<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><CONCLUSION NNC="YES" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://formex.publications.europa.eu/schema/formex-05.00-20081231.xd"><BIB.CONCLUSION><REF.CASE FILE="ECRCJ2003NLB.1001198501.case.xml"><NO.CASE>C-423/01</NO.CASE></REF.CASE><NO.CELEX>62001C0423</NO.CELEX><NO.SEQ>0015.0001</NO.SEQ><PAGE.FIRST.ECR>11987</PAGE.FIRST.ECR><PAGE.SEQ>1</PAGE.SEQ><PAGE.LAST.ECR>12004</PAGE.LAST.ECR><PAGE.TOTAL>18</PAGE.TOTAL></BIB.CONCLUSION><CURR.TITLE><LEFT>CONCLUSIE VAN ADV.-GEN. LÉGER — ZAAK C-423/01</LEFT><RIGHT>FÄRBER</RIGHT></CURR.TITLE><CONTENTS.CONCLUSION><TITLE><TI><P><HT TYPE="UC">Conclusie van advocaat-generaal</HT></P><P><HT TYPE="UC">P. Léger</HT></P><P>van <DATE ISO="20030227">27 februari 2003</DATE><NOTE NOTE.ID="E0001" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Oorspronkelijke taal: Frans.</P></NOTE></P></TI></TITLE><NP><NO.P>1.</NO.P><TXT>Vers vlees bestemd voor menselijke consumptie wordt in de lidstaten onderworpen aan verschillende geharmoniseerde keuringen en sanitaire controles. Die keuringen en controles betreffen met name het slachten en vervolgens het uitsnijden. De financieringsvoorwaarden van die maatregelen zijn eveneens in communautaire geharmoniseerde voorschriften geregeld.</TXT></NP><NP><NO.P>2.</NO.P><TXT>In de onderhavige zaak wordt aan het Hof gevraagd om te beslissen of de korting op de retributie voor de keuringen en controles in verband met het uitsnijden, die van toepassing is wanneer het uitsnijden plaatsvindt in de inrichting waar is geslacht, afhankelijk is van de voorwaarde dat het slachthuis en de uitsnijderij toebehoren aan dezelfde eigenaar. De verwijzende rechter vraagt eveneens, met welke criteria rekening moet worden gehouden om het bedrag van de korting te bepalen.</TXT></NP><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P>I —</NO.P><TXT>Rechtskader</TXT></NP></TI></TITLE><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P>A —</NO.P><TXT>Bepalingen van gemeenschapsrecht</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>3.</NO.P><TXT>Het van toepassing zijnde communautaire recht bestaat uit de regels betreffende de keuring van vers vlees en die met betrekking tot de financiering van die keuringen.</TXT></NP><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><NP><NO.P>1.</NO.P><TXT>De regels betreffende de keuring</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>4.</NO.P><TXT>De regels betreffende de keuring van vers vlees zijn vastgesteld in richtlijn 64/433/EEG van de Raad<NOTE NOTE.ID="E0002" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Richtlijn van <DATE ISO="19640626">26 juni 1964</DATE> inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vers vlees (<REF.DOC.OJ COLL="P" NO.OJ="121" DATE.PUB="1964" PAGE.FIRST="2012">PB 1964, 121, blz. 20121</REF.DOC.OJ>.</P></NOTE>, zoals gewijzigd bij richtlijn 91/497/EEG van de Raad<NOTE NOTE.ID="E0003" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Richtlijn van <DATE ISO="19910729">29 juli 1991</DATE> tot wijziging en codificatie van richtlijn 64/433 ten einde deze uit te breiden tol de productie en het in de handel brengen van vers vlees (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="268" DATE.PUB="1991" PAGE.FIRST="69">PB L 268, blz. 69</REF.DOC.OJ>).</P></NOTE> (hierna: <QUOT.START ID="QS0001" REF.END="QE0001" CODE="201E"/>richtlijn 64/433<QUOT.END ID="QE0001" REF.START="QS0001" CODE="201D"/>).</TXT></NP><?PAGE NO="I-11988"?><NP><NO.P>5.</NO.P><TXT>Richtlijn 64/433 heeft ten doel de tussen de lidstaten bestaande ongelijkheid op het gebied van de gezondheidsvoorschriften inzake vlees op te heffen teneinde het vrije handelsverkeer daarin te bevorderen.<NOTE NOTE.ID="E0004" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Eerste en tweede overweging van de considerans.</P></NOTE> De richtlijn brengt de voorschriften van de lidstaten nader tot elkaar, met het oog op de uniformering van de gezondheidsvoorschriften voor vlees in de slachthuizen en uitsnijden j en, alsmede voor het opslaan en het vervoer van vlees.<NOTE NOTE.ID="E0005" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Derde en vierde overweging van de considerans.</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>6.</NO.P><TXT>Daartoe bevat richtlijn 64/433 in artikel 2 een aantal definities. Volgens dat artikel, sub k, wordt onder <QUOT.START ID="QS0002" REF.END="QE0002" CODE="201E"/>inrichting<QUOT.END ID="QE0002" REF.START="QS0002" CODE="201D"/> verstaan <QUOT.START ID="QS0003" REF.END="QE0003" CODE="201E"/>een erkend slachthuis, erkende uitsnijderij, erkend koelhuis of vrieshuis, of een complex bestaande uit verscheidene van deze inrichtingen<QUOT.END ID="QE0003" REF.START="QS0003" CODE="201D"/>.</TXT></NP><NP><NO.P>7.</NO.P><TXT>In artikel 3, lid 1, punten A en B, bepaalt richtlijn 64/433, dat het slachten en het versnijden plaats moeten vinden in met inachtneming van de regels ervan erkende slachthuizen en uitsnijderij en. Bovendien moeten systematische keuringen en controles met betrekking tot het slachten en vervolgens het uitsnijden plaatsvinden. Die keuringen en controles dienen door een officiële dierenarts op de in bijlage I bij de richtlijn vermelde wijze te worden uitgevoerd.</TXT></NP><NP><NO.P>8.</NO.P><TXT>Volgens genoemde bijlage I hebben die keuringen en controles betrekking op enerzijds de hygiëne van het personeel, de lokalen en het materieel in de inrichtingen<NOTE NOTE.ID="E0006" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Zie met name hoofdstukken V en X, punt 48, vierde gedachtestreepje, van die bijlage,</P></NOTE> en anderzijds op de hygiënische toestand van het vlees. Aldus moeten alle delen van het dier onmiddellijk na het slachten worden gekeurd om te kunnen nagaan of het vlees geschikt is voor menselijke consumptie.<NOTE NOTE.ID="E0007" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Ibidem, hoofdstuk VIII.</P></NOTE> Bij het uitsnijden moet de exploitant van de inrichting, de eigenaar of diens vertegenwoordiger, telkens wanneer dit gevraagd wordt, de met de controle belaste officiële dierenarts gegevens kunnen verschaffen over de herkomst van het in zijn inrichting binnengekomen vlees en de oorsprong van de geslachte dieren.<NOTE NOTE.ID="E0008" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Ibidem, hoofdstuk IX, punt 44.</P></NOTE> De officiële dierenarts verzorgt ook de controle van het binnenkomende en het uitgaande vers vlees, de sanitaire keuring van het vers vlees dat aanwezig is in de uitsnijderij alsook de keuring van het vers vlees vóór het uitsnijden en bij de afvoer uit de inrichting.<NOTE NOTE.ID="E0009" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Ibidem, hoofdstuk X.</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>9.</NO.P><TXT>Richtlijn 64/433 bepaalt eveneens in artikel 10, dat elke lidstaat een lijst opstelt van erkende inrichtingen, die het veterinair toelatingsnummer van elke inrichting bevat. Deze lijst wordt toegezonden aan de overige lidstaten en de Commissie van de Europese Gemeenschappen. Wanneer de hygiënische voorschriften niet worden nageleefd, kan de erkenning worden opgeschort of ingetrokken.</TXT></NP><?PAGE NO="I-11989"?><NP><NO.P>10.</NO.P><TXT>De toelatingsnummers van de slachthuizen en uitsnijderijen worden vermeld op de begeleidende documenten van het vlees en op de etiketten van de verpakking, zoals bepaald in richtlijn 64/433.<NOTE NOTE.ID="E0010" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Bijlage I, hoofdstukken XI en XIII, alsmede bijlagen IV en</P></NOTE></TXT></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><NP><NO.P>2.</NO.P><TXT>De regels betreffende de financiering</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>11.</NO.P><TXT>De geharmoniseerde voorschriften voor de financiering van deze keuringen en controles zijn vastgesteld in richtlijn 85/73/EEG van de Raad<NOTE NOTE.ID="E0011" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Richtlijn van <DATE ISO="19850129">29 januari 1985</DATE> inzake de financiering van de keuringen en veterinaire controles als bedoeld in de richtlijnen 89/662/EEG, 90/425/EEG, 90/675/EEG en 91/496/EEG.</P></NOTE>, in de versie van richtlijn 96/43/EG van de Raad<NOTE NOTE.ID="E0012" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Richtlijn van <DATE ISO="19960626">26 juni 1996</DATE> tot wijziging en codificcring van richtlijn 85/73/EEG om de financiering van de keuringen en veterinaire controles van levende dieren en bepaalde dierlijke producten te garanderen en tot wijziging van de richtlijnen 90/675/EEG en 91/496/EEG (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="162" DATE.PUB="1996" PAGE.FIRST="1">PB L 162, blz. 1</REF.DOC.OJ>).</P></NOTE> (hierna: <QUOT.START ID="QS0004" REF.END="QE0004" CODE="201E"/>richtlijn 85/73<QUOT.END ID="QE0004" REF.START="QS0004" CODE="201D"/>).</TXT></NP><NP><NO.P>12.</NO.P><TXT>De harmonisering van die regels beoogt het voorkomen van de concurrentieverstoringen die de heffing van uiteenlopende retributies in de verschillende lidstaten zou kunnen veroorzaken.<NOTE NOTE.ID="E0013" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Vijfde en zevende overweging van de considerans van richtlijn 96/43.</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>13.</NO.P><TXT>Richtlijn 85/73 verplicht dus de lidstaten, zorg te dragen voor de heffing van een communautaire retributie voor de kosten die verbonden zijn aan de geharmoniseerde keuringen en controles.<NOTE NOTE.ID="E0014" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Artikel 1.</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>14.</NO.P><TXT>Naar luid van artikel 5 van richtlijn 85/73 dekt die retributie de kosten die de bevoegde autoriteit moet maken in verband met enerzijds de loonkosten en de sociale premies voor de keuringsdienst, en anderzijds de administratiekosten in het kader van de uitvoering van de keuringen en controles, eventueel met inbegrip van de kosten van de na- en bijscholing van de inspecteurs. Directe of indirecte restitutie van deze retributies is verboden.</TXT></NP><NP><NO.P>15.</NO.P><TXT>Het bedrag van die retributie is bepaald in bijlage A, hoofdstuk I, bij richtlijn 85/73. Volgens punt 1 daarvan heffen de lidstaten voor de keuringskosten in verband met het slachten de in die bepaling vastgestelde forfaitaire bedragen gebaseerd op diersoort, leeftijd en gewicht.</TXT></NP><NP><NO.P>16.</NO.P><TXT>De inspectiekosten in verband met het uitsnijden, zijn geregeld in bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, bij richtlijn 85/73 in de navolgende bewoordingen:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START ID="QS0005" REF.END="QE0005" CODE="201E"/>De controles en keuringen in verband met het uitsnijden met name als bedoeld in<?PAGE NO="I-11990"?> artikel 3, lid 1, punt B, van richtlijn 64/433/EEG [...] worden gedekt:</P><P><LIST TYPE="alpha"><ITEM><NP><NO.P>a)</NO.P><TXT>hetzij op forfaitaire wijze, door een extra forfaitair bedrag van 3 ECU per ton voor vlees dat in een uitsnijderij wordt binnengebracht.</TXT><P>Dit bedrag wordt opgeteld bij de in punt 1 bedoelde bedragen;</P></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>b)</NO.P><TXT>hetzij via heffing van de reële keuringskosten per werkuur.</TXT></NP></ITEM></LIST></P><P>Wanneer het uitsnijden wordt verricht in de inrichting waar het vlees verkregen is, wordt op de in de eerste alinea bedoelde bedragen een korting toegepast van maximaal 55 %.</P><P>De lidstaat die voor de werkurenregeling kiest, moet de Commissie het bewijs kunnen overleggen dat de onder a bedoelde retributie niet de reële keuringskosten dekt.<QUOT.END ID="QE0005" REF.START="QS0005" CODE="201D"/></P></QUOT.S></P></NP><NP><NO.P>17.</NO.P><TXT>Volgens bijlage A, hoofdstuk I, punt 4, bij richtlijn 85/73, kunnen de lidstaten ter dekking van hogere kosten, voor een bepaalde inrichting de in hoofdstuk I, punten 1 en 2, sub a, genoemde forfaitaire bedragen verhogen, als de keuringskosten hoger zijn, met name als gevolg van heterogeniteit van de geslachte dieren, veelvuldige vertragingen in het slachtproces, wachttijden voor het keuringspersoneel en bijzondere transporttijden. De lidstaten kunnen eveneens een retributie heffen die de werkelijk gemaakte kosten dekt.</TXT></NP><NP><NO.P>18.</NO.P><TXT>Ingevolge bijlage A, hoofdstuk I, punt 5, bij richtlijn 85/73, mogen de lidstaten eveneens naar beneden afwijken van de forfaitaire bedragen die in de punten 1 en 2, sub a, van genoemd hoofdstuk zijn bepaald. Deze afwijking wordt toegestaan hetzij in het algemeen, wanneer de kosten van levensonderhoud en de loonkosten veel lager zijn dan het communautair gemiddelde, hetzij voor een bepaalde inrichting onder bepaalde voorwaarden. Met name de regelmaat van de slachtingen in aantallen en soorten moet het mogelijk maken om de inzet van het keuringspersoneel te plannen en wachttijden te voorkomen. De toepassing van deze afwijkingen mag in geen geval leiden tot verminderingen met meer dan 55 % van de in de punten 1 en 2, sub a, vastgestelde niveaus.</TXT></NP><NP><NO.P>19.</NO.P><TXT>Volgens bijlage A, hoofdstuk I, punt 6, bij richtlijn 85/73, worden voornoemde retributies geheven in het slachthuis of in de uitsnijderij. Zij komen ten laste van de exploitant of de eigenaar die de betrokken werkzaamheden verricht, met dien verstande dat deze laatsten de voor de betrokken activiteit geheven retributie kunnen<?PAGE NO="I-11991"?> verhalen op de natuurlijke of rechtspersoon voor wiens rekening die werkzaamheden worden verricht. Wanneer het gaat om een inrichting waarin verschillende activiteiten worden uitgeoefend of om een productieketen waar diverse activiteiten zijn geïntegreerd, kunnen de lidstaten in één keer en op één plaats een enkel retributiebedrag heffen, waarin de verschillende bedragen zijn opgenomen.</TXT></NP></GR.SEQ></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P>B —</NO.P><TXT>De nationale bepalingen</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>20.</NO.P><TXT>Het Fleischhygienegesetz (vleeshygiënewet) van <DATE ISO="19930708">8 juli 1993</DATE>, gewijzigd bij wet van <DATE ISO="19960717">17 juli 1996</DATE><NOTE NOTE.ID="E0015" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>BGBl. I, blz. 991.</P></NOTE>, bepaalt in § 24, dat in de wetgeving van de deelstaten wordt bepaald voor welke handelingen retributies verschuldigd zijn en dat die retributies worden berekend met inachtneming van de door de Europese Gemeenschap vastgestelde voorschriften inzake de financiering van keuringen en controles van vers vlees.</TXT></NP><NP><NO.P>21.</NO.P><TXT>Richtlijn 85/73 is in het recht van de deelstaat Rheinland-Pfalz (Duitsland) omgezet bij het Landesgesetz zur Ausführung fleisch- und geflügelfleischhygienerechtlicher Vorschriften (wet van de deelstaat Rheinland-Pfalz tot uitvoering van gezondheidsvoorschriften met betrekking tot vers vlees en vlees van pluimvee) van <DATE ISO="19981217">17 december 1998</DATE><NOTE NOTE.ID="E0016" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>GVB1. blz. 422.</P></NOTE>, en bij de Landesverordnung über die Gebühren und Auslagen für Untersuchungen und Hygienekontrollen nach fleisch- und geflügelfleischhygienerechtlichen Vorschriften (besluit van de deelstaat Rheinland-Pfalz inzake retributies en onkosten voor keuringen en veterinaire keuringen die bij de gezondheidsvoorschriften inzake de sanitaire controle van vlees en van vlees van pluimvee zijn ingesteld) van <DATE ISO="19990217">17 februari 1999</DATE><NOTE NOTE.ID="E0017" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>GVB1. blz. 32.</P></NOTE> (hierna: <QUOT.START ID="QS0006" REF.END="QE0006" CODE="201E"/>besluit van de deelstaat<QUOT.END ID="QE0006" REF.START="QS0006" CODE="201D"/>).</TXT></NP><NP><NO.P>22.</NO.P><TXT>Ingevolge het besluit van de deelstaat bedroeg de retributie voor de <QUOT.START ID="QS0007" REF.END="QE0007" CODE="201E"/>keuringen en controles in de erkende uitsnijderijen, met inbegrip van de identificatie en de verzending van certificaten, per geleverde ton vlees met been dat bestemd is voor de uitsnijding<QUOT.END ID="QE0007" REF.START="QS0007" CODE="201D"/>, tijdens de periode van 1 januari tot <DATE ISO="19991231">31 december 1999</DATE> 5,76 DEM, wat volgens de vaststelling van de verwijzende rechter<NOTE NOTE.ID="E0018" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Zie de verwijzingsbeschikking (punt 2.1.1).</P></NOTE> tegen de toen geldende wisselkoersen overeenkomt met 3 ECU.</TXT></NP><NP><NO.P>23.</NO.P><TXT>Punt 6.4 van het derde deel van de bijlage bij het besluit van de deelstaat luidt:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START ID="QS0008" REF.END="QE0008" CODE="201E"/>Worden de in punt 6 bedoelde ambtelijke handelingen gesteld in de inrichting waar het vlees is verkregen, dan dient op de retributies waarin punten 6.1 tot en met 6.3 voorzien, een korting van maximum 55 % te worden toegepast.<QUOT.END ID="QE0008" REF.START="QS0008" CODE="201D"/></P></QUOT.S></P></NP></GR.SEQ></GR.SEQ><?PAGE NO="I-11992"?><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P>II —</NO.P><TXT>De feiten en de procedure</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>24.</NO.P><TXT>Färber GmbH &amp; Co. (hierna: <QUOT.START ID="QS0009" REF.END="QE0009" CODE="201E"/>Färber<QUOT.END ID="QE0009" REF.START="QS0009" CODE="201D"/>) exploiteert een erkende vleesuitsnijderij op het grondgebied van de stad Neustadt/Weinstrasse (Duitsland). In hetzelfde gebouw bevindt zich het slachthuis van de vennootschap Slachthof-Betriebs-GmbH, een vennootschap die onafhankelijk is van Färber, maar aan Färber een deel van het vlees levert dat zij uitsnijdt.</TXT></NP><NP><NO.P>25.</NO.P><TXT>De stad Neustadt/Weinstrasse hief van Färber retributies voor de in de loop van 1999 in haar uitsnijderij verrichte keuringen en sanitaire controles, berekend volgens een tarief van 5,76 DEM.</TXT></NP><NP><NO.P>26.</NO.P><TXT>Färber heeft tegen het bedrag van deze retributies bij voornoemde stad een bezwaar ingediend. Toen haar bezwaar werd afgewezen, stelde Färber beroep in bij het Verwaltungsgericht Neustadt an der Weinstrasse (Duitsland). Zij stelde dat een deel van het in haar inrichting uitgesneden vlees afkomstig was van het slachthuis dat in dezelfde gebouw was ondergebracht, zodat overeenkomstig het besluit van de deelstaat, op de retributies die betrekking hadden op de controle van dat vlees, een korting moest worden toegepast van 55 %. Zij betoogde dat haar uitsnijderij en het slachthuis moesten worden beschouwd als een en dezelfde inrichting in de zin van artikel 2, sub k, van richtlijn 64/433.</TXT></NP><NP><NO.P>27.</NO.P><TXT>De stad Neustadt/Weinstrasse weerlegde die stelling met het argument, dat een slachthuis en een uitsnijderij slechts als een zelfde inrichting kunnen worden beschouwd indien zij door dezelfde natuurlijke of rechtspersoon worden geëxploiteerd.</TXT></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P>III —</NO.P><TXT>De prejudiciële vragen</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>28.</NO.P><TXT>Het Verwaltungsgericht Neustadt an der Weinstrasse heeft overwogen dat, vanwege de overeenstemming tussen enerzijds deel 3, punt 6.4, van de bijlage bij het besluit van de deelstaat en anderzijds punt 2, tweede alinea, van bijlage A, hoofdstuk I, bij richtlijn 85/73/EEG, de beslissing van het onderhavige geding afhangt van de uitlegging van deze laatste bepaling.</TXT></NP><NP><NO.P>29.</NO.P><TXT>Het heeft daarom besloten het geding te schorsen en aan het Hof de navolgende prejudiciële vragen voor te leggen:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><LIST TYPE="ARAB"><ITEM><NP><NO.P><QUOT.START ID="QS0010" REF.END="QE0010" CODE="201E"/>1)</NO.P><TXT>Moet het voorschrift in bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, tweede alinea, bij richtlijn 85/73/EEG, zoals gewijzigd bij richtlijn 96/43/EG, aldus worden uitgelegd, dat ook een inrichting die zich weliswaar in hetzelfde gebouw bevindt als de uitsnijderij, maar eigendom is van een andere natuurlijke of rechtspersoon<?PAGE NO="I-11993"?> dan de uitsnijderij, als <QUOT.START ID="QS0011" REF.END="QE0011" CODE="201A"/>inrichting waar het vlees verkregen is<QUOT.END ID="QE0011" REF.START="QS0011" CODE="2019"/> moet worden beschouwd?</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>2)</NO.P><TXT>Op grond van welke criteria bepaalt de ontvanger van de retributies in hoeverre hij de toepassing van de in bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, tweede alinea, bij genoemde richtlijn vastgestelde korting tot maximaal 55 % toestaat?</TXT><P>Mag daarbij in het bijzonder ook rekening worden gehouden met de tijdsbesparing voor het personeel dat de controles of keuringen uitvoert, wanneer als retributie hiervoor krachtens bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, eerste alinea, sub a, bij genoemde richtlijn een extra forfaitair bedrag is bepaald?</P><P>Kan bovendien, bij bevestigend antwoord op de eerste vraag, voor de toepassing van de korting op de retributie toch rekening worden gehouden met het feit dat de in een gebouw aanwezige inrichtingen rechtens verschillende eigenaars hebben en mag dit er in beginsel toe leiden dat in deze gevallen een beperktere korting wordt toegestaan dan wanneer slachthuis en uitsnijderij zich niet alleen in hetzelfde gebouw bevinden, maar ook door dezelfde natuurlijke of rechtspersoon worden geëxploiteerd?<QUOT.END ID="QE0010" REF.START="QS0010" CODE="201D"/></P></NP></ITEM></LIST></QUOT.S></P></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P>IV —</NO.P><TXT>Het antwoord op de prejudiciële vragen</TXT></NP></TI></TITLE><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P>A —</NO.P><TXT>De eerste prejudiciële vraag</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>30.</NO.P><TXT>Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, tweede alinea, bij richtlijn 85/73, aldus moet worden uitgelegd, dat die bepaling eveneens van toepassing is wanneer de uitsnijderij en de inrichting waar het vlees is verkregen, niet eigendom zijn van dezelfde natuurlijke of rechtspersoon.</TXT></NP><NP><NO.P>31.</NO.P><TXT>De Commissie betoogt dat de eigendom van het slachthuis en de uitsnijderij geen relevant criterium is. Hun geografische nabijheid alleen volstaat echter niet om recht te geven op de litigieuze korting. Daartoe is nodig dat het slachthuis en de uitsnijderij een productie-eenheid vormen en dat zij op een gecoördineerde wijze worden geëxploiteerd. Zo zou het nodig zijn dat ieder van hen tenminste een deel van zijn relevante productiestadia plant, organiseert en uitvoert, rekening houdend met het overeenkomstige deel dat door de ander wordt uitgevoerd, en dat daaruit voordelen op sanitair gebied ontstaan.</TXT></NP><NP><NO.P>32.</NO.P><TXT>Het standpunt van de Zweedse regering is, dat de korting slechts kan worden gegeven als het slachthuis en de uitsnijderij worden geëxploiteerd door dezelfde<?PAGE NO="I-11994"?> natuurlijke of rechtspersoon. Zij is van mening dat de noodzaak om een effectieve controle op de naleving van de gezondheidsvoorschriften te garanderen, vereist dat er in iedere inrichting slechts een enkele verantwoordelijke natuurlijke of rechtspersoon is. Toelaten dat een slachthuis en een uitsnijderij die toebehoren aan verschillende eigenaren eenzelfde inrichting vormen, zou twijfel doen ontstaan aan de identiteit van de voor iedere werkzaamheid verantwoordelijke persoon. De <QUOT.START ID="QS0012" REF.END="QE0012" CODE="201E"/>traceerbaarheid<QUOT.END ID="QE0012" REF.START="QS0012" CODE="201D"/> van het vlees wordt dan eveneens aangetast, omdat dat slachthuis en die uitsnijderij daarop hetzelfde nummer zouden aanbrengen.</TXT></NP><NP><NO.P>33.</NO.P><TXT>Wat mij betreft, ik ben met Färber van mening dat er aanleiding is om bevestigend te antwoorden op de eerste prejudiciële vraag. In overeenstemming met de uitleggingsmethode van het Hof, baseer ik deze beoordeling op de bewoordingen van de betrokken bepalingen, de context daarvan, en de doelstellingen die worden nagestreefd door de regelgeving waarvan die bepalingen deel uitmaken.<NOTE NOTE.ID="E0019" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Arrest van <DATE ISO="20021210">10 december 2002</DATE>, British American Tobacco (Investments) en Imperial Tobacco <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-491/01" YEAR="2002" PAGE.ECR="I-11453">C-491/01, Jurispr. blz. I-11453, punt 203</REF.DOC.ECR>, en de aangehaalde rechtspraak).</P></NOTE></TXT></NP><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><NP><NO.P>1.</NO.P><TXT>De bewoordingen van de betrokken bepalingen</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>34.</NO.P><TXT>Die bepalingen zijn enerzijds bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, tweede alinea, bij richtlijn 85/73 en anderzijds artikel 2, sub k, van richtlijn 64/433.</TXT></NP><NP><NO.P>35.</NO.P><TXT>Ten aanzien van bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, tweede alinea, moet ik vaststellen dat die bepaling geen enkele voorwaarde of beperking bevat waardoor zij slechts zou kunnen worden toegepast indien de uitsnijderij en het slachthuis eigendom zijn van dezelfde natuurlijke of rechtspersoon. De enige voorwaarde die de communautaire wetgever aangeeft, is dat het uitsnijden plaatsvindt in de inrichting waar het vlees verkregen is. Het enige uitdrukkelijke criterium is dus de plaats van het uitsnijden, met uitsluiting van enige verwijzing naar de eigendom van het slachthuis of de uitsnijderij.</TXT></NP><NP><NO.P>36.</NO.P><TXT>Wat artikel 2, sub k, van richtlijn 64/433 betreft, meen ik, evenals de verwijzende rechter<NOTE NOTE.ID="E0020" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Zie de verwijzingsbeschikking (punt 2.1.2).</P></NOTE> en alle betrokken partijen<NOTE NOTE.ID="E0021" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Zie de schriftelijke opmerkingen van Färber (punt 2.2), de Zweedse regering (punt 3) en de Commissie (punt 9).</P></NOTE>, dat dit artikel relevant is voor de uitlegging van richtlijn 85/73. Deze richtlijn is immers onder meer van toepassing op de controles en keuringen die zijn voorgeschreven door richtlijn 64/433, en de teksten betreffende de sanitaire controlemaatregelen waarvan de financiering ook door richtlijn 85/73 is gedekt, bevatten geen andere definitie van het begrip <QUOT.START ID="QS0013" REF.END="QE0013" CODE="201E"/>inrichting<QUOT.END ID="QE0013" REF.START="QS0013" CODE="201D"/> dan die welke is geformuleerd in genoemd artikel 2, sub k.<NOTE NOTE.ID="E0022" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Zie te dien aanzien richtlijnen 71/118/EEG van de Raad van <DATE ISO="19710215">15 februari 1971</DATE> inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het handelsverkeer in vers vlees van pluimvee (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="055" DATE.PUB="1971" PAGE.FIRST="23">PB L 55, blz. 23</REF.DOC.OJ>): 91/495/EEG van de Raad van <DATE ISO="19901127">27 november 1990</DATE> inzake gezondheidsvoorschriften en veterinairrechtelijke voorschriften voor de productie en het in de handel brengen van konijnenvlees en vlees van gekweekt wild (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="268" DATE.PUB="1991" PAGE.FIRST="41">PB 1991 L 268, blz. 41</REF.DOC.OJ>), en 92/45/EEG van de Raad van <DATE ISO="19920616">16 juni 1992</DATE> betreffende de gezondheidsvoorschriften en veterinairrechtelijke voorschriften voor het doden van vrij wild en het in de handel brengen van vlees van vrij wild (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="268" DATE.PUB="1992" PAGE.FIRST="35">PB L 268, blz. 35</REF.DOC.OJ>).</P></NOTE></TXT></NP><?PAGE NO="I-11995"?><NP><NO.P>37.</NO.P><TXT>De tekst van artikel 2, sub k, van richtlijn 64/433 verwijst evenmin naar de eigendom, aangezien hij enkel bepaalt dat het begrip <QUOT.START ID="QS0014" REF.END="QE0014" CODE="201E"/>inrichting<QUOT.END ID="QE0014" REF.START="QS0014" CODE="201D"/> tegelijkertijd omvat een erkend slachthuis, een erkende uitsnijderij, een erkend koelhuis of vrieshuis, of een complex bestaande uit verscheidene van deze inrichtingen. De communautaire wetgever heeft dus niet de eis gesteld dat dit complex een bepaalde juridische vorm moest hebben.</TXT></NP><NP><NO.P>38.</NO.P><TXT>In dat verband wil ik erop wijzen, dat de versies van artikel 2, sub k, van richtlijn 64/433 in de meerderheid van de andere officiële talen van de Gemeenschap, bewoordingen gebruiken die semantisch volkomen overeenkomen met de die van de Franse versie.<NOTE NOTE.ID="E0023" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Voor de Duitse versie moet ik een uitzondering maken. Deze eindigt met de woorden <QUOT.START ID="QS0015" REF.END="QE0015" CODE="201E"/>oder ein aus diesen Betrieben bestehender Gebäudekomplex<QUOT.END ID="QE0015" REF.START="QS0015" CODE="201D"/> hetgeen betekent <QUOT.START ID="QS0016" REF.END="QE0016" CODE="201E"/>of een gebouwencomplex dat bestaat uit deze bedrijven<QUOT.END ID="QE0016" REF.START="QS0016" CODE="201D"/>. Die afwijkende formulering ondersteunt evenwel de stelling dat het begrip <QUOT.START ID="QS0017" REF.END="QE0017" CODE="201E"/>inrichting<QUOT.END ID="QE0017" REF.START="QS0017" CODE="201D"/> niet afhankelijk is van een eigendomsverhouding.</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>39.</NO.P><TXT>Hieruit volgt, dat de door de stad Neustadt/Weinstrasse verdedigde en dooide Zweedse regering overgenomen stelling, volgens welke de toepassing van de in bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, tweede alinea, van richtlijn 85/73 bedoelde korting afhankelijk zou zijn van de voorwaarde dat de uitsnijderij en het slachthuis, die in hetzelfde gebouw worden geëxploiteerd, eigendom zijn van dezelfde natuurlijke of rechtspersoon, op geen enkele wijze steun vindt in de tekst van de betrokken bepalingen.</TXT></NP><NP><NO.P>40.</NO.P><TXT>Deze interpretatie van de tekst van genoemde bepalingen wordt bevestigd dooide juridische context waarin zij zijn opgenomen.</TXT></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><NP><NO.P>2.</NO.P><TXT>De context van de betrokken bepalingen</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>41.</NO.P><TXT>Ik zal eerst de juridische context van bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, tweede alinea, bij richtlijn 85/73 en vervolgens die van artikel 2, sub k, van richtlijn 64/433 behandelen.</TXT></NP><GR.SEQ LEVEL="4"><TITLE><TI><NP><NO.P>a)</NO.P><TXT>De context van bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, tweede alinea, bij richtlijn 85/73</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>42.</NO.P><TXT>Naar mijn mening moet ik twee elementen onderstrepen, het ene van historische aard en het andere met betrekking tot de systematiek van bijlage A, hoofdstuk I, bij genoemde richtlijn.</TXT></NP><NP><NO.P>43.</NO.P><TXT>Wat allereerst de historische context betreft, breng ik in herinnering dat het ontstaan van de uit te leggen bepaling een van de elementen is die het Hof in aanmerking neemt om de uitlegging die uit de<?PAGE NO="I-11996"?> bewoordingen voortvloeit, te bevestigen.<NOTE NOTE.ID="E0024" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Zie in deze zin de arresten van <DATE ISO="19790207">7 februari 1979</DATE>, Duitsland /Commissie (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="18/76" YEAR="1979" PAGE.ECR="343">18/76, Jurispr. blz. 343, punt 5</REF.DOC.ECR>), en <DATE ISO="20011011">11 oktober 2001</DATE>, Khalil e.a. (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-95/99—C-98/99+C-180/99" YEAR="2001" PAGE.ECR="I-7413">C-95/99-C-98/99 en C-180/99, Jurispr. blz. I-7413, punt 43</REF.DOC.ECR>). Zie voor een recente toepassing arrest van <DATE ISO="20020502">2 mei 2002</DATE>, Commissie/Frankrijk (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-292/99" YEAR="2002" PAGE.ECR="I-4097">C-292/99, Jurispr. blz. I-4097, punt 42</REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> In dit geval is bijlage A, hoofdstuk I, bij richtlijn 85/73, in wezen een herhaling van beschikking 88/408/EEG van de Raad.<NOTE NOTE.ID="E0025" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Beschikking van <DATE ISO="19880615">15 juni 1988</DATE> betreffende de niveaus van de overeenkomstig richtlijn 85/73/EEG te heffen retributies voor de keuringen en sanitaire controles van vers vlees (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="194" DATE.PUB="2002" PAGE.FIRST="24">PB L 194, blz 24</REF.DOC.OJ>). Artikel 3, lid 1, bepaalt: <QUOT.START ID="QS0018" REF.END="QE0018" CODE="201E"/>Het gedeelte van de retributie dat dient ter dekking van de controles en keuringen in verband met het uitsnijden als bedoeld in artikel 3, lid 1, punt B, van richtlijn 64/433/EEG [...] wordt forfaitair vastgesteld op 3 ECU/ton nog uit te benen vlees met been dat Destemd is voor de uitsnijderij<QUOT.END ID="QE0018" REF.START="QS0018" CODE="201D"/>. Lid 4 van hetzelfde artikel bepaalt: <QUOT.START ID="QS0019" REF.END="QE0019" CODE="201E"/>Wanneer het uitsnijden wordt verricht in de inrichting waar het vlees verkregen is, wordt op de in lid 1 bedoelde bedragen een korting toegepast die tot 50 % kan gaan<QUOT.END ID="QE0019" REF.START="QS0019" CODE="201D"/>.</P></NOTE> Uit de vijfde overweging van de considerans van die beschikking volgt dat de vaststelling door de wetgever van afzonderlijk retributiebedragen voor de keuringen in verband met het slachten, het uitsnijden en de opslag, ten doel had rekening te houden met situaties waarin die drie werkzaamheden niet in het slachthuis plaatsvinden. Het beslissende element, dat heeft geleid tot de vaststelling van een eigen retributietarief voor ieder van die drie werkzaamheden, was dus uitsluitend de plaats waar deze moesten worden verricht, los van iedere overweging met betrekking tot de eigendom van de verschillende betrokken inrichtingen.<NOTE NOTE.ID="E0026" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>De vijfde overweging van de considerans is geformuleerd als volgt: <QUOT.START ID="QS0020" REF.END="QE0020" CODE="201E"/>Overwegende dat het niet uitgesloten is dat het slachten, het uitsnijden en de opslag plaatsvinden in afzonderlijke inrichtingen; dat bijgevolg in deze omstandigheden niet alle door de retributies te dekken keuringen en sanitaire controles uit hoofde van de richtlijnen 64/433 [...] in het slachthuis worden verricht; dat voor deze uitzonderingsgevallen [...] een regeling moet worden getroffen door te voorzien in een pro rata verdeling van de niveaus van de retributies al naar gelang van de verschillende te verrichten keuringen en sanitaire controles<QUOT.END ID="QE0020" REF.START="QS0020" CODE="201D"/>.</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>44.</NO.P><TXT>Wat vervolgens de systematiek van bijlage A, hoofdstuk I, bij richtlijn 85/73 betreft, deze toont mijn inziens aan dat de communautaire wetgever niet heeft gewild dat de korting op het bedrag van de retributies afhangt van de vraag of de slachthuizen, uitsnijderijen of opslagplaatsen eigendom zijn van dezelfde of verschillende rechtspersonen.</TXT></NP><NP><NO.P>45.</NO.P><TXT>Zoals gezegd, bepaalt bijlage A, hoofdstuk I, punten 4 en 5, bij de richtlijn 85/73 immers dat de lidstaten naar boven en naar beneden mogen afwijken van de forfaitaire bedragen die in genoemd hoofdstuk in de punten 1 en 2, sub a, zijn vastgesteld voor de keuringen in verband met het slachten en uitsnijden, hetzij voor een bepaalde inrichting hetzij in het algemeen. Ik wil erop wijzen dat de in die punten 4 en 5 genoemde voorwaarden voor het toepassen van die uitzonderingen geen enkele verwijzing bevatten naar de eigendom van het slachthuis of de uitsnijderij. De geformuleerde criteria hebben alle betrekking op de omstandigheden waaronder het slachten geschiedt of de keuringen worden verricht, of op de kosten van levensonderhoud en de loonkosten in de betrokken lidstaat.</TXT></NP><NP><NO.P>46.</NO.P><TXT>Als de communautaire wetgever van mening was, dat de in bijlage A, hoofdstuk I, punten 4 en 5, van richtlijn 85/73 bedoelde verhogingen en verminderingen kunnen worden toegepast, los van de vraag of het slachthuis en de uitsnijderij aan dezelfde eigenaar toebehoren, moet een dergelijk criterium a fortiori als onwerkzaam worden beschouwd voor het toekennen<?PAGE NO="I-11997"?> van de reductie in punt 2 van hetzelfde hoofdstuk, die slechts van toepassing is op de retributie die verschuldigd is door de uitsnijderij.</TXT></NP><NP><NO.P>47.</NO.P><TXT>Deze zienswijze wordt ondersteund door de regeling met betrekking tot de heffing van die retributies. Wij hebben gezien dat bijlage A, hoofdstuk I, punt 6, bij richtlijn 85/73 bepaalt dat de retributies in verband met het slachten, het uitsnijden en de opslag respectievelijk in het slachthuis, de uitsnijderij en het koel- of vrieshuis moeten worden geheven. Volgens genoemd punt 6, sub a, tweede volzin, moet de eigendom van het slachthuis, de uitsnijderij of het koel- of vrieshuis slechts in aanmerking worden genomen om de debiteur van de retributies voor ieder van deze plaatsen van heffing te bepalen. Hij is echter geen relevant criterium om vast te stellen of de lidstaten een enkel retributiebedrag kunnen heffen. Datzelfde punt bepaalt immers sub b, dat de lidstaten <QUOT.START ID="QS0021" REF.END="QE0021" CODE="201E"/>wanneer het gaat om een inrichting waarin verschillende activiteiten worden uitgeoefend of om een productieketen waar diverse activiteiten zijn geïntegreerd, in één keer en op één plaats een enkel retributiebedrag [kunnen] heffen waarin de verschillende bedragen zijn opgenomen<QUOT.END ID="QE0021" REF.START="QS0021" CODE="201D"/>. De wetgever heeft dus de heffing van een enkel retributiebedrag niet afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat het slachthuis, de uitsnijderij en het koel- of vrieshuis dezelfde eigenaar zouden hebben.</TXT></NP><NP><NO.P>48.</NO.P><TXT>De systematiek van richtlijn 85/73, zoals ik ze zojuist beschreven heb, wordt bevestigd door die van richtlijn 64/433.</TXT></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="4"><TITLE><TI><NP><NO.P>b)</NO.P><TXT>De systematiek van richtlijn 64/433</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>49.</NO.P><TXT>In richtlijn 64/433 heeft de communautaire wetgever de gezondheidsvoorschriften die in acht moeten worden genomen tijdens het slachten, het uitsnijden en de opslag, bepaald alsof het ging om op zichzelf staande werkzaamheden. In het bijzonder heeft hij geëist dat ieder daarvan wordt uitgevoerd in een erkende inrichting en onder de verantwoordelijkheid respectievelijk van de exploitant van het slachthuis, de uitsnijderij, of het koel- of vrieshuis, of van de eigenaar daarvan of diens vertegenwoordiger.<NOTE NOTE.ID="E0027" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Artikel 3, lid 1, A, sub a, en B, sub a.</P></NOTE> Hij heeft bepaald dat elke inrichting een veterinair toelatingsnummer moet krijgen.<NOTE NOTE.ID="E0028" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Artikel 10.</P></NOTE> Ten slotte heeft hij bepaald dat de erkenning afhankelijk is, enerzijds van algemene voorwaarden voor alle soorten van inrichtingen en anderzijds van bijzondere voorwaarden voor de erkenning van slachthuizen, van uitsnijderijen, en van koel- en vrieshuizen.<NOTE NOTE.ID="E0029" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Bijlage 1, hoofdstukken I tot IV.</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>50.</NO.P><TXT>Daaruit volgt naar mijn mening, dat een inrichting die eigendom is van één eigenaar en waarin werkzaamheden van slachten en uitsnijden worden verricht, moet beschikken over twee erkenningen, een voor het slachthuis en een voor de uitsnijderij.<NOTE NOTE.ID="E0030" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Bijlage I, hoofdstukken 1 tot III, en bijlagen IV en V, vnn richtlijn 64/433.</P></NOTE> Bovendien kan in geval van niet-naleving van de hygiëneregels elk van die erkenningen onafhankelijk van de andere tijdelijk worden geschorst of ingetrokken.</TXT></NP><?PAGE NO="I-11998"?><NP><NO.P>51.</NO.P><TXT>Zoals de Commissie ter zitting zeer duidelijk heeft uiteengezet, en in tegenstelling tot wat de Zweedse regering heeft betoogd, verhindert de overweging dat een slachthuis en een uitsnijderij die toebehoren aan verschillende eigenaars, eenzelfde inrichting opleveren, ook niet dat elk van hen over een eigen erkenning moet beschikken. Zij leidt ook niet tot verwarring omtrent de vraag, wie verantwoordelijk is voor de inachtneming van de gezondheidseisen van richtlijn 64/433 in het slachthuis en in de uitsnijderij, omdat het slachten en uitsnijden moet geschieden onder de verantwoordelijkheid van de exploitant of de eigenaar van het betrokken slachthuis en de betrokken uitsnijderij.</TXT></NP><NP><NO.P>52.</NO.P><TXT>Ik leid dus uit het geheel van deze argumenten af, dat de communautaire wetgever niet heeft gewild dat de toepassing van de gezondheidsmaatregelen van richtlijn 64/433 en de voorschriften voor de financiering van die maatregelen op enigerlei wijze afhangt van de vraag, of het betrokken slachthuis en de betrokken uitsnijderij aan dezelfde natuurlijke of rechtspersoon toebehoren.</TXT></NP><NP><NO.P>53.</NO.P><TXT>Ten slotte acht ik deze zienswijze in overeenstemming met de doelstellingen van de betrokken communautaire regelgeving.</TXT></NP></GR.SEQ></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><NP><NO.P>3.</NO.P><TXT>De doelstellingen van de betrokken regelgeving.</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>54.</NO.P><TXT>Richtlijn 85/73 beoogt het voorkomen van de concurrentieverstoring die de heffing van uiteenlopende retributies in de verschillende lidstaten zou kunnen veroorzaken. Met name heeft de communautaire wetgever willen vermijden dat een lidstaat de verkoop van zijn nationale productie op de gemeenschappelijke markt zou bevorderen, door het geheel of een deel van de kosten die worden veroorzaakt door de uitvoering van de geharmoniseerde controles en keuringen, op zich te nemen. Te dien einde heeft de communautaire wetgever forfaitaire bedragen vastgesteld voor de kosten van de keuringen en controles die verbonden zijn aan slachten en uitsnijden. Hij heeft eveneens bepaald dat de mogelijkheid tot verlaging of verhoging van die bedragen aan bepaalde voorwaarden onderworpen was. Het nastreven van de aangegeven doelstelling vereist dus, dat de criteria om te bepalen of aan die voorwaarden is voldaan, niet aan de beoordeling van iedere lidstaat worden overgelaten.</TXT></NP><NP><NO.P>55.</NO.P><TXT>Daarom is het nodig dat het begrip <QUOT.START ID="QS0022" REF.END="QE0022" CODE="201E"/>inrichting<QUOT.END ID="QE0022" REF.START="QS0022" CODE="201D"/>, dat meermalen in richtlijn 85/73 wordt gebruikt en dat beslissend is voor de toepassing van bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, daarbij, niet afhangt van taalkundige of juridische bijzonderheden van de verschillende lidstaten, doch een communautaire lading heeft. Die overweging betekent een aanvullende reden om een beroep te doen op de definitie van het begrip <QUOT.START ID="QS0023" REF.END="QE0023" CODE="201E"/>inrichting<QUOT.END ID="QE0023" REF.START="QS0023" CODE="201D"/> in artikel 2, sub k, van richtlijn 64/633. Deswege zou het onlogisch zijn, het begrip te doen afhangen van<?PAGE NO="I-11999"?> het begrip <QUOT.START ID="QS0024" REF.END="QE0024" CODE="201E"/>eigendom<QUOT.END ID="QE0024" REF.START="QS0024" CODE="201D"/>, dat ingevolge artikel 295 EG-Verdrag geheel onder de wetgevende bevoegdheid van de lidstaten valt.</TXT></NP><NP><NO.P>56.</NO.P><TXT>Met andere woorden, aan de doelstelling van richtlijn 85/73 zou afbreuk worden gedaan, indien bij de toepassing daarvan het begrip <QUOT.START ID="QS0025" REF.END="QE0025" CODE="201E"/>inrichting<QUOT.END ID="QE0025" REF.START="QS0025" CODE="201D"/> zou afhangen van de eigendom van het betrokken slachthuis en de betrokken uitsnijderij, omdat de vraag of die twee inrichtingen eigendom van dezelfde natuurlijke of rechtspersoon zijn, uitgaande van dezelfde feitelijke situatie kan leiden tot uiteenlopende antwoorden in de verschillende lidstaten.<NOTE NOTE.ID="E0031" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Zie, in deze zin, wat betreft de vrijstelling van belasting over de toegevoegde waarde voor gezondheidskundige verzorging van de mens in het kader van de uitoefening van medische en paramedische beroepen, arrest van <DATE ISO="20020910">10 september 2002</DATE>, Kügler (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-141/00" YEAR="2002" PAGE.ECR="I-6833">C-141/00, Jurispr. blz. I-6833, punt 30</REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>57.</NO.P><TXT>Ten slotte bedreigt de oplossing waartoe deze zienswijze leidt, in tegenstelling tot hetgeen de Zweedse regering aanvoert, geenszins de <QUOT.START ID="QS0026" REF.END="QE0026" CODE="201E"/>traceerbaarheid<QUOT.END ID="QE0026" REF.START="QS0026" CODE="201D"/> van het vlees. Die eis van <QUOT.START ID="QS0027" REF.END="QE0027" CODE="201E"/>traceerbaarheid<QUOT.END ID="QE0027" REF.START="QS0027" CODE="201D"/>, waarvan de draagwijdte nog is versterkt door de communautaire wetgever<NOTE NOTE.ID="E0032" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Zie het actieprogramma <QUOT.START ID="QS0028" REF.END="QE0028" CODE="201E"/>van boer tot bord<QUOT.END ID="QE0028" REF.START="QS0028" CODE="201D"/>, beschreven in het witboek van de Commissie over de voedselveiligheid van <DATE ISO="20000112">12 januari 2000</DATE> [COM (1999) 719 def.], en verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van <DATE ISO="20000717">17 juli 2000</DATE> tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten en intrekking van verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="204" DATE.PUB="2000" PAGE.FIRST="1">PD L 204, blz. 1</REF.DOC.OJ>).</P></NOTE>, lag reeds ten grondslag aan verschillende eisen van richtlijn 64/433, zoals bijvoorbeeld de mededeling van de lijst van de door een lidstaat erkende inrichtingen aan de andere lidstaten en aan de Commissie evenals de vermelding van het veterinair toelatingsnummer op de begeleidende documenten bij het vlees dat op de markt wordt gebracht. Die eisen maken het mogelijk de verschillende stadia van transformatie van het vlees te volgen, en na te gaan dat die zijn gerealiseerd in een inrichting die de communautaire gezondheidsregels in acht neemt. Zoals wij hiervoor al hebben aangegeven, doet de vaststelling dat een erkend slachthuis en een erkende uitsnijderij, die eigendom zijn van verschillende natuurlijke of rechtspersonen, eenzelfde inrichting vormen in de zin van bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, bij richtlijn 85/73, niet af aan het feit dat ieder van hen een eigen erkenning en een eigen verantwoordelijke heeft.</TXT></NP><NP><NO.P>58.</NO.P><TXT>Gezien deze overwegingen, is naar mijn mening de enige voorwaarde voor het ontstaan van het recht op korting op de retributie ter zake van keuringen en controles in verband met het uitsnijden, bedoeld in bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, tweede alinea, bij richtlijn 85/73, dat de uitsnijderij wordt geëxploiteerd in hetzelfde gebouw of complex als het slachthuis.</TXT></NP><NP><NO.P>59.</NO.P><TXT>Ik leid hieruit af, dat in tegenstelling tot wat de Commissie aanvoert, het ontstaan van het recht op korting niet afhankelijk moet zijn van de voorwaarde dat het slachthuis en de uitsnijderij op een gecoördineerde wijze worden geëxploiteerd in die zin dat ieder van hen tenminste een deel van zijn relevante productiestadia plant, coördineert en uitvoert, rekening houdend met het overeenkomstige deel dat door de ander wordt uitgevoerd, en dat daaruit voordelen op sanitair gebied ontstaan.</TXT></NP><?PAGE NO="I-12000"?><NP><NO.P>60.</NO.P><TXT>Bovendien is een dergelijke voorwaarde niet in overeenstemming met het toepassingsgebied van de litigieuze korting. Genoemde korting heeft, in tegenstelling tot die bedoeld in bijlage A, hoofdstuk I, punt 5, bij richtlijn 85/73, immers slechts betrekking op de retributies die verschuldigd zijn ter zake van controles en keuringen in verband met het uitsnijden. Zij komt dus a priori enkel ten goede aan de exploitant of de eigenaar van de uitsnijderij. Dan is het niet logisch om het ontstaan van de aanspraak op een dergelijke korting afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat het slachthuis het geheel of een deel van zijn werkzaamheden plant, organiseert en uitvoert, rekening houdend met de werkzaamheden van de uitsnijderij. De coördinatie van de activiteiten van de uitsnijderij en het slachthuis behoort tot de criteria die de omvang van de korting bepalen, en die het onderwerp zijn van de tweede prejudiciële vraag.</TXT></NP><NP><NO.P>61.</NO.P><TXT>Gezien al het voorgaande, geef ik het Hof in overweging op de eerste prejudiciële vraag te antwoorden dat bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, tweede alinea, bij richtlijn 85/73 aldus moet worden uitgelegd, dat die bepaling eveneens geldt wanneer de uitsnijderij en de inrichting waar het vlees is verkregen, geen eigendom zijn van dezelfde natuurlijke of rechtspersoon.</TXT></NP></GR.SEQ></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P>B —</NO.P><TXT>De tweede prejudiciële vraag</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>61.</NO.P><TXT>Deze vraag bestaat uit drie delen. In het eerste deel vraagt de verwijzende rechter, op grond van welke criteria de ontvanger van de retributies de omvang moet bepalen van de in bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, tweede alinea, bij richtlijn 85/73 bedoelde korting.</TXT></NP><NP><NO.P>63.</NO.P><TXT>Ik wil in herinnering brengen dat, in de formulering van bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, tweede alinea, bij richtlijn 85/73, de ontvanger van de retributies uit hoofde van de sanitaire keuringen en controles in verband met het uitsnijden, <QUOT.START ID="QS0029" REF.END="QE0029" CODE="201E"/>op de in de eerste alinea bedoelde bedragen een korting [kan toepassen] van maximaal 55 %<QUOT.END ID="QE0029" REF.START="QS0029" CODE="201D"/>. De woorden <QUOT.START ID="QS0030" REF.END="QE0030" CODE="201E"/>maximaal 55 %<QUOT.END ID="QE0030" REF.START="QS0030" CODE="201D"/> geven aan dat die korting kan variëren binnen de grenzen van het aldus aangegeven percentage.</TXT></NP><NP><NO.P>64.</NO.P><TXT>Het staat vast, dat de litigieuze bepaling de criteria waarmee rekening moet worden gehouden om de omvang van de korting te bepalen, niet preciseert. Die criteria kunnen volgens mij echter worden afgeleid uit de systematiek van de richtlijnen 85/73 en 64/433. Aangezien die richtlijnen bepalingen van gemeenschapsrecht zijn, staat het aan het Hof, teneinde een uniforme toepassing van dat recht te verzekeren, in het kader van de samenwerking krachtens artikel 177 van het Verdrag (thans artikel 234 EG) aan de verwijzende rechter te preciseren welke die criteria zijn, bij gebreke waarvan het nuttig effect van richtlijn 85/73 zou worden geschaad. Als de modaliteiten van de berekening van die korting aan de vrije beoordeling van iedere lidstaat zouden<?PAGE NO="I-12001"?> worden overgelaten, zou het immers niet uitgesloten zijn dat, geheel binnen de limiet van 55 %, die in de tekst is neergelegd, de korting zou leiden tot een retributie die lager is dan de reële kosten van inspectie en controle in de betrokken uitsnijderij. Een dergelijke situatie zou echter tot effect hebben dat de verkoop op de gemeenschappelijk markt van het in die uitsnijderij behandelde vlees onrechtmatig zou worden bevoordeeld.</TXT></NP><NP><NO.P>65.</NO.P><TXT>De Commissie stelt voor, aan de verwijzende rechter te antwoorden dat de omvang van de litigieuze korting in wezen moet zijn gebaseerd op de mate van integratie van de onderdelen van de betrokken inrichting, de voordelen op sanitair gebied die daarmee worden bereikt en, voorzover dat nog niet in de berekening van de retributie is meegenomen, de geringere arbeidskosten voor de organisaties die de controles verrichten.</TXT></NP><NP><NO.P>66.</NO.P><TXT>Dat antwoord lijkt mij onbevredigend, omdat de aangegeven criteria onvoldoende nauwkeurig zijn en niet duidelijk laten zien hoe de litigieuze korting kan worden berekend. Evenals Färber, ben ik van mening dat de besparing op de kosten van het personeel dat met de keuringen en controles is belast, een van de relevante criteria vormt. Ik baseer deze zienswijze op het navolgende.</TXT></NP><NP><NO.P>67.</NO.P><TXT>Allereerst breng ik in herinnering dat de communautaire retributies zodanig zijn bepaald, dat zij het geheel van de kosten van de keuringen en controles dekken. Volgens artikel 5 van richtlijn 85/73 bestaan die kosten enerzijds uit personeelskosten in verband met het loon en de sociale premies voor de leden van de keuringsdienst, en anderzijds uit de administratiekosten in het kader van de uitvoering van de keuringen en controles, eventueel met inbegrip van de kosten van na- en bijscholing van de inspecteurs. Daar leid ik uit af, dat de korting op de retributie uit hoofde van de keuringen en controles in verband met het uitsnijden, logischerwijze moet afhangen van de vermindering van de personeels- en administratiekosten verbonden aan die keuringen en controles, omdat de uitsnijderij zich in de nabijheid van het slachthuis bevindt.</TXT></NP><NP><NO.P>68.</NO.P><TXT>Vervolgens valt niet te betwisten dat een dergelijke nabijheid tot gevolg heeft dat deze kosten verminderen. Zoals wij hebben gezien, is de vereiste kwalificatie voor het uitvoeren van de keuringen en controles van respectievelijk het slachten en het uitsnijden dezelfde, aangezien in beide gevallen de keuringen en controles dienen te worden verricht door een officiële dierenarts.<NOTE NOTE.ID="E0033" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Volgens artikel 2, sub g, van richtlijn 64/433 moet onder officiele dierenarts worden verstaan: <QUOT.START ID="QS0031" REF.END="QE0031" CODE="201E"/>de door de bevoegde centrale autoriteit van de lidstaat aangewezen dierenarts<QUOT.END ID="QE0031" REF.START="QS0031" CODE="201D"/>.</P></NOTE> Bovendien moeten die keuringen en controles ter plekke worden verricht, aangezien zij betrekking hebben op de lokalen en de uitrusting van het slachthuis en de uitsnijderij, alsook op het vlees dat zich daar bevindt. Ten slotte vormen de voorgeschreven keuringen en controles in verband met het slachten en in verband met het uitsnijden in zekere mate een doublure. De dierenarts moet in de slachterij immers overgaan tot een diepgaande keuring post<?PAGE NO="I-12002"?> mortem van alle delen van het dier teneinde vast te stellen dat het vlees geschikt is voor menselijke consumptie. Bij de uitsnijderij moet hij opnieuw, volgens bijlage I, hoofdstuk X, bij richtlijn 64/433, overgaan tot keuring en controle van het vers vlees vóór het uitsnijden.</TXT></NP><NP><NO.P>69.</NO.P><TXT>Hieruit volgt, dat als de uitsnijderij zich nabij het slachthuis bevindt, het keuren en controleren van het uitsnijden, gedaan kunnen worden door dezelfde dierenarts die de sanitaire controle bij het slachten heeft verricht. Bovendien kan de afwikkeling daarvan zeer worden vergemakkelijkt of versneld, indien de organisatie van de werkzaamheden in de uitsnijderij, in verhouding tot die in het slachthuis, het de dierenarts mogelijk maakt het vlees te volgen vanaf de inspectie post mortem tot aan het uitsnijden daarvan. Daaruit volgt dus een tijdwinst en, dientengevolge, een vermindering van de personeelskosten en de aan de keuringen en controles verbonden administratiekosten zoals met name reiskosten.</TXT></NP><NP><NO.P>70.</NO.P><TXT>Ten slotte kunnen die besparingen op personeels- en administratiekosten worden berekend, hetgeen het mogelijk maakt om de omvang te bepalen van de korting die aan de betrokkene moet worden toegestaan. Voor die berekening moet men immers enerzijds de personeels- en administratiekosten kennen die ontstaan door de keuringen en controles in de betrokken uitsnijderij, en anderzijds weten wat die kosten zouden zijn indien de uitsnijderij zich niet in de onmiddellijke omgeving van het slachthuis zou bevinden. De vaststelling van deze twee reeksen gegevens lijkt mij geen echte moeilijkheden op te leveren. Voor de eerste reeks kan worden volstaan met de tijd die door de veterinaire inspectiedienst aan de sanitaire maatregelen in de uitsnijderij is besteed, en de administratieve kosten welke die maatregelen hebben gegenereerd gedurende een bepaalde periode. De tweede kan worden vastgesteld op grond van de personeels- en administratiekosten verbonden aan de inspectie in een of meer uitsnijderij en die niet in de nabijheid van een slachthuis gelegen zijn.</TXT></NP><NP><NO.P>71.</NO.P><TXT>Mijn zienswijze, dat de litigieuze korting moet worden verleend op grond van de vermindering van de personeels- en administratiekosten verbonden aan keuringen en controles in de betrokken uitsnijderij, wordt ondersteund door de voorwaarden die in bijlage A, hoofdstuk I, punt 5, bij richtlijn 85/73 zijn opgesomd. Zoals ik reeds heb aangegeven, betreffen die voorwaarden, waarvan het recht van de lidstaten om van de in genoemde bijlage A, hoofdstuk I, leden 1 en 2, sub a, bepaalde forfaitaire bedragen naar beneden af te wijken, afhankelijk is gesteld, in het bijzonder de loonkosten en de planning van de inzet van het keuringspersoneel. Weliswaar preciseert die bepaling evenmin de criteria op grond waarvan de korting op de forfaitaire bedragen moet worden berekend, aangezien zij aangeeft dat de lidstaten van die bedragen kunnen afwijken door vermindering tot op het niveau van de werkelijk gemaakt inspectiekosten, zonder dat deze vermindering 55 % van die bedragen overschrijdt. Het lijkt mij echter volkomen logisch, dat de criteria voor de berekening van de aldus bepaalde korting overeenkomen met de voorwaarden voor het ontstaan van het recht hierop.</TXT></NP><?PAGE NO="I-12003"?><NP><NO.P>72.</NO.P><TXT>Gelet op een en ander ben ik van mening, dat de litigieuze korting in verhouding moet staan tot de vermindering, door de nabijheid van het slachthuis, van de personeels- en administratiekosten die verbonden zijn aan de keuringen en controles van het uitsnijden.</TXT></NP><NP><NO.P>73.</NO.P><TXT>Met het tweede deel van de tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of ook dan met de tijdsbesparing van het personeel dat de keuringen en controles uitvoert, rekening mag worden gehouden, wanneer de retributie vastgesteld is op het forfaitaire bedrag van 3 ECU per ton, berekend over het vlees dat in de uitsnijderij wordt binnengebracht.</TXT></NP><NP><NO.P>74.</NO.P><TXT>Evenals de twee tussenkomende partijen die opmerkingen hebben ingediend over de tweede prejudiciële vraag, ben ik van mening dat de litigieuze korting ook in dat geval toepasbaar is, en wel op basis van dezelfde criteria. Uit de tekst van bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, tweede alinea, bij richtlijn 85/73, volgt immers dat bedoelde korting kan worden toegepast op <QUOT.START ID="QS0032" REF.END="QE0032" CODE="201E"/>de in de eerste alinea bedoelde bedragen<QUOT.END ID="QE0032" REF.START="QS0032" CODE="201D"/>. Daaruit volgt dat die korting bedoeld is om onder dezelfde voorwaarden te worden toegepast, niet alleen op de <QUOT.START ID="QS0033" REF.END="QE0033" CODE="201E"/>reële keuringskosten per werkuur<QUOT.END ID="QE0033" REF.START="QS0033" CODE="201D"/>, bepaald in genoemd punt 2, eerste alinea, sub b, wanneer deze door de bevoegde autoriteiten zijn vastgesteld voor het geheel of een deel van het grondgebied van de lidstaat, maar ook op het forfaitaire bedrag van 3 ECU per ton, bepaald in hetzelfde punt 2, eerste alinea, sub a.</TXT></NP><NP><NO.P>75.</NO.P><TXT>Met het derde deel van de tweedeprejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of, bij bevestigend antwoord op de eerste vraag, het feit dat het slachthuis en de uitsnijderij die zich in hetzelfde gebouw bevinden, toebehoren aan dezelfde eigenaar, niettemin in aanmerking kan worden genomen voor de korting op de retributie en een grotere korting kan rechtvaardigen dan wanneer zij aan verschillende eigenaars zouden toebehoren.</TXT></NP><NP><NO.P>76.</NO.P><TXT>Ik ben van mening dat het toebehoren aan dezelfde eigenaar van slachthuis en uitsnijderij, dat geen voorwaarde is voor het ontstaan van het recht op korting, evenmin in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van genoemde korting.</TXT></NP><NP><NO.P>77.</NO.P><TXT>Het feit dat het slachthuis en de uitsnijderij dezelfde eigenaar hebben, kan immers op zich niet de in artikel 5 van richtlijn 85/73 omschreven kosten verlagen. Zeker, de eigendom van beide inrichtingen kan het de rechthebbende mogelijk maken om de werking van beide zodanig te organiseren dat de afwikkeling van de keuringen en controles in verband met het uitsnijden zeer wordt vergemakkelijkt en versneld. Die situatie kan evenwel door de bevoegde autoriteiten in aanmerking worden genomen via de vermindering van de personeels- en administratiekosten die verbonden zijn aan die keuringen en controles.</TXT></NP><?PAGE NO="I-12004"?><NP><NO.P>78.</NO.P><TXT>Op grond van deze overwegingen zal ik het Hof voorstellen, op de tweede prejudiciële vraag te antwoorden dat de litigieuze korting evenredig moet zijn aan de besparingen die, bij de uitvoering van de keuringen en controles in verband met het uitsnijden, op de personeels- en administratiekosten worden gemaakt, door de nabijheid van de uitsnijderij en het slachthuis.</TXT></NP></GR.SEQ></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P>V —</NO.P><TXT>Conclusie</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>79.</NO.P><TXT>Gelet op het vorenstaande, geef ik het Hof in overweging, als volgt te antwoorden op de door het Verwaltungsgericht Neustadt an der Weinstrasse gestelde vragen:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><LIST TYPE="ARAB"><ITEM><NP><NO.P><QUOT.START ID="QS0034" REF.END="QE0034" CODE="201E"/>1)</NO.P><TXT>Bijlage A, hoofdstuk I, punt 2, tweede alinea, bij richtlijn 85/73/EEG van de Raad van <DATE ISO="19850129">29 januari 1985</DATE> inzake de financiering van de keuringen en veterinaire controles zoals bedoeld in de richtlijnen 89/662/EEG, 90/425/EEG, 90/675/EEG en 91/496/EEG, in de versie van richtlijn 96/43/EG van de Raad van <DATE ISO="19960626">26 juni 1996</DATE> tot wijziging en codificering van richtlijn 85/73 om de financiering van de keuringen en veterinaire controles van levende dieren en bepaalde dierlijke producten te garanderen en tot wijziging van de richtlijnen 90/675 en 91/496, moet aldus worden uitgelegd, dat die bepaling eveneens geldt wanneer de uitsnijderij en de inrichting waar het vlees is verkregen, geen eigendom zijn van dezelfde natuurlijke of rechtspersoon.</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>2)</NO.P><TXT>De in genoemde bepaling bedoelde korting moet evenredig zijn aan de besparingen die, bij de uitvoering van de keuringen en controles in verband met het uitsnijden, op de personeels- en administratiekosten worden gemaakt, door de nabijheid van de uitsnijderij en het slachthuis.<QUOT.END ID="QE0034" REF.START="QS0034" CODE="201D"/></TXT></NP></ITEM></LIST></QUOT.S></P></NP></GR.SEQ></CONTENTS.CONCLUSION></CONCLUSION>