BIJLAGE bij het Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD tot vaststelling van het door de Europese Unie in het Comité voor overheidsopdrachten in te nemen standpunt over besluiten tot uitvoering van bepaalde bepalingen van het Protocol tot wijziging van de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten /* COM/2013/0142 final - NLE 2013/0077 */
TOELICHTING 1. ACHTERGROND De Overeenkomst inzake
overheidsopdrachten (GPA)[1] is tot op heden de enige wettelijk bindende
overeenkomst binnen de WTO op het gebied van overheidsopdrachten. De huidige
versie ervan, die het resultaat is van onderhandelingen die werden gevoerd
parallel aan de Uruguay-ronde in 1994, is op 1 januari 1996 in werking getreden
(de "GPA van 1994"). De partijen bij de GPA van
1994 zijn: Armenië, Canada, de Europese Unie wat haar 27 lidstaten betreft,
Hongkong (China), IJsland, Israël, Japan, Korea, Liechtenstein, Nederland wat Aruba
betreft, Noorwegen, Singapore, Zwitserland, Chinees Taipei, en de Verenigde
Staten. De GPA wordt beheerd door het Comité voor overheidsopdrachten
("het Comité"). Sinds de aanneming ervan
in 1994, was in de GPA van 1994 een verbintenis vervat tot het voeren van
onderhandelingen, zowel over de tekst als over het toepassingsgebied van de
overeenkomst (artikel XXIV, lid 7, onder b)). In 1999 gingen
onderhandelingen met het oog daarop van start. De onderhandelingen zijn
namens de EU gevoerd door de Commissie. Via het Comité handelspolitiek werd de
Raad regelmatig op de hoogte gebracht, zowel mondeling als schriftelijk, van de
stand van zaken in de onderhandelingen. Daarnaast werd voorafgaand aan elke
onderhandelingsbijeenkomst coördinatie-overleg met de lidstaten gehouden in
Genève. Het Europees Parlement werd regelmatig schriftelijk op de hoogte
gebracht via de Commissie internationale handel. Op 30 maart 2012 namen de onderhandelaars
een besluit aan over de onderhandelingsresultaten ("Besluit betreffende de
resultaten van de onderhandelingen") houdende goedkeuring van de volgende
elementen: i) het Protocol tot wijziging van de Overeenkomst inzake
overheidsopdrachten ("het protocol") en ii) zeven besluiten ("de
besluiten") van het Comité. Door middel van het Besluit betreffende de
resultaten van de onderhandelingen namen de partijen bij de GPA het protocol
aan en stelden zij het open voor aanvaarding door de partijen bij de GPA van 1994.
Het protocol treedt voor die partijen bij de GPA van 1994 die hun akte van
aanvaarding van dit protocol hebben nedergelegd in werking op de 30e
dag na nederlegging van die akte door twee derde van de partijen bij de GPA van
1994. Bovendien worden in het Besluit betreffende de resultaten van de
onderhandelingen de besluiten van het Comité geformuleerd; daarin worden
toekomstige werkprogramma’s van het Comité vastgesteld en wordt een uitvoerige
beschrijving gegeven van de kennisgevingsverplichtingen uit hoofde van de
artikelen XIX en XXII van de overeenkomst. Die besluiten zijn een onderdeel
van het via onderhandelingen aangenomen pakket en weerspiegelen de
vastberadenheid van de GPA-partijen om, zodra het protocol in werking treedt,
een begin te maken met de tenuitvoerlegging van bepaalde bepalingen van de
herziene GPA. Gezien hun inhoud werd het
niet passend geacht de besluiten in het protocol zelf op te nemen, waardoor voor
die besluiten dezelfde wijzigingsprocedures zouden gelden. Ook was het niet
mogelijk de besluiten aan te nemen vóór de inwerkingtreding van het protocol,
dat door deze besluiten zou moeten worden uitgevoerd. De partijen bij de GPA
bereikten bijgevolg overeenstemming over de inhoud van de besluiten, die door het
Comité op zijn eerste bijeenkomst na de inwerkingtreding van het protocol dienden
te worden bekrachtigd; daartoe zou het Comité een besluit aannemen ter
bevestiging van de politieke wil om deze besluiten vast te stellen met ingang
van de datum van inwerkingtreding van het protocol. Aangezien zowel het
protocol als de besluiten het voorwerp zijn van de in maart 2012 bereikte
overeenstemming, maken ze, wat de ratificatie door de EU van de herziene GPA betreft,
deel uit van hetzelfde pakket. Aangezien de Unie op de eerste bijeenkomst van
het Comité na de inwerkingtreding van het protocol een standpunt zal moeten
innemen met betrekking tot de besluiten, geldt voor de besluiten een andere
internebesluitvormingsprocedure dan voor het protocol. Derhalve is er met
betrekking tot deze besluiten een afzonderlijk besluit van de Raad nodig, naast
het Raadsbesluit betreffende de sluiting van het protocol. Indien de Raad, na de
instemming van het Europees Parlement te hebben verkregen, een besluit aanneemt
tot sluiting, namens de Europese Unie, van het Protocol tot wijziging van de
Overeenkomst inzake overheidsopdrachten, zou de Unie binnen het Comité een
standpunt moeten kunnen innemen over de besluiten. 2. RESULTATEN VAN DE ONDERHANDELINGEN De volgende besluiten
moeten worden aangenomen: i) Besluit van het Comité
voor overheidsopdrachten betreffende de kennisgevingsverplichtingen uit hoofde
van de artikelen XIX en XXII van de overeenkomst: hiermee wordt beoogd de
kennisgevingsverplichtingen te vereenvoudigen door te verduidelijken op welke wijze
een partij wijzigingen in haar wet- en regelgeving en in haar lijst met
entiteiten kan melden. ii) Besluit van het Comité
voor overheidsopdrachten betreffende de vaststelling van werkprogramma’s:
hierin worden enkele specifieke werkprogramma’s vermeld, in het kader waarvan
de partijen zich ertoe verbinden toekomstige werkzaamheden uit te voeren. iii) Besluit van het
Comité voor overheidsopdrachten betreffende een werkprogramma inzake kmo’s:
hierin wordt een werkprogramma inzake kmo’s omschreven, dat tot doel heeft de
deelname van kmo’s aan overheidsaanbestedingen te vergemakkelijken,
discriminatoire maatregelen voor kmo’s te vermijden en de transparantie te
vergroten. iv) Besluit van het Comité
voor overheidsopdrachten betreffende een werkprogramma inzake de verzameling en
rapportage van statistische gegevens: hiermee wordt beoogd het gemakkelijker te
maken te voldoen aan de verplichting statistische gegevens te verzamelen. v) Besluit van het Comité
voor overheidsopdrachten betreffende een werkprogramma inzake duurzame
aanbestedingen: hierin wordt een werkprogramma omschreven dat erop gericht is
te waarborgen dat het beleid voor duurzame aanbestedingen verenigbaar is met de
beginselen van non-discriminatie en transparantie. vi) Besluit van het Comité
voor overheidsopdrachten betreffende een werkprogramma inzake uitsluitingen en
beperkingen in de bijlagen van de partijen: met dit besluit wordt een
werkprogramma aangenomen dat tot doel heeft uitsluitingen en beperkingen die de
partijen hebben opgenomen in hun bijlagen geleidelijk weg te nemen. vii) Besluit betreffende
een werkprogramma inzake veiligheidsnormen: met dit besluit wordt een
werkprogramma aangenomen dat moet waarborgen dat maatregelen ter bescherming
van de openbare veiligheid niet zodanig worden toegepast dat zij willekeurige
of ongerechtvaardigde discriminatie of een verkapte beperking vormen. Aangezien de besluiten de
uitvoering van de GPA‑beginselen vergemakkelijken en bijdragen aan de afschaffing
van discriminatoire praktijken, zullen zij een gunstig klimaat scheppen voor de
verdere openstelling van overheidsaanbestedingen. 2013/0077 (NLE) Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD tot vaststelling van het door de Europese
Unie in het Comité voor overheidsopdrachten in te nemen standpunt over
besluiten tot uitvoering van bepaalde bepalingen van het Protocol tot wijziging
van de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten DE RAAD VAN DE
EUROPESE UNIE, Gezien het Verdrag
betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 4,
eerste alinea, juncto artikel 218, lid 9, Gezien het voorstel van de
Europese Commissie, Overwegende hetgeen volgt: (1) De onderhandelingen over de
herziening van de WTO-overeenkomst inzake overheidsopdrachten (GPA) zijn in
januari 1999 van start gegaan, op grond van een in artikel XXIV, lid 7, onder
b), van de GPA vervatte verbintenis. (2) De onderhandelingen werden
gevoerd door de Commissie, in overleg met het op grond van artikel 207 van het
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie opgerichte comité. (3) In het kader van deze
onderhandelingen bereikten de onderhandelaars op 30 maart 2012
overeenstemming over een Protocol tot wijziging van de Overeenkomst inzake
overheidsaanbestedingen ("het protocol"), alsook over zeven door het
Comité voor overheidsopdrachten aan te nemen besluiten waarmee een begin zou
worden gemaakt met de uitvoering van bepaalde bepalingen van het protocol onmiddellijk
na de inwerkingtreding van het protocol. Het betreft de volgende besluiten: i)
Besluit van het Comité voor overheidsopdrachten betreffende de kennisgevingsverplichtingen
uit hoofde van de artikelen XIX en XXII van de overeenkomst; ii) Besluit van
het Comité voor overheidsopdrachten betreffende de vaststelling van werkprogramma’s;
iii) Besluit van het Comité voor overheidsopdrachten betreffende een werkprogramma
inzake kmo’s; iv) Besluit van het Comité voor overheidsopdrachten betreffende
een werkprogramma inzake de verzameling en rapportage van statistische gegevens;
v) Besluit van het Comité voor overheidsopdrachten betreffende een
werkprogramma inzake duurzame aanbestedingen; vi) Besluit van het Comité voor
overheidsopdrachten betreffende een werkprogramma inzake uitsluitingen en
beperkingen in de bijlagen van de partijen; vii) Besluit betreffende een
werkprogramma inzake veiligheidsnormen ("de besluiten"). (4) De op 30 maart 2012 bereikte
overeenstemming moet worden bekrachtigd op de eerste bijeenkomst van het Comité
voor overheidsopdrachten na de inwerkingtreding van het protocol. Op die
bijeenkomst zal het Comité voor overheidsopdrachten een besluit vaststellen ter
bevestiging van zowel de aanneming van deze zeven besluiten als hun
inwerkingtreding op de datum waarop het protocol in werking treedt. (5) Aangezien de besluiten de
uitvoering van de beginselen van de herziene Overeenkomst inzake overheidsopdrachten
vergemakkelijken en bijdragen aan de afschaffing van discriminatoire
praktijken, zal de aanneming van de besluiten de verdere openstelling van
overheidsaanbestedingen bevorderen. (6) Bijgevolg is het passend om
het door de Commissie namens de Unie in het Comité voor overheidsopdrachten in
te nemen standpunt over de besluiten vast te stellen, HEEFT HET VOLGENDE
BESLUIT VASTGESTELD: Artikel 1 Het door de Europese Unie
in het Comité voor overheidsopdrachten in te nemen standpunt is dat enerzijds
de aanneming wordt bevestigd van de volgende besluiten: i) Besluit van het
Comité voor overheidsopdrachten betreffende de kennisgevingsverplichtingen uit
hoofde van de artikelen XIX en XXII van de overeenkomst; ii) Besluit van het
Comité voor overheidsopdrachten betreffende de vaststelling van
werkprogramma’s; iii) Besluit van het Comité voor overheidsopdrachten
betreffende een werkprogramma inzake kmo’s; iv) Besluit van het Comité voor
overheidsopdrachten betreffende een werkprogramma inzake de verzameling en
rapportage van statistische gegevens; v) Besluit van het Comité voor
overheidsopdrachten betreffende een werkprogramma inzake duurzame
aanbestedingen; vi) Besluit van het Comité voor overheidsopdrachten betreffende
een werkprogramma inzake uitsluitingen en beperkingen in de bijlagen van de
partijen; vii) Besluit betreffende een werkprogramma inzake veiligheidsnormen;
en dat anderzijds wordt ingestemd met de inwerkingtreding van deze besluiten op
de datum waarop het Protocol tot wijziging van de Overeenkomst inzake
overheidsaanbestedingen in werking treedt. Dit standpunt zal door de
Commissie tot uitdrukking worden gebracht. De tekst van de besluiten
is aan dit besluit gehecht. Artikel 2 Dit besluit treedt in
werking op de dag waarop het wordt vastgesteld. Gedaan te Brussel, Voor
de Raad De
voorzitter [1] PB C 256
van 3.9.1996 blz. 1.
BIJLAGE
BIJLAGE
A BESLUIT VAN HET COMITÉ VOOR OVERHEIDSOPDRACHTEN BETREFFENDE
KENNISGEVINGSVERPLICHTINGEN UIT HOOFDE VAN DE ARTIKELEN XIX EN XXII VAN DE
OVEREENKOMST.. 2 BIJLAGE
B BESLUIT VAN HET COMITÉ VOOR OVERHEIDSOPDRACHTEN BETREFFENDE DE VASTSTELLING
VAN WERKPROGRAMMA'S. 4 BIJLAGE
C BESLUIT VAN HET COMITÉ VOOR OVERHEIDSOPDRACHTEN BETREFFENDE EEN
WERKPROGRAMMA INZAKE KMO'S. 5 BIJLAGE
D BESLUIT VAN HET COMITÉ VOOR OVERHEIDSOPDRACHTEN BETREFFENDE EEN
WERKPROGRAMMA INZAKE DE VERZAMELING EN RAPPORTAGE VAN STATISTISCHE GEGEVENS. 8 BIJLAGE
E BESLUIT VAN HET COMITÉ VOOR OVERHEIDSOPDRACHTEN BETREFFENDE EEN
WERKPROGRAMMA INZAKE DUURZAME AANBESTEDINGEN.. 10 BIJLAGE
F BESLUIT VAN HET COMITÉ VOOR OVERHEIDSOPDRACHTEN BETREFFENDE EEN
WERKPROGRAMMA INZAKE UITSLUITINGEN EN BEPERKINGEN IN DE BIJLAGEN VAN DE
PARTIJEN.. 11 BIJLAGE
G BESLUIT VAN HET COMITÉ VOOR OVERHEIDSOPDRACHTEN BETREFFENDE EEN
WERKPROGRAMMA INZAKE VEILIGHEIDSNORMEN BIJ INTERNATIONALE AANBESTEDINGEN.. 13
BIJLAGE
A
BESLUIT VAN HET COMITÉ VOOR OVERHEIDSOPDRACHTEN BETREFFENDE
KENNISGEVINGSVERPLICHTINGEN UIT HOOFDE VAN DE ARTIKELEN XIX EN XXII VAN DE
OVEREENKOMST
Besluit
van 30 maart 2012 Het Comité voor overheidsopdrachten, Gezien het belang van transparantie van de
voor deze overeenkomst relevante wet- en regelgeving, met inbegrip van
wijzigingen daarvan, zoals voorgeschreven door artikel XXII, lid 5, van de
overeenkomst; Overwegende dat het eveneens van belang is
nauwkeurige lijsten bij te houden van instanties die vallen onder de bijlagen
van de partijen bij aanhangsel I bij de overeenkomst, conform artikel XIX van
de overeenkomst; Erkennende dat het voor de partijen geen
geringe opgave is het Comité tijdig in kennis te stellen van wijzigingen in hun
voor de overeenkomst relevante wet- en regelgeving, zoals voorgeschreven door
artikel XXII, lid 5, van de overeenkomst, en van voorgenomen rectificaties van
de hun betreffende bijlagen bij aanhangsel I, zoals voorgeschreven door
artikel XIX, lid 1, van de overeenkomst; Overwegende dat in de bepalingen van artikel
XIX van de overeenkomst een onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds kennisgevingen
van voorgenomen rectificaties die geen wijziging inhouden van het wederzijds
overeengekomen toepassingsgebied dat in de overeenkomst is vastgesteld en anderzijds
andere soorten voorgenomen wijzigingen van de bijlagen bij aanhangsel I; Erkennende dat veel partijen dankzij
technologische veranderingen in staat zijn met behulp van elektronische
middelen informatie te verstrekken over hun stelsels voor overheidsopdrachten en
de andere partijen in kennis te stellen van wijzigingen in die stelsels; Besluit hierbij het volgende: Jaarlijkse kennisgevingen van wijzigingen
in wet- en regelgeving 1. Indien
een partij officieel aangewezen elektronische media onderhoudt met daarin links
naar haar geldende, voor deze overeenkomst relevante wet- en regelgeving en
haar wet- en regelgeving beschikbaar is in een van de officiële talen van de
WTO, en deze media worden vermeld in aanhangsel II, dan kan de partij voldoen
aan het vereiste van artikel XXII, lid 5, door het Comité jaarlijks, aan het
einde van het jaar, op de hoogte te brengen van eventuele wijzigingen, tenzij
het wezenlijke wijzigingen betreft, met andere woorden, wijzigingen die
mogelijk van invloed zijn op de verplichtingen van de partij uit hoofde van de
overeenkomst; in deze gevallen dient kennisgeving onmiddellijk te geschieden. 2. De
partijen krijgen de gelegenheid de jaarlijkse kennisgeving van een partij te
bespreken op de eerste informele bijeenkomst van het Comité in het volgende
jaar. Voorgenomen rectificaties van de bijlagen
van een partij bij aanhangsel I 3. De
volgende wijzigingen in de bijlagen van een partij bij aanhangsel I worden
beschouwd als een rectificatie in de zin van artikel XIX van de overeenkomst: a) wijziging van de naam van een entiteit; b) fusie van twee of meer in een bijlage vermelde entiteiten;
en c) splitsing van een
in een bijlage vermelde entiteit in twee of meer entiteiten die alle worden
toegevoegd aan de in dezelfde bijlage vermelde entiteiten. 4. In het
geval van voorgenomen rectificaties van de bijlagen van een partij bij
aanhangsel I als bedoeld in punt 3 stelt de partij het Comité daarvan elke twee
jaar in kennis, vanaf de inwerkingtreding van het Protocol tot wijziging van de
bestaande overeenkomst (1994). 5. Een
partij kan het Comité op de hoogte stellen van een bezwaar tegen een
voorgenomen rectificatie binnen 45 dagen na de datum waarop de kennisgeving
onder de partijen werd verspreid. Indien een partij een bezwaar indient,
omkleedt zij haar bezwaar met redenen, conform artikel XIX, lid 2,
met inbegrip van de redenen waarom zij meent dat de voorgenomen rectificatie
van invloed zou zijn op het wederzijds overeengekomen toepassingsgebied in het
kader van de overeenkomst en derhalve niet onder punt 3 valt. Indien geen
schriftelijk bezwaar is ingediend, treden de voorgenomen rectificaties in
werking 45 dagen nadat de kennisgeving werd verspreid, zoals bepaald in artikel
XIX, lid 5, onder a). 6. Binnen
vier jaar na de aanneming van dit besluit evalueren de partijen het
functioneren en de effectiviteit ervan en brengen zij eventueel de nodige
aanpassingen aan.
BIJLAGE
B
BESLUIT VAN HET COMITÉ VOOR OVERHEIDSOPDRACHTEN BETREFFENDE DE VASTSTELLING VAN
WERKPROGRAMMA'S
Besluit
van 30 maart 2012 Het Comité voor
overheidsopdrachten, Opmerkende dat het Comité ingevolge artikel XXII, lid 8, onder b), een besluit
kan aannemen waarin een lijst is opgenomen met aanvullende werkprogramma’s die
het Comité opzet om de tenuitvoerlegging van de overeenkomst en de
onderhandelingen in de zin van artikel XXII, lid 7, van de overeenkomst te
vergemakkelijken; Besluit als volgt: 1. De volgende werkprogramma's worden
toegevoegd aan de lijst van werkprogramma’s in het kader waarvan het Comité in
de toekomst werkzaamheden zal uitvoeren: a) een evaluatie van het gebruik, de transparantie en de
rechtskaders van publiek-private partnerschappen, en hun verhouding tot onder
de overeenkomst vallende overheidsopdrachten; b) de voor- en nadelen van het ontwikkelen van een
gemeenschappelijke nomenclatuur voor goederen en diensten; en c) de voor- en nadelen van het ontwikkelen van
gestandaardiseerde aankondigingen. 2. Het Comité stelt in een later
stadium voor elk van de werkprogramma's de reikwijdte en een tijdschema vast. 3. Het Comité onderzoekt deze lijst
van programma’s periodiek en brengt passende wijzigingen aan.
BIJLAGE
C
BESLUIT VAN HET COMITÉ VOOR OVERHEIDSOPDRACHTEN BETREFFENDE EEN WERKPROGRAMMA
INZAKE KMO'S
Besluit
van 30 maart 2012 Het Comité voor
overheidsopdrachten, Opmerkende dat artikel XXII, lid 8, onder a), van de Overeenkomst inzake
overheidsopdrachten ('de overeenkomst') bepaalt dat de partijen werkprogramma's
aannemen en periodiek beoordelen, waaronder een werkprogramma inzake kleine en
middelgrote ondernemingen (kmo's); Erkennende dat het van belang is de deelname van kmo's aan overheidsopdrachten te
vergemakkelijken; en Erkennende dat de partijen in artikel XXII, lid 6, zijn overeengekomen ernaar te
streven de invoering of voortzetting te vermijden van discriminatoire
maatregelen die de markt voor overheidsopdrachten verstoren; Neemt hierbij het volgende werkprogramma inzake kmo’s aan: 1. Start van het werkprogramma inzake
kmo’s: op de eerste bijeenkomst van het Comité na de inwerkingtreding van
het Protocol tot wijziging van de bestaande overeenkomst (1994) lanceert het
Comité een werkprogramma inzake kmo’s. Het Comité beoordeelt maatregelen en
beleidskeuzen voor kmo's die de partijen hanteren om de deelname van kmo's aan overheidsopdrachten
te ondersteunen, te bevorderen, aan te moedigen of te vergemakkelijken en stelt
een verslag op van zijn bevindingen. 2. Vermijding van discriminatoire
maatregelen voor kmo's: de partijen vermijden dat zij discriminatoire
maatregelen invoeren die uitsluitend binnenlandse kmo’s bevoordelen en
ontmoedigen de invoering van dergelijke maatregelen en dergelijk beleid door
toetredende partijen. 3. Transparantieprogramma en
kmo-enquête 3.1 Transparantieprogramma Zodra het Protocol
tot wijziging van de bestaande overeenkomst (1994) in werking treedt, stellen
de partijen die in het hun betreffende aanhangsel I specifieke bepalingen inzake
kmo's handhaven, met inbegrip van derogaties, het Comité in kennis van dergelijke
maatregelen en dergelijk beleid. De kennisgeving bevat een volledige
beschrijving van de maatregelen en het beleid en het relevante rechtskader alsmede
van het functioneren ervan en de waarde van de opdrachten waarop de maatregelen
van toepassing zijn. Daarnaast stellen die partijen het Comité in kennis van
elke eventuele wezenlijke verandering in deze maatregelen en dit beleid,
overeenkomstig artikel XXII, lid 5, van de overeenkomst. 3.2 Kmo-enquête a) Het Comité voert een enquête uit onder de partijen, middels
een vragenlijst, met het doel informatie te vergaren over de maatregelen en het
beleid om de deelname van kmo's aan overheidsopdrachten te ondersteunen, te
bevorderen, aan te moedigen of te vergemakkelijken. Met behulp van de
vragenlijst moet van elke partij de volgende informatie worden vergaard: (i) een beschrijving van de maatregelen en het beleid van de
partij, met inbegrip van de economische, sociale en andere doelstellingen van
de maatregelen en het beleid en de wijze waarop zij worden beheerd; (ii) de
definitie van kmo's die de partij hanteert; (iii) de mate waarin de partij beschikt over speciale
agentschappen of organen die kmo's bijstaan op het gebied van overheidsopdrachten; (iv) het niveau van participatie van kmo’s aan overheidsopdrachten,
zowel in termen van waarde als in termen van het aantal contracten dat aan
kmo's wordt gegund; (v) een beschrijving van maatregelen en beleid op het gebied van
uitbesteding aan kmo's, met inbegrip van doelstellingen, garanties en
stimuleringsmaatregelen inzake uitbesteding; (vi) de wijze waarop het kmo's gemakkelijker wordt gemaakt deel
te nemen aan gezamenlijke inschrijvingen (met andere grote of kleine
leveranciers); (vii) maatregelen en beleid gericht op het bieden van kansen aan
kmo's om deel te nemen aan overheidsopdrachten (bijvoorbeeld een grotere
transparantie en beschikbaarheid van informatie over overheidsopdrachten voor
kmo's; vereenvoudiging van de criteria voor deelname aan aanbestedingen; het verkleinen
van de contractomvang; en het garanderen van tijdige betaling voor geleverde goederen
en verrichte diensten); en (viii) het toepassen van maatregelen en beleid voor overheidsopdrachten
ter bevordering van innovatie bij kmo's. b) Bundeling van
kmo-enquêteresultaten door het WTO-secretariaat: het WTO-secretariaat stelt een
datum vast waarop alle partijen de antwoorden op de vragenlijst uiterlijk
moeten doorsturen naar het WTO-secretariaat. Na ontvangst bundelt het
secretariaat de antwoorden en verspreidt het de antwoorden en de bundeling
ervan onder de partijen. Tevens voegt het een lijst bij van de partijen die
niet hebben geantwoord. c) Uitwisseling onder partijen betreffende antwoorden op kmo-vragenlijsten:
aan de hand van een door het WTO-secretariaat opgesteld document stelt het
Comité een periode vast voor de uitwisseling van vragen, verzoeken om
aanvullende informatie en opmerkingen over de antwoorden van de andere
partijen. 4. Evaluatie van de
kmo-enquêteresultaten en tenuitvoerlegging van conclusies 4.1 Evaluatie van de
kmo-enquêteresultaten Het Comité bepaalt
welke maatregelen en welk beleid zijns inziens beste praktijken zijn voor het
bevorderen en vergemakkelijken van de deelname van kmo’s van de partijen aan overheidsopdrachten
en stelt een verslag op waarin deze beste praktijken zijn opgenomen, alsmede
een lijst van de andere maatregelen. 4.2 Tenuitvoerlegging van de
conclusies van de kmo-enquête a) De partijen spannen zich in voor de aanneming van de beste
praktijken die uit de beoordeling van de enquête naar voren zijn gekomen om de
deelname van kmo's van de partijen aan overheidsopdrachten aan te moedigen en
te vergemakkelijken. b) Met betrekking tot andere maatregelen moedigt het Comité de
partijen die dergelijke maatregelen handhaven aan die maatregelen te onderzoeken
teneinde ze in te trekken of toe te passen op de kmo's van de andere partijen.
Deze partijen stellen het Comité in kennis van de resultaten van hun onderzoek. c) De partijen die andere maatregelen handhaven, vermelden in
de statistieken die zij overeenkomstig artikel XVI, lid 4, van de overeenkomst
bij het Comité indienen ook de waarde van de aanbestedingen waarop deze
maatregelen van toepassing zijn. d) Partijen kunnen verzoeken om opneming van dergelijke andere
maatregelen in toekomstige onderhandelingen in het kader van artikel XXII, lid 7,
van de overeenkomst en deze verzoeken worden welwillend in overweging genomen
door de partij die dergelijke maatregelen handhaaft. 5. Evaluatie Twee jaar na de
inwerkingtreding van het Protocol tot wijziging van de bestaande overeenkomst (1994)
evalueert het Comité het effect van de beste praktijken op de uitbreiding van
de deelname van kmo's van de partijen aan overheidsopdrachten en gaat het na of
de deelname van kmo's verder zou worden verbeterd door andere praktijken. Het
Comité kan zich tevens buigen over het effect van andere maatregelen op de
deelname van kmo's van de andere partijen aan overheidsopdrachten van de
partijen die dergelijke maatregelen handhaven.
BIJLAGE
D
BESLUIT VAN HET COMITÉ VOOR OVERHEIDSOPDRACHTEN BETREFFENDE EEN WERKPROGRAMMA
INZAKE de verzameling en rapportage VAN STATISTISCHE GEGEVENS
Besluit
van 30 maart 2012 Het Comité voor
overheidsopdrachten, Opmerkende dat artikel XXII, lid 8, onder a), van de Overeenkomst inzake
overheidsopdrachten ('de overeenkomst') bepaalt dat de partijen werkprogramma's
aannemen en periodiek beoordelen, waaronder een werkprogramma inzake de verzameling
en rapportage van statistische gegevens; Gezien het belang van de verzameling en rapportage van statistische gegevens,
zoals voorgeschreven door artikel XVI, lid 4, van de Overeenkomst inzake
overheidsopdrachten ('de overeenkomst'), teneinde te komen tot transparantie van
overheidsopdrachten waarop de overeenkomst van toepassing is; Overwegende dat statistische gegevens die aantonen in welke mate de partijen onder
de overeenkomst vallende goederen en diensten aanschaffen bij andere partijen
bij de overeenkomst een belangrijk instrument zouden kunnen zijn om andere
WTO-leden ertoe aan te zetten tot de overeenkomst toe te treden; Erkennende dat het voor de partijen bij de overeenkomst over het algemeen niet
eenvoudig is gegevens te verzamelen op het gebied van overheidsopdrachten en
met name vast te stellen wat het land van oorsprong is van de goederen en
diensten die zij in het kader van de overeenkomst aanschaffen; en Erkennende dat partijen verschillende methoden gebruiken voor het verzamelen van
statistische gegevens om te voldoen aan de rapportagevereisten van artikel XVI,
lid 4, van de overeenkomst, en dat zij verschillende methoden kunnen gebruiken
voor het verzamelen van gegevens voor centrale en lagere overheidsinstanties; Neemt hierbij het volgende werkprogramma inzake de verzameling en rapportage van
statistische gegevens aan: 1. Start van het werkprogramma
inzake de verzameling en rapportage van statistische gegevens: op de eerste
bijeenkomst van het Comité na de inwerkingtreding van het Protocol tot
wijziging van de bestaande overeenkomst (1994) lanceert het Comité een
werkprogramma inzake de verzameling en rapportage van statistische gegevens.
Het Comité beoordeelt de verzameling en rapportage van statistische gegevens
door de partijen, bekijkt de mogelijkheden om deze te harmoniseren en stelt een
verslag op over de uitkomsten van zijn beoordeling. 2. Indiening van gegevens door de
partijen: het Comité stelt een uiterste datum vast waarop elke partij bij
het Comité de volgende informatie indient met betrekking tot statistische
gegevens over overheidsopdrachten waarop de overeenkomst van toepassing is: a) een beschrijving van de methode die zij gebruikt voor het
verzamelen, beoordelen en rapporteren van statistische gegevens, boven en onder
de drempelwaarden van de overeenkomst, en voor overheidsopdrachten zoals
beschreven in punt 4.2, onder c), van het werkprogramma inzake kmo’s, waarbij
zij tevens aangeeft of zij de gegevens inzake onder de overeenkomst vallende overheidsopdrachten
baseert op de volledige waarde van gegunde contracten of op de totale uitgaven
voor aanbestedingen in een bepaalde periode; b) een vermelding of de statistische gegevens die zij verzamelt
het land van oorsprong van de aangeschafte goederen of diensten omvat, en zo
ja, hoe zij bepaalt of veronderstelt wat het land van oorsprong is, alsmede de
technische belemmeringen bij het verzamelen van gegevens over het land van
oorsprong; c) een toelichting op de in de statistische verslagen gebruikte
classificaties; en d) een beschrijving van de gegevensbronnen. 3. Bundeling van ingediende gegevens: het
secretariaat bundelt de ingediende gegevens en verspreidt de ingediende gegevens
en de bundeling ervan onder de partijen. Tevens voegt het een lijst bij van de
partijen die geen gegevens hebben ingediend. 4. Aanbevelingen: het Comité beoordeelt de
ingediende gegevens van de partijen en doet aanbevelingen over het volgende: a) de vraag of de partijen een gemeenschappelijke methode moeten
aannemen voor het verzamelen van statistische gegevens; b) de vraag of de partijen in staat zijn de classificaties van
de aan het Comité gerapporteerde statistische gegevens te standaardiseren; c) middelen om de verzameling van gegevens over het land van
oorsprong van goederen en diensten waarop de overeenkomst van toepassing is, te
vergemakkelijken; en d) andere technische kwesties met betrekking tot de rapportage
van gegevens over overheidsopdrachten die door een partij aan de orde worden
gesteld. 5. Het
Comité stelt eventueel aanbevelingen op met betrekking tot: a) de eventuele harmonisatie van de statistische rapportage met
als doel statistieken over overheidsopdrachten op te nemen in de jaarlijkse rapportage
van de WTO; b) de technische ondersteuning in verband met de statistische rapportage
die door het secretariaat wordt verleend aan WTO-leden die de procedure voor
toetreding tot de overeenkomst doorlopen; en c) middelen om ervoor te zorgen dat WTO-leden die tot de
overeenkomst toetreden, beschikken over de juiste middelen om te voldoen aan de
vereisten inzake de verzameling en rapportage van statistische gegevens. 6. Gegevensanalyse: het Comité
buigt zich over de vraag hoe de statistische gegevens die jaarlijks door de
partijen bij het secretariaat worden ingediend, kunnen worden gebruikt voor
nadere analyse om meer inzicht te krijgen in het economisch belang van de
overeenkomst, met inbegrip van het effect van de drempelwaarden op de werking van
de overeenkomst.
BIJLAGE
E
BESLUIT VAN HET COMITÉ VOOR OVERHEIDSOPDRACHTEN BETREFFENDE EEN WERKPROGRAMMA
INZAKE DUURZAME AANBESTEDINGEN
Besluit
van 30 maart 2012 Het Comité voor
overheidsopdrachten, Opmerkende dat artikel XXII, lid 8, onder a), van de Overeenkomst inzake
overheidsopdrachten ('de overeenkomst') bepaalt dat de partijen werkprogramma's
aannemen en periodiek beoordelen, waaronder een werkprogramma inzake duurzame
aanbestedingen; Erkennende dat verscheidene partijen nationale en subnationale beleidsmaatregelen voor
duurzame aanbestedingen hebben ontwikkeld; Bevestigende dat het van belang is te waarborgen dat alle overheidsopdrachten worden
geplaatst met inachtneming van de beginselen van non-discriminatie en
transparantie zoals deze in de overeenkomst tot uitdrukking komen; Neemt hierbij een werkprogramma inzake duurzame aanbestedingen aan: 1. Start van het werkprogramma inzake duurzame
aanbestedingen: op de eerste bijeenkomst van het
Comité na de inwerkingtreding van het Protocol tot wijziging van de bestaande overeenkomst
(1994) lanceert het Comité een werkprogramma inzake duurzame aanbestedingen. 2. In het werkprogramma worden onder
meer de volgende kwesties behandeld: a) de
doelstellingen van duurzame aanbestedingen; b) de wijze waarop het concept 'duurzame aanbestedingen' wordt
geïntegreerd in nationale en subnationale beleidsmaatregelen voor
aanbestedingen; c) de wijze waarop bij duurzame aanbestedingen het beginsel van
de beste prijs‑kwaliteitverhouding in acht kan worden genomen; en d) de wijze waarop bij duurzame aanbestedingen de
internationale handelsverplichtingen van de partijen in acht kunnen worden genomen. 3. Het Comité stelt vast welke
maatregelen en welk beleid volgens hem als praktijken voor duurzame aanbestedingen
kunnen worden beschouwd die in overeenstemming zijn met het beginsel van de
beste prijs‑kwaliteitverhouding en de internationale
handelsverplichtingen van de partijen, en stelt een verslag op waarin wordt
aangegeven welke maatregelen en welk beleid beste praktijken zijn.
BIJLAGE
F
BESLUIT VAN HET COMITÉ VOOR OVERHEIDSOPDRACHTEN BETREFFENDE EEN WERKPROGRAMMA
INZAKE UITSLUITINGEN EN BEPERKINGEN IN DE BIJLAGEN VAN DE PARTIJEN
Besluit
van 30 maart 2012 Het Comité voor
overheidsopdrachten, Opmerkende dat artikel XXII, lid 8, onder a), van de Overeenkomst inzake
overheidsopdrachten ('de overeenkomst') bepaalt dat de partijen werkprogramma's
aannemen en periodiek beoordelen, waaronder een werkprogramma inzake
uitsluitingen en beperkingen in de bijlagen van de partijen; Erkennende dat de partijen uitsluitingen en beperkingen hebben opgenomen in de hun
betreffende bijlagen bij aanhangsel I bij de overeenkomst (uitsluitingen en
beperkingen); Gezien het belang van transparante maatregelen inzake overheidsopdrachten; en Overwegende dat het van belang is uitsluitingen en beperkingen geleidelijk te
beperken en weg te nemen in het kader van toekomstige onderhandelingen in de
zin van artikel XXII, lid 7, van de overeenkomst; Neemt hierbij het volgende werkprogramma inzake uitsluitingen en beperkingen in de bijlagen
van de partijen aan: 1. Start van het werkprogramma
inzake uitsluitingen en beperkingen: op de eerste bijeenkomst van het
Comité na de inwerkingtreding van het Protocol tot wijziging van de bestaande overeenkomst
(1994) lanceert het Comité een werkprogramma inzake uitsluitingen en
beperkingen in de bijlagen van de partijen met de volgende doelstellingen: a) verbetering van de transparantie met betrekking tot de
omvang en het effect van de uitsluitingen en beperkingen die worden vermeld in
de bijlagen van de partijen bij aanhangsel I bij de overeenkomst; en b) het verstrekken van informatie over uitsluitingen en
beperkingen ter vergemakkelijking van de onderhandelingen in de zin van artikel
XXII, lid 7, van de overeenkomst. 2. Transparantieprogramma: elke
partij dient uiterlijk zes maanden na de start van het werkprogramma bij het
Comité een lijst in met: a) landenspecifieke uitsluitingen die zij handhaaft in de haar
betreffende bijlagen bij aanhangsel I bij de overeenkomst; en b) alle andere uitsluitingen of beperkingen die zij heeft
vermeld in de haar betreffende bijlagen bij aanhangsel I bij de overeenkomst en
die binnen het toepassingsgebied van artikel II, lid 2, onder e), van de
overeenkomst vallen, met uitzondering van uitsluitingen of beperkingen die in
het kader van het werkprogramma inzake kmo’s worden beoordeeld of gevallen
waarin een partij zich ertoe heeft verbonden een uitsluiting of een beperking
in een bijlage bij aanhangsel I bij de overeenkomst geleidelijk weg te nemen. 3. Bundeling van ingediende
gegevens: het secretariaat bundelt de ingediende gegevens en verspreidt de
ingediende gegevens en de bundeling ervan onder de partijen. Tevens voegt het
een lijst bij van de partijen die geen gegevens hebben ingediend. 4. Verzoeken om aanvullende
informatie: elke partij kan periodiek verzoeken om aanvullende informatie
over onder punt 2, onder a) en b), vallende uitsluitingen of beperkingen, met
inbegrip van maatregelen die binnen de werkingssfeer van een uitsluiting of
beperking vallen, hun rechtskader, beleid en praktijken betreffende de
tenuitvoerlegging ervan en de waarde van de aanbestedingen waarop dergelijke maatregelen
van toepassing zijn. Een partij die een dergelijk verzoek ontvangt, verstrekt onverwijld
de gevraagde informatie. 5. Bundeling van aanvullende
informatie: het secretariaat maakt een bundeling van de aanvullende
informatie betreffende elke partij en verspreidt deze onder de partijen. 6. Beoordeling door het Comité:
op de jaarlijkse vergadering waarin artikel XXI, lid 3, onder a), van de
overeenkomst voorziet, beoordeelt het Comité de door de partijen ingediende
informatie teneinde te bepalen: a) of zij de grootst mogelijke transparantie biedt met
betrekking tot de uitsluitingen en beperkingen die worden vermeld in de
bijlagen van de partijen bij aanhangsel I bij de overeenkomst; en b) of zij toereikend is om de in artikel XXII, lid 7, van de
overeenkomst bedoelde onderhandelingen soepel te laten verlopen. 7. Nieuwe partij die tot de
overeenkomst toetreedt: een nieuwe partij die toetreedt tot de overeenkomst
dient binnen zes maanden na haar toetreding de in punt 2 bedoelde lijst in bij
het Comité.
BIJLAGE
G
BESLUIT VAN HET COMITÉ VOOR OVERHEIDSOPDRACHTEN BETREFFENDE EEN WERKPROGRAMMA
INZAKE VEILIGHEIDSNORMEN BIJ INTERNATIONALE AANBESTEDINGEN
Besluit
van 30 maart 2012 Het Comité voor
overheidsopdrachten, Opmerkende dat artikel XXII, lid 8, onder a), van de Overeenkomst inzake
overheidsopdrachten ('de overeenkomst') bepaalt dat de partijen werkprogramma's
aannemen en periodiek beoordelen, waaronder een werkprogramma inzake
veiligheidsnormen bij internationale aanbestedingen; Opmerkende dat artikel X, lid 1, van de overeenkomst bepaalt dat aanbestedende
diensten "geen technische specificaties (mogen) op- of vaststellen of
toepassen of (geen) conformiteitsbeoordelingsprocedures (mogen) voorschrijven
met als doel of gevolg dat onnodige belemmeringen voor de internationale handel
ontstaan"; Opmerkende dat artikel III, lid 2, onder a), van de overeenkomst de partijen niet
belet maatregelen op te leggen of toe te passen die nodig zijn ter bescherming
van de openbare veiligheid, mits dergelijke maatregelen niet zodanig worden
toegepast dat zij een middel vormen tot willekeurige of ongerechtvaardigde
discriminatie of een verkapte beperking van de internationale handel; Erkennende dat een evenwichtige benadering nodig is waarbij de aandacht wordt
verdeeld tussen openbare veiligheid en onnodige belemmeringen voor de internationale
handel; Erkennende dat uiteenlopende praktijken van de partijen wat de openbare veiligheid
betreft de werking van de overeenkomst nadelig kunnen beïnvloeden; Neemt hierbij het volgende werkprogramma inzake veiligheidsnormen aan: 1. Start van het werkprogramma
inzake veiligheidsnormen bij internationale aanbestedingen: op de eerste
bijeenkomst van het Comité na de inwerkingtreding van het Protocol tot
wijziging van de bestaande overeenkomst (1994) lanceert het Comité een
werkprogramma inzake veiligheidsnormen bij internationale aanbestedingen. 2. In het werkprogramma worden kwesties
behandeld met het oog op de uitwisseling van beste praktijken over onder meer: a) de wijze waarop aangelegenheden inzake openbare veiligheid
worden aangepakt in de wet- en regelgeving en de praktijken van de partijen en
in richtsnoeren voor de tenuitvoerlegging van de overeenkomst door
aanbestedende diensten; b) de verhouding tussen de bepalingen van artikel X betreffende
de technische specificaties en de bescherming van de openbare veiligheid conform
artikel III van de overeenkomst en conform de bijlagen van de partijen bij
aanhangsel I; c) de beste praktijken die kunnen worden aangenomen om de
openbare veiligheid te beschermen in het licht van de bepalingen van artikel X betreffende
de technische specificaties en het aanbestedingsdossier. 3. Het Comité bepaalt de reikwijdte en
het tijdschema voor het onderzoek van elke in punt 2 genoemde kwestie. Het
Comité stelt een verslag op met daarin een samenvatting van de resultaten van
zijn onderzoek van deze kwesties en een lijst met de beste praktijken als
bedoeld in punt 2, onder c). __________