|
Publicatieblad |
NL L-serie |
|
2025/261 |
11.2.2025 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2025/261 VAN DE COMMISSIE
van 10 februari 2025
tot instelling van een definitief antidumpingrecht op biodiesel van oorsprong uit de Volksrepubliek China
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) (“de basisverordening”), en met name artikel 9, lid 4,
Overwegende hetgeen volgt:
1. PROCEDURE
1.1. Inleiding
|
(1) |
Op 20 december 2023 heeft de Europese Commissie (“de Commissie”) op grond van artikel 5 van de basisverordening een antidumpingonderzoek geopend met betrekking tot de invoer van biodiesel van oorsprong uit de Volksrepubliek China (“het betrokken land”, “de VRC” of “China”). Zij heeft daartoe een bericht van inleiding gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (2) (“het bericht van inleiding”). |
|
(2) |
De Commissie heeft het onderzoek geopend naar aanleiding van een klacht die op 7 november 2023 was ingediend door de European Biodiesel Board (Europese biodieselraad) (“de klager” of “de EBB”). De klacht werd ingediend namens de bedrijfstak van de Unie voor biodiesel in de zin van artikel 5, lid 4, van de basisverordening. Het bij de klacht gevoegde bewijsmateriaal over dumping en aanmerkelijke schade als gevolg daarvan werd voldoende geacht om een onderzoek te openen. |
|
(3) |
Op de invoer van biodiesel zijn momenteel antidumpingmaatregelen van toepassing wanneer deze van oorsprong is uit de Verenigde Staten van Amerika (“de VS”) (3) en zijn compenserende maatregelen van toepassing wanneer deze van oorsprong is uit Argentinië (4), Indonesië (5) of de VS (6). |
1.2. Voorlopige maatregelen
|
(4) |
Overeenkomstig artikel 19 bis van de basisverordening heeft de Commissie de belanghebbenden op 19 juli 2024 een overzicht van de voorgestelde rechten verstrekt, alsook nadere gegevens over de berekening van de dumpingmarges en de passende marges om de schade aan de bedrijfstak van de Unie weg te nemen. De belanghebbenden werd verzocht binnen drie werkdagen hun opmerkingen over de juistheid van de berekeningen kenbaar te maken. Alle in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs hebben opmerkingen ingediend over de berekening van de dumpingmarge. Deze opmerkingen hadden echter betrekking op de door de Commissie gehanteerde methode, en niet op administratieve fouten. De Commissie heeft de partijen derhalve laten weten dat hun opmerkingen in het definitieve stadium van het onderzoek aan de orde zouden worden gesteld. Eén producent-exporteur heeft op een fout gewezen betreffende de voor kosten na invoer gebruikte formule. De Commissie heeft verduidelijkt dat dit geen fout in de formule betrof, maar in de titel van een toelichting. |
|
(5) |
Op 16 augustus 2024 heeft de Europese Commissie op grond van Uitvoeringsverordening (EU) 2024/2163 (7) (“de voorlopige verordening”) een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op biodiesel van oorsprong uit de Volksrepubliek China. |
1.3. Vervolg van de procedure
|
(6) |
Na de mededeling van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan een voorlopig antidumpingrecht was ingesteld (“de mededeling van de voorlopige bevindingen”) hebben de klager, de producent in de Unie Neste, de Europese aanbieder van diensten voor de opslag van biobrandstoffen Chane, de Europese inzamelaar van gebruikte bak- en braadolie Quatra N.V., de Chinese Kamer van Koophandel van importeurs en exporteurs van metalen, mineralen en chemische stoffen (China Chamber of Commerce of Metals, Minerals & Chemicals Importers & Exporters, “CCCMC”) (8) en de drie in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs, binnen de in artikel 2, lid 1, van de voorlopige verordening genoemde termijn schriftelijke opmerkingen ingediend waarin zij hun standpunten over de voorlopige bevindingen kenbaar maakten. |
|
(7) |
De belanghebbenden die daartoe een verzoek hadden ingediend, zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Er zijn hoorzittingen (9) gehouden met de klager, de producent in de Unie Neste, de in de steekproef opgenomen Chinese producent-exporteur EcoCeres, de CCCMC, een verbonden importeur (Excellence New Energy B.V.) en de Europese aanbieder van diensten voor de opslag van biobrandstoffen Chane. |
|
(8) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen hebben twee niet in de steekproef opgenomen meewerkende producenten-exporteurs de Commissie in kennis gesteld van kleine fouten in hun in bijlage 1 opgenomen namen. De Commissie is de beweringen nagegaan en heeft de namen van de ondernemingen dienovereenkomstig aangepast. |
|
(9) |
De Commissie is doorgegaan met het verzamelen en controleren van alle informatie die zij voor haar definitieve bevindingen nodig achtte. Bij het vaststellen van de definitieve bevindingen heeft de Commissie de opmerkingen van de belanghebbenden in overweging genomen en waar passend haar voorlopige conclusies herzien. |
|
(10) |
De Commissie heeft alle belanghebbenden ingelicht over de belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan zij voornemens was een definitief antidumpingrecht in te stellen op biodiesel van oorsprong uit de VRC (“mededeling van de definitieve bevindingen”). Alle belanghebbenden konden binnen een bepaalde termijn opmerkingen indienen over de mededeling van de definitieve bevindingen. |
|
(11) |
Geen enkele belanghebbende heeft om een hoorzitting met de diensten van de Commissie of met de raadadviseur-auditeur verzocht. |
|
(12) |
De analyse van enkele opmerkingen over de mededeling van de definitieve bevindingen resulteerde in wijzigingen in de dumpingberekeningen en de dumpingmarges. Op 16 december 2024 heeft de Commissie alle belanghebbenden met een aanvullende mededeling van feiten en overwegingen in kennis gesteld van de wijzigingen. Alle belanghebbenden konden binnen een bepaalde termijn opmerkingen indienen over de aanvullende mededeling van de definitieve bevindingen. |
1.4. Steekproeven
|
(13) |
Aangezien er geen opmerkingen over de steekproef zijn ontvangen, werden de overwegingen 7 tot en met 24 van de voorlopige verordening bevestigd. |
1.5. Individueel onderzoek
|
(14) |
In overweging 25 van de voorlopige verordening staat dat de Commissie in het definitieve stadium van het onderzoek zou beslissen of zij al dan niet een individuele behandeling toekent naar aanleiding van een door een producent-exporteur aangevraagd individueel onderzoek. |
|
(15) |
Vanwege de complexiteit van het onderzoek, de structuur van de producent-exporteur die om het individuele onderzoek heeft verzocht, alsook de wettelijke termijnen waarbinnen het onderzoek moet worden afgerond, heeft de Commissie besloten dat een individueel onderzoek te belastend zou zijn en een tijdige afsluiting van het onderzoek in de weg zou staan. De Commissie heeft het verzoek van de partij om een individueel onderzoek dan ook verworpen. |
1.6. Onderzoektijdvak en beoordelingsperiode
|
(16) |
Aangezien er geen opmerkingen over het onderzoektijdvak en de beoordelingsperiode zijn ontvangen, werd overweging 29 van de voorlopige verordening bevestigd. |
2. BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT
2.1. SAF (“Sustainable Aviation Fuel”, duurzame luchtvaartbrandstof) (10)
|
(17) |
In overweging 41 van de voorlopige verordening werd gesteld dat de Commissie in het voorlopige stadium had besloten de uitsluiting van SAF van de reikwijdte van het onderhavige onderzoek te aanvaarden. |
|
(18) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen merkten Quatra N.V. en de EBB op dat de uitsluiting van SAF van de reikwijdte van het onderzoek haaks zou staan op bepaalde duurzaamheidsdoelstellingen van de EU. De EBB voegde hieraan toe dat de uitsluiting de toekomstige SAF-capaciteit in de VRC (in 2025 meer dan 200 % van de vraag in de Unie) zou stimuleren en investeringen in de productie van SAF in de Unie zou belemmeren. Volgens de EBB zouden producenten in de VRC hun productiecapaciteit voor hydrobehandelde plantaardige olie (hydrotreated vegetable oil, “HVO”) gemakkelijk voor de productie van SAF kunnen inzetten, aangezien het hier om vergelijkbare productieprocessen gaat. Daarnaast stelde de EBB dat de uitsluiting van SAF marktdeelnemers in staat zou stellen de decarbonisatiedoelstellingen in de vervoerssector te behalen met behulp van SAF uit de VRC, die tweemaal meetelt waar het de EU-doelstellingen betreft, in plaats van met in de Unie vervaardigde HVO/FAME (11), waardoor de bedrijfstak van de Unie nog meer schade zou lijden. In zijn opmerkingen na de mededeling van de definitieve bevindingen verklaarde de EBB vast te houden aan zijn eerdere opmerkingen over de toename van de capaciteit voor SAF in de VRC, de overschakeling van de Chinese industrie van HVO op SAF en minder investeringen in de productie van SAF in de Unie. |
|
(19) |
Neste betwistte de uitsluiting van SAF van de reikwijdte van de maatregelen op grond van de stelling dat SAF als onderling uitwisselbaar en concurrerend met HVO kan worden beschouwd. De onderneming stelde dat zowel HVO als SAF op koolwaterstoffen gebaseerde biodiesel zijn die geen zuurstof bevat, en dat productiefaciliteiten voor HVO eenvoudig kunnen worden ingericht voor de productie van HEFA-SPK (12). Hoogwaardige HVO en SAF zijn allebei vormen van biodiesel en dienen daarmee wezenlijk hetzelfde doel: gebruik in zuivere vorm in de vervoerssector door eindgebruikers van hernieuwbare brandstoffen voor het wegvervoer, of gemengd met fossiele diesel, waarbij het gebruik van (HEFA (13))-SAF in mengsels volgens de normen EN 590 en EN 15940 is toegestaan. Vanuit theoretisch en technisch oogpunt kan HEFA-SAF wat Neste betreft worden gebruikt als brandstof voor het wegvervoer en HVO vervangen als B7- of B30-brandstof, zonder dat zich hierbij technische onverenigbaarheden voordoen. Daarnaast merkte de onderneming op dat producten volgens het WTO-recht niet volledig substitueerbaar hoeven te zijn om als “soortgelijke producten” te worden beschouwd. |
|
(20) |
Neste was van mening dat HVO en HEFA-SAF concurrerend zouden zijn in de zin dat de EU-richtlijnen hernieuwbare energie (“RED”, Renewable Energy Directives (14)) voorzien in een opt-inregeling op basis waarvan de lidstaten HEFA-SAF/gemengd SAF kunnen gebruiken om te voldoen aan hun bijmengverplichtingen voor het wegvervoer. |
|
(21) |
Het bovenstaande, in combinatie met de uitsluiting van SAF van de reikwijdte van de maatregelen, alsook het feit dat Chinese producenten ervoor kunnen kiezen hun productiecapaciteit volledig in te zetten voor de productie van HEFA-SAF, zou er naar verluidt toe kunnen leiden dat HVO in het kader van de opt-inregeling op grote schaal zou worden vervangen door SAF uit de VRC om aan de bijmengverplichtingen te kunnen voldoen, met inbegrip van een daaropvolgende verlaging van de productie van FAME, HVO en HEFA-SAF/gemengd SAF in de Unie. Neste wees met klem op de plannen van de VRC voor grootschalige investeringen op dit gebied, alsook op het feit dat Chinese producenten van HVO die HEFA-SAF produceren hun SAF-productie eenvoudig zouden kunnen opschroeven en hier zelfs volledig op zouden kunnen overstappen, aangezien de twee producten in dezelfde productiefaciliteit zouden worden vervaardigd. |
|
(22) |
In overweging 40 van de voorlopige verordening erkende de Commissie dat de verschillen qua productieproces en fysische, chemische en technische basiseigenschappen van (HEFA-)SAF ten opzichte van HVO beperkt zijn. Op grond van de argumenten van Neste en de EBB kan SAF realistisch gezien echter niet als uitwisselbaar met goedkopere biodiesel voor gebruik in de vervoerssector of als concurrerend met HVO/FAME worden beschouwd. Opgemerkt zij dat Neste zelf heeft erkend dat “de commerciële distributiekanalen op dit moment van elkaar verschillen aangezien het om andere eindgebruikers gaat”, dat “… HEFA-SAF/gemengd SAF momenteel voor gebruik als luchtvaartbrandstof wordt geproduceerd en dat HVO voor gebruik als brandstof voor het wegvervoer wordt geproduceerd”, en dat uit commerciële overwegingen op het moment niet actief wordt ingezet op het gebruik van HEFA-SAF als brandstof voor het wegvervoer. De Commissie bleef derhalve bij haar conclusie dat SAF momenteel een verschillend gebruik heeft, niet als uitwisselbaar of concurrerend met HVO/FAME kan worden beschouwd, en derhalve kan worden uitgesloten van de reikwijdte van het onderhavige onderzoek. |
|
(23) |
In zijn opmerkingen na de mededeling van de definitieve bevindingen betwistte Neste de bovenstaande conclusie van de Commissie. Neste verklaarde ook dat in de citaten van zijn verklaringen in overweging 22 elementen door elkaar waren gehaald die de algemene boodschap van de partij niet weergaven. Wat het vermeende door elkaar halen betreft, herhaalde de Commissie haar standpunt dat de partij zelf erkende dat het gebruik van HEFA-SAF voor brandstof voor het wegvervoer momenteel om commerciële redenen niet actief werd nagestreefd, gezien Neste’s verklaring dat “hoewel het gebruik van HEFA-SAF voor brandstof voor het wegvervoer om commerciële redenen momenteel niet actief wordt nagestreefd, dit niet relevant is voor deze analyse, omdat het vanuit technisch oogpunt mogelijk is.”. De Commissie was van mening dat de aangehaalde verklaring van Neste erop neerkomt dat wordt bevestigd dat SAF momenteel een ander gebruik heeft dan HVO/FAME, hetgeen de algemene conclusie van de Commissie in overweging 22 ondersteunt. De Commissie was van mening dat de uiteenlopende standpunten over de vraag of de technische eigenschappen van HVO en FAME deze stoffen al dan niet geschikt maken voor gebruik in de luchtvaart (15), niet konden leiden tot een wijziging van haar conclusie. |
|
(24) |
In zijn opmerkingen na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalde Neste dat HVO en SAF soortgelijke goederen zijn en onderling verwisselbaar zijn voor de toepassing van de verplichting tot het opleggen van een bijmengverplichting voor het wegvervoer, en herhaalde hij de in de overwegingen 19 tot en met 21 samengevatte opmerkingen, waarbij hij opmerkte dat de productie van SAF in de Unie moet worden beschermd. Neste voegde daaraan toe dat het in overweging 20 bedoelde opt-inmechanisme het eindgebruik van HVO/FAME en SAF de facto gelijk maakte, aangezien alleen partijen die ten aanzien van het wegvervoer gebonden zijn, aanspraak kunnen maken op emissiereducties in het kader van de verplichtingen uit hoofde van de bijmengverplichting voor het wegvervoer voor het gebruik van SAF. Neste verklaarde dat een luchtvaartmaatschappij bij het gebruik van SAF een certificaat voor emissiereductie kon aanvragen en “tickets” kon verkrijgen, die zij vervolgens zou kunnen verkopen aan partijen die ten aanzien van het wegvervoer gebonden zijn. Die partijen zouden deze tickets vervolgens kunnen gebruiken om aan te tonen dat zij hun verplichtingen uit hoofde van hun bijmengverplichting voor het wegvervoer zijn nagekomen. De Commissie was het er niet mee eens dat deze praktijk HVO en SAF onderling verwisselbaar maakt, aangezien fysieke SAF momenteel niet als brandstof voor het wegvervoer wordt gebruikt en dus niet als uitwisselbaar of in concurrentie met HVO/FAME kan worden beschouwd. SAF wordt los van HVO/FAME op de markt gebracht en is gericht op verschillende eindgebruikers, hetgeen hun verschil in toepassingen versterkt. |
|
(25) |
In zijn opmerkingen na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde Neste aan dat HVO en SAF soortgelijke goederen zijn omdat beide onder dezelfde GN-code kunnen worden aangegeven, namelijk onder de nieuwe GN-code 2710 19 42 voor hernieuwbare brandstoffen. De Commissie wees de opmerkingen van Neste af, aangezien de indeling in GN-codes het verschillend gebruik van SAF niet wijzigt. |
2.2. Verzoek tot uitsluiting van HVO
|
(26) |
In het voorlopige stadium had de Commissie de argumenten afgewezen dat HVO van het toepassingsgebied van het onderzoek moest worden uitgesloten. |
|
(27) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen herhaalde EcoCeres dat HVO van het toepassingsgebied van het onderzoek moest worden uitgesloten, en verwees hierbij naar in de voorlopige verordening weerlegde argumenten. |
|
(28) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen herhaalde de CCCMC dat HVO van het toepassingsgebied van het onderzoek moest worden uitgesloten. De partij stelde dat HVO een hoogwaardig dieselsubstituut en (in vergelijking met FAME) een nieuwe technologische ontwikkeling vormt, en herhaalde vervolgens haar opmerking in overweging 48 van de voorlopige verordening dat de fysische en chemische eigenschappen van HVO dichter bij conventionele diesel liggen dan die van FAME, alsook de opmerking in overweging 53 van de voorlopige verordening dat alleen HVO in zuivere vorm in motoren kan worden gebruikt. De CCCMC voegde hieraan toe dat FAME alleen theoretisch gezien als dieselsubstituut kan worden gebruikt, en dat B100 (16) zelden in plaats van diesel wordt gebruikt vanwege de lagere calorische waarde (energie-inhoud) ervan, en omdat B100 doorgaans aanpassingen aan de motor vereist (dit geldt ook voor mengsels met een hoger percentage dan 7 volumeprocent biodiesel (B7) (17)). Volgens de CCCMC zou gebruik van B100 een dusdanige uitzondering zijn dat niet bewezen kan worden dat FAME en HVO onderling uitwisselbaar zijn. Dit gebrek aan uitwisselbaarheid zou voorts worden geschraagd door het feit dat grondstoffen van invloed zijn op het koudfilterpunt (“CFPP”, cold filter plugging point) van FAME, maar niet op het CFPP van HVO. Daarnaast stelde de CCCMC dat FAME niet in ieder seizoen in iedere lidstaat kan worden gebruikt en dat HVO niet (alleen) met raapzaadoliemethylester (RME) (18) moet worden vergeleken, zoals het geval is in de voorlopige verordening, maar ook met andere soorten biobrandstoffen. De CCCMC stelde dat de Commissie geen bewijs had geleverd voor haar bewering dat de markt FAME en HVO als duurzame alternatieve brandstoffen voor dieselmotoren in de vervoerssector beschouwt. De CCCMC herinnerde aan het standpunt van de Commissie in een geschil betreffende palmolie uit Maleisië (DS600 (19)) waarin werd gesteld dat mengers zich bezighouden met de vraag welke biobrandstoffen te mengen, terwijl eindgebruikers zich bezighouden met de vraag welke grondstoffen worden gebruikt voor de productie van biobrandstoffen, alsook met de CFPP-waarde. |
|
(29) |
De Commissie wees bovenstaande argumenten van de CCCMC af. Het feit dat HVO later op de markt is gekomen dan FAME, is niet relevant. De in de overwegingen 48 en 53 van de voorlopige verordening gemaakte opmerkingen zijn in hetzelfde document aan de orde gesteld en weerlegd. De bewering dat FAME vaak in mengsels wordt gebruikt, doet niet af aan het feit dat B100 in de vervoerssector als reëel alternatief wordt beschouwd dat compatibel is met de meeste Euro VI-motoren (20), zoals ook erkend door deskundigen in de vervoerssector zelf. In tegenstelling tot wat de CCCMC beweerde, zijn aanpassingen aan de motor van voertuigen die compatibel zijn met mengsels met een hoger percentage dan 7 volumeprocent biodiesel (B7) niet altijd noodzakelijk, zoals blijkt uit de lange lijst van voertuigen die in Frankrijk op B10 (21) rijden. FAME is uitwisselbaar met HVO, aangezien FAME in alle seizoenen in zuivere vorm en in mengsels kan worden gebruikt zodra het CFPP is aangepast door middel van additieven en/of andere componenten, indien en voor zover noodzakelijk. Zelfs als de Commissie het eens zou zijn met de stelling dat mengers de eigenschappen van de betreffende biodiesel van belang vinden, doet dit niet af aan de uitwisselbaarheid van FAME en HVO. Mengers moeten erop toezien dat het eindproduct aan de pomp aan bepaalde normen en andere vereisten voldoet, maar moeten FAME en HVO, ongeacht de oorsprong, als generieke producten aanmerken (qua fysische eigenschappen/specificaties) (22). De Commissie merkte op dat in het panelverslag betreffende geschil DS600 staat vermeld dat PME (23), RME en SBME (d.w.z. FAME vervaardigd uit respectievelijk palmolie, raapzaadolie en sojaolie), en HVO vervaardigd uit palmolie, raapzaadolie en sojaolie, over vergelijkbare of dezelfde eigenschappen beschikken voor vergelijkbaar of hetzelfde eindgebruik, en door de betrokken afnemers als uitermate substitueerbaar worden beschouwd (24). De Commissie was het niet eens met de bewering dat eindgebruikers de gebruikte grondstoffen en CFPP-waarde van belang vinden, in de zin dat dergelijke informatie over het algemeen niet voorhanden is in tankstations. |
2.3. Conclusie
|
(30) |
Aangezien er geen verdere opmerkingen werden ontvangen, werden de conclusies in de overwegingen 30 tot en met 57 van de voorlopige verordening bevestigd. |
3. DUMPING
3.1. Toepassing van artikel 18 van de basisverordening
|
(31) |
Op 14 augustus 2024 heeft de Commissie Jiaao in kennis gesteld van haar voornemen om de beschikbare gegevens te gebruiken overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening. |
|
(32) |
In haar brief betreffende de toepassing van artikel 18 van de basisverordening herinnerde de Commissie eraan dat zij haar controleverslagen had gedeeld met Jiaao, onder meer met een beschrijving van de problemen die aan het licht waren gekomen tijdens de controles ter plaatse. De groep gaf niet aan het niet eens te zijn met de in de controleverslagen beschreven controles ter plaatse. |
|
(33) |
De Commissie wees bovendien op het feit dat Jiaao, naast het eerste antwoord op de vragenlijst en het antwoord op het verzoek tot aanlevering van ontbrekende gegevens, net voor of gedurende de controle ter plaatse een groot aantal aanpassingen ten aanzien van de verschillende tabellen in de vragenlijst had ingediend. |
|
(34) |
Belangrijker nog is dat de Commissie de door haar opgemerkte inconsistenties heeft geïnventariseerd met betrekking tot de in de boekhouding opgenomen grondstoffen en de documenten in verband met de aankoop van die grondstoffen, alsook de inconsistenties in het antwoord op de vragenlijst, met name in de tabellen die betrekking hebben op de aankoop van grondstoffen, op de productiekosten en op de verkoop van het eindproduct. |
|
(35) |
De laattijdige indiening van herziene informatie en de inconsistente grondstoffenboekhouding hebben het onderzoek aanzienlijk belemmerd. Doordat herziene informatie in een laat stadium van het onderzoek werd ingediend, was de Commissie niet in staat de ingediende gegevens goed te onderzoeken, onder meer in de vorm van een analyse van de interne samenhang van de verstrekte gegevens in verschillende onderdelen van de antwoorden op de vragenlijst. Doordat Jiaao niet de daadwerkelijk gebruikte grondstoffen voor de productie van diesel had gerapporteerd, maar in plaats daarvan grotendeels grondstoffen die halffabricaten van die productie leken te zijn, was de Commissie niet in staat na te gaan of de codes voor de productsoorten op een juiste en samenhangende wijze waren ingevoerd in de tabellen die zijn gebruikt voor de berekening van de normale waarde, noch in de verkooptabellen. Daarnaast was het niet mogelijk om te verifiëren of het verbruik van grondstoffen per productsoort op een juiste en samenhangende wijze was weergegeven. Tot slot werd de toepassing van niet-verstoorde kosten almaar lastiger omdat de kosten van de door Jiaao gerapporteerde basisproducten bestonden uit de kosten van de grondstoffen en de kosten die samengaan met de gedeeltelijke bewerking tot een halffabricaat. |
|
(36) |
Tot slot werd vastgesteld dat een van de ondernemingen van de groep misleidende informatie had verstrekt over de verschillende productsoorten die de onderneming vervaardigt. Bepaalde producten werden in eerste instantie vermeld als onderzochte producten. Tijdens de controle ter plaatse voerde de onderneming echter aan dat een aantal producten niet als biodiesel konden worden beschouwd. Pas op dat moment kreeg de Commissie een volledig beeld van de activiteiten van de onderneming. |
|
(37) |
De onderneming kreeg de gelegenheid om te reageren op het voornemen van de Commissie om artikel 18 van de basisverordening toe te passen. |
|
(38) |
In zijn opmerkingen naar aanleiding van de brief op grond van artikel 18 bevestigde Jiaao dat het controleverslag een getrouw beeld gaf van het controleproces. De onderneming stelde echter dat zij de redenen voor de inconsistenties in de grondstoffenboekhouding toereikend had toegelicht tijdens de controles ter plaatse, en dat het caseteam deze had geaccepteerd. Jiaao stelde met klem dat de tekortkomingen niet van dien aard waren dat zij de berekening van redelijk betrouwbare dumping- en schademarges onnodig zouden bemoeilijken. |
|
(39) |
De groep herinnerde daarnaast aan het feit dat de aanpassingen die net voor aanvang van de controles ter plaatse werden ingediend, voldeden aan de voorschriften betreffende de aankondiging van controlebezoeken. Jiaao voerde bovendien aan dat de aanvullende aanpassingen naar het oordeel van de Commissie de daadwerkelijke situatie van de ondernemingen weergaven, en dat deze op haar verzoek waren ingediend. |
|
(40) |
Het is dan ook niet redelijk dat de Commissie van oordeel zou zijn dat de informatie die net voor of gedurende de controle ter plaatse is herzien, het onderzoek aanzienlijk zou hebben belemmerd. |
|
(41) |
De Commissie was het niet eens met de in overweging 38 beschreven opmerkingen van Jiaao. Jiaao had zijn werkwijze inderdaad toegelicht. Hiermee werden de in overweging 35 beschreven inconsistenties echter niet verholpen. |
|
(42) |
Wat betreft de verstrekking van aangepaste informatie herinnerde de Commissie eraan dat Jiaao net voor aanvang van de controle ter plaatse vijftien aangepaste tabellen had ingediend. Daar komt bij dat de Commissie zelfs na ontvangst van de herziene tabellen om aanvullende aanpassingen moest vragen omdat de ingediende informatie nog altijd onjuist bleek te zijn. Het feit dat de Commissie de aangepaste informatie had verzameld en de door Jiaao verstrekte toelichtingen begreep, hield derhalve niet in dat het caseteam de verstrekte informatie als juist of toereikend had geaccepteerd. Dit deed ook niet af aan het feit dat de gecorrigeerde informatie dusdanig laat in het controleproces werd ingediend dat deze niet meer kon worden gecontroleerd en vergeleken met de bescheiden van Jiaao, noch met de in andere onderdelen van het antwoord op de vragenlijst vermelde gegevens. |
|
(43) |
De schademarge kon voorts inderdaad worden berekend nu de productsoorten die als verkocht aan de Unie waren gemeld, met de verstrekte verkoopdocumenten bleken te stroken. Zij kwamen echter deels niet overeen met de als geproduceerd gemelde productsoorten. De dumpingmarge werd ook voor de groep vastgesteld. Op basis van artikel 18 van de basisverordening corrigeerde de Commissie de niet-verstoorde kosten ter vervanging van de door Jiaao gehanteerde kosten voor individuele grondstoffen, teneinde rekening te kunnen houden met het feit dat er halffabricaten waren gerapporteerd in plaats van de oorspronkelijke grondstoffen, alsook om een onderwaardering van de normale waarde te voorkomen. |
|
(44) |
De Commissie kwam derhalve tot de conclusie dat Jiaao geen aanvullende informatie of toelichtingen had verstrekt die zouden leiden tot een herziening van haar oorspronkelijke conclusies betreffende het gebruik van de overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening beschikbare gegevens. De Commissie bevestigde het gebruik van de beschikbare gegevens wat betreft de door Jiaao gerapporteerde grondstoffen en de vaststelling van passende niet-verstoorde kosten. |
3.2. Procedure voor de vaststelling van de normale waarde op grond van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening
|
(45) |
De Commissie ontving van alle in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs en de klager opmerkingen naar aanleiding van de voorafgaande kennisgeving en de mededeling van de voorlopige bevindingen, die ofwel betrekking hadden op de bronnen en methode voor het vaststellen van de niet-verstoorde kosten en winst, ofwel op bedrijfsspecifieke berekeningen van de dumpingmarge. EcoCeres en de EBB hebben hun opmerkingen in hoorzittingen herhaald. Daarnaast diende de EBB laattijdig informatie in nadat alle uiterste termijnen voor het indienen van opmerkingen op de mededeling van de voorlopige bevindingen reeds waren verstreken. |
|
(46) |
Deze opmerkingen van belanghebbenden, met inbegrip van de laattijdige opmerkingen door de klager, worden in onderstaande punten besproken. Indien bepaalde argumenten bedrijfsspecifieke gegevens betroffen en zich niet leenden voor een niet-vertrouwelijke samenvatting, werden deze argumenten aan de orde gesteld in de bedrijfsspecifieke mededeling van de definitieve bevindingen. |
3.2.1. Aanwezigheid van verstoringen van betekenis
|
(47) |
Aangezien er geen opmerkingen over de aanwezigheid van verstoringen van betekenis in de biodieselsector zijn ontvangen in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), van de basisverordening, bevestigt de Commissie haar bevindingen in dit kader, zoals uiteengezet in punt 3.2.1 van de voorlopige verordening. |
3.2.2. Representatief land en bronnen van de niet-verstoorde kosten en van de winst
3.2.2.1. Representatief land
|
(48) |
In zijn opmerkingen wees de EBB op het feit dat hij de voorkeur had gegeven aan Brazilië als representatief land, aangezien de Braziliaanse markt niet te lijden had onder marktverstoringen. De partij herhaalde op basis van haar kennis van de markt dat de Maleisische marktdynamiek vergelijkbaar is met de Indonesische marktdynamiek, waar sprake is van uitvoerheffingen in de waardeketen voor biodiesel, vaste prijzen voor binnenlandse biodiesel, en toewijzingen op de binnenlandse markt op basis van een vergunningenstelsel (25). De EBB beschuldigde EcoCeres er bovendien van de Commissie van misleidende informatie te hebben voorzien, ondanks het feit dat de onderneming zeer bekend is met de Maleisische markt aangezien deze producent-exporteur over een productiefaciliteit in Maleisië beschikt. |
|
(49) |
De klager voerde aan dat, mocht de Commissie vasthouden aan Maleisië als representatief land, de benchmarks voor gebruikte bak- en braadolie, palmolie-effluent, de verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten (“VAA-kosten”) en de winst moesten worden aangepast. |
|
(50) |
De Commissie erkende dat de klager de voorkeur gaf aan Brazilië als representatief land. Ten eerste was de Commissie in de overwegingen 209 tot en met 214 van de voorlopige verordening reeds ingegaan op het feit dat de markten voor biodiesel wereldwijd door overheidsmaatregelen worden gereguleerd, alsook op specifieke beweringen ten aanzien van Maleisië. De partij had geen bewijsmateriaal verstrekt met betrekking tot de aangevoerde bevoorrechting van binnenlandse producenten op de binnenlandse markt via een vergunningenstelsel. Volgens de informatie die de Commissie ter beschikking stond, leken die vergunningen niet tot doel te hebben de markt onder een beperkt aantal ondernemingen te verdelen. Het betrof hier eerder door de Maleisische autoriteiten verleende vergunningen die ondernemingen het recht geven activiteiten te verrichten met betrekking tot de productie van biodiesel. Dit stelsel lijkt op het in Brazilië door het Agência Nacional do Petróleo, Gás Natural e Biocombustíveis (“ANP”) gehanteerde vergunningenstelsel (26). |
|
(51) |
Ten tweede verstrekte de klager geen bewijsmateriaal dat erop zou duiden dat het gebruik van informatie uit Brazilië zou leiden tot aanzienlijk andere benchmarks voor die elementen van de door berekening vastgestelde normale waarde die de EBB grotendeels in verschillende eerder ingediende opmerkingen aan de orde had gesteld. Zo is het niveau van de VAA-kosten en winst van Braziliaanse biodieselproducenten op basis van de informatie in het dossier vergelijkbaar met dat van Maleisische biodieselproducenten. Op vergelijkbare wijze blijkt uit openbaar beschikbare informatie (27) dat de prijzen van gebruikte bak- en braadolie in Brazilië tijdens het onderzoektijdvak vergelijkbaar waren met de benchmark die de Commissie in het voorlopige stadium had toegepast. |
|
(52) |
De Commissie stelde vast dat er geen gronden waren om Maleisië af te wijzen als representatief land. De argumenten van de EBB met betrekking tot individuele benchmarks worden in onderstaande punten besproken. |
3.2.2.2. Productiefactoren
a) Gebruikte bak- en braadolie en palmolie-effluent
|
(53) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen dienden EcoCeres en Zhuoyue opmerkingen in met betrekking tot de vaststelling van de niet-verstoorde kosten van gebruikte bak- en braadolie en palmolie-effluent. De partijen stelden meer in het bijzonder dat de uitsluiting van de invoer van oorsprong uit Indonesië niet gerechtvaardigd was. |
|
(54) |
Zhuoyue voerde in dit kader aan dat louter het bestaan van een uitvoerheffing niet automatisch tot een verstoorde prijs leidt en dat de Commissie geen bewijs van een dergelijke verstoring had geleverd. Ter onderbouwing van dit argument gaf Zhuoyue voorbeelden van invoerprijzen van gebruikte bak- en braadolie en palmolie-effluent van oorsprong uit Indonesië, die vergelijkbaar waren met de invoerprijzen van de twee grondstoffen van oorsprong uit andere landen. De groep herhaalde dit argument in haar opmerkingen na de mededeling van de definitieve bevindingen. |
|
(55) |
EcoCeres wees op vergelijkbare wijze op het feit dat louter het bestaan van een uitvoerheffing onvoldoende is om tot de conclusie te komen dat de Indonesische uitvoerprijs van gebruikte bak- en braadolie en palmolie-effluent verstoord was. Daarnaast verwees de onderneming naar eerdere onderzoeken (28) waarin de uitvoerprijs van ruwe palmolie en ruwe palmpittenolie, die in Indonesië beide aan een uitvoerheffing onderworpen waren, als passende benchmark voor de marktprijs werd beschouwd. |
|
(56) |
De Commissie merkte op dat het bestaan van een uitvoerheffing over het algemeen vooral van invloed is op de binnenlandse prijs van de betreffende goederen, d.w.z. de prijs van gebruikte bak- en braadolie en palmolie-effluent op de binnenlandse Indonesische markt. Na afloop van het onderzoektijdvak van de twee aangehaalde onderzoeken (oktober 2017-september 2018 voor het antisubsidieonderzoek met betrekking tot biodiesel van oorsprong uit Indonesië, en oktober 2020-september 2021 voor het antidumpingonderzoek met betrekking tot vetzuren van oorsprong uit Indonesië), is het wetgevingskader in Indonesië betreffende palmolie en de derivaten ervan echter veranderd. In de periode direct voorafgaand aan en deels overlappend met het onderzoektijdvak van de onderhavige zaak, heeft de Indonesische overheid namelijk een reeks wetswijzigingen ingevoerd (zoals een uitvoerverbod in april en mei 2022 (29) (30), de opschorting van de uitvoerheffing tot oktober 2022 (31) (32), de invoering van een mechanisme voor aanpassing van de hoogte van de uitvoerheffing op basis van de ontwikkeling van de mondiale prijzen van ruwe palmolie in augustus 2022 (33) en een verlaging van de drempel tot mogelijke verhoging van de uitvoerheffing (34)), die in die specifieke periode mogelijk van invloed zijn geweest op de markt voor palmolie en de derivaten ervan, met inbegrip van palmolie-effluent en gebruikte bak- en braadolie (35). Het kon niet worden uitgesloten dat deze veelvuldige wetswijzigingen op zijn minst tot tijdelijke schommelingen en/of verstoringen hebben geleid die van invloed zijn geweest op zowel de binnenlandse als de uitvoerprijzen in Indonesië, als gevolg waarvan deze prijzen in deze perioden en onder deze specifieke omstandigheden niet konden worden gebruikt als benchmark, noch voor de toepassing van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening. |
|
(57) |
Daarnaast zij erop gewezen dat de benchmarks die zijn gebruikt in de twee door EcoCeres aangehaalde onderzoeken en in het onderhavige onderzoek, verschillende economische doeleinden dienen en onder een ander rechtskader vallen, met een andere context en een ander doeleinde. In het antisubsidieonderzoek betreffende de invoer van biodiesel van oorsprong uit Indonesië, ging het om de vaststelling van een benchmark voor het kwantificeren van het voordeel voor de producenten. Het doel van de benchmark was de prijs te bepalen die in Indonesië zou hebben gegolden indien geen sprake was geweest van de gedurende dat onderzoektijdvak (oktober 2017-september 2018) geldende subsidieregelingen. De verschillende soorten procedures (waarbij de procedure in het eerstgenoemde onderzoek betrekking had op subsidies), en het feit dat sprake was van een ander rechtskader met een andere context, alsook een andere periode, ondergraven de door deze partij aangevoerde argumenten. Wat betreft het antidumpingonderzoek met betrekking tot vetzuren van oorsprong uit Indonesië heeft de Commissie onderzocht of de aan een uitvoerheffing onderworpen grondstoffen voldoen aan de in artikel 7, lid 2 bis, van de basisverordening genoemde criteria betreffende hun deel van de productiekosten. Ook in dit geval was sprake van een ander onderzoektijdvak (oktober 2020-september 2021). Daarnaast maakte de Commissie in dat specifieke onderzoek ook gebruik van verschillende andere benchmarks om na te gaan of werd voldaan aan de relevante criteria voor de vaststelling van verstoringen van de grondstoffenmarkt uit hoofde van die andere bepaling in de basisverordening. Het onderhavige onderzoek heeft tot doel de gehanteerde niet-verstoorde prijs van palmolie-effluent en gebruikte bak- en braadolie in een ander land dan Indonesië, nl. in Maleisië als passend representatief land, vast te stellen overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening. De Commissie merkte op dat EcoCeres geen bewijs had aangeleverd waaruit bleek dat de door de Indonesische overheid ingevoerde wetswijzigingen geen gevolgen hebben gehad voor de prijzen in Indonesië, en dat dus niet met zekerheid gesteld kon worden dat deze als passende benchmark konden worden gebruikt overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening. |
|
(58) |
Tot slot is een vergelijking tussen de invoerprijs van palmolie-effluent en gebruikte bak- en braadolie van oorsprong uit Indonesië en die van palmolie-effluent en gebruikte bak- en braadolie van oorsprong uit derde landen, mogelijk niet doorslaggevend, aangezien de prijzen door een groot aantal factoren worden beïnvloed, zoals de afstand tot het land van oorsprong, de hoeveelheid van de individuele leveringen/contracten en de periode waarin de goederen worden geleverd. |
|
(59) |
De Commissie wees de in overwegingen 53 tot en met 55 genoemde argumenten derhalve af en bevestigde de uitsluiting van de producten van oorsprong uit Indonesië wat betreft de vaststelling van de niet-verstoorde kosten van gebruikte bak- en braadolie en palmolie-effluent. |
|
(60) |
Daarnaast herinnerde EcoCeres aan het feit dat het de Commissie had voorzien van door Argus Biofuels verzamelde internationale prijzen van gebruikte bak- en braadolie en palmolie-effluent. De partij herhaalde dat zij deze informatie had overgelegd met het oog op de vrij beperkte ingevoerde hoeveelheden van deze twee belangrijke grondstoffen in de geanalyseerde potentiële representatieve landen (met uitzondering van Maleisië), alsook vanwege het feit dat middels de douanenomenclaturen van de meeste potentiële representatieve landen (met uitzondering van Maleisië) niet kon worden vastgesteld welke goederen vergelijkbaar zijn met de grondstoffen, aangezien de betreffende GS-codes betrekking hadden op een breed scala aan goederen. EcoCeres stelde dat het feit dat het niet mogelijk was de oorsprong vast te stellen van de gebruikte bak- en braadolie en palmolie-effluent waar de door Argus Biofuels verzamelde internationale prijzen betrekking op hadden, niet voldoende reden is om de benchmarks af te wijzen als bron van niet-verstoorde kosten. De partij verwees naar verschillende eerdere onderzoeken (36) waarin de Commissie internationale benchmarks had gehanteerd waarin prijzen van aan havens in de VRC geleverde basisproducten waren opgenomen, of waarbij de Commissie zich er op geen enkele manier van had vergewist dat de internationale benchmark geen basisproducten van oorsprong uit de VRC bevatte. |
|
(61) |
Ten eerste merkte de Commissie op dat de voornaamste reden voor het niet gebruiken van de door Argus Biofuels verzamelde internationale benchmarks, gelegen was in het feit dat deze auteursrechtelijk beschermd waren en de partij geen toestemming had van de houder van het auteursrecht om de gegevens te gebruiken in het kader van het onderzoek. Ten tweede had de Commissie in de onderhavige zaak vastgesteld dat de VRC wereldwijd de grootste leverancier van gebruikte bak- en braadolie is, en Indonesië een van de grootste leveranciers van palmolie-effluent. Het feit dat de prijzen van de grondstoffen in kwestie in die landen van oorsprong verstoord blijken te zijn, kan dan ook niet worden genegeerd bij het selecteren van de meest geschikte bron van niet-verstoorde kosten. Het argument werd derhalve afgewezen. |
|
(62) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen wees de EBB in haar opmerkingen op het feit dat zij het weliswaar eens was met de beslissing van de Commissie om gebruikte bak- en braadolie en palmolie-effluent van oorsprong uit Indonesië uit te sluiten voor de vaststelling van de niet-verstoorde kosten op basis van Maleisische invoergegevens, maar stelde zij nogmaals voor de invoerprijzen voor de VS als bron van niet-verstoorde kosten van gebruikte bak- en braadolie en palmolie-effluent te gebruiken in plaats van de Maleisische invoergegevens. Ter onderbouwing van dit argument voerde de EBB het volgende aan:
|
|
(63) |
De Commissie lichtte toe dat er met betrekking tot hoeveelheden geen precieze drempel bestaat om te bepalen of de invoer van een bepaald basisproduct een onbetrouwbare bron van niet-verstoorde kosten is. Het verbruik van producenten-exporteurs kan inderdaad in aanmerking worden genomen als indicator voor hoeveelheden die buiten beschouwing kunnen worden gelaten als zijnde niet voldoende representatief. In de onderhavige zaak blijkt uit de totale in Maleisië ingevoerde hoeveelheden gebruikte bak- en braadolie en palmolie-effluent dat de markt in Maleisië intensief gebruik maakte van deze twee brandstoffen voor de productie van biodiesel. De absolute hoeveelheden na uitsluiting van de invoer van oorsprong uit Indonesië werden niet als dusdanig laag aangemerkt dat zij verstoorde invoerprijzen per eenheid tot gevolg zouden hebben. Aangezien het aandeel palmolie-effluent dat vanuit Indonesië in Maleisië werd ingevoerd aanzienlijk was, heeft de Commissie een prijsvergelijking verricht teneinde te waarborgen dat dergelijke hoeveelheden niet van invloed waren op de prijzen van de resterende invoer. Uit de prijsvergelijking bleek dat de prijzen van de resterende invoer niet zijn afgestemd op de Indonesische invoerprijzen. Er werd een vergelijkbare vergelijking gemaakt met betrekking tot de invoer van palmolie-effluent, waarbij sprake was van een veel lagere invoer vanuit Indonesië. Uit een prijsvergelijking tussen Indonesische en andere invoer bleek dat de Indonesische invoerprijzen ook geen gevolgen hadden voor de invoerprijzen van andere landen. |
|
(64) |
Het was dan ook niet nodig een alternatieve benchmark vast te stellen. De invoer in de VS zou hoe dan ook geen geschikte bron van internationale prijzen, kosten en benchmarks zijn, met name waar het gebruikte bak- en braadolie betreft. Zo vielen de door EBB verstrekte invoerwaarden en -volumes volledig onder GS-code 1518 00 . Hoewel de partij de invoergegevens onder twee 8-cijferige goederencodes aangaf, stelde de Commissie vast dat GS-code 1518 00 van de douanenomenclatuur van de VS geen andere codes bevatte. De EBB legde derhalve nogmaals de invoer van een breed scala aan dierlijke en plantaardige vetten en oliën voor, met inbegrip van de potentiële invoer van biodiesel, als geschikte bron van niet-verstoorde kosten. De Commissie had reeds (in de eerste en tweede mededeling over de bronnen voor de vaststelling van de normale waarde, zie de overwegingen 223, 224, 227, 228, 233 en 234 van de voorlopige verordening) toegelicht dat een dergelijke aanpak niet aanvaardbaar is, met name waar het een basisproduct betreft dat een groot aandeel van de totale productiekosten van biodiesel vertegenwoordigt, alsook in gevallen waarin in het representatieve land nauwkeurigere geschikte gegevens onmiddellijk beschikbaar zijn. |
|
(65) |
Ten tweede was de noodzaak om onderscheid te maken tussen eetbare en niet-eetbare vetten en oliën reeds aan de orde gesteld in de eerste en tweede mededeling over de bronnen voor de vaststelling van de normale waarde in de overwegingen 223, 224, 227, 228, 233 en 234 van de voorlopige verordening. Zoals terecht door de EBB opgemerkt, is gebruikte bak- en braadolie een afvalproduct. Het zou dan ook niet juist zijn om aan te nemen dat de gemiddelde prijs van alle ingevoerde dierlijke en plantaardige vetten en oliën onder GS-code 1518 00 de niet-verstoorde prijs van gebruikte bak- en braadolie weerspiegelde. De Commissie was van mening dat het beperken van de keuze aan goederencodes tot codes die de invoer van niet-eetbare oliën bestrijken, het mogelijk zou maken een invoerprijs vast te stellen die dichter bij de werkelijke prijs van gebruikte bak- en braadolie ligt. De Commissie kon geen standpunt bepalen betreffende de beweerdelijk verdachte hoeveelheden in- en uitgevoerde gebruikte bak- en braadolie, aangezien niet duidelijk was hoe deze analyse tot stand is gekomen. |
|
(66) |
Tot slot, en zoals ook terecht opgemerkt door EcoCeres in zijn tegenargumenten, komen de verschillen betreffende de hoeveelheden en prijzen van ingevoerde gebruikte bak- en braadolie voort uit het feit de invoergegevens in de eerste mededeling verschillende potentiële representatieve landen bestreken, maar dat de tweede mededeling en voorafgaande kennisgeving beperkt bleven tot Maleisië als geselecteerd representatief land. |
|
(67) |
De Commissie wees de in overweging 62 door de EBB aangevoerde argumenten derhalve af. |
b) Bruin vet
|
(68) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen herhaalde Zhuoyue dat de Commissie goederencode 3823 19 90 niet had moeten gebruiken voor de vaststelling van de niet-verstoorde kosten van bruin vet, levensmiddelenafval en soapstock (38). De groep stelde dat aangezien bovengenoemde goederencode onder meer verwijst naar “andere dan geraffineerde zure oliën”, deze moet worden uitgesloten van de berekening van de benchmark, omdat bruin vet, levensmiddelenafval en soapstock zure oliën zijn die worden verkregen door de zuivering van afval. Tot slot wees Zhuoyue op het feit dat de eenheidswaarde van invoer onder de onderhavige goederencode hoger ligt dan de voor gebruikte bak- en braadolie vastgestelde niet-verstoorde kosten. Volgens de onderneming volgt hieruit dat goederencode 3823 19 90 niet gebruikt mag worden voor bruin vet, levensmiddelenafval en soapstock, aangezien gebruikte bak- en braadolie een grondstof van een hogere kwaliteit is (een lager gehalte aan vrije vetzuren) en derhalve per definitie duurder moet zijn. |
|
(69) |
De Commissie stelde vast dat bruin vet, levensmiddelenafval en soapstock niet per definitie geraffineerde zure oliën zijn. Dit zijn eerder afvalproducten die gezien hun gehalte aan vrije vetzuren het meest overeenkomen met goederen die zijn ingedeeld onder GS-code 3823 19 . Teneinde passende goederencodes te kunnen identificeren voor de vaststelling van de niet-verstoorde kosten van bruin vet, levensmiddelenafval, soapstock en gebruikte bleekaardeolie, heeft de Commissie alle goederen die onder GS-code 3823 19 vallen, waaronder goederen op basis van palmolie, buiten beschouwing gelaten. Goederencode 3823 19 90 is een residuele code die goederen bestrijkt die onder de desbetreffende GS-code vallen, maar die niet zijn ingedeeld onder een bijbehorende 8-cijferige goederencode. Hieronder vallen echter geen producten op basis van palmolie. |
|
(70) |
Daarnaast betwist de Commissie niet dat gebruikte bak- en braadolie, gezien het lagere gehalte aan vrije vetzuren ervan, een grondstof van hogere kwaliteit is dan bruin vet, levensmiddelenafval of soapstock. Zhuoyue heeft desalniettemin voor het vaststellen van de niet-verstoorde kosten van gebruikte bak- en braadolie, de invoerprijs per eenheid onder één specifieke goederencode vergeleken met de gemiddelde invoerprijs onder alle goederencodes. De waarde van de voor gebruikte bak- en braadolie gebruikte benchmark lag echter hoger dan die van de voor bruin vet, levensmiddelenafval en soapstock gebruikte benchmark. De door de Commissie in het voorlopige stadium gebruikte benchmarks stonden derhalve niet haaks op de aanname dat de prijs van gebruikte bak- en braadolie normaal gesproken hoger moet liggen dan de prijs van de andere genoemde grondstoffen. |
|
(71) |
De Commissie wees het door Zhuoyue in overweging 68 aangevoerde argument derhalve af en bevestigde haar bevindingen in overweging 240 van de voorlopige verordening. |
c) Waterstof
|
(72) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen stelde EcoCeres dat de door de Commissie in het voorlopige stadium toegepaste correctie van de niet-verstoorde kosten van waterstof, niet passend was. De correctie leidde tot een verhoging van de waarde van de benchmark. De bron van de kosten voor waterstof in Maleisië had echter betrekking op groene waterstof voor gebruik als brandstof. Iedere correctie van (niet-groene) waterstof voor industrieel gebruik zou de waarde van de benchmark dan ook doen afnemen. De groep stelde een wijziging voor van de door de Commissie in het voorlopige stadium toegepaste methode. |
|
(73) |
De Commissie betwistte niet dat de prijs van voor gebruik als brandstof bestemde waterstof moet worden gecorrigeerd aan de hand van de prijs van waterstof voor industrieel gebruik. In het voorlopige stadium had de Commissie gebruikgemaakt van de door het partnerschap voor schone waterstof verzamelde statistieken. Naar aanleiding van de opmerkingen van EcoCeres heeft de Commissie haar methode voor het vaststellen van de correctie deels aangepast. De methode werd aan de belanghebbenden bekendgemaakt in de herziene mededeling over de methode voor het vaststellen van niet-verstoorde kosten en winst in het kader van de mededeling van de definitieve bevindingen. In het definitieve stadium werd gebruikgemaakt van de herziene niet-verstoorde kosten van waterstof voor de berekening van de dumpingmarge van de groep. |
|
(74) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen sprak EcoCeres zijn instemming uit met het feit dat de Commissie haar methode om de prijs van voor gebruik als brandstof bestemde waterstof aan te passen aan het prijsniveau van industriële waterstof, gedeeltelijk heeft herzien. De onderneming voerde echter ook aan dat de bijstelling naar beneden aanzienlijker zou moeten zijn. Ter ondersteuning van zijn argument verwees EcoCeres naar een enquête van de US Energy Information Administration (“EIA”) (39), waaruit bleek dat de producenten van chemische stoffen waterstof aankochten tegen de laagste prijs van alle onderzochte productiesectoren, aanzienlijk onder de hoogste prijs die door de producenten van elektrische apparatuur, apparaten en onderdelen werd betaald. |
|
(75) |
De Commissie heeft het argument onderzocht en stelde vast dat de bevindingen van de EIA op zijn minst geen uitsluitsel geven ten aanzien van de vaststelling van de niet-verstoorde kosten van (industriële) waterstof. In het door de EIA gepubliceerde artikel wordt op basis van de verzamelde gegevens geen onderscheid gemaakt tussen voor gebruik als brandstof bestemde waterstof en industriële waterstof. Tegelijkertijd hebben de onderliggende gegevens (40) betrekking op de gemiddelde aankoopprijzen van energiebronnen, en hebben zij dus waarschijnlijk betrekking op voor gebruik als brandstof bestemde waterstof. De Commissie wees dit argument derhalve af. |
|
(76) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde de EBB aan dat de Commissie onrealistisch lage niet-verstoorde kosten van waterstof heeft gebruikt, doordat zij de gemiddelde aankoopprijs, afgeleid van de statistieken van het partnerschap voor schone waterstof, niet op basis van een gewogen gemiddelde had berekend. |
|
(77) |
De Commissie was het hier niet mee eens. De statistieken van het partnerschap voor schone waterstof werden niet gepresenteerd als een reeks individuele datapunten, maar als een aantal waarnemingen binnen verschillende prijsintervallen. De Commissie heeft een gewogen gemiddelde boven- en ondergrens van de intervallen berekend en vervolgens een middelpunt vastgesteld als een eenvoudig gemiddelde. De Commissie was van mening dat deze methode het meest geschikt was voor de beschikbare dataset. De Commissie wees dit argument derhalve af. |
d) Elektriciteit, aardgas en stoom
|
(78) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen wees de EBB op het feit dat de door de Commissie gehanteerde prijzen van elektriciteit en aardgas respectievelijk in 2014 en 2021 in Maleisië zijn ingevoerd. De partij herinnerde eraan dat de Commissie in een eerder onderzoek (41), waarin zij gebruik had gemaakt van dezelfde bronnen van niet-verstoorde kosten van elektriciteit en aardgas in Maleisië als representatief land, de prijzen had aangepast aan het inflatiecijfer. |
|
(79) |
De Commissie heeft dit argument onderzocht en vastgesteld dat zij in de onderhavige zaak de inflatiecorrectie inderdaad onopzettelijk achterwege had gelaten. De Commissie heeft de producentenprijsindex gebruikt om de herziene niet-verstoorde kosten van elektriciteit en aardgas te berekenen. Aangezien de niet-verstoorde kosten van stoom waren berekend op basis van de niet-verstoorde kosten van aardgas, werd ook deze benchmark aangepast naar aanleiding van de herziening betreffende aardgas. |
|
(80) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde EcoCeres aan dat de Commissie voor de inflatiecorrectie niet de producentenprijsindex had mogen gebruiken, aangezien deze te algemeen was gezien het feit dat een voor energie specifieke prijsindex beschikbaar was in de door de Commissie gebruikte databank van de Wereldbank (42). Bovendien werd de inflatiecorrectie niet specifiek berekend voor het onderzoektijdvak, dat twee jaren bestreek, aangezien de door de Commissie gebruikte producentenprijsindex betrekking had op volledige kalenderjaren. EcoCeres wees erop dat voor het indexcijfer van de energieprijzen maandelijkse gegevens beschikbaar waren, zodat de correctie specifiek voor het onderzoektijdvak kon worden vastgesteld. |
|
(81) |
De Commissie heeft het argument onderzocht en vastgesteld dat de inflatiedatabank van de Wereldbank inderdaad een energieprijsindex bevatte voor Maleisië en voor de periode die nodig was voor de inflatiecorrectie. De energieprijsindex voor Maleisië was echter gebaseerd op geraamde prijzen. Daarom was deze index in het onderhavige geval niet noodzakelijkerwijs betrouwbaarder of passender als informatiebron voor de inflatie in Maleisië. De Commissie wees dit argument derhalve af. |
|
(82) |
De Commissie heeft echter rekening gehouden met het feit dat de in de mededeling van de definitieve bevindingen uitgevoerde inflatiecorrectie niet specifiek op het onderzoektijdvak was afgestemd, met name omdat de producentenprijsindex ook op kwartaalbasis beschikbaar was. Naar aanleiding van de opmerkingen van EcoCeres over de mededeling van de definitieve bevindingen werden de niet-verstoorde kosten van elektriciteit, aardgas en stoom verder herzien met gebruikmaking van een herziene inflatiecorrectie. EcoCeres en belanghebbenden werden in een aanvullende mededeling van feiten en overwegingen in kennis gesteld van de herziene inflatiecorrectie en werden in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken. |
|
(83) |
Na de aanvullende mededeling van de definitieve bevindingen herhaalde EcoCeres dat de Commissie de energieprijsindex had moeten gebruiken in plaats van de producentenprijsindex. Bovendien had de Commissie bij de berekening van de inflatiecorrectie voor aardgas moeten beginnen bij het vierde kwartaal van 2021 in plaats van het volledige jaar 2021, aangezien de als benchmark gebruikte aardgasprijs in dat kwartaal in Maleisië van toepassing was. |
|
(84) |
De Commissie wees de argumenten af. Ten eerste heeft EcoCeres geen aanvullende rechtvaardiging of motivering gegeven waarom het gebruik van de energieprijsindex de voorkeur zou verdienen boven de producentenprijsindex. Ten tweede concludeerde de Commissie dat het gebruik van de producentenprijsindex voor het volledige jaar 2021 passender was. Het onderzoektijdvak bestreek een volledig jaar, en daarom werd de inflatiecorrectie berekend door de prijsindex voor een periode van vier kwartalen te vergelijken met een voorafgaande periode van dezelfde lengte. |
e) Arbeid
|
(85) |
In zijn opmerkingen naar aanleiding van de voorafgaande kennisgeving had EcoCeres drie argumenten aangevoerd met betrekking tot de niet-verstoorde kosten van arbeid. De groep herhaalde zijn argumenten na de mededeling van de voorlopige bevindingen:
|
|
(86) |
Ten eerste had de Commissie op basis van de tijdens de controles ter plaatse verzamelde informatie vastgesteld dat de meeste productiemedewerkers (bijvoorbeeld in de controlekamers, laboratoria) een vorm van hoger onderwijs hadden gevolgd, die gelijkstaat aan tertiair onderwijs zonder universitaire graad, d.w.z. lager dan een bachelorgraad. Volgens de Maleisische standaardclassificatie van beroepen (43) worden beroepen die onder meer tertiair onderwijs vereisen, die leiden tot de verlening van een graad die niet gelijkstaat aan een hogeronderwijsdiploma (d.w.z. een bachelorgraad), ingedeeld in de groep “technici en vakspecialisten”. De Commissie vond het derhalve passend om de gegevens betreffende technici en vakspecialisten in Maleisië als bron van niet-verstoorde kosten te gebruiken. |
|
(87) |
Ten tweede bevat de website van het ILMIA slechts informatie over de loonindexering tot september 2018. De loonkosten moesten voor de periode 2016-2023 echter worden gecorrigeerd voor inflatie. De Commissie bevestigde derhalve dat het passend was om met het oog op de inflatiecorrectie gebruik te maken van de producentenprijsindex. |
|
(88) |
Tot slot was de Commissie van oordeel dat de vaststelling van de loonkosten per uur in Maleisië nauwkeurig genoeg was, rekening houdend met het feit dat de loonkosten minder dan 1,7 % van de totale productiekosten vertegenwoordigden en dat een herberekening van de benchmark op basis van het voorstel van EcoCeres als beschreven in overweging 85, punt c), een verwaarloosbaar effect op de door berekening vastgestelde normale waarde zou hebben. |
|
(89) |
Met het oog op de in de overwegingen 86 tot en met 88 uiteengezette redenen, wees de Commissie de in overweging 85 uiteengezette argumenten van EcoCeres af en bevestigde zij de bevindingen in overweging 270 van de voorlopige verordening. |
|
(90) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalde EcoCeres dat de bij de dumpingberekening gebruikte niet-verstoorde loonkosten evenredig moeten worden toegepast op basis van het opleidingsniveau en/of het vaardigheidsniveau van het personeel, in overeenstemming met het in overweging 85, punt a), beschreven argument. |
|
(91) |
Bovendien wees EcoCeres erop dat de niet-verstoorde loonkosten in Maleisië die de Commissie in de mededeling van de definitieve bevindingen heeft gebruikt onbetrouwbaar waren, aangezien deze waren gebaseerd a) op verouderde informatie die een inflatiecorrectie vereiste, en b) op een bron die op te algemene wijze informatie over loonkosten verstrekt zonder onderscheid te maken naar industriële sector en economische activiteit. Bovendien werd de inflatiecorrectie niet vastgesteld voor een periode die precies overeenkwam met het onderzoektijdvak. Tot slot voerde de onderneming aan dat het gebruik van twee verschillende bronnen voor enerzijds de loonkosten (het Maleisisch Instituut voor informatie over en analyse van de arbeidsmarkt (“ILMIA”) en anderzijds de gewerkte uren (de Internationale Arbeidsorganisatie (“IAO”)) de betrouwbaarheid van de benchmark verder heeft verminderd. |
|
(92) |
In dit verband merkte EcoCeres op dat de Commissie zich in een eerder onderzoek (44) heeft gebaseerd op gegevens van het Maleisische Instituut voor de statistiek (DOSM, Department of Statistics Malaysia) met betrekking tot lonen en gewerkte uren. De onderneming verstrekte ook een berekening van de niet-verstoorde loonkosten op basis van a) gegevens van het DOSM voor het uurloon en b) informatie uit verschillende openbare bronnen over de extra loonkosten, met name verschillende soorten sociale premies. |
|
(93) |
De Commissie heeft het argument onderzocht. Rekening houdend met het feit dat de gegevens van het DOSM beschikbaar waren voor het onderzoektijdvak en met name voor de industriële sector waartoe de biodieselproductie behoort, en het feit dat ook informatie over extra loonkosten beschikbaar was, was het inderdaad passender om voor de vaststelling van de niet-verstoorde loonkosten gebruik te maken van de door EcoCeres voorgestelde bronnen. Deze door de onderneming verstrekte aanvullende informatie bevatte alle elementen die nodig waren voor de berekening van de niet-verstoorde loonkosten per uur, zoals de lonen, gewerkte uren, sociale premies en andere door de werkgever gedragen loonkosten. Bijgevolg heeft de Commissie de niet-verstoorde loonkosten herzien. |
|
(94) |
Gezien de conclusies van de Commissie over het argument van EcoCeres zoals beschreven in de overwegingen 91 en 92, werd het in overweging 90 beschreven argument van de onderneming zonder voorwerp. De herziene benchmark houdt rekening met de industriële sector, maar niet met het onderwijs- en vaardigheidsniveau van de werknemers. EcoCeres en belanghebbenden werden via een aanvullende mededeling van feiten en overwegingen in kennis gesteld van de herziene benchmark en werden in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken. |
|
(95) |
Na de aanvullende mededeling van de definitieve bevindingen diende EcoCeres opmerkingen in over de herziene berekening van de loonkosten. Een van de elementen die in aanmerking zijn genomen, was de ontslagvergoeding, waarop een werknemer recht heeft wanneer hij twaalf maanden of meer in dienst was en zijn maandsalaris tot 4 000 MYR bedroeg. Afhankelijk van de duur van het dienstverband had de werknemer recht op een ontslagvergoeding van 10, 15 of 20 dagen. Aangezien het berekende maandsalaris iets hoger was dan 4 000 MYR, stelde de partij dat de Commissie een conservatieve benadering moest hanteren en de kosten van een ontslagvergoeding van tien dagen in de benchmarkberekening moest opnemen. |
|
(96) |
De Commissie heeft na de mededeling van de definitieve bevindingen de gebruikte methode bevestigd. De Commissie heeft een evenwichtige aanpak gevolgd en een ontslagvergoeding van 15 dagen in de berekening van de benchmark opgenomen. Het gemiddelde maandloon maakte geen onderscheid tussen verschillende banen (productie, administratie, management) in de chemische industrie. De Commissie was van mening dat een meerderheid van de werknemers zeer waarschijnlijk een loon van minder dan 4 000 MYR ontving en dus bij wet recht zou hebben op een ontslagvergoeding. |
f) Herziene niet-verstoorde kosten van bepaalde productiefactoren
|
(97) |
Naar aanleiding van de opmerkingen die naar aanleiding van de mededeling van de voorlopige bevindingen en die van de definitieve bevindingen zijn ingediend, zoals beschreven en aan de orde gesteld in de overwegingen 48 tot en met 94, heeft de Commissie de niet-verstoorde kosten van bepaalde productiefactoren als volgt herzien: Tabel 1 Herziene niet-verstoorde kosten van bepaalde productiefactoren
|
3.2.2.3. VAA-kosten en winst
a) Bronnen van VAA-kosten en winst
|
(98) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen dienden EcoCeres en Zhuoyue opmerkingen in over de vaststelling van de niet-verstoorde VAA-kosten en winst, met name met betrekking tot de opneming van drie extra Maleisische ondernemingen in de bedrijfstak van organische chemische stoffen in de reeks ondernemingen die werd gebruikt voor de vaststelling van de niet-verstoorde VAA-kosten en winst. |
|
(99) |
Beide partijen wezen op het feit dat de drie producenten van organische chemische stoffen producten vervaardigden die te divers waren om als maatstaf voor de financiële informatie van een biodieselproducent te kunnen dienen. Daarnaast was het niet duidelijk hoe hun financiële informatie het ontbrekende productieproces weerspiegelde, d.w.z. de productie van biodiesel middels hydrogenering, aangezien geen van de toegevoegde ondernemingen biodiesel produceerde. |
|
(100) |
Bovendien stelde EcoCeres dat de Commissie niet had toegelicht waarom het productieproces een aanzienlijke invloed op de VAA-kosten en winst had. |
|
(101) |
EcoCeres voerde voorts aan dat het gebruik van financiële informatie uit de Orbis-databank over de Maleisische producenten van organische chemische stoffen, indruiste tegen de eerdere argumenten die de Commissie in het onderhavige onderzoek had aangevoerd toen zij financiële informatie had afgewezen die niet voldoende gedetailleerd was om bijvoorbeeld de financiële resultaten te identificeren van een onderneming in een rechtstreeks aan de productie van biodiesel gerelateerd segment. EcoCeres merkte op dat de financiële informatie uit Orbis ook geen gedetailleerde gesegmenteerde informatie bevatte. |
|
(102) |
Daarnaast verwees EcoCeres naar eerdere onderzoeken (45) waarin de Commissie uitsluitend gebruik had gemaakt van financiële informatie over andere producten dan het onderzochte product wanneer er geen financiële informatie van de producenten van het onderzochte product voorhanden was. |
|
(103) |
EcoCeres stelde voorts dat, mocht de Commissie vasthouden aan het uitbreiden van de reeks ondernemingen die wordt gebruikt voor de vaststelling van de niet-verstoorde VAA-kosten en winst, zij rekening moet houden met onderstaande aspecten (in volgorde van voorkeur):
|
|
(104) |
Tot slot diende EcoCeres naar aanleiding van de voorafgaande kennisgeving jaarrekeningen in van vier biodieselproducenten in Maleisië voor het boekjaar 2023 (de eerder verstrekte informatie had betrekking op het boekjaar 2022). De groep had de jaarrekeningen verkregen uit het lokale Maleisische register. |
|
(105) |
De Commissie bevestigde dat het inderdaad noodzakelijk was om de reeks ondernemingen waarvan de financiële informatie wordt gebruikt voor de vaststelling van de niet-verstoorde VAA-kosten en winst, uit te breiden om recht te doen aan de verschillen tussen de verschillende productieprocessen, met name wat betreft de winstgevendheid ervan. De verkoopmarge van Neste, de producent in de Unie van biodiesel op basis van hydrobehandelde plantaardige oliën, bedroeg tijdens het onderzoektijdvak 730-880 EUR/ton (49), terwijl de nagestreefde winst van biodiesel die op basis van omestering wordt vervaardigd (idealiter in een situatie waarin geen schade wordt berokkend aan de producenten in de Unie) volgens de bekendmaking in het voorlopige stadium aanzienlijk lager lag (circa 200 EUR/ton). De Commissie herhaalde derhalve haar bevindingen in overweging 282 van de voorlopige verordening dat zij een niet-verstoord en redelijk bedrag voor VAA-kosten en winst in Maleisië moet vaststellen, waarbij rekening wordt gehouden met de verschillende soorten productieprocessen. Gezien de verschillen in kosten en winstgevendheid met betrekking tot de twee productiemethoden, moest het bedrag voor VAA-kosten en winst voor de vaststelling van de normale waarde, om op grond van artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening als redelijk te worden aangemerkt, bestaan uit een combinatie van: i) VAA-kosten en winst met betrekking tot op basis van omestering vervaardigde biodiesel, en; ii) VAA-kosten en winst met betrekking tot op basis van hydrobehandelde plantaardige oliën vervaardigde biodiesel. Wat betreft de eerstgenoemde optie had de Commissie, zoals uiteengezet in overweging 279 van de voorlopige verordening, onmiddellijk beschikbare gegevens voorhanden met betrekking tot de relevante producenten van op basis van omestering vervaardigde biodiesel. Wat betreft de productie op basis van hydrobehandelde plantaardige oliën was deze informatie met betrekking tot biodieselproducenten in Maleisië niet onmiddellijk beschikbaar. De Commissie heeft zich derhalve gebaseerd op de VAA-kosten en winst van Maleisische producenten in een sector die vergelijkbaar is met die van producenten van op basis van hydrobehandelde plantaardige oliën vervaardigde biodiesel. |
|
(106) |
De Commissie was het niet eens met EcoCeres wat betreft de NACE-code, die geschikt is voor het identificeren van ondernemingen in een vergelijkbare sector, d.w.z. een sector waar de productie van biodiesel onder valt. NACE-code 10.41 valt onder afdeling 10 — Vervaardiging van voedingsmiddelen. Deze code zou dan ook niet passend zijn als afspiegeling van de VAA-kosten en winst van de sector die vergelijkbaar is met de biodieselsector. |
|
(107) |
De Commissie heeft derhalve haar benadering als beschreven in de overwegingen 279 tot en met 284 van de voorlopige verordening bevestigd, d.w.z. dat de financiële informatie van de Maleisische biodieselproducenten wordt aangevuld met de financiële informatie van producenten van organische chemische stoffen in Maleisië. |
|
(108) |
De Commissie hield echter rekening met de door EcoCeres verstrekte aanvullende jaarrekeningen voor de Maleisische biodieselproducenten en voor de Maleisische producenten van organische chemische stoffen. |
|
(109) |
De Orbis-databank bevatte in dit kader financiële informatie voor meer dan tachtig ondernemingen in Maleisië die onder NACE-code 20.14 waren ingedeeld. EcoCeres heeft de jaarrekeningen van slechts zes van deze ondernemingen verstrekt. Ten eerste merkte de Commissie op dat de financiële informatie in de jaarrekeningen overeenkwam met de cijfers in de Orbis-databank. Ten tweede produceren de onder NACE-code 20.14 ingedeelde ondernemingen niet per definitie biodiesel, maar fungeren zij als vervangende benchmark voor VAA-kosten en winst in een bredere sector, en is een gedetailleerdere analyse derhalve niet noodzakelijk, bijvoorbeeld in de vorm van het identificeren van het rechtstreeks aan het onderzochte product gerelateerde segment. Ten derde kan gezien het grote aantal producenten van organische chemische stoffen in Maleisië niet worden uitgesloten dat EcoCeres alleen jaarrekeningen heeft aangeleverd die tot gunstige niet-verstoorde VAA-kosten en winst voor de partij zouden leiden. De Commissie besloot derhalve alle hierboven genoemde onmiddellijk beschikbare financiële informatie te gebruiken: jaarrekeningen van biodieselproducenten, jaarrekeningen van producenten van organische chemische stoffen, en financiële informatie van producenten van organische chemische stoffen uit de Orbis-databank. |
|
(110) |
Daarnaast wil de Commissie verduidelijken dat de financiële informatie uit de Orbis-databank niet ongeschikt is. Bij het selecteren van een representatief land kan de beschikbaarheid van gedetailleerdere jaarrekeningen reden zijn om een bepaald land boven een ander land te verkiezen. Dit houdt echter niet in dat de financiële informatie uit de Orbis-databank niet bruikbaar is voor de vaststelling van de niet-verstoorde VAA-kosten en winst. |
|
(111) |
De Commissie heeft haar onderzoek naar producenten van organische chemische stoffen uit de Orbis-databank opnieuw bekeken. De Commissie ontdekte dat zij onbedoeld niet alleen NACE-code 20.14 had gebruikt, maar ook vergelijkbare codes voor andere in Orbis beschikbare bedrijfstakkenclassificaties. |
|
(112) |
Teneinde de vaststelling van de niet-verstoorde VAA-kosten en winst te stroomlijnen, met name betreffende de reeks producenten van organische chemische stoffen in Maleisië, paste de Commissie haar zoekopdracht in Orbis aan. In het definitieve stadium nam de Commissie uitsluitend ondernemingen in overweging die gebruikmaakten van NACE-code 20.14 als een van de primaire codes in deze bedrijfstakkenclassificatie, en selecteerde zij daarnaast uitsluitend ondernemingen met voor 2022 of 2023 beschikbare niet-geconsolideerde jaarrekeningen die de volgende financiële informatie bevatten: omzet, verkoopkostprijs en winst. In het geval deze zoekopdracht een onderneming opleverde waarvoor EcoCeres jaarrekeningen uit het lokale Maleisische register had verstrekt, werden de jaarrekeningen gebruikt in plaats van de informatie uit de Orbis-databank. In het kader hiervan werd geconstateerd dat een van de zogenaamde producenten van organische chemische stoffen waarvoor EcoCeres jaarrekeningen had verstrekt (Pacific Oleochemicals Sdn Bhd) niet onder NACE-code 20.14 in Orbis was ingedeeld. Deze onderneming werd buiten beschouwing gelaten voor de vaststelling van de niet-verstoorde VAA-kosten en winst. |
|
(113) |
De Commissie wees het argument van EcoCeres af om het gewicht van de producenten van organische chemische stoffen te corrigeren bij de berekening van de gewogen gemiddelde VAA-kosten en winst. De totale waarde van de verkoopkostprijs van producenten van organische chemische stoffen lag inderdaad hoger dan de totale waarde van de verkoopkostprijs van biodieselproducenten. De Commissie was echter van mening dat de biodieselproducenten voldoende vertegenwoordigd waren in de berekening van het gewogen gemiddelde, aangezien zij ieder afzonderlijk veel groter zijn de producenten van organische chemische stoffen. |
|
(114) |
De Commissie heeft het gewicht van de afzonderlijke ondernemingen echter gecorrigeerd in de berekening van de gewogen gemiddelde VAA-kosten en winst. Voor ondernemingen waarvoor voor beide boekjaren (2022 en 2023) financiële informatie beschikbaar was, gebruikte de Commissie het gemiddelde van de twee jaren in plaats van de cijfers voor de twee jaren eenvoudigweg bij elkaar op te tellen, teneinde te voorkomen dat de financiële informatie van een onderneming tweemaal zou worden meegeteld in het gewogen gemiddelde. |
|
(115) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen heeft de EBB in haar opmerking de opneming toegejuicht van producenten van organische chemische stoffen voor de vaststelling van de niet-verstoorde VAA-kosten en winst, en stelde zij dat de Commissie uitsluitend gebruik moest maken van hun financiële informatie. De klager herinnerde er in dit kader aan dat de VAA-kosten en winst van Maleisische biodiesel verstoord waren als gevolg van het gebruik van het automatische prijsstellingsmechanisme voor op detailhandelsniveau verkochte dieselbrandstof, alsook door het feit dat de overheid een vaste prijs voor biodiesel had vastgelegd. |
|
(116) |
Wat het automatische prijsstellingsmechanisme betreft, verwees de EBB naar het verslag van het Internationaal Instituut voor duurzame ontwikkeling (50) waarin gesteld zou zijn dat het automatische prijsstellingsmechanisme niet alleen van invloed is op de detailhandelsprijs, maar op de gehele productieketen. De klager beschuldigde EcoCeres ervan in zijn opmerkingen een verkeerd beeld van de werking van het automatische prijsstellingsmechanisme te hebben geschetst, met name door te stellen dat met het automatische prijsstellingsmechanisme de brandstofprijzen alleen op detailhandelsniveau worden vastgelegd, en dat de vaste brandstofprijzen alleen beschikbaar zijn voor consumenten en bepaalde sectoren van de economie. |
|
(117) |
Wat betreft de vaste prijs van biodiesel verwees de EBB naar de volgende informatie:
|
|
(118) |
Wat betreft het automatische prijsstellingsmechanisme was de Commissie van oordeel dat de EBB geen bewijs had verstrekt dat de subsidie in de hele waardeketen wordt verleend. Ten eerste wordt in het verslag van het Internationaal Instituut voor duurzame ontwikkeling alleen gesteld dat met het automatische prijsstellingsmechanisme niet alleen de brandstofprijs voor de afnemer wordt vastgesteld, maar dat het mechanisme ook de prijzen en voorzieningen met betrekking tot de productie reguleert (zo wordt voor de detailhandelaar de formule betreffende het automatische prijsstellingsmechanisme toegepast op de berekening van de detailhandelsprijs). Ten tweede is in het onderzoek van de UTM berekend hoe de prijs van biodiesel, die hoger lag dan de prijs van fossiele brandstoffen, heeft bijgedragen aan de verhoging van de subsidie die nodig was om het verschil te dekken tussen de vaste detailhandelsprijs van brandstof en de werkelijke kosten van een detailhandelaar. Zelfs als de Commissie zou erkennen dat de aan de detailhandelaar verstrekte subsidie tot op zekere hoogte een gunstige verkoopprijs voor een biodieselproducent garandeert, moet rekening worden gehouden met het feit dat de financiering voor het B10-mengsel in 2023 op 9,7 miljoen USD werd geraamd, wat neerkomt op een subsidie van 0,005 MYR per liter van dit mengsel (56). Het effect voor de biodieselproducent is daarmee onbeduidend. |
|
(119) |
Wat betreft de vermeende vaste prijs van biodiesel merkte de Commissie op dat de EBB niet voldoende bewijs had verstrekt. De door de partij aangehaalde bronnen stammen uit 2015 en 2017, oftewel ruim vóór het onderzoektijdvak van het onderhavige onderzoek. Daarnaast kon de Commissie geen hedendaagse officiële bronnen vinden die het bestaan konden bevestigen van een door de Maleisische overheid gereguleerd prijsstellingsmechanisme. |
|
(120) |
De Commissie wees de in de overwegingen 115 tot en met 117 omschreven argumenten van de EBB derhalve af. |
|
(121) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalde EcoCeres dat de categorie “organische chemische stoffen” te ruim was. Hoewel de productie van biodiesel via hydrobehandeling winstgevender was dan via omestering, voerde EcoCeres aan dat de Commissie niet heeft uitgelegd in welke zin de brede categorie van producenten van organische chemische stoffen representatiever was voor hydrobehandeling dan voor de productie van een soortgelijk product (biodiesel via omestering). In dit verband voerde EcoCeres aan dat indien de Commissie de werkingssfeer per se wilde uitbreiden tot meer dan alleen producenten van biodiesel, zij de NACE-code 10.14 zou moeten gebruiken, die expliciet hydrobehandeling van plantaardige oliën omvat. |
|
(122) |
De Commissie herinnerde eraan dat, zoals uiteengezet in overweging 105, alle producenten van biodiesel waarvoor financiële informatie beschikbaar was, biodiesel vervaardigen via omestering. Bovendien bleek uit de informatie in het onderzoeksdossier duidelijk dat de winstgevendheidsniveaus van de producenten die het productietraject met hydrobehandeling volgen, verschillen van die van de producenten die gebruikmaken van het productietraject met omestering. Daarom was de opname van extra ondernemingen noodzakelijk om op nauwkeurige wijze een corresponderend, niet-verstoord en redelijk bedrag voor VAA-kosten en winst vast te stellen dat representatief is voor de gehele bedrijfstak voor biodiesel, ongeacht het gebruikte productieproces. De Commissie is het niet met EcoCeres eens met betrekking tot de door de onderneming voorgestelde NACE-code. Zoals uiteengezet in overweging 106, verwijst NACE-code 10.14 naar de hydrogenering van plantaardige oliën in de voedingsmiddelenindustrie. Daarom kan de winstgevendheid van levensmiddelenbedrijven niet worden gebruikt als maatstaf voor de winstgevendheid van ondernemingen die brandstof produceren. In deze situatie zijn de financiële resultaten van ondernemingen die actief zijn in dezelfde bedrijfstak als de biodieselproducenten (productie van organische chemische stoffen) duidelijk het meest geschikte als maatstaf voor de VAA-kosten en de winst van producenten die de methode via hydrobehandeling gebruiken. |
|
(123) |
De Commissie wees dit argument derhalve af. |
|
(124) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalde EcoCeres zijn argument met betrekking tot het gewicht van producenten van organische chemische stoffen bij de vaststelling van de niet-verstoorde VAA-kosten en winst (zie overweging 103, punt d). De onderneming wees met name op het aantal producenten van organische chemische stoffen (93 ondernemingen) in verhouding tot het aantal biodieselproducenten (7) in de dataset. |
|
(125) |
De Commissie wees het argument af en bevestigde haar conclusies in overweging 113. Zij was met name van mening dat het aantal ondernemingen irrelevant was. De representativiteit werd veeleer bepaald door het gewicht van de verkoopkostprijs van biodieselproducenten in de berekening. |
|
(126) |
Tot slot maakte EcoCeres in zijn opmerkingen over de mededeling van de definitieve bevindingen de volgende opmerkingen specifiek ten aanzien van de ondernemingen die waren opgenomen in de vaststelling van de niet-verstoorde VAA-kosten en winst:
|
|
(127) |
De Commissie heeft de opmerkingen onderzocht en, waar passend, de vaststelling van de niet-verstoorde VAA-kosten en winst als volgt herzien:
|
|
(128) |
EcoCeres en belanghebbenden werden in een aanvullende mededeling van feiten en overwegingen in kennis gesteld van bovengenoemde wijzigingen en werden in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken. |
|
(129) |
De Commissie heeft het verzoek tot opname van Pacific Oleochemicals Sdn Bhd in de berekening van de niet-verstoorde VAA-kosten en winst afgewezen. De onderneming was namelijk ingedeeld onder een andere industriële classificatiecode en de Commissie had geen bewijsmateriaal in het dossier waaruit met zekerheid bleek dat de primaire activiteiten van de onderneming moesten worden ingedeeld onder NACE-code 20.14, dat wil zeggen de vervaardiging van andere organische chemische basisproducten. |
b) In de VAA-kosten opgenomen kosten voor vervoer
|
(130) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen herhaalde EcoCeres zijn argument betreffende de door de Commissie gehanteerde in de niet-verstoorde VAA-kosten opgenomen kosten voor vervoer. De onderneming verwees in dit kader naar het feit dat de vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs op het niveau af fabriek was verricht, en naar het arrest van het Gerecht in de zaak Sinopec Chongqing SVW Chemical (57), waarin het Gerecht bevestigde dat de Commissie erop moet toezien dat de vervoerskosten worden afgetrokken van de VAA-kosten van bedrijven die worden gebruikt voor de berekening van de benchmark. |
|
(131) |
De Commissie heeft een combinatie van jaarrekeningen uit het lokale register en financiële informatie uit de Orbis-databank gebruikt. Het feit dat “verkoopkosten” in de jaarrekeningen of “andere bedrijfskosten” in Orbis mogelijk kosten voor vervoer omvatten, houdt niet per definitie in dat de ondernemingen in kwestie deze kosten ook daadwerkelijk hebben gemaakt. Van de onmiddellijk beschikbare negentien jaarrekeningen in het kader van het onderhavige onderzoek had feitelijk slechts één onderneming bij haar toelichting bij de jaarrekening vermeld dat zij daadwerkelijk vervoerskosten had gemaakt. Overeenkomstig overweging 280 van de voorlopige verordening had de Commissie voor deze onderneming de kosten voor vervoer in mindering gebracht op de VAA-kosten met het oog op de berekening van de niet-verstoorde VAA-kosten. |
|
(132) |
Daarnaast heeft de Commissie er overeenkomstig overweging 295 van de voorlopige verordening voor gekozen de uitvoerprijs en de normale waarde te vergelijken in het handelsstadium af fabriek. Zoals uiteengezet in de overwegingen 291 en 296 van de voorlopige verordening werd de normale waarde in het handelsstadium af fabriek vastgesteld door gebruik te maken van de productiekosten, samen met de bedragen voor VAA-kosten en winst, die voor dat handelsstadium redelijk werden geacht. Daarom waren er geen aanpassingen nodig om de normale waarde terug te rekenen tot het stadium af fabriek. |
|
(133) |
In zijn arrest in de zaak CCCME, dat later werd gewezen dan het arrest in de zaak Sinopec, bracht het Gerecht om te beginnen in herinnering dat wanneer een partij op grond van artikel 2, lid 10, van de basisverordening, correcties vraagt om de normale waarde en de uitvoerprijs vergelijkbaar te maken met het oog op de bepaling van de dumpingmarge, die partij volgens vaste rechtspraak het bewijs moet leveren dat haar verzoek gerechtvaardigd is. Het bewijs dat de in artikel 2, lid 10, punten a) tot en met k) van de basisverordening genoemde specifieke correcties moeten worden toegepast, moet worden geleverd door de partijen die hier gebruik van willen maken (58). Daaruit volgt dat het in dat geval, en ook in het kader van dit onderzoek, volgens die rechtspraak aan de belanghebbenden is om aan te tonen dat de verzochte correctie noodzakelijk is op basis van bewijs dat tijdens het onderzoek door hen is aangedragen (59). |
|
(134) |
Het Gerecht was vervolgens van oordeel dat de toepassing van correcties weliswaar noodzakelijk kan zijn uit hoofde van artikel 2, lid 10, van de basisverordening, teneinde rekening te houden met verschillen tussen de uitvoerprijs en de normale waarde die van invloed zijn op de vergelijkbaarheid van de prijzen, maar dat deze correcties niet kunnen worden toegepast op een waarde die is berekend en derhalve geen zuivere waarde betreft. Die waarde wordt over het algemeen niet beïnvloed door factoren die schadelijk kunnen zijn voor de vergelijkbaarheid ervan, aangezien zij kunstmatig is vastgesteld (60). Daarnaast omvatte, zowel in het geval van de CCCME als in de onderhavige zaak, de berekening van de normale waarde per productsoort in het stadium af fabriek een redelijk bedrag voor VAA-kosten en was er geen informatie voorhanden waaruit zou blijken dat de VAA-kosten van de betrokken Maleisische ondernemingen vervoerskosten voor levering aan afnemers betroffen. Zoals toegelicht in overweging 131 werden de gegevens dienovereenkomstig aangepast indien hier wel bewijs voor was geleverd. Gezien de beoordelingsbevoegdheid van de Commissie ten aanzien van de toepassing van artikel 2, lid 10, van de basisverordening (61) heeft de Commissie derhalve de meest recente rechtspraak gevolgd betreffende niet-onderbouwde beweringen dat bedragen voor VAA-kosten die worden gebruikt voor de berekening van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a), en die door de Commissie als redelijk worden beschouwd voor het handelsstadium af fabriek, vervoerskosten omvatten. Het argument werd derhalve afgewezen. |
c) Herziene niet-verstoorde VAA-kosten en winst
|
(135) |
Uit de opmerkingen naar aanleiding van de mededeling van de voorlopige bevindingen in de overwegingen 98 tot en met 134 blijken de herziene niet-verstoorde VAA-kosten en winst respectievelijk 5,88 % en 11,78 % te bedragen. De Commissie beschouwde de VAA-kosten en winst op basis van deze percentages als redelijk voor het handelsstadium af fabriek. |
3.2.3. Berekening
a) Gebruik van de kosten van ondernemingen
|
(136) |
In het voorlopige stadium had de Commissie bepaalde verzoeken geaccepteerd van in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs om hun eigen kosten te gebruiken voor de berekening van de normale waarde in gevallen waarin deze ondernemingen konden aantonen dat bepaalde basisproducten tegen marktvoorwaarden waren aangekocht, in de zin dat die basisproducten rechtstreeks van een derde land waren aangekocht, zonder tussenkomst van een Chinese tussenpersoon, dat er geen verband bestond tussen de leveranciers en de producenten-exporteurs, dat over de prijzen was onderhandeld en dat de aankoop in vreemde valuta was betaald. |
|
(137) |
Overeenkomstig haar conclusies betreffende de vaststelling van de niet-verstoorde kosten van gebruikte bak- en braadolie en palmolie-effluent, zoals uiteengezet in de overwegingen 232, 238 en 263 van de voorlopige verordening, accepteerde de Commissie de kosten van gebruikte bak- en braadolie en palmolie-effluent van oorsprong uit Indonesië echter niet. |
|
(138) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen herhaalden de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs dat deze aanpak niet gerechtvaardigd was. Aangezien de gedetailleerde motivering betrekking had op bedrijfsspecifieke informatie, heeft de Commissie deze opmerkingen beantwoord in de desbetreffende bedrijfsspecifieke mededeling van de definitieve bevindingen. |
|
(139) |
Rekening houdend met de in de overwegingen 56 tot en met 59 genoemde overwegingen betreffende de vaststelling van de niet-verstoorde kosten van gebruikte bak- en braadolie en palmolie-effluent, wees de Commissie de in overweging 138 genoemde argumenten af. |
b) Niet-verstoorde kosten en winst
|
(140) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen diende Jiaao een opmerking in over de door de Commissie gehanteerde methode voor het vervangen van de kosten van de door de groep gebruikte verschillende soorten grondstoffen door niet-verstoorde kosten. Jiaao deed een aantal suggesties over de benchmark die moest worden toegepast om de niet-verstoorde kosten van die grondstoffen te weerspiegelen. De groep beschreef die grondstoffen tegelijkertijd als verschillende soorten gebruikte bak- en braadolie. |
|
(141) |
De Commissie wees dit argument af aangezien de groep tijdens het onderzoektijdvak uit verschillende soorten grondstoffen vervaardigde biodiesel aan de Unie had verkocht. Dit werd bevestigd door de bijbehorende verkoopdocumenten, alsook door de door Jiaao verkregen duurzaamheidscertificering (62). Het was dan ook niet passend om één enkele benchmark voor alle soorten grondstoffen te gebruiken. Zoals toegelicht in punt 3.1 had de Commissie inconsistenties ontdekt met betrekking tot de in de boekhouding opgenomen grondstoffen, alsook in de desbetreffende aankoopdocumenten en de in het kader van dit onderzoek verstrekte informatie. De Commissie maakte gebruik van de beschikbare gegevens en paste de niet-verstoorde kosten in het representatieve land zodanig toe dat het risico van onderwaardering van de normale waarde werd geëlimineerd. |
|
(142) |
De details van het door Jiaao in overweging 140 aangevoerde argument maakten alleen deel uit van de vertrouwelijke versie van zijn opmerkingen naar aanleiding van de mededeling van de voorlopige bevindingen. De Commissie heeft deze opmerkingen derhalve uitvoerig beantwoord in de bedrijfsspecifieke mededeling van de definitieve bevindingen. |
|
(143) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen stelde EcoCeres dat de door de Commissie gehanteerde aanpak met betrekking tot het specifieke geval van deze groep tot een dubbeltelling van de VAA-kosten en winst had geleid. De details van het argument maakten alleen deel uit van de vertrouwelijke versie van de opmerkingen van het bedrijf. Dit argument is derhalve uitvoerig beantwoord in de bedrijfsspecifieke mededeling van de definitieve bevindingen. |
|
(144) |
De Commissie kwam in dit kader tot de conclusie dat zij alle relevante kostenelementen in aanmerking had genomen bij de vaststelling van de normale waarde in het handelsstadium af fabriek, dat hetzelfde geldt voor de winst bij de berekening van de normale waarde, en dat deze kostenelementen en winst niet tweemaal waren meegeteld. De Commissie wees de door EcoCeres in overweging 143 beschreven ingediende opmerkingen derhalve af. |
c) Vervoerskosten
|
(145) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen diende een aantal producenten-exporteurs voorts opmerkingen in over de door de Commissie gehanteerde methode voor het vaststellen van de waarde van de niet-verstoorde kosten aan de poort van een fabriek in het representatieve land voor wat betreft de kosten van het vervoer van bepaalde basisproducten van de grens naar de poort van de fabriek. |
|
(146) |
In gerechtvaardigde gevallen heeft de Commissie die overwegingen in aanmerking genomen en heeft zij de berekening van de vervoerskosten herzien. Gezien de vertrouwelijke en bedrijfsspecifieke aard van deze informatie werden de details hierover aan de desbetreffende producenten-exporteurs bekendgemaakt in de bedrijfsspecifieke mededeling van de definitieve bevindingen. |
d) Correctie met betrekking tot bijproducten
|
(147) |
Bij het vaststellen van de normale waarde in het voorlopige stadium had de Commissie de normale waarde in voorkomend geval gecorrigeerd met de niet-verstoorde waarde van bijproducten. In de onderhavige zaak waren de bijproducten van dien aard dat het niet ging om hergebruik voor de productie van biodiesel, maar om verkoop aan derden. De niet-verstoorde waarde van de bijproducten werd dan ook in mindering gebracht op de normale waarde, en niet op de niet-verstoorde waarde van de voor de productie van biodiesel gebruikte materialen. |
|
(148) |
In zijn opmerkingen naar aanleiding van de voorafgaande kennisgeving en de mededeling van de voorlopige bevindingen stelde Jiaao het volgende:
|
|
(149) |
Ten eerste wijst de Commissie op de inconsistente redenering van Jiaao in de zin dat de groep enerzijds stelde dat het verbruik van basisproducten niet van belang is voor de verkoop van het bijproduct aangezien de basisproducten tegelijkertijd voor de productie van biodiesel worden gebruikt. Anderzijds stelde de groep echter dat de Commissie de hoeveelheid voor de productie van bijproducten gebruikte basisproducten in mindering had moeten brengen op de totale gemelde verbruikte hoeveelheid. |
|
(150) |
De Commissie heeft bij de toepassing van de correctie met betrekking tot bijproducten hoe dan ook overeenkomstig haar vaste praktijk gehandeld. Wanneer een bijproduct aan al dan niet verbonden derde partijen wordt verkocht, komt de niet-verstoorde waarde ervan in het representatieve land overeen met de verkoopwaarde van het bijproduct, niet met de kosten ervan. Deze niet-verstoorde verkoopwaarde bestaat uit de productiekosten en de VAA-kosten en winst van de producent van een dergelijk bijproduct. De niet-verstoorde waarde van een dergelijk bijproduct moet derhalve in mindering worden gebracht op de totale waarde van de berekende normale waarde. |
|
(151) |
De Commissie wees het argument van Jiaao inzake de correctie met betrekking tot bijproducten derhalve af. |
3.3. Dumpingmarges
|
(152) |
Zoals beschreven in de overwegingen 48 tot en met 151, heeft de Commissie de schademarges herzien naar aanleiding van argumenten van belanghebbenden. |
|
(153) |
De definitieve dumpingmarges, uitgedrukt als percentage van de cif-prijs (kosten, verzekering en vracht), grens Unie, vóór inklaring, zijn als volgt:
|
4. SCHADE
4.1. Omschrijving van de bedrijfstak van de Unie en de productie in de Unie
|
(154) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen wees EcoCeres op veranderingen van de macrogegevens van de EBB (in de vorm van een verlaging van de verkoopvolumes), en beweerde de onderneming dat macrogegevens een niet-representatief en vertekend beeld van de bedrijfstak van de Unie als geheel opleveren wanneer de macro-economische cijfers louter op basis van de gegevens van EBB-leden en/of klanten van de wettelijke vertegenwoordigers van de EBB worden geëxtrapoleerd. |
|
(155) |
De Commissie merkte op dat de EBB de macrogegevens naar aanleiding van tijdens het controlebezoek opgemerkte fouten had aangepast. De Commissie concludeerde dat deze macrogegevens representatief waren voor de bedrijfstak van de Unie. Ten eerste trok EcoCeres niet in twijfel dat de EBB de bedrijfstak van de Unie vertegenwoordigt overeenkomstig overweging 2 van de voorlopige verordening. Ten tweede waren de extrapolaties van de EBB gebaseerd op een steekproef van ondernemingen die meer dan 40 % van de productie in de Unie vertegenwoordigden, en slechts twee indicatoren betrof. Voor die indicatoren had de EBB geen alternatieve gegevens gevonden, d.w.z. gegevens betreffende de werkgelegenheid en het verkoopvolume in de Unie (63). |
|
(156) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen gaf de CCCMC aan het niet eens te zijn met de stelling dat het antwoord van de EBB op de macrovragenlijst positief bewijsmateriaal in overeenstemming met de WTO-regels was. De partij beweerde dat de onderhavige zaak analoog is aan het geschil EU/Biodiesel (Argentinië) (DS473 (64)) en dat uit niets is gebleken dat de Commissie “bijzondere zorgvuldigheid” heeft betracht om te waarborgen dat de gegevens van de EBB klopten. De CCCMC uitte kritiek op de verklaring van de Commissie in overweging 308 van de voorlopige verordening dat geen enkele partij opmerkingen had ingediend met betrekking tot de cijfers van de EBB over de productie in de Unie, aangezien de laatste versie hiervan pas verscheen lang na het verstrijken van de uiterste termijn voor het indienen van voor het voorlopige stadium relevante informatie (en de CCCMC derhalve geen garantie had dat de Commissie opmerkingen in aanmerking nemen in het kader van de voorlopige verordening). De CCCMC uitte kritiek op het ontbreken van details over de ramingen van de Commissie inzake SAF en op de manier waarop de aanbieder van marktgegevens Stratas gegevens had verzameld, met name gezien de kloof tussen het door Stratas vastgestelde totale verbruik in de Unie (beschikbaar in t24.004736) en het door de Commissie vastgestelde verbruik (zie tabel 2 van de voorlopige verordening). |
|
(157) |
De Commissie merkte op dat in overweging 308 van de voorlopige verordening het feit was benoemd dat geen enkele partij in de loop van de procedure opmerkingen had ingediend met betrekking tot de cijfers van de EBB over de productie in de Unie. De CCCMC heeft nooit (alternatieve) cijfers voor de productie van biodiesel in de Unie voorgesteld. In plaats hiervan maakte de CCCMC gebruik van de door de Commissie voorgelegde cijfers, zoals blijkt uit de opmerkingen van de CCCMC naar aanleiding van de mededeling van de voorlopige bevindingen (65). De Commissie heeft een vergelijkende controle uitgevoerd op alle informatie in het dossier die in het definitieve stadium voorhanden was, en bevestigde dat de totale productie in de Unie tijdens het onderzoektijdvak 14 775 455 ton bedroeg. |
|
(158) |
Punt 4.5.2.1 bevat details over de ramingen van de Commissie inzake SAF. |
|
(159) |
Aangezien er geen verdere opmerkingen werden ontvangen, werden de bevindingen in de overwegingen 305 tot en met 309 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.2. Algemene opmerking
|
(160) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen maakte EcoCeres in een algemene opmerking kenbaar dat de onderneming het niet eens was met het feit dat de Commissie weigerde een gesegmenteerde analyse uit te voeren waarmee onderscheid tussen FAME en HVO kon worden gemaakt, en wees het op zijn opmerkingen hierover van 2 januari 2024 (66). |
|
(161) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen herhaalde de CCCMC haar verzoek om HVO en FAME afzonderlijk te onderzoeken indien HVO niet van het toepassingsgebied van het onderzoek zou worden uitgesloten. Volgens de CCCMC heeft de Commissie het WTO-recht geschonden, in de zin dat de voorlopige verordening niet voldoende voorzag in weldoordachte redenen of toelichtingen betreffende de weigering om een gesegmenteerde schadeanalyse uit te voeren. Daarnaast voerde de CCCMC aan dat het ontbreken van een gesegmenteerde analyse ervoor zorgde dat de bevindingen inzake schade niet strookten met de verplichting van de Commissie uit hoofde van het WTO-recht om een objectief onderzoek uit te voeren op basis van positief bewijsmateriaal. |
|
(162) |
De Commissie herinnerde eraan dat in de voorlopige verordening alle voorwaarden waren onderzocht om vast te stellen of een gesegmenteerde schadeanalyse in dit geval gerechtvaardigd zou zijn. De beweringen van EcoCeres en de CCCMC zijn van algemene aard en vormen geen tegenbewijs voor de gedetailleerde argumenten ter onderbouwing van alle in de voorlopige verordening geanalyseerde voorwaarden. De omstandigheden in onderzoek TD0004 door de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk (67) waar EcoCeres naar verwees, kunnen niet worden geëxtrapoleerd naar de onderhavige zaak aangezien in het Verenigd Koninkrijk geen HVO-productie plaatsvond. De Commissie wees het verzoek om een gesegmenteerde schadeanalyse voor FAME en HVO derhalve af en bevestigde de overwegingen in de voorlopige verordening waaruit volgt dat er geen reden is waarom een gesegmenteerde schadeanalyse in dit geval gerechtvaardigd zou zijn. |
|
(163) |
Aangezien er geen verdere opmerkingen werden ontvangen, werden de bevindingen in de overwegingen 310 tot en met 317 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.3. Verbruik in de Unie
|
(164) |
De correctie van tabel 6 als bedoeld in punt 4.5.2.2 zorgde voor een kleine wijziging in tabel 2 van de voorlopige verordening. De definitieve tabel 2 is als volgt: Tabel 2 Verbruik in de Unie (ton)
|
||||||||||||||||||||||
|
(165) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen stelde de CCCMC dat het verbruik moet worden berekend door de totale verkoop van de bedrijfstak van de Unie en de invoer in de Unie bij elkaar op te tellen, en de uitvoer van biodiesel door de bedrijfstak van de Unie hierop in mindering te brengen. De Commissie wees het voorstel af omdat er geen argumenten waren aangevoerd op basis waarvan de betrouwbaarheid van de in overweging 318 van de voorlopige verordening in twijfel werd getrokken. |
4.4. Invoer uit het betrokken land
4.4.1. Volume en marktaandeel van de invoer uit het betrokken land
|
(166) |
De correctie van tabel 6 als bedoeld in punt 4.5.2.2 zorgde voor een kleine wijziging in het marktaandeel in het onderzoektijdvak dat was weergegeven in tabel 3 van de voorlopige verordening. De definitieve tabel 3 is als volgt: Tabel 3 Volume (ton) en marktaandeel van de invoer
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(167) |
In haar opmerkingen van 26 januari 2024 (68) had de CCCMC de Commissie verzocht zowel aan haar als in het niet-vertrouwelijke dossier de monitoringgegevens over de invoer voor het gehele onderzoektijdvak ter beschikking te stellen. De partij was van oordeel dat de verstrekking van jaarlijkse invoergegevens in de voorlopige verordening i) niet garant stond voor de directe beschikbaarheid van/tijdige toegang tot opgevraagde informatie in een vroeg stadium van de procedure, of ii) de belanghebbenden geen passende gelegenheid bood om gebruik te maken van de informatie bij het bepleiten van hun zaak. Na de mededeling van de voorlopige bevindingen herhaalde de CCCMC haar verzoek aan de Commissie om de maandelijks invoergegevens ter beschikking te stellen in het niet-vertrouwelijke dossier. De Commissie heeft de maandelijkse invoervolumes van Chinese biodiesel op 1 oktober 2024 aan de CCCMC verstrekt. |
|
(168) |
Aangezien er geen andere opmerkingen werden ontvangen en met inachtneming van de definitieve tabel 2, werden de bevindingen in de overwegingen 321 tot en met 325 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.4.2. Prijzen van de invoer uit het betrokken land, prijsonderbieding en verhindering van prijsverhogingen
|
(169) |
Volgens de CCCMC heeft de Commissie het WTO-recht geschonden, in de zin dat de voorlopige verordening niet voldoende voorzag in weldoordachte redenen of toelichtingen betreffende de weigering van het verzoek van de CCCMC om de uitvoering van de prijseffectenanalyse/analyse van de prijsonderbieding niet op één jaar van de beoordelingsperiode te richten. De CCCMC voegde hieraan toe dat de Commissie de positieve verplichting heeft om een dynamische beoordeling uit te voeren van trends betreffende het verband tussen de prijzen van invoer met dumping en soortgelijke binnenlandse producten (als gevolg waarvan de CCCMC verzoeken om analyses van de prijsonderbieding gedurende de gehele beoordelingsperiode niet zou hoeven te rechtvaardigen). Zij wees tevens op de rechtspraak van de WTO, nu de onderzoekende autoriteit in Marokko werd verweten voor een periode van vier jaar gegevens te hebben verzameld met het oog op de schadebeoordeling, terwijl de prijsonderbieding tot slechts de laatste twaalf maanden was beperkt (DS578 (69)). De CCCMC stelde dat van belanghebbenden niet kan worden verwacht dat zij prijzen terugrekenen, beweerde dat zij geen zinvolle opmerkingen op de analyse van de prijsonderbieding kon geven, en verzocht om een gedetailleerde niet-vertrouwelijke versie waaruit blijkt dat bij 100 % van de ingevoerde volumes van de in de steekproef opgenomen ondernemingen prijsonderbieding is vastgesteld. De CCCMC stelde in dit kader dat er sprake was van een mismatch inzake de betreffende invoer en de soortgelijke producten in de Unie als bedoeld in overweging 329 van de voorlopige verordening, en dat de Chinese invoerprijzen in tabel 4 van de voorlopige verordening hoger lagen dan de in tabel 8 vermelde verkoopprijzen in de Unie. |
|
(170) |
De Commissie wees de argumenten van de CCCMC af. De Commissie merkte op dat de gedurende het onderzoek verzamelde gegevens alleen gedetailleerde berekeningen van de prijsonderbieding tijdens het onderzoektijdvak mogelijk maakten. Dit weerhield de Commissie er niet van een beoordeling uit te voeren van de trends betreffende het verband tussen de prijzen van invoer met dumping en soortgelijke binnenlandse producten gedurende de gehele beoordelingsperiode, in de zin dat zij gedurende de gehele beoordelingsperiode gegevens verzamelde van in de steekproef opgenomen ondernemingen en deze in de tabellen 4 en 8 van de voorlopige verordening heeft opgenomen, inclusief een toelichting. De productmix en relatieve verkoopvolumes van de steekproef opgenomen producenten in de Unie waren gedurende de gehele beoordelingsperiode gelijkmatig, en niets in de informatie in het dossier duidt op grote veranderingen in de productmix in de invoer uit de VRC. Hoewel de respectieve productmixen van de producenten in de Unie en de Chinese producenten-exporteurs gedurende het onderzoektijdvak van elkaar verschilden en een rechtstreekse vergelijking derhalve niet mogelijk is, blijkt uit een vergelijking tussen de in de tabellen 4 en 8 vermelde verkoopprijzen dat het verschil tussen de gemiddelde Chinese en Europese verkoopprijzen tussen de 170 EUR/ton en 200 EUR/ton schommelt, behalve in 2022, toen dat verschil veel kleiner was. Het is van belang erop te wijzen dat de gemiddelde eenheidsprijs van de bedrijfstak van de Unie, als vermeld in tabel 8, alle productsoorten betrof die gedurende het onderzoektijdvak door de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie zijn verkocht. Deze productsoorten waren niet allemaal rechtstreeks vergelijkbaar met de door de Chinese producenten-exporteurs verkochte productsoorten, en alleen de rechtstreeks vergelijkbare productsoorten zijn meegenomen in de berekening van de prijsonderbieding. Een vergelijking op het niveau van de productsoort voor rechtstreeks vergelijkbare producten leverde een gemiddeld onderbiedingsniveau van 10,1 % op. |
|
(171) |
Gezien het feit dat de productmixen voor zowel de bedrijfstak van de Unie als de producenten-exporteurs gedurende de beoordelingsperiode relatief stabiel zijn gebleven, met een vergelijkbaar of kleiner prijsverschil in het voordeel van de bedrijfstak van de Unie (bij het baseren van de gemiddelde eenheidsprijs op alle op de markt van de Unie verkochte productsoorten), zou de in het onderzoektijdvak beoordeelde productmix waarschijnlijk alsnog prijsonderbieding door Chinese producenten-exporteurs tot gevolg hebben wanneer alleen de rechtstreeks vergelijkbare productsoorten in aanmerking worden genomen. Op basis hiervan kan worden aangenomen dat prijsonderbieding ook in de drie jaar voorafgaand aan het onderzoektijdvak heeft plaatsgevonden, in 2020 en 2021 op een vergelijkbaar niveau en in 2022 waarschijnlijk op een veel hoger niveau. Hiertoe volgt dat de Commissie, anders dan wordt beweerd, wel degelijk gedurende de gehele beoordelingsperiode een dynamische beoordeling van de prijseffecten heeft uitgevoerd. Aangezien de gegevens voor het onderzoektijdvak een veel hoger niveau van granulariteit hebben dan de gegevens voor de voorafgaande jaren, was die beoordeling voor de jaren voorafgaand aan het onderzoektijdvak echter gebaseerd op redelijke extrapolaties en op de gegevens en de informatie die de Commissie ten tijde van het onderzoek ter beschikking stonden. |
|
(172) |
De Commissie heeft de gedetailleerde berekeningen van de prijsonderbieding bekendgemaakt aan de partijen die in dit kader zinvolle reacties konden geven (de prijsonderbiedingsmarge is immers het resultaat van de consolidatie van gegevens die uitsluitend op vertrouwelijke basis aan de Commissie worden verstrekt). De Commissie bevestigde dat prijsonderbieding werd vastgesteld bij 100 % van de ingevoerde volumes van de in de steekproef opgenomen ondernemingen, zoals vermeld in overweging 332 van de voorlopige verordening, wat niet betekent dat er een vergelijking was uitgevoerd op 100 % van de door de bedrijfstak van de Unie vervaardigde soortgelijke producten. Uit de gedetailleerde berekeningen van de prijsonderbieding bleek dat de gemiddelde verkoopprijs van in de Unie vervaardigde biodiesel tijdens het onderzoektijdvak, die was vergeleken met de invoer uit de VRC, aanzienlijk hoger lag dan de in tabel 8 van de voorlopige verordening vermelde verkoopprijs, namelijk tussen 1 590 EUR/ton en 2 400 EUR/ton. |
|
(173) |
Jiaao stelde dat de door de Commissie gehanteerde kosten na invoer achterhaald waren en bovendien lager waren dan in de drie eerdere antidumpingonderzoeken (70). Indien de Commissie zou blijven vasthouden aan het gebruik van de kosten na invoer zoals vastgesteld in eerdere antidumpingonderzoeken betreffende biodiesel, stelde de partij voor de verhouding van de kosten na invoer af te stemmen op de cif-prijs van 14,08 EUR/ton (71) als geschiktere benchmark. |
|
(174) |
De Commissie achtte het niveau van de kosten na invoer als zaak- en productspecifiek. Wegens het ontbreken van betrouwbare gecontroleerde gegevens in het kader van de onderhavige procedure, bevestigde de Commissie de geschiktheid van het gebruik van de kosten na invoer die in eerdere antidumpingonderzoeken betreffende biodiesel waren gehanteerde (72). De argumenten van Jiaao werden afgewezen. |
|
(175) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen vroeg EcoCeres om een correctie van de kosten na invoer van 8,5 EUR/ton naar minstens 10 EUR/ton, teneinde rekening te houden met de inflatie in de eurozone sinds 2018. Bij gebreke van bewijs of en in welke mate prijswijzigingen voor huishoudelijke afnemers gevolgen hadden voor de kosten van niet-huishoudelijke afnemers, zoals kosten na invoer, wees de Commissie het argument van EcoCeres af. |
|
(176) |
Naast de vaststelling van prijsonderbieding had de Commissie in overweging 365 van de voorlopige verordening vastgesteld dat de prijzen van de invoer uit de VRC prijsverhogingen op de markt van de Unie in de weg stonden, waardoor de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie slechts marginaal boven de productiekosten lagen en er geen gezonde winst kon worden gemaakt. De bevindingen van verhindering van een prijsverhoging op macroniveau werden ook bevestigd door de bevindingen van aanzienlijk prijsbederf met betrekking tot alle in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs tijdens het onderzoektijdvak. Zoals uiteengezet in overweging 232 liepen de prijsbederfmarges uiteen van 16,4 % tot 44,3 %. Als gevolg van de verhindering van prijsverhogingen verkocht de bedrijfstak van de Unie derhalve tegen prijzen die zelfs zijn productiekosten niet dekten, laat staan een normale winstmarge opleverden. De bevindingen dat er sprake was van verhindering van prijsverhogingen in verband met de invoer met dumping uit de betrokken landen, werden derhalve in het definitieve stadium bevestigd. |
|
(177) |
Aangezien er geen verdere opmerkingen werden ontvangen, werden de bevindingen in de overwegingen 326 tot en met 332 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.5. Economische situatie van de bedrijfstak van de Unie
4.5.1. Algemene opmerkingen
|
(178) |
Aangezien er geen verdere opmerkingen werden ontvangen, werden de bevindingen in de overwegingen 333 tot en met 337 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.5.2. Macro-economische indicatoren
4.5.2.1. Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad
|
(179) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen beweerde de CCCMC dat de Commissie haar WTO-verbintenissen had geschonden (73), in de zin dat de voorlopige verordening niet voldoende voorzag in weldoordachte redenen of toelichtingen betreffende de basis waarop de productiehoeveelheid en -capaciteit van de bedrijfstak van de Unie op het gebied van SAF waren vastgesteld, zoals genoemd in voetnoot 167 van de voorlopige verordening. Ter wille van de duidelijkheid herhaalde de Commissie de tekst van die voetnoot: “Zoals vermeld in overweging 57, werd SAF van de productomschrijving uitgesloten en werden de volumes van SAF uitgesloten. Daarom heeft de Commissie de geschatte productie van SAF (d.w.z. 75 000 ton in 2022 en 150 000 ton in het OT) en de geschatte capaciteit voor SAF afgetrokken van het antwoord van de EBB op de macrovragenlijst.” De Commissie achtte het argument van de CCCMC niet gerechtvaardigd. De methode van de Commissie bestond in het aftrekken van een redelijke hoeveelheid (d.w.z. 150 000 ton) van het antwoord van de EBB op de macrovragenlijst dat verwees naar 14 925 455 ton in het onderzoektijdvak, en zij kwam daarmee uit op 14 775 455 ton, oftewel het betreffende cijfer in tabel 5 van de voorlopige verordening. De afgetrokken hoeveelheden waren gebaseerd op de beste informatie over de productie van SAF in de Unie die de Commissie ter beschikking stond, onder meer in de vorm van marktgegevens, gegevens van producenten in de Unie, ramingen door EcoCeres (74) en het algemeen bekende feit dat de productie van SAF toenam naarmate de mandaatsperiode 2025 dichterbij kwam. Opgemerkt zij dat de CCCMC, noch enige andere partij, een alternatieve methode voorstelde voor het vaststellen van de volumes van SAF die van het antwoord van de EBB op de macrovragenlijst moesten worden afgetrokken. |
|
(180) |
Volgens de CCCMC is er geen bewijs voor de in de voorlopige verordening geuite bewering dat de productievolumes in het onderzoektijdvak “aanzienlijk daalden”. De CCCMC voerde daarnaast aan dat de daling hoe dan ook niet te wijten was aan invoer uit de VRC. De Commissie merkte op dat de daling van de productie tussen 2022 en het onderzoektijdvak overduidelijk was (– 3 %) en in ieder geval niet strookte met toenemend verbruik. De oorzaak van de daling werd in punt 5 van de voorlopige verordening toegelicht. |
|
(181) |
Aangezien er over dit punt geen andere opmerkingen werden ontvangen, werden de conclusies in de overwegingen 338 en 339 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.5.2.2. Verkoopvolume en marktaandeel
|
(182) |
Na de publicatie van de voorlopige verordening heeft de Commissie een aantal administratieve fouten in tabel 6 ontdekt. Tabel 6 wordt als volgt gewijzigd: Tabel 6 Verkoopvolume en marktaandeel
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(183) |
In haar opmerkingen na de mededeling van de voorlopige bevindingen merkte de CCCMC op dat de invoer uit de VRC zich in 2022 op het niveau van 2020 bevond, en voegde zij toe dat het niveau van de verkoop door producenten in de Unie begon te dalen toen de invoer uit de VRC zich op het lage niveau van 2020 bevond. Door zich uitsluitend te richten op de jaren 2022 en 2020 heeft de CCCMC een verkeerd beeld geschetst van het verband tussen de ontwikkeling van de invoer uit het betrokken land en het verkoopniveau in de bedrijfstak van de Unie. Rekening houdend met de ontwikkeling van die twee schade-indicatoren in de beoordelingsperiode, is het niveau van de verkoop door producenten in de Unie overduidelijk gedaald, terwijl de invoer uit de VRC toenam (bijvoorbeeld + 52 % tussen 2022 en het onderzoektijdvak). De Commissie wees het argument derhalve af. |
|
(184) |
In haar opmerkingen na de mededeling van de voorlopige bevindingen stelde de CCCMC dat de producenten in de Unie het grootste deel van hun marktaandeel waren kwijtgeraakt toen de invoer uit de VRC een marktaandeel van slechts 2,8 % vertegenwoordigde. De Commissie wees het argument af omdat het marktaandeel van de producenten in de Unie het meest was afgenomen tussen 2021 en 2022 toen de invoer uit de VRC aanzienlijk begon toe te nemen (+ 96 % tussen 2021 en 2022). |
|
(185) |
Aangezien er over dit punt geen andere opmerkingen werden ontvangen en met inachtneming van de corrigeerde versie van tabel 6, werden de conclusies in de overwegingen 340 en 341 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.5.2.3. Groei
|
(186) |
In haar opmerkingen na de mededeling van de voorlopige bevindingen betwistte de CCCMC de conclusie van de Commissie dat er geen sprake was van groei, aangezien uit tabel 11 een toename van investeringen van + 14 % blijkt en openbaar beschikbare informatie over het algemeen goede resultaten laat zien bij alle in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, alsook bij de producent in de Unie Astra Bioplant. De Commissie merkte op dat de door de CCCMC verstrekte openbaar beschikbare informatie onder meer een persbericht bevatte dat na het onderzoektijdvak was gepubliceerd, alsook de jaarverslagen voor 2023 van de gehele Eni-groep en Chevron Corporation (75), en daarmee niet representatief was voor de situatie van de productie in de Unie van biodiesel tijdens het onderzoektijdvak. De Commissie wees de argumenten van de CCCMC af. |
|
(187) |
Aangezien er over dit punt geen andere opmerkingen werden ontvangen, werden de conclusies in overweging 342 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.5.2.4. Werkgelegenheid en productiviteit
|
(188) |
In haar opmerkingen na de mededeling van de voorlopige bevindingen beweerde de CCCMC dat de Commissie haar WTO-verbintenissen (76) had geschonden, doordat zij niet kon aantonen dat het geraamde aantal werknemers in tabel 7 van de voorlopige verordening, ondanks tekortkomingen, in het kader van dit onderzoek redelijk nauwkeurig en toereikend was. De Commissie was het niet met de CCCMC eens. Tabel 7 van de voorlopige verordening bevat een weergave van door 31 biodieselproducenten aan de klager verstrekte werkgelegenheidsgegevens, plus een extrapolatie voor niet-respondenten op basis van de door respondenten verstrekte werkgelegenheidscijfers. In de voorlopige verordening werd opgemerkt dat niet alle producenten in de Unie hun werkgelegenheidsgegevens volgens dezelfde aanpak aan de EBB hebben verstrekt en dat voor niet-rapporterende ondernemingen soms ramingen nodig waren. De Commissie achtte deze situatie niet van dien aard dat de door de EBB verstrekte werkgelegenheidsgegevens ongeldig zouden zijn, met name omdat de Commissie zelf op een groot deel hiervan een vergelijkende controle had uitgevoerd tijdens de controlebezoeken aan de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie en de klager. Er zijn geen belanghebbenden geweest die andere gegevensreeksen hebben aangeleverd op basis waarvan de door de EBB verstrekte werkgelegenheidscijfers konden worden betwist of vervangen, en die de conclusies van de Commissie zouden veranderen. |
|
(189) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen herhaalde de CCCMC dat een toename van de werkgelegenheid een duidelijk teken van een gezonde industrie was, en betwistte zij vervolgens de bevindingen van de Commissie in overweging 345 van de voorlopige verordening met betrekking tot de redenering van de CCCMC over de dalende productiviteit. De CCCMC stelde dat de dalende productiviteit niet te wijten was aan de invoer uit de VRC aangezien de productiviteit in 2021 het sterkst was gedaald (met 5 %), oftewel in het jaar van de laagste invoer uit de VRC in de beoordelingsperiode. De Commissie wees op het duidelijke verband tussen de lagere productiviteit in het tweede deel van de beoordelingsperiode en de toename van de invoer uit de VRC tussen 2022 en het onderzoektijdvak (+ 55 %), en wees de argumenten van de CCCMC af. |
|
(190) |
Aangezien er over dit punt geen andere opmerkingen werden ontvangen, werden de conclusies in de overwegingen 343 en 345 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.5.2.5. Hoogte van de dumpingmarge en herstel van eerdere dumping
|
(191) |
Aangezien er over dit punt geen opmerkingen werden ontvangen, werden de conclusies in de overwegingen 346 tot en met 348 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.5.3. Micro-economische indicatoren
4.5.3.1. Prijzen en factoren die de prijzen beïnvloeden
|
(192) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen stelde de CCCMC dat de bevindingen van de Commissie niet staande konden worden gehouden zonder een gesegmenteerde schadeanalyse, en wees zij vervolgens op de aanzienlijke algemene stijging van de verkoopprijzen van producenten in de Unie (+ 69 %), ondanks de toenemende invoer uit de VRC. Daarnaast stelde de CCCMC dat de fluctuerende kloof tussen de verkoopprijzen en productiekosten per eenheid, als vermeld in tabel 8 van de voorlopige verordening, niet te wijten was aan de invoer uit de VRC. De CCCMC beweerde voorts dat er sprake was van een ontoereikende beoordeling van de factoren die de prijzen beïnvloeden, zoals de mogelijkheid om kosten aan afnemers door te berekenen en de hoge vaste kosten wegens overcapaciteit en het hoge werkgelegenheidsniveau. |
|
(193) |
De Commissie merkte op dat, ook al stegen de prijzen in de Unie en fluctueerde het verschil tussen de gemiddelde verkoopprijzen in de Unie en de gemiddelde productiekosten per eenheid, de gemiddelde verkoopprijzen in de Unie in het onderzoektijdvak, toen de invoer uit de VRC en ook het verbruik in de Unie op het hoogste niveau waren, slechts 2 EUR meer bedroegen dan de kostprijs (0,1 %), hetgeen een onhoudbare situatie oplevert. Gezien de grote vraag en het feit dat er sprake is van een bijzondere markt die aan duurzaamheids- en decarbonisatiedoelstellingen moet voldoen, was de Commissie het er niet mee eens dat afnemers de doorberekening van kosten door producenten niet zouden accepteren. De Commissie was het ermee eens dat de vaste kosten bij lagere productievolumes zouden toenemen, maar was van mening dat dit lagere productievolume geen vrijwillige keuze was maar een noodzakelijke reactie van de producenten in de Unie op de instroom van invoer tegen lage prijzen uit de VRC, die tweemaal wordt meegeteld voor bepaalde EU-streefcijfers voor hernieuwbare energie, zoals toegelicht in overweging 329 van de voorlopige verordening. |
|
(194) |
Aangezien er over dit punt geen andere opmerkingen werden ontvangen, werden de conclusies in de overwegingen 349 en 351 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.5.3.2. Loonkosten
|
(195) |
Aangezien er over dit punt geen opmerkingen werden ontvangen, werden de conclusies in de overwegingen 352 tot en met 353 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.5.3.3. Voorraden
|
(196) |
Aangezien er over dit punt geen nieuwe opmerkingen werden ontvangen, werden de conclusies in de overwegingen 354 en 355 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.5.3.4. Winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken
|
(197) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen wees de CCCMC op het ontbreken van een beoordeling van het vermogen van de bedrijfstak van de Unie om kapitaal aan te trekken. De CCCMC beweerde voorts dat er geen verband bestond tussen de invoer uit de VRC en de door de producenten in de Unie geleden schade, aangezien op het moment dat de invoer uit de VRC in 2021 daalde, de winstgevendheid en andere indicatoren van de producenten in de Unie ook afnamen, en op het moment dat de invoer uit de VRC in 2022 toenam, de producenten in de Unie er beter voor stonden. Daarnaast stelde de partij dat de Commissie geen rekening had gehouden met de context en onderlinge samenhang van schadefactoren, bijvoorbeeld in de zin dat extra investeringen een negatief effect op de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie zouden hebben gehad, en dat de Commissie geen rekening had gehouden met bewijs dat haaks leek te staan op de hypothesen van de Commissie. |
|
(198) |
Wat betreft het vermogen van de bedrijfstak van de Unie om kapitaal aan te trekken, merkte de Commissie op dat dit vermogen vanaf 2021 te lijden had onder de zeer negatieve kasstroom. |
|
(199) |
De bewering dat er geen verband bestond tussen de invoer uit de VRC en de door de producenten in de Unie geleden schade, was ongegrond. De Commissie bracht in herinnering dat de grootste daling van de winstgevendheid plaatsvond tussen 2022 en het onderzoektijdvak, d.w.z. toen de invoer uit de VRC op het hoogste niveau lag. Op dat moment bedroeg de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie slechts 0,1 %, oftewel een bedrag dat veel lager was dan een redelijke nagestreefde winst. |
|
(200) |
De Commissie betwistte de stelling dat zij bewijs dat haaks op haar analyses stond, terzijde zou hebben geschoven. De Commissie was niet van oordeel dat de door de CCCMC aangedragen elementen van belang waren voor het onderzoek, met name waar het de extrapolatie door de CCCMC betrof van de resultaten voor 2023 van Chevron Corporation, een Amerikaans multinationaal energiebedrijf dat gespecialiseerd is in olie en gas en in meer dan 180 landen actief is, naar de biodieselactiviteiten van de in de steekproef opgenomen producent in de Unie met de naam Chevron. Hetzelfde geldt voor de extrapolatie door de CCCMC van de resultaten voor 2023 van het Italiaanse multinationaal energiebedrijf Eni dat gespecialiseerd is in olie en in meer dan 60 landen actief is, naar de biodieselactiviteiten van de in de steekproef opgenomen producent in de Unie (Bio)raffineria di Gela. De Commissie heeft rekening gehouden met de context en onderlinge samenhang van schadefactoren, en kon in dit kader niet vaststellen dat extra investeringen een negatief effect op de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie hadden gehad, in de zin dat nieuwe langetermijninvesteringen eerder een effect hadden op de balans en dat de afschrijvingskosten van die investeringen in eerste instantie laag waren. |
|
(201) |
Aangezien er over dit punt geen andere opmerkingen werden ontvangen, werden de conclusies in de overwegingen 356 en 360 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.5.4. Conclusie inzake schade
|
(202) |
In haar afsluitende opmerkingen over de mededeling van de voorlopige bevindingen ontkende de CCCMC niet dat bepaalde schade-indicatoren betreffende de bedrijfstak van de Unie tijdens de beoordelingsperiode leken te zijn verslechterd. |
|
(203) |
Aangezien er over dit punt geen andere opmerkingen werden ontvangen, bevestigde de Commissie haar conclusies in de overwegingen 361 en 362 van de voorlopige verordening en concludeerde zij ondubbelzinnig dat de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade heeft geleden in de zin van artikel 3, lid 5, van de basisverordening. |
5. OORZAKELIJK VERBAND
5.1. Gevolgen van de invoer met dumping
|
(204) |
De verbonden importeur Excellence New Energy B.V. voerde aan dat de prijzen voor FAME na de instelling van de voorlopige maatregelen daalden, niet vanwege de biodiesel uit de VRC maar om verschillende andere redenen, zoals grote cyclische schommelingen op de markt voor de productie van olie, geopolitieke verschuivingen die nog altijd van invloed zijn op het aanbod/de vraag, een afname van het marktaandeel van plantaardige olie en de toename van het marktaandeel van HVO. De Commissie merkte op dat gebeurtenissen die na het onderzoektijdvak plaatsvonden, niet afdoen aan de conclusie dat de bedrijfstak van de Unie door de invoer met dumping uit de VRC tijdens het onderzoektijdvak aanmerkelijke schade heeft geleden, en dat de instelling van antidumpingmaatregelen daarmee gerechtvaardigd was. |
|
(205) |
In haar opmerkingen naar aanleiding van de mededeling van de voorlopige bevindingen stelde de CCCMC dat de Commissie erop moest toezien dat de invoer uit de VRC en de soortgelijke binnenlandse producten (met name FAME op basis van voedsel- en voedergewassen) voldoende substitueerbaar waren, alvorens over te gaan tot de vaststelling van een oorzakelijk verband tussen de invoer uit de VRC en de door de producenten in de Unie geleden aanmerkelijke schade. De Commissie verwees naar de punten 2.3 en 2.4 van de voorlopige verordening, waarin werd bevestigd dat de invoer uit de VRC en de binnenlandse producten, soortelijke en substitueerbare producten betroffen. |
|
(206) |
Onverminderd de conclusie van de Commissie in punt 4.5.4. van de voorlopige verordening stelde de CCCMC dat de invoer van biodiesel uit de VRC niet de oorzaak was van de negatieve ontwikkelingen waar bepaalde schade-indicatoren op duidden. De CCCMC stelde dat niet is voldaan aan de criteria van de toerekeningsanalyse aangezien de Commissie niet heeft toegelicht waarom de daling van het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie zou kunnen worden toegerekend aan de invoer uit de VRC, waar sprake was van een laag marktaandeel en welke invoer duurder was dan andere invoer. De CCCMC stelde dat de Commissie het WTO-recht had geschonden (77) aangezien de voorlopige verordening geen onafhankelijke beoordeling bevatte, noch een (afdoende) onderbouwing dat de “lage prijzen” van de invoer uit de VRC prijsverhogingen op de markt van de Unie in de weg stonden, waardoor de bedrijfstak van de Unie niet in staat was gezonde winsten te maken. De CCCMC stelde dat er niet van kan worden uitgegaan dat er sprake was van een verhindering van een prijsverhoging, en dat de verkoopprijzen, invoerprijzen, volumes en verschillende in de voorlopige verordening genoemde ontwikkelingen absoluut niet de oorzaak kunnen zijn geweest van prijsonderbieding of een verhindering van prijsverhogingen, aangezien de prijs van de invoer uit de VRC van biodiesel hoger bleef dan die in de Unie, en in de beoordelingsperiode met 53 % steeg. Gezien het feit dat de gemiddelde invoerprijzen uit de VRC veel hoger waren dan de gemiddelde verkoopprijzen van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, was het volgens de CCCMC onduidelijk hoe de betreffende invoer de prijzen zou “onderbieden” of “onderdrukken”, of hoe deze een stijging van de gemiddelde binnenlandse prijzen per eenheid in de weg zou staan. |
|
(207) |
De Commissie wees bovenstaande argumenten van de CCCMC af. De verkoopprijzen in de tabellen 4 en 8 van de voorlopige verordening betreffen verschillende productmixen (78), zoals toegelicht in overweging 370 van de voorlopige verordening, en deze zijn niet rechtstreeks vergelijkbaar. Sterker nog, tijdens het onderzoektijdvak lag de gemiddelde verkoopprijs van in de Unie vervaardigde biodiesel, die uiteindelijk werd vergeleken met de prijzen van de invoer uit de VRC, hoger dan de in tabel 8 van de voorlopige verordening vermelde verkoopprijs, namelijk tussen 1 590 EUR/ton en 2 400 EUR/ton, oftewel overduidelijk hoger dan de invoer uit de VRC. Rekening houdend met de door zowel de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs als de producenten in de Unie verkochte productmix, stelde de Commissie desalniettemin zowel prijsonderbieding als een verhindering van prijsverhogingen vast. Zoals toegelicht in overweging 171, is het bovendien aannemelijk dat er tijdens de beoordelingsperiode sprake was van prijsonderbieding, aangezien de informatie in het dossier er niet op duidt dat er gedurende die periode veranderingen hebben plaatsgevonden wat betreft de productmix van de invoer en de verkoop in de bedrijfstak van de Unie. Tijdens het onderzoektijdvak bleek voor vergelijkbare productsoorten dat de prijsonderbieding van de invoer uit de VRC ten opzichte van de prijzen van de bedrijfstak van de Unie tussen 5,3 % en 13,8 % bedroeg, terwijl de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie niet voldoende konden worden verhoogd om gezonde winsten mogelijk te maken. Wat betreft de vaststelling van verhindering van prijsverhogingen ging de Commissie uit van een waarneembare feitelijke situatie (uit berekeningen per productsoort bleek dat de prijzen van de bedrijfstak van de Unie werden onderboden door de prijzen van biodiesel uit de VRC), merkte zij op dat de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie over het algemeen slechts marginaal boven zijn gemiddelde productiekosten lagen, en concludeerde zij dat de prijzen van de producenten in de Unie zonder prijsonderbieding door de VRC op natuurlijke wijze meer zouden zijn gestegen dan nu het geval was. Bij een gezonde en toenemende vraag had de Commissie verwacht een toename te zien in de spreiding tussen de gemiddelde verkoopprijs in de Unie en de productiekosten, terwijl de spreiding juist afnam, van 26 EUR/ton in 2022 naar 2 EUR/ton in het onderzoektijdvak. De Commissie merkte op dat het niveau van prijsonderbieding in het definitieve stadium van de procedure werd bevestigd, en dat dit niveau als aanzienlijk werd aangemerkt aangezien het hier om een grondstof ging. Zoals uiteengezet in overweging 176, werd daarnaast bevestigd dat sprake was van verhindering van prijsverhogingen, in de vorm van de voor iedere in de steekproef opgenomen producent-exporteur vastgestelde prijsbederfmarges. |
|
(208) |
Daarnaast wees de Commissie op het feit dat uit de afbeelding in tabel 3 hierboven niet naar voren komt dat biodiesel uit de VRC de vraag naar andere soorten biodiesel — met name biodiesel uit voedergewassen die in de Unie wordt vervaardigd — heeft doen afnemen, en wel met tweemaal de in tabel 3 vermelde hoeveelheden als gevolg van de “dubbeltelling” van biodiesel uit de VRC, zoals nader toegelicht in het volgende punt. |
|
(209) |
Aangezien er over dit punt geen andere opmerkingen werden ontvangen, werden de conclusies in de overwegingen 364 en 367 van de voorlopige verordening bevestigd. |
5.2. Gevolgen van andere factoren
5.2.1. Invoer uit derde landen
|
(210) |
De correctie van tabel 6 als bedoeld in punt 4.5.2.2 hierboven zorgde voor een kleine wijziging in een aantal van de marktaandelen in het onderzoektijdvak zoals weergegeven in tabel 12 van de voorlopige verordening. De definitieve tabel 12 is als volgt: Tabel 12 Invoer uit derde landen
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(211) |
In haar opmerkingen na de mededeling van de voorlopige bevindingen hield de CCCMC vast aan haar mening dat de producenten in de Unie het grootste deel van hun marktaandeel waren kwijtgeraakt toen de invoer uit derde landen toenam. De CCCMC stelde dat het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie in de beoordelingsperiode weliswaar met bijna 10 procentpunt afnam, maar dat het marktaandeel van de invoer uit de VRC met 2,6 procentpunt toenam, oftewel veel minder dan de invoer uit derde landen. De CCCMC beklaagde zich over het feit dat de Commissie, bij gebrek aan informatie over de grondstoffen van de invoer uit derde landen, niet in staat was tot een zinvolle conclusie te komen over de gevolgen van die invoer, en dat zij zonder enige onderbouwing aannamen had gedaan volgens welke de invoer uit derde landen op de markt doorgaans geen hogere prijzen kan bedingen. |
|
(212) |
De Commissie bevestigde op basis van de beschikbare informatie dat een groot deel van de invoer uit andere derde landen dan de VRC uit voedergewassen geproduceerde producten betrof, zoals onder meer bevestigd in het statistisch overzicht 2023 van de EBB (81), de GAIN-verslagen inzake de VRC (82) en de Europese Unie (83), marktgegevens (84) en een reeks door de Commissie uitgevoerde handelsbeschermingsonderzoeken (85). Wat betreft de invoer uit Singapore heeft de Commissie bewijs verzameld waaruit bleek dat de prijzen van die invoer geen goede weerspiegeling van de daadwerkelijke marktvoorwaarden waren. De invoer in de Unie van oorsprong uit het Verenigd Koninkrijk (86) betrof voornamelijk verhandelde goederen (87), mogelijk met inbegrip van een verrekening tussen grensoverschrijdende producenten in het VK (88)/de EU tegen verrekenprijzen; de Commissie kon die goederen niet nader traceren. Daarnaast zijn er tekenen die duiden op abnormale handelspraktijken in de sector in het Verenigd Koninkrijk tijdens de beoordelingsperiode (89). Ten derde hebben de relevante autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk oliemaatschappijen vergunningen voor actieve veredeling verleend voor ingevoerde biodiesel, waardoor het mogelijk was biodiesel die niet afkomstig was uit het Verenigd Koninkrijk via het Verenigd Koninkrijk in de Unie in te voeren, met een vertekening van de statistieken tot gevolg. Die praktijken zijn pas recentelijk beëindigd (90) (91). |
|
(213) |
De Commissie bevestigde dat de invoer uit de VRC van gebruikte bak- en braadolie/biodiesel op basis van afval, het tijdens het onderzoektijdvak gemakkelijker maakte de verplichtingen in het kader van bepaalde nationale mandaten na te komen als gevolg van de lagere fysieke hoeveelheden biodiesel, die in de markt van de Unie in aanmerking komt voor een premie. Uit hoofde van de richtlijnen hernieuwbare energie moeten de lidstaten voor hun energieverbruik een bepaald aandeel van hun energieverbruik uit hernieuwbare energiebronnen halen. Voor het behalen van het algemene nagestreefde aandeel zijn de lidstaten gehouden aan verschillende streefcijfers/submandaten. In de vervoerssector kunnen geavanceerde biobrandstoffen, met name biodiesel vervaardigd uit gebruikte bak- en braadolie en bepaalde afgewerkte vetten, tweemaal worden meegeteld voor het behalen van de nationale streefcijfers. Deze dubbele meetelling beperkt het effect van het verhogen van de mandaten inzake fysieke mengvolumes, aangezien er minder biodiesel (ongeveer de helft) nodig is om aan het mandaat te voldoen. |
|
(214) |
De Commissie merkte op dat de marktdeelnemers hun streefcijfers via de meeste invoer uit andere derde landen niet zo snel hadden kunnen behalen (als met biodiesel uit de VRC), aangezien het bij die invoer ging om op voedergewassen gebaseerde producten. De Commissie kwam derhalve tot de conclusie dat een zinvolle vergelijking tussen biodieselprijzen, -volumes en -marktaandelen van oorsprong uit verschillende landen alleen kon worden gemaakt wanneer rekening werd gehouden met de betrokken productmix. De invoer van op voedergewassen gebaseerde biodiesel uit derde landen heeft de biodiesel van de Unie niet in dezelfde mate verdrongen als het geval was met biodiesel uit de VRC (tweemaal dat niveau), en kon geen schade hebben veroorzaakt in een mate die het oorzakelijk verband tussen invoer met dumping uit de VRC en de nadelige situatie van de producenten in de Unie zou kunnen afzwakken. |
|
(215) |
Aangezien er over dit punt geen andere opmerkingen werden ontvangen, werden de conclusies in de overwegingen 368 tot en met 372 van de voorlopige verordening bevestigd, met inachtneming van de definitieve tabel 12. |
5.2.2. Uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie
|
(216) |
Aangezien er over dit punt geen opmerkingen werden ontvangen, werden de conclusies in de overwegingen 373 tot en met 376 van de voorlopige verordening bevestigd. |
5.2.3. Stijgingen in de kosten/productiekosten
|
(217) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen stelde de CCCMC dat de stijging van de productie- en arbeidskosten, en de daling van de productiviteit, mogelijke oorzaken waren voor de schade voor de bedrijfstak van de Unie. De Commissie wees de argumenten van de CCCMC af omdat de prijsdruk van de biodiesel uit de VRC ervoor had gezorgd dat de bedrijfstak van de Unie niet in staat was de kostenstijging door te berekenen in zijn prijzen. De kostenstijging heeft het oorzakelijk verband derhalve niet afgezwakt. |
|
(218) |
Aangezien er over dit punt geen andere opmerkingen werden ontvangen, werden de conclusies in overweging 377 van de voorlopige verordening bevestigd. |
5.2.4. Andere factoren
|
(219) |
De CCCMC stelde dat de producenten in de Unie de schade zelf teweeg hadden gebracht, aangezien zij niet in staat waren biodiesel te produceren die in aanmerking komt voor een dubbel tellende premie. |
|
(220) |
De Commissie was het niet eens met de stelling dat producenten in de Unie niet in staat waren biodiesel te produceren die in aanmerking komt voor een dubbel tellende premie. De Commissie wees op overweging 57 van de voorlopige verordening en herinnerde eraan dat de vaststelling van de prijsonderbieding, zoals uiteengezet in punt 4.4.2 van de voorlopige verordening, op berekeningen per productsoort gebaseerd was, en dat de biodiesel uit de VRC was vergeleken met in de Unie uit dezelfde grondstoffen vervaardigde biodiesel die in aanmerking kwam voor dezelfde soort (dubbel tellende) premie. |
|
(221) |
De CCCMC stelde dat de producenten in de Unie de schade zelf teweeg hadden gebracht door grote investeringen te doen met een negatieve kasstroom en een verlaagd rendement van investeringen tot gevolg. |
|
(222) |
Het punt met betrekking tot het verband tussen de gedaalde winstgevendheid en de investeringen door producenten in de Unie is in de overwegingen 197 tot en met 201 aan de orde gesteld. De Commissie herinnerde eraan dat de invoer uit de VRC de winstgevendheid van producenten in de Unie heeft doen afnemen. Zoals blijkt uit de voor producenten in de Unie bestemde blanco vragenlijsten, is de winstgevendheid het belangrijkste element in de formule die wordt gebruikt voor het vaststellen van cijfers voor de kasstroom en het rendement van investeringen. In overweging 359 van de voorlopige verordening werd opgemerkt dat de grote investeringen in het laatste deel van de beoordelingsperiode reeds lang geplande projecten betroffen en slechts betrekking hadden op twee ondernemingen. |
|
(223) |
Excellence New Energy B.V. stelde dat de bedrijfstak van de Unie wegens de richtprijs van 1 900-2 200 EUR/ton, die veel hoger is dan de invoerprijzen, niet met ingevoerde producten kon concurreren. De Commissie lichtte toe dat de richtprijs van 1 900-2 200 EUR/ton slechts gold voor een zeer specifieke productmix waarmee de Chinese modellen waren vergeleken, en dat die prijs het concurrentievermogen van de bedrijfstak van de Unie derhalve niet in twijfel kon trekken. De invoer in tabel 12 van de voorlopige verordening betrof verschillende productmixen, zoals uiteengezet in overweging 370 van de voorlopige verordening. |
5.3. Conclusie inzake oorzakelijk verband
|
(224) |
Aangezien er over dit punt geen andere opmerkingen werden ontvangen, werden de conclusies in de overwegingen 378 en 380 van de voorlopige verordening bevestigd. |
6. NIVEAU VAN DE MAATREGELEN
6.1. Schademarge
|
(225) |
Aangezien de Commissie de invoer in de periode van voorafgaande kennisgeving niet heeft geregistreerd, heeft zij overeenkomstig artikel 9, lid 4, derde alinea, van de basisverordening de ontwikkeling van de ingevoerde volumes geanalyseerd om vast te stellen of er in de in overweging 4 beschreven periode van voorafgaande kennisgeving ten aanzien van de invoer waarop het onderzoek betrekking heeft, sprake was van een verdere aanzienlijke toename, om op die manier de extra schade ten gevolge van deze toename in de schademarge te verrekenen. |
|
(226) |
Uit gegevens van de databank Surveillance 2 blijkt dat de invoer uit de VRC in de periode van voorafgaande kennisgeving van vier weken 58 % lager was dan de gemiddelde invoer in het onderzoektijdvak op vierwekelijkse basis. Op grond daarvan heeft de Commissie geconcludeerd dat de invoer waarop het onderzoek betrekking heeft, in de periode van voorafgaande kennisgeving niet aanzienlijk was gestegen. |
|
(227) |
Daarom heeft de Commissie de schademarge in dit opzicht niet gecorrigeerd. |
|
(228) |
Verschillende partijen in de VRC betwistten de nagestreefde winst van 11 % die werd gebruikt voor de berekening van de schademarge, op grond van de stelling dat een dergelijke winstmarge onrealistisch en/of zinloos was in het licht van de marktontwikkelingen en andere elementen (bv. wijzigingen van de regelgeving, kostengerelateerde aspecten) sinds 2013, oftewel het jaar waarin de waarde van 11 % uiteindelijk werd vastgesteld. De partijen vroegen de Commissie een actuelere/meer zinvolle nagestreefde winst vast te stellen, waarbij de CCCMC aanvoerde dat de winst voor de bedrijfstak van de Unie haalbaar moest zijn. De Jiaao-groep verwachtte een nagestreefde winst van minder dan 11 %, aangezien de groep van mening was dat de winstmarges in de meeste industriële sectoren in de loop der tijd zouden afnemen vanwege de concurrentie op de markt en de technologische vooruitgang. Volgens de Zhuoyue-groep moest de nieuwe nagestreefde winst worden vastgesteld na de beëindiging van de in 2018 gestarte antidumpingonderzoeken tegen Argentinië en Indonesië, aangezien die beëindiging zou inhouden dat er niet langer sprake was van schade aan de bedrijfstak van de Unie. In haar opmerkingen over de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalde de Zhuoyue-groep deze opmerkingen met als reden dat de winstgevendheid de afgelopen jaren volgens haar onder normale mededingingsvoorwaarden tot stand was gekomen. |
|
(229) |
Zoals uiteengezet in overweging 384 van de voorlopige verordening kon de Commissie geen winstmarge vaststellen op basis van de jaren voorafgaand aan de stijging van de invoer uit de VRC, aangezien de bedrijfstak van de Unie jarenlang te lijden had onder een instroom van invoer met dumping/subsidiëring, zodat geen enkele periode als een periode met normale mededingingsvoorwaarden op de markt van de Unie kon worden beschouwd. Bijgevolg heeft de Commissie gebruikgemaakt van de winst die in eerdere onderzoeken voor dit soort bedrijfstakken was vastgesteld, onder meer in een in 2019 afgesloten onderzoek. De basiswinst werd vastgesteld op 11 % (92). Het argument van de Jiaao-groep dat de winstmarges mettertijd zouden dalen als gevolg van concurrentie op de markt en technologische vooruitgang, werd niet onderbouwd, met name wat de biodieselsector betreft. Behalve de overeenkomstig artikel 7, lid 2, punt c), van de basisverordening door de Jiaao-groep voorgestelde winstmarge van 6 %, stelde geen enkele andere partij een naar haar mening redelijke(re) basiswinst voor. De argumenten dat 11 % een ongeschikte nagestreefde winst was, werden afgewezen. |
|
(230) |
Een partij in de VRC stelde dat de in overweging 387 van de voorlopige verordening genoemde geen schade veroorzakende prijs niet mocht worden gebaseerd op de productiekosten in tabel 8 van de voorlopige verordening, omdat het hier om een abnormale trend zou gaan. De partij vroeg om een correctie met het oog op de berekening van de geen schade veroorzakende prijs (zonder echter toe te lichten hoe en met welk percentage), om zo de beweerde abnormale trends te corrigeren, bijvoorbeeld de hoge energieprijzen als gevolg van oorlog. De Commissie wees de argumenten af en herinnerde eraan dat tabel 8 van de voorlopige verordening de productiekosten voor een bredere productmix weergeeft dan de producten waarmee de invoer uiteindelijk werd vergeleken. |
|
(231) |
De verbonden importeur Excellence New Energy B.V. stelde vraagtekens bij de door de Commissie vastgestelde richtprijs omdat de vermeerdering van de productiekosten in tabel 8 van de voorlopige verordening met een nagestreefde winst van 11 %, plus nalevingskosten, amper 1 508 EUR/ton opleverde. De Commissie lichtte toe dat tabel 8 van de voorlopige verordening de productiekosten voor een bredere productmix weergeeft dan de productie waarmee de Chinese modellen werden vergeleken. |
|
(232) |
Aangezien er geen opmerkingen werden ontvangen, werd overweging 389 van de voorlopige verordening bevestigd. Voor de meewerkende producenten-exporteurs en alle andere ondernemingen gelden de volgende definitieve schademarges:
|
6.2. Conclusie over het niveau van de maatregelen
|
(233) |
Na bovenstaande beoordeling moeten de definitieve antidumpingrechten overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de basisverordening als volgt worden vastgesteld:
|
7. BELANG VAN DE UNIE
7.1. Belang van de bedrijfstak van de Unie
|
(234) |
De EBB (namens haar leden) en Neste meenden dat de maatregelen in het belang van de Unie waren. |
|
(235) |
De CCCMC stelde dat de overwegingen van de Commissie in dit punt in de voorlopige verordening niet overtuigend waren, aangezien de concurrentie met invoer uit derde landen zal aanhouden en ook de grondstoffen voor de productie van biodiesel zullen moeten worden ingevoerd. De Commissie merkte op dat gezonde concurrentie op de markt wordt toegejuicht en wees de argumenten van de CCCMC af. |
|
(236) |
Aangezien er over dit punt geen andere opmerkingen werden ontvangen, werden de bevindingen in de overwegingen 392 tot en met 394 van de voorlopige verordening bevestigd. |
7.2. Belang van niet-verbonden importeurs, handelaren en distributeurs
|
(237) |
Aangezien er over dit punt geen opmerkingen werden ontvangen, werden de overwegingen 395 tot en met 398 van de voorlopige verordening bevestigd. |
7.3. Belang van gebruikers, consumenten en leveranciers
|
(238) |
Quatra, een inzamelaar van gebruikte bak- en braadolie, stelde dat de uitsluiting van SAF en gebruikte bak- en braadolie van de reikwijdte van de maatregelen, het startschot zou zijn voor de invoer van die goederen in de Unie en een negatief effect zou hebben op de inspanningen van de Unie op het gebied van duurzaamheid door het ontmoedigen van de aankoop van gebruikte bak- en braadolie/grondstoffen op de binnenlandse markt. De Commissie wees de argumenten af omdat gebruikte bak- en braadolie van het toepassingsgebied van het onderzoek was uitgesloten. |
|
(239) |
Chane, een grote aanbieder van diensten voor de opslag van biobrandstoffen, die zich tevens bezighield met de verwerking van SAF, stelde dat de maatregelen zijn ambities op het gebied van duurzaamheid zouden ondermijnen en tot problemen zouden leiden voor de dynamiek van de toeleveringsketen, met mogelijke gevolgen voor de beschikbaarheid en toegankelijkheid van hernieuwbare energiebronnen. Chane maakte zich zorgen over verstoringen, inefficiënte opslagvoorzieningen, potentiële onderbenutting en negatieve financiële gevolgen. De Commissie merkte op dat de maatregelen weliswaar gevolgen zouden kunnen hebben voor bepaalde stromen in de toeleveringsketen, maar dat de beschikbaarheid van biodiesel gegarandeerd was gezien de productiecapaciteit van de producenten in de Unie en de omvangrijke invoer. De maatregelen zijn niet gericht op de verhindering van invoer, maar op het herstel van eerlijke concurrentievoorwaarden op de markt voor biodiesel in de Unie. |
|
(240) |
Aangezien er over dit punt geen andere opmerkingen werden ontvangen, werden de bevindingen in de overwegingen 399 tot en met 400 van de voorlopige verordening bevestigd. |
7.4. Andere factoren
|
(241) |
De CCCMC betwistte de bewering van de Commissie in dit punt van de voorlopige verordening dat de bedrijfstak van de Unie over voldoende capaciteit beschikt om aan de vraag te voldoen, omdat zij van mening was dat de bedrijfstak van de Unie er tijdens het onderzoektijdvak niet goed voor stond en de vooruitzichten met betrekking tot de productie van raapzaad, niet goed waren. Gezien haar bevindingen betreffende de reservecapaciteit van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, haar algemene bevindingen betreffende de bedrijfstak van de Unie en de verschillende grondstoffen waar biodiesel uit kan worden vervaardigd, was de Commissie het hier niet mee eens. |
|
(242) |
De CCCMC betwistte de bewering van de Commissie in overweging 402 van de voorlopige verordening dat de instelling van maatregelen een positief effect zou hebben op de duurzaamheid en de uitstoot van broeikasgassen (93). De Commissie wees op de rol van de door sommige producenten in de Unie voorgestelde goede landbouwpraktijken met betrekking tot koolstofvastlegging in de bodem (94), en wees de argumenten van de CCCMC af. |
|
(243) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen stelde de verbonden importeur Excellence New Energy B.V. dat buitensporige rechten contraproductief zouden zijn voor de bredere decarbonisatiedoelstellingen en betwijfelde deze onderneming, net als de CCCMC, of antidumpingmaatregelen passend waren in de bredere context van het internationale optreden ter bestrijding van de klimaatverandering. De CCCMC voegde hieraan toe dat het onzekere milieubeleid groene investeringen en groene innovatie door ondernemingen in de weg stond, en dat maatregelen van invloed zouden zijn op het soort biodiesel waar de EU-wetgever de voorkeur aan geeft. |
|
(244) |
De Commissie merkte op dat de rechten niet buitensporig hoog waren en dat de maatregelen niet gericht zijn op de verhindering van invoer, maar op het herstel van eerlijke concurrentievoorwaarden op de markt voor biodiesel in de Unie. De instelling van antidumpingmaatregelen mag niet leiden tot twijfels over de inzet van de Commissie betreffende de bestrijding van de klimaatverandering indien deze maatregelen wettelijk gerechtvaardigd zijn. De bevindingen over de gerechtvaardigde noodzaak om het gelijke speelveld in de Unie te herstellen, waren duidelijk. Opgemerkt werd dat de sluiting van biodieselfabrieken in de Unie de afhankelijkheid van biodiesel uit derde landen in verafgelegen locaties zou vergroten, wat contraproductief is als het gaat om het verkleinen van de koolstofvoetafdruk van de Unie. De Commissie wees de argumenten van Excellence New Energy B.V. en de CCCMC af. |
|
(245) |
Excellence New Energy B.V. voerde aan dat de instelling van maatregelen tot verstoringen in terminals en havens zou leiden. Dit niet onderbouwde argument werd afgewezen. |
7.5. Conclusie inzake het belang van de Unie
|
(246) |
Aangezien er geen andere opmerkingen over het belang van de Unie werden ontvangen, werden de conclusies in de overwegingen 404 en 405 van de voorlopige verordening bevestigd. |
8. DEFINITIEVE ANTIDUMPINGMAATREGELEN
8.1. Definitieve maatregelen
|
(247) |
In het licht van de conclusies inzake dumping, schade, het oorzakelijk verband, het niveau van de maatregelen en het belang van de Unie, en overeenkomstig artikel 9, lid 4, van de basisverordening moeten definitieve antidumpingmaatregelen worden ingesteld om te voorkomen dat de bedrijfstak van de Unie nog meer schade lijdt door de invoer met dumping van het betrokken product. |
|
(248) |
Gezien het voorgaande moeten de definitieve antidumpingrechten, uitgedrukt in cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring, als volgt worden vastgesteld:
|
|
(249) |
De EBB stelde dat het gebruik door sommige marktdeelnemers van het massabalanssysteem in het kader van de richtlijn nieuwe energie, neerkomt op de ontwijking van antidumpingmaatregelen op biodiesel uit de VRC. De EBB merkte op dat handelaren de certificaten van “bewijs van duurzaamheid” tussen EU- en niet-EU-producten konden uitwisselen door biodiesel die niet uit de EU afkomstig is te verzenden volgens de T1-procedure (d.w.z. vóór inklaring) en het “bewijs van duurzaamheid” daarvan in de Unie te verkopen (namelijk in het geval van materialen die twee keer meetellen voor de EU-streefcijfers voor hernieuwbare energie), terwijl de fysieke biodiesel naar bestemmingen buiten de Unie wordt gezonden. De Commissie was het er niet mee eens dat die activiteiten als ontwijking kunnen worden aangemerkt die in het kader van dit onderzoek moet worden aangepakt. |
|
(250) |
Neste en de EBB stelden dat de uitsluiting van de maatregelen van HEFA-SPK/gemengd SAF het risico op ontwijking van de antidumpingmaatregelen op biodiesel uit de VRC zou doen toenemen en het corrigerende effect van de maatregelen zou ondermijnen. In dit kader wees Neste op het ontbreken van specifieke afzonderlijke GN-codes voor de meeste hernieuwbare brandstoffen en op het feit dat HEFA-SPK en HVO onder dezelfde goederencode kunnen vallen wanneer zij aan dezelfde distillatiespecificaties voldoen. De EBB stelde dat het lastig was aan de grens een onderscheid te maken tussen SAF en HVO. |
|
(251) |
In hun opmerkingen na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalden Neste en de EBB de kern van de in bovenstaande overweging samengevatte opmerkingen. De EBB voerde aan dat de Chinese industrie snel van HVO op SAF zou overschakelen, waarmee zij de betaling van antidumpingrechten op HVO zouden vermijden. De EcoCeres-groep was het er niet mee eens dat de omschakeling naar SAF snel kon plaatsvinden. De EBB riep de Commissie op tot een proactieve aanpak met betrekking tot een nieuw mechanisme voor de uitvoerbelasting op Chinese gebruikte bak- en braadolie, dat een soort steun zou vormen om de antidumpingrechten te absorberen en ook kon worden beschouwd als een tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie die de Chinese prijzen van FAME, HVO en SAF bij uitvoer naar de Unie in de nabije toekomst zou verlagen. De EBB pleitte specifiek voor het invoeren van nieuwe SAF-specifieke Taric-codes voor monitoringdoeleinden met het oog op een zorgvuldige monitoring van de invoerprijs van biodiesel in de Unie, en voor het ambtshalve openen van een onderzoek om de dumpingmarges van het onderhavige onderzoek te herzien. De EcoCeres-groep herinnerde aan de reeds bestaande instrumenten om de bewegingen van biobrandstoffen te monitoren, namelijk de Uniedatabank voor biobrandstoffen van de Commissie, die sinds 2024 operationeel is. |
|
(252) |
De Commissie nam nota van de door de partijen gemaakte opmerkingen en zegde toe de biodiesel- en SAF-stromen te zullen monitoren na de instelling van de antidumpingmaatregelen op biodiesel uit de VRC zoals gedefinieerd in artikel 1 van deze verordening. Daarom zijn met het oog op de monitoring afzonderlijke Taric-codes vastgesteld voor duurzame luchtvaartbrandstof zoals gedefinieerd in artikel 1 van deze verordening en van oorsprong uit de Volksrepubliek China. |
|
(253) |
De CCCMC plaatste vraagtekens bij de vorm van de maatregelen. De Commissie wees het niet onderbouwde argument van de CCCMC af. |
|
(254) |
De bij deze verordening voor bepaalde ondernemingen vastgestelde individuele antidumpingrechten zijn gebaseerd op de bevindingen van dit onderzoek. Zij weerspiegelen dan ook de situatie die bij het onderzoek voor die ondernemingen werd geconstateerd. Deze rechten zijn derhalve uitsluitend van toepassing op de invoer van het onderzochte product van oorsprong uit het betrokken land en vervaardigd door de genoemde rechtspersonen. De invoer van het betrokken product dat is vervaardigd door andere ondernemingen die in het dispositief van deze verordening niet uitdrukkelijk worden genoemd, met inbegrip van entiteiten die aan de specifiek genoemde ondernemingen zijn verbonden, komt niet in aanmerking voor deze rechten, en op deze invoer moet het recht van toepassing zijn dat voor “alle overige invoer van oorsprong uit de Volksrepubliek China” geldt. |
|
(255) |
Een onderneming die later haar naam wijzigt, kan verzoeken om verdere toepassing van deze individuele antidumpingrechten. Dit verzoek moet worden ingediend bij de Commissie (95). Het moet alle relevante informatie bevatten waaruit blijkt dat de wijziging geen invloed heeft op het recht van de onderneming om in aanmerking te komen voor het recht dat op haar van toepassing is. Als de naamswijziging van de onderneming niet van invloed is op haar recht om in aanmerking te komen voor het recht dat op haar van toepassing is, zal een verordening over de naamswijziging worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. |
|
(256) |
Om het risico op ontwijking als gevolg van het verschil in rechten zo veel mogelijk te beperken, zijn speciale maatregelen nodig om de juiste toepassing van de individuele antidumpingrechten te garanderen. De heffing van individuele antidumpingrechten is enkel van toepassing op vertoon van een geldige handelsfactuur aan de douaneautoriteiten van de lidstaten. De factuur moet voldoen aan de in artikel 1, lid 3, van deze verordening vastgestelde vereisten. Totdat een dergelijke factuur wordt overgelegd, moet de invoer worden onderworpen aan het antidumpingrecht dat van toepassing is op “alle overige invoer van oorsprong uit de Volksrepubliek China”. |
|
(257) |
Hoewel de douaneautoriteiten van de lidstaten over deze factuur moeten beschikken om ten aanzien van de invoer de individuele antidumpingrechten te kunnen toepassen, is overlegging van die factuur niet de enige factor waarmee de douaneautoriteiten rekening moeten houden. Zelfs als aan hen een factuur wordt overgelegd die voldoet aan alle voorschriften van artikel 1, lid 3, van deze verordening, moeten de douaneautoriteiten van de lidstaten namelijk hun gebruikelijke controles uitvoeren en kunnen zij, net als in alle andere gevallen, aanvullende documenten (vervoersdocumenten enz.) verlangen om de juistheid van de gegevens in de aangifte te controleren en te waarborgen dat het recht vervolgens terecht wordt toegepast, in overeenstemming met de douanewetgeving. |
|
(258) |
Indien het volume van de uitvoer door een van de ondernemingen die een lager individueel recht genieten, na de instelling van de maatregelen in kwestie aanzienlijk toeneemt, kan dit op zich worden beschouwd als een verandering in de structuur van het handelsverkeer als gevolg van de instelling van maatregelen in de zin van artikel 13, lid 1, van de basisverordening. In dergelijke omstandigheden kan een onderzoek naar ontwijking worden geopend, mits aan de voorwaarden hiervoor is voldaan. Hierbij kan onder meer worden onderzocht of het nodig is individuele rechten in te trekken en in plaats daarvan het voor het gehele land geldende recht in te stellen. |
|
(259) |
Om een goede toepassing van het antidumpingrecht te garanderen, moet het voor alle overige invoer van oorsprong uit de VRC vastgestelde antidumpingrecht niet alleen gelden voor de niet-meewerkende producenten-exporteurs in dit onderzoek, maar ook voor de producenten die in het onderzoektijdvak geen producten naar de Unie hebben uitgevoerd. |
|
(260) |
Producenten-exporteurs die het betrokken product tijdens het onderzoektijdvak niet naar de Unie hebben uitgevoerd, moeten de Commissie kunnen verzoeken om toepassing van het antidumpingrecht voor niet in de steekproef opgenomen meewerkende ondernemingen. De Commissie moet een dergelijk verzoek inwilligen mits aan drie voorwaarden wordt voldaan. De nieuwe producent-exporteur zou moeten aantonen dat: i) hij het betrokken product tijdens het onderzoektijdvak niet naar de Unie heeft uitgevoerd; ii) hij niet verbonden is met een producent-exporteur die dat wel heeft gedaan, iii) en hij het betrokken product daarna heeft uitgevoerd of een onherroepelijke contractuele verplichting is aangegaan om dit in aanzienlijke hoeveelheden te doen. |
8.2. Definitieve inning van de voorlopige rechten
|
(261) |
Gezien de hoogte van de vastgestelde dumpingmarges en de ernst van de schade die de bedrijfstak van de Unie is berokkend, moeten de bedragen die uit hoofde van de bij de voorlopige verordening ingestelde voorlopige antidumpingrechten als zekerheid zijn gesteld, definitief worden geïnd op het in de voorlopige verordening vastgestelde niveau en tot het bij de onderhavige verordening vastgestelde niveau. |
9. SLOTBEPALING
|
(262) |
Indien een bedrag moet worden terugbetaald naar aanleiding van een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, geldt ingevolge artikel 109 van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad (96) als rentevoet de rente die de Europese Centrale Bank voor haar basisherfinancieringstransacties hanteert, zoals bekendgemaakt in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie op de eerste kalenderdag van elke maand. |
|
(263) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1036 ingestelde comité, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasoliën van niet-fossiele oorsprong, beter bekend als “biodiesel”, in zuivere vorm of in mengsels, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 1516 20 98 (Taric-codes 1516 20 98 21, 1516 20 98 22, 1516 20 98 23, 1516 20 98 29, 1516 20 98 31, 1516 20 98 32 en 1516 20 98 39), ex 1518 00 91 (Taric-codes 1518 00 91 21, 1518 00 91 22, 1518 00 91 23, 1518 00 91 29, 1518 00 91 31, 1518 00 91 32 en 1518 00 91 39), ex 1518 00 95 (Taric-code 1518 00 95 10, 1518 00 95 11 en 1518 00 95 19), ex 1518 00 99 (Taric-codes 1518 00 99 21, 1518 00 99 22, 1518 00 99 23, 1518 00 99 29, 1518 00 99 31, 1518 00 99 32 en 1518 00 99 39), ex 2710 19 42 (Taric-codes 2710 19 42 21, 2710 19 42 22, 2710 19 42 23, 2710 19 42 29, 2710 19 42 31, 2710 19 42 32 en 2710 19 42 39), ex 2710 19 44 (Taric-codes 2710 19 44 21, 2710 19 44 22, 2710 19 44 23, 2710 19 44 29, 2710 19 44 31, 2710 19 44 32 en 2710 19 44 39), ex 2710 19 46 (Taric-codes 2710 19 46 21, 2710 19 46 22, 2710 19 46 23, 2710 19 46 29, 2710 19 46 31, 2710 19 46 32 en 2710 19 46 39), ex 2710 19 47 (Taric-codes 2710 19 47 21, 2710 19 47 22, 2710 19 47 23, 2710 19 47 29, 2710 19 47 31, 2710 19 47 32 en 2710 19 47 39), 2710 20 11 , 2710 20 16 , ex 3824 99 92 (Taric-codes 3824 99 92 10, 3824 99 92 11, 3824 99 92 13, 3824 99 92 14, 3824 99 92 15, 3824 99 92 16, en 3824 99 92 19), 3826 00 10 en ex 3826 00 90 (97) (Taric-codes 3826 00 90 11, 3826 00 90 12, 3826 00 90 13, 3826 00 90 19, 3826 00 90 31, 3826 00 90 32 en 3826 00 90 39), met uitzondering van duurzame luchtvaartbrandstof die voldoet aan de eisen van de ASTM-norm D7566-22 voor luchtvaartbrandstof die synthetische koolwaterstoffen bevat, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 2710 19 42 (aanvullende Taric-code 89FT), ex 2710 19 44 (aanvullende Taric-code 89FT), ex 2710 19 46 (aanvullende Taric-code 89FT), ex 2710 19 47 (aanvullende Taric-code 89FT), ex 2710 20 11 (aanvullende Taric-code 89FT) en ex 2710 20 16 (aanvullende Taric-code 89FT), van oorsprong uit de Volksrepubliek China.
2. De definitieve antidumpingrechten die van toepassing zijn op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van het in lid 1 omschreven en door onderstaande ondernemingen vervaardigde product, zijn als volgt:
|
Onderneming |
Definitief antidumpingrecht (%) |
Aanvullende Taric-code |
||||||
|
EcoCeres Group:
|
10,0 |
89ED |
||||||
|
Jiaao Group:
|
35,6 |
89EE |
||||||
|
Zhuoyue Group:
|
23,4 |
89EF |
||||||
|
Andere meewerkende ondernemingen, opgenomen in de bijlage |
21,7 |
|
||||||
|
Alle overige invoer van oorsprong uit de Volksrepubliek China |
35,6 |
C999 |
3. De individuele rechten die zijn vastgesteld voor de in lid 2 vermelde ondernemingen zijn uitsluitend van toepassing indien aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur wordt overgelegd die een verklaring bevat die is gedateerd en ondertekend door een met naam en functie geïdentificeerde medewerker van de entiteit die deze factuur heeft opgesteld, en die als volgt luidt: “Ondergetekende verklaart dat het (volume in ton) biodiesel die naar de Europese Unie wordt uitgevoerd en waarop deze factuur betrekking heeft, is vervaardigd door (naam en adres van de onderneming) (aanvullende Taric-code) in de Volksrepubliek China. Ondergetekende verklaart dat de in deze factuur verstrekte informatie juist en volledig is.”. Totdat een dergelijke factuur wordt overgelegd, wordt het recht toegepast dat voor alle overige invoer van oorsprong uit de Volksrepubliek China geldt.
4. Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.
Artikel 2
De krachtens Uitvoeringsverordening (EU) 2024/2163 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op biodiesel van oorsprong uit de Volksrepubliek China als zekerheid gestelde bedragen worden definitief geïnd op het in de voornoemde verordening vastgestelde niveau indien de als zekerheid gestelde bedragen lager zijn dan de bedragen van het definitieve antidumpingrecht. De bedragen die als zekerheid zijn gesteld en die het bedrag van het definitieve antidumpingrecht overschrijden, worden vrijgegeven.
Artikel 3
Artikel 1, lid 2, kan worden gewijzigd om nieuwe producenten-exporteurs uit de Volksrepubliek China toe te voegen en hen te onderwerpen aan het passende gewogen gemiddelde antidumpingrecht voor niet in de steekproef opgenomen meewerkende ondernemingen. Een nieuwe producent-exporteur moet met bewijs aantonen dat:
|
a) |
hij de in artikel 1, lid 1, beschreven goederen tijdens het onderzoektijdvak (1 oktober 2022 tot en met 30 september 2023) niet heeft uitgevoerd; |
|
b) |
hij niet verbonden is met een exporteur of producent op wie de bij deze verordening ingestelde maatregelen van toepassing zijn en die aan het oorspronkelijke onderzoek had kunnen meewerken, en |
|
c) |
hij na het verstrijken van het onderzoektijdvak het betrokken product daadwerkelijk naar de Unie heeft uitgevoerd dan wel een onherroepelijke contractuele verplichting is aangegaan om een aanzienlijke hoeveelheid naar de Unie uit te voeren. |
Artikel 4
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 10 februari 2025.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/1036/2020-08-11.
(2) PB C, C/2023/1574, 20.12.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2023/1574/oj.
(3) PB L 277 van 2.8.2021, blz. 34, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2021/1266/oj.
(4) PB L 40 van 12.2.2019, blz. 1. ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2019/244/oj. Het lopende nieuwe onderzoek bij het vervallen van de maatregelen werd in februari 2024 geopend (PB C, C/2024/1355, 9.2.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/1355/oj).
(5) PB L 317 van 9.12.2019, blz. 42, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2019/2092/oj.
(6) PB L 277 van 2.8.2021, blz. 62, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2021/1267/oj.
(7) Uitvoeringsverordening (EU) 2024/2163 van de Commissie van 14 augustus 2024 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op biodiesel van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L, 2024/2163, 16.8.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2024/2163/oj).
(8) Zie voetnoot 12 van de voorlopige verordening voor de lijst van producenten-exporteurs die de CCCMC in deze procedure vertegenwoordigt.
(9) In een aantal gevallen ging het om gezamenlijke hoorzittingen.
(10) Dit punt heeft betrekking op de relevante luchtvaartbrandstoffen in de zin van overweging 39 van de voorlopige verordening.
(11) “FAME” staat voor fatty acid methyl esters, oftewel vetzuurmethylesters.
(12) “HEFA-SPK” staat voor Hydroprocessed Esters and Fatty Acids Synthetic Paraffinic Kerosene, oftewel door hydrobehandeling verkregen esters en vetzuren/synthetische paraffinische kerosine.
(13) “HEFA” staat voor Hydroprocessed Esters and Fatty Acids, oftewel door hydrobehandeling verkregen esters en vetzuren.
(14) De ten tijde van het onderzoek geldende richtlijn hernieuwbare energie was Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82. ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2018/2001/oj.
(15) In tegenstelling tot Neste heeft Valero Energy (Ireland) Limited in zijn opmerkingen over de mededeling van de definitieve bevindingen (t24.010863) gewezen op de technische niet-uitwisselbaarheid tussen SAF en HVO/FAME.
(16) Dieselbrandstof die voor 100 % uit vetzuurmethylesters bestaat.
(17) Dieselbrandstof die voor 7 % uit vetzuurmethylesters bestaat.
(18) Raapzaadoliemethylesters.
(19) “First Written Submission by the European Union, EU and Certain Member States — Palm Oil (Malaysia) (DS600)” , punt 664, beschikbaar op https://circabc.europa.eu/ui/group/cd37f0ff-d492-4181-91a2-89f1da140e2f/library/8958b1a0-dcb6-4915-83e0-71c4221a6ff6/details.
(20) Zie bijvoorbeeld https://votresoleilvotreenergie.com/biocarburants-le-b100-une-alternative-ecologique-qui-seduit-les-flottes-de-transport/ en https://www.transportinfo.fr/biocarburants-le-b100-fait-le-plein/.
(21) https://www.legifrance.gouv.fr/jorf/jo/2018/09/22/0219 (Décision du 11 septembre 2018 fixant la liste des véhicules et engins à motorisation Diesel compatibles avec le gazole B10).
(22) t24.001865.
(23) Palmoliemethylester.
(24) Panelverslag — “European Union and certain Member states — Certain measures concerning palm oil and oil palm crop-based biofuels”, WT/DS600/R, 5 maart 2024, punt 7.1024.
(25) Ministerie van plantages en grondstoffen. “ Biofuel licensing ”. Beschikbaar op https://www.kpk.gov.my/kpk/en/agricommodity/osc-biofuel (laatst geraadpleegd op 27 oktober 2024).
(26) Ministério de Minas e Energia. “ Autorização para produção de biocombustíveis ”. Beschikbaar op https://www.gov.br/anp/pt-br/assuntos/producao-e-fornecimento-de-biocombustiveis/autorizacao-para-producao-de-biocombustiveis (laatst geraadpleegd op 27 oktober 2024).
(27) “ Óleo de cozinha usado avança com demanda por biocombustíveis ”. Beschikbaar op https://www.biodieselbr.com/noticias/materia-prima/ogr/oleo-de-cozinha-usado-avanca-com-demanda-por-biocombustiveis-280923 (laatst geraadpleegd op 27 oktober 2024). Het artikel verwijst naar een prijs van gebruikte bak- en braadolie op het niveau van 4 825 BRL/ton, oftewel ongeveer 7 130 CNY/ton.
(28) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1344 van de Commissie van 12 augustus 2019 tot instelling van een voorlopig compenserend recht op biodiesel van oorsprong uit Indonesië (PB L 212 van 13.8.2019, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2019/1344/oj); Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2092 van de Commissie van 28 november 2019 tot instelling van een definitief compenserend recht op biodiesel van oorsprong uit Indonesië (PB L 317 van 9.12.2019, blz. 42, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2019/2092/oj); Uitvoeringsverordening (EU) 2023/111 van de Commissie van 18 januari 2023 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op vetzuur van oorsprong uit Indonesië (PB L 18 van 19.1.2023, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2023/111/oj).
(29) Verordening nr. 22 van de minister van Handel van 2022 inzake het tijdelijke verbod op de uitvoer van ruwe palmolie, geraffineerde, gebleekte en ontgeurde palmolie, geraffineerde, gebleekte en ontgeurde palmoleïne en gebruikte bak- en braadolie. Beschikbaar op https://jdih.kemendag.go.id/peraturan/peraturan-menteri-perdagangan-nomor-22-tahun-2022-tentang-larangan-sementara-ekspor-crude-palm-oil-refined-bleached-ang-deodorized-palm-oil-refined-bleached-and-deodorized-palm-olein-dan-used-cooking-oil (laatst geraadpleegd op 4 november 2024).
(30) Verordening nr. 30 van de minister van Handel van 2022 inzake bepalingen betreffende de uitvoer van ruwe palmolie, geraffineerde, gebleekte en ontgeurde palmolie, geraffineerde, gebleekte en ontgeurde palmoleïne en gebruikte bak- en braadolie. Beschikbaar op https://jdih.kemendag.go.id/peraturan/peraturan-menteri-perdagangan-nomor-30-tahun-2022-tentang-ketentuan-ekspor-crude-palm-oil-refinedbleached-and-deodorized-palm-oil-refined-bleached-and-deodorized-palm-oilen-and-used-cooking-oil (laatst geraadpleegd op 4 november 2024).
(31) Verordening nr. 115/PMK.05/2022 van de minister van Financiën van de Republiek Indonesië inzake de wijzigingen van verordening nr. 103/PMK.05/2022 van de minister van Financiën inzake de tarieven van het overheidsagentschap van het beheersbureau van het palmolieplantagefonds bij het Ministerie van Financiën. Beschikbaar op https://jdih.kemenkeu.go.id/download/b86320c2-ab2e-4d84-a3ac-a868ca6def3d/115~PMK.05~2022Per.pdf (laatst geraadpleegd op 4 november 2024).
(32) Verordening nr. 130/PMK.05/2022 van de minister van Financiën van de Republiek Indonesië inzake de wijzigingen van verordening nr. 103/PMK.05/2022 van de minister van Financiën inzake de tarieven van het overheidsagentschap van het beheersbureau van het palmolieplantagefonds bij het Ministerie van Financiën. Beschikbaar op https://jdih.kemenkeu.go.id/download/f641efc1-cbd7-4a27-af6f-40d60c3d304c/130~PMK.05~2022.pdf (laatst geraadpleegd op 4 november 2024).
(33) Verordening nr. 46 van de minister van Handel van 2022 inzake procedures voor de vaststelling van referentie-uitvoerprijzen van aan uitvoerheffingen onderworpen land- en bosbouwproducten, referentie-uitvoerprijzen van land- en bosbouwproducten, en een lijst van merken van aan uitvoerheffingen en de tarieven van het overheidsagentschap van het beheersbureau van het palmolieplantagefonds onderworpen geraffineerde, gebleekte en ontgeurde palmoleïne. Beschikbaar op https://jdih.kemendag.go.id/peraturan/peraturan-menteri-perdagangan-nomor-46-tahun-2022-tentang-tata-cara-penetapan-harga-patokan-ekspor-atas-produk-pertanian-dan-kehutanan-yang-dikenakan-bea-keluar-harga-referensi-atas-produk-pertanian-dan-kehutanan-dan-daftar-merek-refined-bleached-and-deodorized-palm-olein-yang-dikenakan-bea-keluar-dan-tarif-layanan-badan-layanan-umum-badan-pengelola-dana-perkebunan-kelapa-sawit# (laatst geraadpleegd op 4 november 2024).
(34) Verordening nr. 123/PMK.010/2022 van de minister van Financiën van de Republiek Indonesië inzake de tweede wijziging van verordening nr. 39/PMK.010/2022 van de minister van Financiën inzake de vaststelling van aan uitvoerheffingen onderworpen uitgevoerde goederen en de hoogte van de uitvoerheffingen. Beschikbaar op https://jdih.kemenkeu.go.id/download/65c2b2c0-c50e-432c-b71b-9c624af4fcd0/123~PMK.010~2022.pdf (laatst geraadpleegd op 4 november 2024).
(35) Edelman Global Advisory. “ Indonesia’s shifting export policies in an effort to boost Crude Palm Oil exports ”. Beschikbaar op https://www.edelmanglobaladvisory.com/insights/Indonesias-shifting-export-policies (laatst geraadpleegd op 27 oktober 2024).
(36) Uitvoeringsverordening (EU) 2023/2120 van de Commissie van 12 oktober 2023 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op elektrolytisch mangaandioxide van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L, 2023/2120, 13.10.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2023/2120/oj); Uitvoeringsverordening (EU) 2023/1444 van de Commissie van 11 juli 2023 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op platbulbstaal van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Turkije (PB L 177 van 12.7.2023, blz. 63, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2023/1444/oj); Uitvoeringsverordening (EU) 2022/802 van de Commissie van 20 mei 2022 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op producten van elektrolytisch verchroomd staal van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Brazilië (PB L 143 van 23.5.2022, blz. 11, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2022/802/oj).
(37) Zie de overwegingen 64 tot en met 68 van de voorlopige verordening voor informatie over “de eerste mededeling” en “de tweede mededeling”.
(38) Volledigheidshalve zij erop gewezen dat dezelfde waarde van niet-verstoorde kosten wordt toegepast voor gebruikte bleekaardeolie, aangezien dit ook een grondstof is met een hoger gehalte aan vrije vetzuren.
(39) “U.S. refiners and chemical manufacturers lead hydrogen production and consumption”. Beschikbaar op https://www.eia.gov/todayinenergy/detail.php?id=61763 (laatst geraadpleegd op 14 december 2024).
(40) Manufacturing Energy Consumption Survey, 2018, tabel 7.1. Beschikbaar op https://www.eia.gov/consumption/manufacturing/data/2018/xls/Table7_1.xlsx (laatst geraadpleegd op 14 december 2024).
(41) Uitvoeringsverordening (EU) 2023/2659 van 27 november 2023 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op bepaalde soorten polyethyleentereftalaat van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB C, 2023/2659, 28.11.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2023/2659/oj).
(42) Wereldbankgroep, A Global Database of Inflation. Beschikbaar op https://www.worldbank.org/en/research/brief/inflation-database (laatst geraadpleegd op 14 december 2024).
(43) Ministerie van Arbeidszaken. Maleisische standaardclassificatie van beroepen 2020 (blz. 10). Beschikbaar op https://jtksm.mohr.gov.my/sites/default/files/2022-12/MASCO_2020_BI_Edaran.pdf (laatst geraadpleegd op 27 oktober 2024).
(44) Uitvoeringsverordening (EU) 2023/2659.
(45) Uitvoeringsverordening (EU) 2020/492 van de Commissie van 1 april 2020 tot instelling van definitieve antidumpingrechten op bepaalde geweven en/of gestikte stoffen van glasvezels van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Egypte (PB L 108 van 6.4.2020, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2020/492/oj); Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1336 van de Commissie van 25 september 2020 tot instelling van definitieve antidumpingrechten op bepaalde soorten polyvinylalcohol van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 315 van 29.9.2020, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2020/1336/oj); Uitvoeringsverordening (EU) 2021/607 van de Commissie van 14 april 2021 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op citroenzuur van oorsprong uit de Volksrepubliek China, zoals uitgebreid tot uit Maleisië verzonden citroenzuur, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Maleisië, naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 129 van 15.4.2021, blz. 73, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2021/607/oj); Uitvoeringsverordening (EU) 2022/116 van de Commissie van 27 januari 2022 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op acesulfaamkalium van oorsprong uit de Volksrepubliek China naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 19 van 28.1.2022, blz. 22, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2022/116/oj); Uitvoeringsverordening (EU) 2021/983 van de Commissie van 17 juni 2021 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op aluminium converter foil van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 216 van 18.6.2021, blz. 142, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2021/983/oj).
(46) NACE Rev. 2. Statistische nomenclatuur van de economische activiteiten in de Europese Gemeenschap. Beschikbaar op https://ec.europa.eu/eurostat/documents/3859598/5902521/KS-RA-07-015-EN.PDF (laatst geraadpleegd op 27 oktober 2024).
(47) Idem, blz. 67 en 143.
(48) Idem, blz. 65 en 118.
(49) Jaarverslag Neste 2022 (blz. 2), tussentijds verslag Neste januari-maart 2023 (blz. 2), halfjaarlijks financieel verslag Neste januari-juni 2023 (blz. 2), tussentijds verslag Neste januari-september 2023 (blz. 2). Beschikbaar op https://www.neste.com/investors/financials#interim-reports(laatst geraadpleegd op 27 oktober 2024).
(50) “ A Citizens ” Guide to Energy Subsidies in Malaysia”, blz. 7-10. Beschikbaar op https://www.iisd.org/gsi/sites/default/files/ffs_malaysia_czguide.pdf (laatst geraadpleegd op 27 oktober 2024).
(51) GAIN. “ Biofuels Annual 2022. Malaysia ”. Beschikbaar op https://apps.fas.usda.gov/newgainapi/api/Report/DownloadReportByFileName?fileName=Biofuels%20Annual_Kuala%20Lumpur_Malaysia_MY2022-0008.pdf, blz. 4 (laatst geraadpleegd op 28 oktober 2024).
(52) UTM. “ Socio-economic and Feasibility Study of Utilising Pal Oil Derived Biofuel in Malaysia ”. Beschikbaar op https://palmoilis.mpob.gov.my/publications/OPIEJ/opiejv11n1-hanafi.pdf (laatst geraadpleegd op 28 oktober 2024).
(53) GAIN. Biofuels Annual 2023. Malaysia”. Beschikbaar op https://apps.fas.usda.gov/newgainapi/api/Report/DownloadReportByFileName?fileName=Biofuels%20Annual_Kuala%20Lumpur_Malaysia_MY2023-0012.pdf, blz. 2 (laatst geraadpleegd op 28 oktober 2024).
(54) DBS Group Research Equity, “ Regional Industry Focus — Plantation companies ”, 20 juli 2017, blz. 5.
(55) Presentatie van 12 februari 2015 door de waarnemend voorzitter van de Maleisische biodieselraad (“MBA”).
(56) 9,7 miljoen USD komt overeen met circa 44 miljoen MYR. Volgens het GAIN-verslag inzake Maleisië (2023), blz. 10, werd het gebruik van B10 diesel/biodieselmengsel in het wegvervoer in 2023 geraamd op 8 576 miljoen liter. Als het totale bedrag aan financiering (44 miljoen MYR) wordt gedeeld door het volume van het verbruikte brandstofmengsel (8,6 miljard liter), komt men uit op een gemiddelde subsidie van 0,005 MYR/liter.
(57) Arrest van het Gerecht van 21 februari 2024, Sinopec Chongqing SVW e.a./Commissie, T-762/20, ECLI:EU:T:2024:113, punten 132 en 131 tot en met 139.
(58) Arrest van 2 oktober 2024, CCCME e.a./Commissie, T-263/22, ECLI:EU:T:2024:663, punt 183.
(59) Arrest van 2 oktober 2024, CCCME e.a./Commissie, T-263/22, ECLI:EU:T:2024:663, punt 185.
(60) Arrest van 2 oktober 2024, CCCME e.a./Commissie, T-263/22, ECLI:EU:T:2024:663, punt 188.
(61) Arrest van 2 oktober 2024, CCCME e.a./Commissie, T-263/22, ECLI:EU:T:2024:663, punt 184.
(62) International Sustainability & Carbon Certification (“ISCC”). Het gedurende het onderzoektijdvak geldige certificaat van Jiaao is te raadplegen op https://certificates.iscc-system.org/cert-pdf/EU-ISCC-Cert-IT206-1516.pdf (laatst geraadpleegd op 24 oktober 2024).
(63) De EBB heeft in t24.004736 een toelichting gegeven op de door haar toegepaste methode.
(64) Panelverslag “Europese Unie — Antidumpingmaatregelen ten aanzien van biodiesel uit Argentinië”, WT/DS473/R, punten 7.399 tot en met 7.7413.
(65) Punt 64 van t24.007508.
(66) t24.000069 en t24.000061.
(67) https://www.gov.uk/government/publications/trade-remedies-notices-anti-dumping-duty-on-biodiesel-from-canada-and-usa/trade-remedies-notice-202208-anti-dumping-duty-on-biodiesel-products-originating-in-the-united-states-of-america-including-biodiesel-consigned-from.
(68) t24.001022.
(69) Panelverslag inzake Marokko — “Definitive anti-dumping measures on Exercise Books from Tunisia”, WT/DS578/R, punt 7.222.
(70) De partij merkte op dat de verhouding van de kosten na invoer ten opzichte van de cif-prijs in onderzoek AD658 inzake “bepaalde warmgewalste platen en rollen van roestvrij staal” 1 % bedroeg, in AD653 inzake “bepaalde geweven en/of gestikte stoffen van glasvezels” 3,6 %, en in AD676 inzake “bepaalde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen” 3,53 %.
(71) Dit is het resultaat van de vermenigvuldiging van de verhouding van de kosten na invoer ten opzichte van de cif-prijzen (0,923 %) met 1 526 EUR/ton (de Chinese invoerprijs gedurende het onderzoektijdvak).
(72) PB L 317 van 9.12.2019, blz. 42, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2019/2092/oj (zie punt 4.3.5).
(73) Artikelen 3.1, 12.2 en 12.2.1 van de antidumpingovereenkomst.
(74) In t24.001457 schrijft EcoCeres het volgende: “De huidige productiecapaciteit van de bedrijfstak van de Unie bedraagt minder dan 10 % van de voorgeschreven EU-vraag in 2025”.
(75) Chevron Corporation is een Amerikaans multinationaal energiebedrijf dat zich in meer dan 180 landen met name bezighoudt met olie en gas.
(76) Artikelen 2.2 en 2.2.1 van de antidumpingovereenkomst.
(77) Artikel 3 van de antidumpingovereenkomst.
(78) GAIN. “ European Union: Biofuels Annual ” van 14 augustus 2023. Beschikbaar op https://fas.usda.gov/data/european-union-biofuels-annual-3 (laatst geraadpleegd op 18 november 2024), blz. 29-31, en tabel 10 & GAIN. “ China: Biofuels Annual ” van 19 oktober 2023. Beschikbaar op https://fas.usda.gov/data/china-biofuels-annual-9 (laatst geraadpleegd op 18 november 2024), blz. 12-16, met name tabel 4.
(79) Comext-gegevens voor zuivere biodiesel en mengsels daarvan.
(80) Comext-gegevens alleen voor zuivere biodiesel. Gegevens voor code 2710 19 43 29 voor Singapore. Gegevens voor code 3826 00 10 voor Argentinië, het VK en andere derde landen. Gegevens voor de codes 2710 19 43 29 en 3826 00 10 voor andere landen met uitzondering van de VRC (voor het aandeel van het VK in de “andere landen met uitzondering van de VRC” werd alleen code 3826 00 10 in aanmerking genomen).
(81) Statistisch overzicht 2023 van de EBB, beschikbaar op https://ebb-eu.org/wp-content/uploads/2024/03/EBB_Statistical_Report2023-Final.pdf (laatst geraadpleegd op 18 november 2024).
(82) GAIN. “ China: Biofuels Annual ” van 19 oktober 2023. Beschikbaar op https://fas.usda.gov/data/china-biofuels-annual-9 (laatst geraadpleegd op 18 november 2024).
(83) GAIN. “ European Union: Biofuels Annual ” van 14 augustus 2023. Beschikbaar op https://fas.usda.gov/data/european-union-biofuels-annual-3 (laatst geraadpleegd op 18 november 2024).
(84) Gezien https://www.reuters.com/business/energy/malaysian-2024-biofuel-output-seen-rising-if-b20-biodiesel-usage-expanded-2024-03-05/ (laatst geraadpleegd op 18 november 2024), is Maleisische biodiesel biodiesel op basis van palmolie. Zie voor een mondiaal overzicht blz. 27 van het verslag van de UFOP over het mondiale marktaanbod 2023/2024, beschikbaar op https://www.ufop.de/files/8217/0548/9837/UFOP-2116_Report_Global_Market_Supply_A5_EN_23_24_160124.pdf.
(85) Zie bijvoorbeeld Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1344. Overweging 32 luidt als volgt: “Het onderzoek toonde aan dat biodiesel die in Indonesië wordt geproduceerd, voornamelijk palmoliemethylester (“palm oil methyl ester” — “PME”) is, een derivaat van palmolie.”. Zie bijvoorbeeld ook Uitvoeringsverordening (EU) 2019/244 van de Commissie van 11 februari 2019 tot instelling van een definitief compenserend recht op invoer van biodiesel van oorsprong uit Argentinië (PB L 40 van 12.2.2019, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2019/244/oj). Overweging 41 luidt als volgt: “Uit het onderzoek is gebleken dat het bij de in Argentinië geproduceerde biodiesel uitsluitend gaat om “sojamethylester” (hierna ook “SME” genoemd) gemaakt uit sojaolie […]”.
(86) Voor informatie over grondstoffen in het Verenigd Koninkrijk, zie bijvoorbeeld https://www.gov.uk/government/statistics/bioenergy-crops-in-england-and-the-uk-2008-2023/bioenergy-crops-in-england-and-the-uk-2008-2023, en de aanvraag in het openbare dossier van het onderzoek door de Trade Remedies Service, beschikbaar op https://www.trade-remedies.service.gov.uk/public/case/AD0058/.
(87) De invoer naar de Unie vanuit het Verenigd Koninkrijk, een land met een grote vraag naar binnenlandse biodiesel, werd geacht voornamelijk verhandelde goederen te betreffen, aangezien het volume ervan in tabel 12 van de voorlopige verordening in wezen tweemaal de totale biodieselproductie in dat land bedroeg. Dit blijkt uit tabel C.41.1. van OECD/FAO (2022), OECD-FAO Agricultural Outlook 2022-2031, OECD Publishing, Parijs, https://doi.org/10.1787/f1b0b29c-en. Zie ook blz. 30-32 van de aanvraag in het openbare dossier van het onderzoek door de Trade Remedies Service, beschikbaar op https://www.trade-remedies.service.gov.uk/public/case/AD0058/, waarin staat dat de Greenergy-groep omvangrijke exportactiviteiten verrichte. De tabel op blz. 27 (150 000-200 000 ton van Olleco plus Argent) in dezelfde aanvraag, en de ramingen op blz. 29 (320 000-370 000 ton voor Greenergy) in de aanvraag, lijken erop te duiden dat de productie van biodiesel in het Verenigd Koninkrijk ongeveer een half miljoen ton bedroeg (of iets meer).
(88) Verenigd Koninkrijk.
(89) De overwegingen 12 en 13 van Uitvoeringsbesluit (EU) 2024/1273 van de Commissie van 7 mei 2024 tot beëindiging van het onderzoek naar de mogelijke ontwijking door de invoer van uit de Volksrepubliek China en het Verenigd Koninkrijk verzonden biodiesel, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit de Volksrepubliek China en het Verenigd Koninkrijk, van de compenserende maatregelen ten aanzien van de invoer van biodiesel van oorsprong uit Indonesië, en tot beëindiging van de registratie van die invoer (PB L, 2024/1273, 8.5.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2024/1273/oj).
(90) https://rtfa.org.uk/2024/07/23/uk-renewable-fuels-industry-calls-for-inward-processing-policy-to-be-made-more-transparent/(laatst geraadpleegd op 18 november 2024).
(91) https://www.spglobal.com/commodityinsights/en/market-insights/latest-news/agriculture/040324-uk-to-instate-biofuel-import-duties-after-halting-exemptions (laatst geraadpleegd op 18 november 2024).
(92) De nagestreefde winst van 11 % werd vastgesteld in 2013 (Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1194/2013 van de Raad van 19 november 2013 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op biodiesel van oorsprong uit Argentinië en Indonesië (PB L 315 van 26.11.2013, blz. 2, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2013/1194/oj). Deze nagestreefde winst werd ook redelijk geacht in Uitvoeringsverordening (EU) 2019/244 van de Commissie van 11 februari 2019 tot instelling van een definitief compenserend recht op invoer van biodiesel van oorsprong uit Argentinië (PB L 40 van 12.2.2019, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2019/244/oj).
(93) Broeikasgassen.
(94) Zie https://4p1000.org/discover/?lang=en voor informatie over de rol van bodems bij koolstofvastlegging.
(95) Europese Commissie, directoraat-generaal Handel, directoraat G, Wetstraat 170, 1040 Brussel, België.
(96) Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB L, 2024/2509, 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj).
(97) Zoals momenteel gedefinieerd in Uitvoeringsverordening (EU) 2024/2522 van de Commissie van 23 september 2024 tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, (PB L, 2024/2522 31.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2024/2522/oj). De productomschrijving wordt bepaald door een combinatie van de beschrijving van het product in artikel 1, lid 1, met die van de desbetreffende GN- en Taric-codes.
BIJLAGE
NIET IN DE STEEKPROEF OPGENOMEN MEEWERKENDE PRODUCENTEN-EXPORTEURS
|
Naam |
Aanvullende Taric-code |
|
Anhui Tianyi Environmental Protection Tech. Co., Ltd |
89EG |
|
Baoshun (Henan) New Carbon Material Co., Ltd |
89EH |
|
Bemay (Hubei) New Energy Company Ltd |
89FU |
|
Changzhou City Jintan District Weige Biological Technology Co., Ltd |
89EI |
|
Chongqing CH Bio Energy Co., Ltd |
89EJ |
|
Chongqing Yubang New Energy Technology Co., Ltd |
89EK |
|
Dezhou Rongguang Biotechnology Co., Ltd |
89EL |
|
Guangxi Guiping Guangran Energy Technology Co. Ltd |
89EM |
|
Guangzhou Hongtai New Energy Technology Co., Ltd |
89EN |
|
Guangzhou Leo-king Environmental Technology Co., Ltd |
89EO |
|
Hainan Huanyu New Energy Co., Ltd |
89EP |
|
Hebei Hui De Renewable Resources Co., Ltd |
89EQ |
|
Hebei Jingu Plasticizer Co., Ltd |
89ER |
|
Hebei Jingu Recycling Resources Development Co. Ltd |
89ES |
|
Hebei Longhai Bioenergy Co., Ltd |
89ET |
|
Hebei Nanhong New Energy Technology Pte. Ltd |
89EU |
|
HENAN JUNHENG INDUSTRIAL GROUP BIOTECHNOLOGY COMPANY., LTD |
89EV |
|
Hubei Tianji Bioenergy Co., Ltd |
89EW |
|
Huizhou City Huilong Oil Energy Co., Ltd |
89EX |
|
Huizhou Excellent and Innovation Bioenergy Technology Co., Ltd |
89EY |
|
Hunan Xinhui Bioenergy Co., Ltd |
89EZ |
|
Jiangxi Zunchuang New Energy Co., Ltd |
89FA |
|
Jiujiang Oasis Energy Technology Co., Ltd |
89FB |
|
Kunming Decheng Renewable Resources Technology Co. Ltd |
89FC |
|
Linyi Huibang New Energy Co., Limited |
89FD |
|
Long Chang City Yuanju Oil and Greas Co. Ltd |
89FE |
|
Maoming Hongyu Energy Technology Co., Ltd |
89FF |
|
Ningbo Jiesen Green Fuel Co., Ltd |
89FG |
|
Shandong Baoshun Chemical Technology Co., Ltd |
89FH |
|
Shandong Ding-Yu Biotech Energy Co., Ltd |
89FI |
|
SHANDONG HUIDONG NEW ENERGY CO., LTD |
89FJ |
|
Shandong Sanju Bioenergy Co., Ltd |
89FK |
|
Shanghai Zhongqi Environment Technology Co., Ltd |
89FL |
|
Shenzhen Leoking Biotechnology Co., Ltd |
89FM |
|
Sichuan Huisheng New Technology Co Ltd |
89FN |
|
Sichuan Lampan New Energy Technology Co., Ltd |
89FO |
|
Tanghe Jinhai Biological Technology Co., Ltd |
89FP |
|
Tangshan Jinlihai Biodiesel Co., Ltd |
89FQ |
|
Wenzhou Zhongke New Energy Technology Co., Ltd |
89FR |
|
YANGZHOU JIANYUAN BIOTECHNOLOGY CO., LTD |
89FS |
ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/261/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)