|
29.9.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 242/540 |
RESOLUTIE (EU) 2023/1963 VAN HET EUROPEES PARLEMENT
van 10 mei 2023
met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie (F4E) voor het begrotingsjaar 2021
HET EUROPEES PARLEMENT,
|
— |
gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie voor het begrotingsjaar 2021, |
|
— |
gezien artikel 100 van en bijlage V bij zijn Reglement, |
|
— |
gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A9-0092/2023), |
|
A. |
overwegende dat de Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie (hierna “gemeenschappelijke onderneming”) in april 2007 bij Beschikking 2007/198/Euratom van de Raad (1) werd opgericht voor een periode van 35 jaar; |
|
B. |
overwegende dat de gemeenschappelijke onderneming in maart 2008 zelfstandig begon te functioneren; |
|
C. |
overwegende dat de leden van de gemeenschappelijke onderneming zijn: de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom), vertegenwoordigd door de Commissie, de lidstaten van Euratom, en derde landen die met Euratom een samenwerkingsovereenkomst op het gebied van beheerste kernfusie zijn aangegaan; |
|
D. |
overwegende dat de doelstellingen van de gemeenschappelijke onderneming bestaan uit het leveren van de bijdrage van de Unie aan het internationale fusie-energieproject ITER, het uitvoeren van de Overeenkomst inzake de bredere aanpak tussen Euratom en Japan, en het treffen van voorbereidingen voor de bouw van een demonstratiefusiereactor en bijbehorende faciliteiten; |
|
E. |
overwegende dat bij het ITER-project zeven mondiale partners betrokken zijn, namelijk de Unie (vertegenwoordigd door Euratom), de Verenigde Staten, Rusland, Japan, China, Zuid-Korea en India, en dat de Unie met 45,4 % het grootste aandeel in de bouwkosten op zich neemt en dat de andere betrokken partners ieder 9,1 % van deze kosten dragen, terwijl in de operationele fusietestfase de Unie 34 % van de exploitatiekosten zal dragen (2); |
|
F. |
overwegende dat het totale bedrag waarin de Unie voorziet voor de uitvoering van haar verplichtingen uit hoofde van de ITER-overeenkomst en de bijbehorende activiteiten tot 2031 18,2 miljard EUR bedraagt (in actuele waarden) (3); |
|
G. |
overwegende dat, nu het VK zich op 31 januari 2020 uit de Unie en Euratom heeft teruggetrokken en de partijen het protocol tussen de Unie en Euratom en het VK dat was voorzien in de op 30 december 2020 overeengekomen handels- en samenwerkingsovereenkomst niet zijn overeengekomen, het VK nog steeds niet geassocieerd is met het ITER-project en evenmin lid is van de gemeenschappelijke onderneming en dus niet bijdraagt aan de begroting ervan; |
|
H. |
overwegende dat het momenteel nog moeilijk is om in te schatten wat de impact zal zijn van de illegale, niet-uitgelokte en ongerechtvaardigde aanvalsoorlog van Rusland tegen Oekraïne en de gevolgen voor de activiteiten van de gemeenschappelijke onderneming; |
Algemeen
|
1. |
is ingenomen met het feit dat de Rekenkamer in zijn verslag over de jaarrekening van de gemeenschappelijke onderneming voor het begrotingsjaar 2021 (hierna “verslag van de Rekenkamer”) heeft verklaard dat de jaarrekening van de gemeenschappelijke onderneming op alle materiële punten een getrouw beeld geeft van haar financiële situatie op 31 december 2021 en de resultaten van haar verrichtingen, haar kasstromen en de veranderingen van de nettoactiva in het op die datum afgesloten begrotingsjaar, overeenkomstig haar financieel reglement en de door de rekenplichtige van de Commissie vastgestelde boekhoudregels; benadrukt daarnaast het feit dat de aan de rekeningen ten grondslag liggende verrichtingen voor het begrotingsjaar 2021 op alle materiële punten wettig en regelmatig zijn; |
|
2. |
betreurt echter dat in het verslag van de Rekenkamer de aandacht wordt gevestigd op het feit dat de jaarrekening van de gemeenschappelijke onderneming voor het begrotingsjaar 2021 de raming van de gemeenschappelijke onderneming bevat van de totale kosten voor de vervulling van haar leveringsverplichtingen voor het ITER-project, die worden geraamd op 18,3 miljard EUR (in waarden van 2021), en op het feit dat wijzigingen in belangrijke veronderstellingen met betrekking tot de raming en de risicoblootstelling kunnen leiden tot aanzienlijke kostenstijgingen en/of verdere vertragingen bij de uitvoering van het ITER-project; |
|
3. |
erkent dat in het kader van Horizon Europa ambitieuze doelstellingen worden vastlegt voor de gemeenschappelijke onderneming, die alleen kunnen worden bereikt als er doeltreffende oplossingen worden bedacht en uitgevoerd om de zwakke punten in de interne controlesystemen aan te pakken en de gemeenschappelijke onderneming voor te bereiden op de toekomstige uitdagingen — onder meer op het gebied van personeelsbeheer en -planning — welke voortkomen uit de toegenomen verantwoordelijkheden; wijst er in dit verband op dat bijzonder ingewikkelde en omslachtige berekeningen en rapportagevereisten een aanzienlijk risico op fouten met zich meebrengen en verzoekt daarom de mogelijkheden te onderzoeken voor vereenvoudigingen die verenigbaar zijn met het bestaande rechtskader; |
|
4. |
neemt met bezorgdheid kennis van het feit dat het lidmaatschap van Rusland van de ITER-organisatie, en de verplichting voor het land tot levering van verscheidene onderdelen voor ITER-projecten aan de ITER-bouwwerf in Frankrijk (Cadarache) en tot betaling van jaarlijkse bijdragen aan de ITER-organisatie, een risico van verdere vertragingen en hogere kosten voor het ITER-project inhoudt; |
|
5. |
neemt er kennis van dat de gemeenschappelijke onderneming een raming bijhoudt van de totale kosten van het vervullen van haar leveringsverplichtingen voor het ITER-project (“geschatte waarde bij voltooiing”), die de kosten van de bouw- en exploitatiefase tot 2035, alsook de ontmantelings- en deactiveringsfase tot 2042 omvat; merkt voorts op dat de gemeenschappelijke onderneming deze totale kosten eind 2021 raamde op 18,3 miljoen EUR (in waarden van 2021), en dat dit bedrag is opgebouwd uit de totale betalingen, ten bedrage van 8,3 miljard EUR, die eind 2021 waren verricht, plus de raming van de toekomstige betalingen, geraamd op 10 miljard EUR (in waarden van 2021); |
|
6. |
wijst erop dat wijzigingen in belangrijke aannames voor de bovenvermelde raming en voor de risicoblootstelling kunnen leiden tot verdere kostenstijgingen en vertragingen van het project, en is, voor 2021, van mening dat op basis van het verslag van de Rekenkamer bijzondere aandacht moet uitgaan naar de gebeurtenissen die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor de geschatte waarde bij voltooiing; wijst er voorts op dat die belangrijke aannames onder andere het nieuwe basisscenario voor het ITER-project betreffen dat is gepland voor het eerste kwartaal van 2023, alsook vertragingen in de levering van componenten, de sancties tegen Rusland, de lopende goedkeuring door de Franse autoriteit voor nucleaire veiligheid (ASN) voor de assemblage van de componenten van de Tokamak-put en de verwachte herziening van de kostenraming voor het Hot Cell Complex; benadrukt het feit dat, indien leveringsproblemen ertoe leiden dat cruciale componenten voor de voortzetting van het project ontbreken, alternatieve toeleveringsketens moeten worden gezocht; |
|
7. |
herinnert eraan dat ITER officieel in 2025 een eerste operationele test verwacht uit te voeren en in 2035 volledige fusie-energie verwacht te verwezenlijken; merkt echter op dat dit basisscenario in 2016 werd aangenomen en dat de datum van 2025 sindsdien vanwege vertragingen bij de bouw en de productie, alsook vanwege de COVID-19-pandemie, steeds onwaarschijnlijker is geworden; benadrukt bovendien dat er volgens het verslag van de Rekenkamer een risico op verdere vertraging bestaat als gevolg van verschillende problemen bij de bouw, bijvoorbeeld de problemen bij het lassen van de vacuümvatsectoren die de stalen kamer vormen waarin de fusie-experimenten zullen plaatsvinden en de corrosie die tot 2,2 millimeter diepe scheuren veroorzaakt in de thermische scherm-panelen, hetgeen gevolgen heeft voor de volle 23 kilometer aan koelleidingen die op het componentoppervlak zitten vastgelast; merkt op dat, aangezien het probleem met de scheuren in de koelleidingen mogelijk systemisch is en alle thermische scherm-onderdelen van de Tokamak betreft, de nieuwe directie van ITER een reparatiestrategie voor de thermische scherm-panelen van de Tokamak en de vacuümvatsectoren in werking heeft gezet; |
|
8. |
neemt er kennis van dat de duur en de kosten van de reparaties niet nauwkeurig kunnen worden geraamd in dit stadium, en dat de ITER-Raad eind 2023 een nieuw basisscenario voor ITER wil goedkeuren waarin het tijdschema voor bepaalde te boeken resultaten wordt vastgelegd, waardoor de verwachte data voor het bereiken van belangrijke mijlpalen aanzienlijk zullen worden opgeschoven, hetgeen bijgevolg de geschatte waarde bij voltooiing zal beïnvloeden; verzoekt de gemeenschappelijke onderneming verslag uit te brengen van het resultaat en de te verwachten vertragingen, alsmede van de gevolgen voor de voltooiing van het ITER-project; |
|
9. |
neemt er kennis van dat, wat de voorschriften inzake nucleaire veiligheid betreft, de ASN de uiteindelijke bevoegdheid heeft om eventuele verdere ontwerpwijzigingen die van invloed zijn op de nucleaire veiligheidseisen goed te keuren, en dat de gemeenschappelijke onderneming in dit verband begin 2021 formeel om goedkeuring door de ASN heeft verzocht voor het nieuwe lasontwerp en technologie met betrekking tot de assemblage van de onderdelen van de Tokamak-put; onderstreept echter dat de ASN de gemeenschappelijke onderneming pas in januari 2022 heeft verzocht om aanvullende informatie met het oog op de afronding van haar analyse; merkt op dat de goedkeuring van de ASN weliswaar deel uitmaakt van het normale assemblageproces van de ITER-organisatie, maar dat dit kan leiden tot een extra vertraging van verscheidene maanden en derhalve van invloed kan zijn op de geschatte waarde bij voltooiing; |
|
10. |
verzoekt de gemeenschappelijke onderneming de kostenraming voor het Hot Cell Complex te herzien om een betrouwbare kostenraming te kunnen opstellen die in overeenstemming is met de huidige voortgangsfase van de ontwerpvereisten van de ITER-organisatie; |
Begrotings- en financieel beheer
|
11. |
merkt op dat de raad van bestuur van de gemeenschappelijke onderneming in december 2020 de oorspronkelijke begroting van de gemeenschappelijke onderneming voor 2021 vaststelde, met 1 048,77 miljoen EUR aan vastleggingskredieten en 742,81 miljoen EUR aan betalingskredieten, en dat de raad van bestuur deze begroting in november 2021 heeft gewijzigd; |
|
12. |
is ingenomen met het feit dat de definitieve beschikbare kredieten, met inbegrip van de overdracht van het vorige jaar, 1 069,88 miljoen EUR aan vastleggingskredieten en 764,83 miljoen EUR aan betalingskredieten bedragen; |
|
13. |
stelt vast dat de uitvoeringspercentages voor de vastleggings- en betalingskredieten respectievelijk 99,7 % en 97,4 % bedroegen (tegenover 100 % en 98 % in 2020); |
|
14. |
merkt op dat van de 1 069,88 miljoen EUR die beschikbaar was voor vastleggingskredieten, 88,4 % werd uitgevoerd door middel van afzonderlijke vastleggingen (goed voor 942,50 miljoen EUR); |
|
15. |
neemt met tevredenheid kennis van het feit dat de gemeenschappelijke onderneming naar aanleiding van de kwijtingsaanbeveling voor 2020 met betrekking tot de berekeningsmethode voor de lidmaatschapsbijdragen voor 2020 corrigerende maatregelen heeft genomen, met name het ontwerp van het enig programmeringsdocument, om te voorkomen dat deze kwestie opnieuw door de Rekenkamer aan de orde wordt gesteld; |
|
16. |
merkt derhalve op dat de gemeenschappelijke onderneming met betrekking tot de lidmaatschapsbijdragen voor 2021 gebruik heeft gemaakt van het op 10 december 2019 door de raad van bestuur goedgekeurde jaar- en meerjarenprogramma voor de periode 2020-2024, waarin de lidmaatschapsbijdragen op 6,5 miljoen EUR worden geraamd; |
|
17. |
merkt op dat gemeenschappelijke ondernemingen die slechts gedeeltelijk uit de Unie-begroting worden gefinancierd sinds januari 2016 het deel van de werkgeversbijdragen aan de pensioenregeling van de Unie moeten betalen dat overeenstemt met de verhouding tussen hun niet door de EU gesubsidieerde ontvangsten en hun totale ontvangsten (4); is bezorgd over het feit dat de gemeenschappelijke ondernemingen, aangezien de Commissie deze uitgaven niet in de begrotingen van de gemeenschappelijke ondernemingen heeft opgenomen en evenmin formeel om de betalingen heeft verzocht, dergelijke bijdragen nog niet hebben betaald; verzoekt de Commissie stappen te ondernemen om soortgelijke kwesties in de toekomst te voorkomen; |
|
18. |
verzoekt het Bureau voor het beheer en de afwikkeling van de individuele rechten (PMO) van de Commissie in dit verband, in overeenstemming met de richtsnoeren van de Commissie aan de gemeenschappelijke ondernemingen, de werkgeversbijdrage voor elke gemeenschappelijke onderneming te berekenen als percentage van de niet-EU-ontvangsten in verhouding tot de totale ontvangsten van de gemeenschappelijke onderneming, met inbegrip van ontvangsten van derde landen voor operationele uitgaven; merkt op dat dit percentage voor ITER voor de periode 2017-2020 werd vastgesteld op 21,6 % ofwel ongeveer 5,8 miljoen EUR, en voor het jaar 2021 op 19,8 % of ongeveer 1,5 miljoen EUR; benadrukt voorts dat in die richtsnoeren bij het bepalen van de berekeningsmethode voor de betaling door de gemeenschappelijke ondernemingen van de werkgeversbijdrage aan de Unie-begroting op basis van ontvangsten alleen rekening wordt houden met de respectieve bepalingen van het Statuut; |
|
19. |
verzoekt de gemeenschappelijke onderneming om niet op de definitieve berekening van de uitstaande bijdragen te wachten, maar om al rekening te houden met deze verplichting wanneer zij haar toekomstige begroting plant, bijvoorbeeld middels een overeenkomstige opbouw voor pensioenbijdragen; |
|
20. |
is zich er echter van bewust dat de betreffende bepalingen van de statuten van de gemeenschappelijke onderneming voorschrijven dat het totale bedrag van de lidmaatschapsbijdragen niet meer mag bedragen dan 10 % van de jaarlijkse administratieve kosten van de gemeenschappelijke onderneming, hetgeen voor de gemeenschappelijke onderneming zou neerkomen op een werkgeversbijdrage van ongeveer 740 013 EUR per jaar (op basis van cijfers voor 2021); merkt derhalve op dat het samenvallen van deze verschillende wettelijke bepalingen het risico met zich meebrengt dat verschillende interpretaties worden uitgewerkt met betrekking tot de berekening van de werkgeversbijdrage van de gemeenschappelijke ondernemingen, met uiteenlopende financiële gevolgen, en verlangt dat deze rechtsonzekerheid onverwijld wordt verholpen; is ingenomen met de bereidheid van de gemeenschappelijke onderneming om met de Commissie te werken aan een duidelijkere onderlinge afstemming van de relevante rechtsgronden; |
Prestatie
|
21. |
merkt op dat 2021 het eerste jaar was van het meerjarig financieel kader 2021-2027; |
|
22. |
merkt met tevredenheid op dat de gemeenschappelijke onderneming in 2021 verdere vooruitgang heeft geboekt bij de werkzaamheden en de levering van enkele belangrijke onderdelen aan ITER heeft voorgezet, zodat de assemblageactiviteiten volgens plan van start kunnen gaan met het oog op het opwekken van het eerste plasma eind 2025; neemt er kennis van dat de ITER-organisatie momenteel werkt aan een gewijzigde planning voor het basisscenario voor het eerste plasma, en dat het resultaat daarvan in 2022 door de ITER-Raad zou worden vastgesteld, en dat de gemeenschappelijke onderneming vervolgens haar planning dienovereenkomstig zal aanpassen; |
|
23. |
merkt op dat de gemeenschappelijke onderneming na tien jaar de verantwoordelijkheid voor de coördinatie van de bouwplaats heeft overgedragen aan de ITER-organisatie; merkt op dat die overdracht volgens de planning bij de publieke regeling voor de bouw van gebouwen moest plaatsvinden in september 2018, zodra de belangrijkste risico’s op de bouwplaats niet meer aanwezig waren; |
|
24. |
merkt op dat de COVID-19-pandemie in 2021 nog steeds aanzienlijke gevolgen had voor de toeleveringsketen van de gemeenschappelijke onderneming, aangezien veel leveranciers van de gemeenschappelijke onderneming waren getroffen, vanwege beperkingen op de aanwezigheid op het werk en reisbeperkingen, en vanwege de in de meeste lidstaten vereiste verscherpte gezondheidsmaatregelen, met aanhoudende en toekomstige gevolgen voor de efficiëntie; betreurt dat de vertragingen bij sommige leveringen opliepen tot vier maanden, met een impact van 45 miljoen EUR op de “kosten bij voltooiing” (57 miljoen EUR in 2020 — beide in waarden van 2008); |
|
25. |
merkt voorts op dat de COVID-19-pandemie nog steeds indirecte gevolgen heeft voor veel contracten van de gemeenschappelijke onderneming, als gevolg van de hoge stijgingen van de grondstofprijzen, en dat het effect op de kosten bij voltooiing nog wordt geraamd; merkt niettemin op dat het effect van de COVID-19-pandemie ernstig maar niet substantieel is en dat het resultaat van de financiële overzichten voor 2021 niet materieel is; |
Preventie van fraude en belangenconflicten
|
26. |
merkt op dat de functionaris voor fraudebestrijding en ethiek de uitvoering van de fraudebestrijdingsstrategie van de gemeenschappelijke onderneming en het bijbehorende actieplan voor fraudebestrijding voor de periode 2020 tot en met 2023 heeft gestimuleerd en gecoördineerd; |
|
27. |
is ingenomen met het feit dat de uitvoering van de maatregelen in het actieplan voor fraudebestrijding systematisch wordt gemonitord met behulp van een speciale databank waarin de reikwijdte van de maatregel, de verantwoordelijke voor de maatregel en de streefdatum voor de uitvoering van de maatregel worden vermeld, en dat er wat betreft de uitvoering van fraudebestrijdingsmaatregelen behoorlijke vooruitgang is geboekt; |
|
28. |
merkt voorts op dat in 2021 doorlopend informatie over en ondersteuning bij fraudepreventie werd verstrekt, met name aan het personeel dat betrokken was bij aanbestedingen, contractbeheer en financiën, en dat het interne netwerk van fraudebestrijdingscorrespondenten van de gemeenschappelijke onderneming individueel en in het kader van de regelmatige vergaderingen van het netwerk op de hoogte werd gehouden; |
|
29. |
waardeert het feit dat het personeel in 2021 is ingelicht over regels, procedures, processen en beste praktijken inzake ethiek en preventie en beheer van belangenconflicten, onder meer via het handboek van de gemeenschappelijke onderneming dat specifieke hoofdstukken bevat over ethiek en integriteit en fraudepreventie, een pagina over klokkenluiden en een hoofdstuk over de preventie en de aanpak van belangenconflicten; |
Personeel en aanwerving
|
30. |
betreurt dat het personeel van de gemeenschappelijke onderneming in november 2021 in staking is gegaan en dat volgens interne en externe managementbeoordelingen en diverse interne enquêtes de verslechtering van de werkomgeving bij de gemeenschappelijke onderneming vooral te wijten was aan tekortkomingen op het niveau van het hoger management, zoals niet-transparante en disfunctionele besluitvorming en een gebrek aan sociale dialoog; merkt voorts op dat de onevenredige inzet van extern personeel de uitdagingen en risico’s voor de werkomgeving heeft vergroot, hetgeen is bevestigd door de personeelsvertegenwoordigers van de gemeenschappelijke onderneming, en verwoord in hun formele brieven aan de verantwoordelijke commissarissen; merkt op dat de Commissie (directoraat-generaal Energie) in haar antwoord op de brieven heeft verklaard dat de jaarlijkse beoordeling van de gemeenschappelijke onderneming voor 2022 uitsluitend op personeelsbeheer gericht zal zijn, en dat zij de gemeenschappelijke onderneming heeft aangemoedigd een 360-gradenbeoordeling voor haar managementteam te gebruiken; |
|
31. |
merkt met bezorgdheid op dat de gemeenschappelijke onderneming de afgelopen jaren afhankelijker is geworden van extern personeel; benadrukt dat de opmerking van de Rekenkamer hierover al sinds 2019 openstaat, toen het statutaire personeel van de gemeenschappelijke onderneming voor 62 % uit extern personeel bestond; wijst erop dat volgens het huidige strategische middelenplan van de gemeenschappelijke onderneming voor 2021-2027, in 2022 een toename van het externe personeel tot 93 % van het maximale door de Commissie goedgekeurde statutaire personeelsbestand is voorzien, gevolgd door een geleidelijke afname tot 70 % in 2027; herinnert eraan dat deze situatie aanzienlijke risico’s met zich meebrengt voor de gemeenschappelijke onderneming wat betreft het behoud van cruciale competenties, onduidelijke verantwoordingsplicht, mogelijke gerechtelijke geschillen en een lagere efficiëntie van het personeel als gevolg van gedecentraliseerd bestuur; benadrukt bovendien dat het gebruik van uitzendkrachten een tijdelijke oplossing moet blijven; herinnert eraan dat het bestuur van de gemeenschappelijke onderneming de reeds getroffen maatregelen ter beperking van de risico’s in verband met de inzet van extern personeel verder moet versterken, met name het risico van inefficiënt bestuur als gevolg van de onduidelijke verdeling van verantwoordelijkheden tussen statutair en extern personeel; |
|
32. |
merkt op dat fouten op het vlak van personeelszaken niet mogen worden herhaald en dat een blijvende verandering van de bestuurscultuur noodzakelijk is; merkt voorts op dat inzake het personeelsbeleid meer inspanningen moeten worden geleverd om langdurige vacatures, een hoog personeelsverloop, een buitensporig aantal externe personeelsleden, afhankelijkheid van de expertise van een klein aantal personeelsleden, extreme werkdruk, en daaruit voortvloeiende absenties en inefficiëntie te voorkomen; dringt erop aan meer energie te stoppen in het creëren van aantrekkelijke en in sociaal opzicht eerlijke arbeidsvoorwaarden die bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen van de gemeenschappelijke onderneming; |
|
33. |
steunt de gemeenschappelijke onderneming in zijn reactie op de situatie in de vorm van verschillende maatregelen die zijn genomen om de werkomgeving en het welzijn van het personeel te verbeteren; merkt op dat deze maatregelen zijn ingebed in een veranderplan, gericht op het aanpakken van buitensporige werkdruk, een negatieve werksfeer en een gebrek aan communicatie van het management over de geplande organisatorische veranderingen, en verwacht, gezien de gemelde gebeurtenissen, dat deze maatregelen effectief zullen zijn; |
|
34. |
merkt op dat de afdeling Opleiding en Ontwikkeling (Learning & Development, L&D) van ITER een grotere verscheidenheid aan online en digitale middelen is blijven aanbieden, waardoor grotere flexibiliteit wordt geboden, alsook de vrijheid om te leren wanneer men dat wil en nodig acht; merkt voorts op dat in totaal 94 % van de personeelsleden in 2021 aan ten minste één leeractiviteit heeft deelgenomen en dat de tevredenheid van het personeel over de interne L&D-activiteiten groot was: 88 % van het personeel van de gemeenschappelijke onderneming beoordeelde deze als uitstekend of goed; |
|
35. |
merkt op dat de bezette posten bij de gemeenschappelijke onderneming per 31 december 2021 47 ambtenaren, 226 tijdelijke functionarissen en 166 arbeidscontractanten omvatten; merkt voorts op dat de gemeenschappelijke onderneming werd ondersteund door elf uitzendkrachten (in vte) en twee gedetacheerde nationale deskundigen; |
|
36. |
maakt uit het jaarlijks activiteitenverslag 2021 op dat er geen passend genderevenwicht is onder het personeel en management van de gemeenschappelijke onderneming, aangezien slechts 19 % van het personeel en minder dan 10 % van het management en van het personeel dat in 2021 werd aangeworven, vrouw was; betreurt deze cijfers en dringt aan op meer inspanningen ten aanzien van genderevenwicht; |
|
37. |
neemt er kennis van dat de personeelsdienst van de gemeenschappelijke onderneming, na het onderzoek naar het effect van de COVID-19-pandemie vanaf 2020 en op basis van de resultaten daarvan, zich in 2021 zeer actief is blijven richten op psychosociale preventiemaatregelen op het gebied van emotioneel welzijn en stressbestrijding; |
|
38. |
merkt op dat in 2021 14 vacatures voor zes tijdelijke functionarissen en acht arbeidscontractanten extern werden gepubliceerd en dat in totaal 14 selectieprocedures werden voltooid, waarvan er drie in 2020 en de overige elf in 2021 waren gepubliceerd; |
Beheers- en controlesystemen
|
39. |
merkt op dat de gemeenschappelijke onderneming in 2020 en 2021 werd onderworpen aan de regelmatige jaarlijkse beoordelingen door externe deskundigen en aan intensieve interne controles op de meeste van haar kritieke activiteitengebieden, en neemt nota van de uitvoering van de corrigerende maatregelen naar aanleiding van controles en beoordelingen, teneinde de vastgestelde risico’s aan te pakken; betreurt echter dat dit tot een toename van de administratieve lasten leidde, terwijl het niet duidelijk was of de toegevoegde controles efficiënt waren en of het systeem erdoor verbeterde; |
|
40. |
merkt op dat de gemeenschappelijke onderneming haar normen voor beheer en interne controle (Management and Internal Control Standards, MICS), indicatoren en procedures in 2021 verder in overeenstemming heeft gebracht met het intern controlekader van de Commissie; |
|
41. |
merkt op dat de gemeenschappelijke onderneming een stapsgewijze aanpak heeft gehanteerd voor het vaststellen van sterke en zwakke punten van het internecontrolesysteem op basis van vastgestelde tekortkomingen in de werking van de MICS, en overeenkomstige corrigerende maatregelen heeft geformuleerd, hetgeen heeft geleid tot de conclusies voor de opstelling van de betrouwbaarheidsverklaring van de directeur en tot rapportage in het geconsolideerde jaarlijkse activiteitenverslag; |
|
42. |
merkt op dat de gemeenschappelijke onderneming in het geconsolideerde jaarlijkse activiteitenverslag voor 2021 heeft geconcludeerd dat alle onderdelen op geïntegreerde wijze samenwerken; merkt echter op dat het management van de gemeenschappelijke onderneming heeft moeten concluderen dat het algemene internecontrolesysteem gedeeltelijk effectief was, aangezien op één onderdeel, met name “Controleactiviteiten — Het probleem inzake personeelswelzijn”, een kritieke tekortkoming werd vastgesteld. |
(1) Beschikking 2007/198/Euratom van de Raad van 27 maart 2007 tot oprichting van de Europese gemeenschappelijke onderneming voor ITER en de ontwikkeling van fusie-energie van gunsten daaraan (PB L 90 van 30.3.2007, blz. 58).
(2) ITER-documenten “Value estimates for ITER Phases of Construction, Operation, Deactivation and Decommissioning and Form of Party Contributions” en “COST Sharing for all Phases of the ITER Project”.
(3) Ramingen zijn gebaseerd op mededeling COM(2017) 319 van de Commissie van 14 juni 2017 en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie SWD(2017) 232, tabel 4.
(4) Artikel 83 bis van Verordening nr. 31 (EEG), 11 (EGA) tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PB 45 van 14.6.1962, blz. 1385/62).