieuwe lidstaten worden bevorderd.

6.5.10   Het dalende aantal specialisten op dit gebied is volgens het EESC aanleiding tot bezorgdheid. Deze trend moet worden omgebogen. Meer onderwijs en opleidingsprogramma's voor toekomstige publieke cliënten en in de hoogwaardige downstreamsector zijn geboden om de industrie ten volle van de mogelijkheden te laten profiteren.

6.6   Veiligheid

6.6.1   Overwegende dat de ESA „ruimtevaart” apart behandelde vanwege de „nationale veiligheid”, betekende de overeenkomst tussen de Commissie en de ESA uit 2004 en de resolutie van de Raad van mei 2007 een aardverschuiving. Het EESC is ingenomen met de aandacht voor het gebruik van GMES-data en –informatie voor de veiligheid van de burger en met een databeleid dat garandeert dat de Commissie, Europese agentschappen en de lidstaten mogelijk gevoelige gegevens omzichtig gebruiken.

6.6.2   Het EESC is ook tevreden over de verbeterde coördinatie tussen GMES en het Europees Defensieagentschap, die zorgt voor contacten tussen GMES-databeleid en –toepassingen enerzijds en de op stapel staande Europese planning van de veiligheidscapaciteiten en aanverwante toekomstige vereisten anderzijds.

6.6.3   Het EESC staat volledig achter de geplande „tweeledige” (ofwel civiel-militaire) benadering, waarbij gebruik voor wetenschappelijke en veiligheidsdoeleinden gecombineerd wordt als een strategische routekaart voor GMES. Zo'n benadering is uiterst relevant voor de aanpak van onmiddellijke problemen en kwesties op middellange en lange termijn, door de verbetering van Europa's capaciteit op gebieden als maritieme, land- en grensbewaking, inclusief monitoring (16) van de organisatie van illegale migratie, bestrijding van (drugs)smokkel, bescherming van cruciale infrastructuur, alsook de bestrijding van wapenverspreiding.

Brussel, 20 januari 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI


(1)  Dankzij ruimtediensten zal men bijvoorbeeld eerder toegang hebben tot relevante informatie en dus meer tijd voor het nemen van besluiten en het uitwerken van tegenmaatregelen. Bovendien maken zij het gemakkelijker om gebeurtenissen en plotselinge onregelmatigheden uit mondiaal en regionaal oogpunt te interpreteren.

(2)  In dit verband zij gewezen op het Global Earth Observation System of Systems (GEOSS). Via GMES wil Europa een rol van betekenis spelen in dit systeem.

(3)  PB C 162 van 25 juni 2008, blz. 24.

(4)  Toespraak van de voorzitter aan het begin van de conferentie „The ambitions of Europe in Space, new opportunities for European enterprises and civil society”, Brussel, 15-16 oktober 2009.

(5)  Deze bedragen komen bovenop de 1,4 miljard euro die in het FP7 bestemd is voor ruimteprojecten.

(6)  Zie artikel 3 van de verordening.

(7)  Zie artikel 8 van de verordening.

(8)  Artikel 4, lid 3, van de verordening.

(9)  Zie onder meer Socio-Economic Benefits Analysis of GMES, PriceWaterhouseCooper, oktober 2006, EU Space Policy and its potential for EU industrial sector competitiveness, studie voor het EP, 2007, en Study on the competitiveness of the GMES downstream sector, Ecorys and others, november 2008.

(10)  Bijvoorbeeld TERRAFIRMA, een informatiedienst met betrekking tot grondbewegingen en de hieraan verbonden risico's, bijvoorbeeld in kuststreken en aardbevingsgebieden; PROMOTE, een dienst voor luchtkwaliteit; MY OCEAN, een dienst om oceaanbewegingen te volgen en te voorspellen; en SAFER, een dienst om bij rampen in actie te komen.

(11)  Zie voetnoot 4.

(12)  Zie de Mededeling van de Commissie „Het BBP en verder: Meting van de vooruitgang in een veranderende wereld”, COM(2009) 433 final.

(13)  Getuige de informatiedag voor het bedrijfsleven over het GMES Sentinel databeleid, Brussel, 11 september 2009.

(14)  B Sentinels worden ontwikkeld door ESA, maar de operationele kosten zou de Commissie voor haar rekening moeten nemen. Volgens de berekeningen van EADS gaat het om een bedrag van 165 miljoen euro.

(15)  Zie de in voetnoot 9 vermelde studies voor een volledige en grondige analyse.

(16)  In nauwe samenwerking met het EU-Agentschap Frontex voor grensbewaking ter plaatse.