|
28.4.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 149/28 |
P9_TA(2022)0373
VN-conferentie over klimaatverandering 2022 in Sharm-el-Sheikh, Egypte (COP27)
Resolutie van het Europees Parlement van 20 oktober 2022 over de VN-conferentie over klimaatverandering 2022 in Sharm-el-Sheikh, Egypte (COP27) (2022/2673(RSP))
(2023/C 149/05)
Het Europees Parlement,
|
— |
gezien het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en het bijbehorend Protocol van Kyoto, |
|
— |
gezien de Overeenkomst die op 12 december 2015 is goedgekeurd op de 21e Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC (COP21) in Parijs (de “Overeenkomst van Parijs”), |
|
— |
gezien de 26e Conferentie van de partijen bij het UNFCCC (COP26), de 16e sessie van de bijeenkomst van de partijen bij het Protocol van Kyoto (CMP16) en de derde sessie van de Conferentie van de partijen waarin de partijen bij de Overeenkomst van Parijs bijeenkomen (CMA3), die van 31 oktober t/m 13 november 2021 in Glasgow, Verenigd Koninkrijk, hebben plaatsgevonden, en het op 13 november 2021 goedgekeurde klimaatpact van Glasgow, |
|
— |
gezien de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG’s) van de Verenigde Naties, |
|
— |
gezien zijn resolutie van 21 oktober 2021 over de VN-klimaatconferentie 2021 in Glasgow, VK (COP26) (1), |
|
— |
gezien zijn resolutie van 28 november 2019 over de noodsituatie op het gebied van klimaat en milieu (2), |
|
— |
gezien het speciaal verslag van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) over de opwarming van de aarde met 1,5 oC, zijn speciaal verslag over de klimaatverandering en de bodem, zijn speciaal verslag over de oceanen en de cryosfeer in een veranderend klimaat, en zijn zesde evaluatierapport (AR6), |
|
— |
gezien zijn resolutie van 17 december 2020 over de EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering (3), |
|
— |
gezien Besluit (EU) 2022/591 van het Europees Parlement en de Raad van 6 april 2022 betreffende een algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2030 (4), |
|
— |
gezien zijn resolutie van 17 september 2020 over het Europees Jaar van groenere steden 2022 (5), |
|
— |
gezien Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (“Europese klimaatwet”) (6), |
|
— |
gezien de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 over de Europese Green Deal (COM(2019)0640), |
|
— |
gezien zijn resolutie van 15 januari 2020 over de Europese Green Deal (7), |
|
— |
gezien zijn resolutie van 16 september 2020 over maatregelen van de EU om de bossen wereldwijd te beschermen en te herstellen (8), |
|
— |
gezien het samenvattend verslag van het UNFCCC over nationaal bepaalde bijdragen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs van 17 september 2021, |
|
— |
gezien het verslag van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) over de emissiekloof van 26 oktober 2021 getiteld “The Heat Is On”, zijn verslag over de aanpassingskloof van 1 november 2021 getiteld “The Gathering Storm” en zijn verslag over de productiekloof van 20 oktober 2021, |
|
— |
gezien het verslag van het Internationaal Energieagentschap (IEA) van maart 2022 getiteld “Global Energy Review: CO2 Emissions in 2021”, |
|
— |
gezien het verslag van het IEA van mei 2021 getiteld “Net Zero by 2050 — A Roadmap for the Global Energy Sector” en zijn verslag over de vooruitzichten inzake energietechnologieën voor 2020, |
|
— |
gezien het verslag 2021 van het Bossenforum van de Verenigde Naties over de mondiale bosdoelstellingen, |
|
— |
gezien het netwerk van Santiago voor verlies en schade, |
|
— |
gezien het kader van Sendai voor rampenrisicovermindering 2015-2030, |
|
— |
gezien het verslag van de Wereld Meteorologische Organisatie (WMO) uit april 2021 over de wereldwijde staat van het klimaat in 2020, en het verslag over de wereldwijde staat van het klimaat in 2021 uit mei 2022, |
|
— |
gezien het mondiaal evaluatieverslag van 2022 betreffende rampenrisicovermindering (GAR2022) van het Bureau van de Verenigde Naties voor rampenrisicovermindering (UNDRR), |
|
— |
gezien het eerste verslag van de permanente commissie Financiën van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) van 2021 betreffende het vaststellen van de behoeften van partijen die ontwikkelingslanden zijn met betrekking tot de uitvoering van het Verdrag en de Overeenkomst van Parijs (NDR); |
|
— |
gezien het mondiaal evaluatieverslag over biodiversiteit en ecosysteemdiensten van het intergouvernementeel platform voor biodiversiteit en ecosysteemdiensten (IPBES) van 31 mei 2019, en zijn workshopverslag van 29 oktober 2020 over biodiversiteit en pandemieën, |
|
— |
gezien de conclusies van de Raad van 21 februari 2022 over EU-klimaatdiplomatie: versnelde uitvoering van de resultaten van Glasgow, |
|
— |
gezien zijn resolutie van 28 april 2021 over bodembescherming (9), |
|
— |
gezien de tijdens de 66e zitting van de VN-Commissie voor de Status van de Vrouw (CSW66) in 2022 overeengekomen conclusies over het bereiken van gendergelijkheid en de empowerment van alle vrouwen en meisjes in het kader van de klimaatverandering en de beleidsmaatregelen en programma’s betreffende de vermindering van milieu- en rampenrisico’s, |
|
— |
gezien de mededeling van de Commissie van 11 maart 2020, getiteld “Een nieuw actieplan voor een circulaire economie — Voor een schoner en concurrerender Europa” (COM(2020)0098), |
|
— |
gezien de conclusies van de Raad van 4 oktober 2022 over klimaatfinanciering met het oog op de 27e Conferentie van de Partijen (COP27) bij het UNFCCC in Sharm-el-Sheikh van 6 tot en met 18 november 2022, |
|
— |
gezien de conclusies van de Raad van 19 november 2021 over water in het externe optreden van de EU, |
|
— |
gezien de mededeling van de Commissie van 24 februari 2021, getiteld “Een klimaatveerkrachtig Europa tot stand brengen — de nieuwe EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering” (COM(2021)0082), |
|
— |
gezien het UNEP-verslag van 18 februari 2021 getiteld “Making Peace with Nature: a scientific blueprint to tackle the climate, biodiversity and pollution emergencies”, |
|
— |
gezien het UNEP-verslag van 6 mei 2021 getiteld “Global Methane Assessment: Benefits and Costs of Mitigating Methane Emissions”, |
|
— |
gezien zijn resolutie van 23 juni 2022 over de tenuitvoerlegging en verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s) (10), |
|
— |
gezien zijn resolutie van 9 juni 2021 over de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030: de natuur terug in ons leven brengen (11), |
|
— |
gezien de mededeling van de Commissie van 14 oktober 2020 over een EU-strategie om methaanemissies terug te dringen (COM(2020)0663), |
|
— |
gezien het gezamenlijke workshopverslag van het IPBES en de IPCC over biodiversiteit en klimaatverandering van 10 juni 2021, |
|
— |
gezien de vragen aan de Commissie en de Raad over de Conferentie van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering van 2022 in Sharm-el-Sheikh, Egypte (COP27) (O-000041/2022 — B9-0027/2022 en O-000042/2022 — B9-0028/2022), |
|
— |
gezien artikel 136, lid 5, en artikel 132, lid 2, van zijn Reglement, |
|
A. |
overwegende dat de Overeenkomst van Parijs op 4 november 2016 in werking is getreden; overwegende dat tegen september 2022 193 van de 197 partijen bij het UNFCCC hun akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding bij de VN hadden ingediend; |
|
B. |
overwegende dat de Verenigde Naties een noodsituatie op het gebied van klimaat en milieu hebben afgekondigd en zich ertoe hebben verbonden de concrete maatregelen te nemen die nodig zijn om deze bedreiging te bestrijden en beperken voor het te laat is; overwegende dat verlies aan biodiversiteit en klimaatverandering met elkaar samenhangen en elkaar onderling versterken, even grote bedreigingen voor ons leven en onze planeet vormen, en als zodanig zo snel mogelijk gezamenlijk moeten worden aangepakt; |
|
C. |
overwegende dat de EU en haar lidstaten op 17 december 2020 hun bijgewerkte nationaal bepaalde bijdragen (NDC’s) bij het secretariaat van het UNFCCC hebben ingediend, en dat de EU daarin de bindende doelstelling aangaat om de binnenlandse broeikasgasemissies van de gehele economie tegen 2030 netto met ten minste 55 % te verminderen ten opzichte van 1990 zonder een bijdrage van internationale kredieten; overwegende dat deze doelstelling in het Unierecht is verankerd door middel van Verordening (EU) 2021/1119; |
|
D. |
overwegende dat de toezeggingen die de ondertekenaars van de Overeenkomst van Parijs tot dusver hebben gedaan, volgens het UNEP-verslag 2021 over de emissiekloof ontoereikend zullen zijn om het gemeenschappelijke doel van de Overeenkomst van Parijs te bereiken en tegen het eind van deze eeuw zullen leiden tot een opwarming van de aarde met 2,7 oC, wat betekent dat de wereld nog steeds gevaarlijk ver van het schema verwijderd is om de ambities van de Overeenkomst van Parijs waar te maken; overwegende dat natuurlijke vicieuze cirkels de opwarming van de aarde nog verder kunnen doen toenemen; overwegende dat de frequentere hittegolven, droogten en overstromingen de tolerantiedrempels van planten en dieren al overschrijden, wat leidt tot massale sterfte, bijvoorbeeld van bomen en koralen; overwegende dat deze weersextremen zich gelijktijdig voordoen, waardoor domino-effecten ontstaan die steeds moeilijker te beheersen zijn (12); overwegende dat in veel nationale klimaatplannen pas maatregelen zijn voorzien na 2030 en dat de actie die veel partijen bij het UNFCCC tot dusver hebben genomen, zelfs nog geen aanzet kan worden genoemd voor het verwezenlijken van hun NDC’s; |
|
E. |
overwegende dat de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen volgens het zesde evaluatierapport van de IPCC ten laatste in 2025 een piek mag bereiken en tegen 2030 met 43 % moet zijn verminderd ten opzichte van het niveau van 2019, en dat tegelijkertijd de uitstoot van methaan met ongeveer een derde moet worden verminderd als we de opwarming van de aarde zonder overschrijding tot ongeveer 1,5 oC willen beperken; overwegende dat zelfs het optimistische scenario waarin de stijging van de gemiddelde temperatuur op aarde tot 1,5 oC wordt beperkt, onomkeerbare negatieve gevolgen zou hebben voor menselijke systemen en ecosystemen en het aanpassingsvermogen ervan aanzienlijk zou overstijgen en doen afnemen, met verliezen en schade tot gevolg; overwegende dat er volgens de Wereld Meteorologische Organisatie (WMO) een risico van bijna 50 % bestaat dat de temperatuurstijging in de periode 2022-2026 tijdelijk hoger zal liggen dan 1,5 oC; overwegende dat het wereldwijde economische herstel na de COVID-19-crisis volgens het IEA niet beantwoordt aan het duurzame herstel dat gewenst was; overwegende dat de wereldwijde CO2-uitstoot in 2021 met ruim twee miljard ton is gestegen, dat dit in absolute cijfers de grootste toename op jaarbasis ooit vormt, en dat de door de pandemie veroorzaakte daling van de uitstoot als gevolg van de vermindering van de economische activiteiten van het voorgaande jaar hiermee ruimschoots is tenietgedaan; overwegende dat steenkool goed was voor 40 % van de toename van de wereldwijde CO2-uitstoot in 2021; |
|
F. |
overwegende dat de meeste emissies van synthetische stikstofmeststoffen ontstaan nadat ze op de bodem zijn aangebracht en in de atmosfeer terechtkomen als distikstofoxide (N2O) — een hardnekkig broeikasgas met een aardopwarmingsvermogen dat 265 maal groter is dan dat van CO2; overwegende dat de productie van synthetische stikstofmeststoffen goed is voor 35,2 % van de totale met synthetische stikstofmeststoffen samenhangende emissies, terwijl de veldemissies goed zijn voor 62,4 % en vervoer voor de resterende 2,4 %; overwegende dat de vier grootste uitstoters (China, India, de VS en de EU) samen goed zijn voor 63 % van de totale emissies; |
|
G. |
overwegende dat het bereiken van klimaatneutraliteit volgens het verslag van het IEA getiteld “Energy Technology Perspectives”, een belangrijke versnelling van de ontwikkeling en uitrol van schone technologieën vergt; overwegende dat de helft van de decarbonisatietechnologie die nodig is voor het tegen 2050 bereiken van klimaatneutraliteit, zich momenteel in de laboratorium- of demonstratiefase bevindt; |
|
H. |
overwegende dat de energiecrisis de kwestie van energiezekerheid en de noodzaak van vermindering van de vraag naar energie en een gediversifieerd energiesysteem in het middelpunt heeft gezet, waardoor een grotere vraag is ontstaan naar bestaande en binnenkort beschikbare oplossingen voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie; overwegende dat de illegale Russische militaire invasie van Oekraïne en de daaropvolgende gevolgen de noodzaak van een snelle transformatie van het mondiale energiesysteem nog urgenter hebben gemaakt; overwegende dat de te grote afhankelijkheid van fossiele brandstoffen en de instabiliteit van de mondiale energiemarkten de noodzaak onderstrepen om zowel in Europa als wereldwijd prioriteit te geven aan investeringen in energie-efficiëntie en -toereikendheid, decarbonisatie, langdurige energieopslag, toepassing van innovatieve schone technologie, hernieuwbare energie, oplossingen op het gebied van slimme netwerken en duurzame technologieën die emissievrij zijn, en om een sociaaleconomisch model te ontwikkelen dat verenigbaar is met een gezond milieu voor toekomstige generaties en dat binnen de planetaire grenzen blijft; overwegende dat er steun moet worden verleend aan onderzoek ter ondersteuning van innovatie en de ontwikkeling van nieuwe, groene technologieën, aangezien deze een rol kunnen spelen bij de beperking van de klimaatverandering, alsook bij duurzame economische groei en het concurrentievermogen van de EU; |
|
I. |
overwegende dat de IPCC de wereld heeft gewaarschuwd de opwarming van de aarde onder 1,5 oC te houden, maar dat de opwarming in 2020 reeds circa 1,2 oC boven het pre-industriële niveau lag; overwegende dat het volgens de IPCC onweerlegbaar is dat menselijke invloed heeft geleid tot de opwarming van de atmosfeer, oceanen en aarde, en dat de gevolgen van door de mens veroorzaakte klimaatverandering steeds meer voelbaar zijn in de vorm van het steeds vaker voorkomen van extreme weersomstandigheden, zoals hittegolven, droogten, overstromingen, winterstormen, orkanen en natuurbranden; overwegende dat overstromingen, droogten en stormen alleen al in de periode 2000-2019 wereldwijd bijna vier miljard mensen hebben getroffen en meer dan 300 000 levens hebben geëist; overwegende dat de omvang van deze extreme weersomstandigheden een belangrijke verandering ten opzichte van de periode 1980-1999 inhoudt nu de frequentie van de overstromingen met 134 % is toegenomen, van stormen met 40 % en van droogten met 29 % (13); |
|
J. |
overwegende dat er een wetenschappelijk aangetoond verband bestaat tussen de gezondheids-, de milieu- en de klimaatcrisis; overwegende dat extreme weersomstandigheden, biodiversiteitsverlies, bodemdegradatie en waterschaarste mensen op de vlucht drijven en dramatische gevolgen voor hun gezondheid hebben; overwegende dat de klimaatverandering volgens de Wereldgezondheidsorganisatie de allergrootste bedreiging voor de mensheid is en tussen 2030 en 2050 ongeveer 250 000 extra sterfgevallen per jaar zal veroorzaken (14), dat er wereldwijd ongeveer 7 miljoen mensen door luchtverontreiniging vroegtijdig komen te overlijden en dat de kosten van de directe schade aan de gezondheid, met inbegrip van de geestelijke gezondheid, tegen 2030 naar schatting zullen oplopen tot twee à vier miljard USD per jaar; |
|
K. |
overwegende dat uit het door het UNDRR gepubliceerde mondiaal evaluatieverslag van 2022 blijkt dat gedurende de afgelopen twee decennia ieder jaar tussen de 350 en 500 middelgrote tot grote rampen hebben plaatsgevonden, en dat wordt voorspeld dat tegen 2030 560 rampen per jaar zullen plaatsvinden, oftewel anderhalve ramp per dag; |
|
L. |
overwegende dat de klimaatverandering een belangrijke drijvende kracht is achter de aantasting van het milieu, met negatieve gevolgen voor de voedsel- en waterzekerheid, de toegang tot natuurlijke hulpbronnen en de menselijke gezondheid; overwegende dat waterschaarste, overstromingen en droogte de belangrijkste risico’s zijn in Europa en dat watertekorten gevolgen hebben voor verschillende sectoren in de EU vanwege domino- en overloopeffecten; overwegende dat verbeteringen op het gebied van efficiënt waterverbruik tot de belangrijke mogelijkheden voor adaptatie behoren; overwegende dat digitale oplossingen moeten worden ingezet om te zorgen voor een veerkrachtige en groene samenleving in Europa en daarbuiten; overwegende dat alle belanghebbenden en sectoren moeten worden gemobiliseerd om een samenleving tot stand te brengen die slim omspringt met water, door gelijktijdig aandacht te besteden aan de aanpassing aan de klimaatverandering, voedsel- en waterzekerheid, de bescherming van de biodiversiteit en een hulpbronnenefficiënte en concurrerende economie; overwegende dat de EU en de lidstaten deze aanpak ook moeten ontwikkelen door middel van het Europees nabuurschapsbeleid, het externe optreden van de EU en de agenda’s van de VN; |
|
M. |
overwegende dat de aan het klimaat gerelateerde risico’s voor de gezondheid, de middelen van bestaan, de voedselzekerheid, de watervoorziening en de economische groei bij een opwarming van de aarde met 2 oC naar verwachting veel groter zullen zijn; overwegende dat een beperking van de opwarming van de aarde tot 1,5 oC in plaats van 2 oC de gevolgen voor terrestrische, zoetwater- en kustecosystemen naar verwachting zal beperken, en meer van hun diensten voor de mens behouden zullen blijven; overwegende dat derhalve actie nodig is om de stijging van de temperatuur te beperken tot 1,5 oC boven de pre-industriële niveaus; |
|
N. |
overwegende dat in de preambule van de Overeenkomst van Parijs “het belang van het waarborgen van de integriteit van alle ecosystemen, waaronder oceanen” wordt erkend, en overwegende dat in artikel 4, lid 1, punt d), van het UNFCCC wordt benadrukt dat de partijen bij dat verdrag een duurzaam beheer en de instandhouding en uitbreiding van putten en reservoirs van alle broeikasgassen moeten bevorderen, waaronder biomassa, bossen en oceanen, alsmede andere ecosystemen op het land, langs de kust en in zee; overwegende dat in het mondiaal evaluatieverslag over biodiversiteit en ecosysteemdiensten van het IPBES wordt benadrukt dat duurzaam gebruik van de natuur essentieel zal zijn voor de aanpassing aan en de beperking van het gevaarlijke antropogene ingrijpen in het klimaatsysteem; |
|
O. |
overwegende dat het behoud van de oceanen van cruciaal belang is voor hun rol binnen het klimaatsysteem, zoals de opname en herverdeling van natuurlijke en antropogene CO2 en warmte, evenals de ondersteuning van het ecosysteem; overwegende dat het speciaal verslag van de IPCC over de oceanen en de cryosfeer in een veranderend klimaat van 2019 laat zien dat de oceanen sinds 1970 steeds warmer worden en meer dan 90 % van de overtollige warmte in het klimaatsysteem hebben opgenomen; overwegende dat de opwarming van de oceanen gevolgen heeft voor kustecosystemen, met intensievere mariene hittegolven, verzuring, zuurstofverlies, zoutindringing en stijgende zeespiegels tot gevolg; |
|
P. |
overwegende dat in het klimaatpact van Glasgow de belangrijke rol wordt erkend van belanghebbenden die geen partij zijn, met inbegrip van het maatschappelijk middenveld, inheemse volken, lokale gemeenschappen, jongeren, kinderen, lokale en regionale overheden en andere belanghebbenden, bij het bevorderen van de verwezenlijking van de doelstellingen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs, en dat hierin wordt benadrukt dat er dringend behoefte is aan samenwerking op verschillende niveaus en aan coöperatief optreden; |
|
Q. |
overwegende dat klimaatverandering rechtstreeks of indirect de volledige uitoefening van de mensenrechten in het gedrang brengt, met inbegrip van het recht op leven, water en sanitaire voorzieningen, voedsel, gezondheid en huisvesting; overwegende dat het vermogen van mensen zich aan te passen aan de klimaatverandering onlosmakelijk verbonden is met hun toegang tot fundamentele mensenrechten en de gezondheid van de ecosystemen waarvan zij voor hun bestaansmiddelen en welzijn afhankelijk zijn; overwegende dat volgens de Internationale Organisatie voor Migratie meer dan 200 miljoen mensen gedwongen zouden kunnen worden te migreren als gevolg van de klimaatverandering; overwegende dat de omvang van interne klimaatmigratie het grootst zal zijn in de armste en meest klimaatgevoelige regio’s; overwegende dat mondiale maatregelen ter verlaging van de broeikasgasemissies de toename van het aantal interne klimaatmigranten tegen 2050 met wel 80 % kunnen doen afnemen (15); |
|
R. |
overwegende dat de afgelopen zeven jaar, oftewel de periode 2015-2021, de warmste jaren ooit gemeten waren; overwegende dat ook de zeespiegels in 2021 een nieuw recordniveau hebben bereikt; overwegende dat de zeespiegel in de jaren 2013-2021 gemiddeld 4,5 mm per jaar is gestegen, en dat de zeespiegel volgens de WMO in verschillende regio’s “aanzienlijk sneller” stijgt dan het wereldwijde gemiddelde; overwegende dat in 2021 voor het eerst in de geschiedenis regen is geregistreerd op het hoogste punt van de ijskap van Groenland; |
|
S. |
overwegende dat de consumptie-emissies van de rijkste 1 % van de wereldbevolking in 2030 naar verwachting nog altijd dertig keer hoger zullen liggen dan de gemiddelde uitstoot per hoofd van de bevolking, terwijl de koolstofvoetafdruk van de armste helft van de wereldbevolking naar verwachting ver onder dat niveau zal blijven (16); |
|
T. |
overwegende dat de meeste ontwikkelingslanden minimaal bijdragen aan de uitstoot van broeikasgassen in de atmosfeer die veranderingen in het klimaat veroorzaken; overwegende dat de gevolgen van klimaatverandering in ontwikkelingslanden zijn toegenomen; overwegende dat de middelen die zij kunnen mobiliseren voor adaptatiemaatregelen om de negatieve effecten van klimaatverandering aan te pakken en klimaatbestendigheid en duurzame ontwikkeling te bereiken duidelijk ontoereikend zijn; |
|
U. |
overwegende dat in het eerste UNFCCC-verslag betreffende het vaststellen van de behoeften van partijen die ontwikkelingslanden zijn, wordt gesteld dat de geraamde kosten die de ontwikkelingslanden moeten maken voor de uitvoering van de NDC’s tussen 5,8 en 5,9 biljoen USD bedragen, waarvan 502 miljard USD is aangemerkt als behoeften waar internationale financieringsbronnen voor nodig zijn; |
|
V. |
overwegende dat volgens Global Witness in 2020 227 grond- en milieuactivisten zijn gedood, waarvan 71 % zich bezighield met het wereldwijd beschermen van bossen tegen ontbossing en industriële ontwikkeling, terwijl weer anderen werden gedood in het kader van hun werkzaamheden ten behoeve van de bescherming van rivieren, kustgebieden en oceanen; overwegende dat in 2020 geweld tegen grond- en milieuactivisten verreweg het vaakst plaatsvond in het Globale Zuiden, en dat minder dan 1 % van de geregistreerde dodelijke aanvallen in het Globale Noorden plaatsvond; overwegende dat tussen 2015 en 2019 meer dan een derde van de dodelijke aanvallen tegen inheemse volken was gericht, terwijl inheemse gemeenschappen slechts 5 % van de wereldbevolking vormen (17); |
|
1. |
herinnert eraan dat de klimaat- en biodiversiteitscrises een van de belangrijkste uitdagingen zijn waarmee de mensheid wordt geconfronteerd en dat alle regeringen en actoren over de hele wereld hun uiterste best moeten doen om ze dringend te boven te komen en de twee crises als nauw met elkaar verweven moeten beschouwen; onderstreept dat internationale samenwerking, betrokkenheid van regionale en lokale overheden, bedrijven en andere niet-gouvernementele actoren, solidariteit, een rechtvaardige transitie, een door de wetenschap geschraagd coherent optreden en een onwrikbare inzet om de ambities op te voeren en het beleid op deze ambities af te stemmen, noodzakelijk zijn om onze collectieve verantwoordelijkheid voor het beperken van de opwarming van de aarde en het voorkomen van het verlies aan biodiversiteit na te komen, en aldus de hele planeet en het welzijn van de huidige en toekomstige generaties te beschermen; |
|
2. |
uit zijn bezorgdheid over de bevindingen in het UNEP-verslag 2021 over de emissiekloof en in zijn op 4 november 2021 gepubliceerde addendum, met name over het feit dat de voorspelde uitstoot, ondanks ambitieuzere klimaatverbintenissen die voorafgaand aan en tijdens de COP26 zijn aangegaan, en op voorwaarde dat de aangekondigde nationale klimaatdoelstellingen voor 2030 volledig worden verwezenlijkt en er aanvullende beperkende maatregelen worden genomen, tot een wereldwijde temperatuurstijging van 2,7 oC zal leiden, wat veel meer is dan de doelstelling van de Overeenkomst van Parijs om de opwarming van de aarde ruim onder de 2 oC te houden en een maximale stijging van 1,5 oC na te streven; is verontrust over het feit dat de emissies nog steeds stijgen en de emissiekloof groter wordt; benadrukt dat het beperken van de opwarming van de aarde tot 1,5 oC een snelle, vergaande en aanhoudende vermindering van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen vereist, onder meer door de mondiale CO2-emissies tegen 2030 met 43 % te verminderen ten opzichte van het niveau van 2019; herinnert eraan dat alle partijen door de aanneming van het klimaatpact van Glasgow hebben erkend dat beperking van de stijging van de gemiddelde temperatuur op aarde tot 1,5 oC boven het pre-industriële niveau de risico’s en gevolgen van klimaatverandering aanzienlijk zou verminderen; |
|
3. |
onderstreept dat de afbouw van methaanemissies in de sectoren van fossiele brandstoffen, afval en landbouw volgens het UNEP-verslag 2021 over de emissiekloof op korte termijn kan helpen om de emissiekloof te dichten en de opwarming van de aarde tegen te gaan, maar benadrukt dat er om dit mogelijk te maken met spoed duidelijke regels moeten worden vastgesteld die erop gericht zijn de emissies daadwerkelijk te verminderen en die vergezeld gaan van regelingen om de vooruitgang te volgen en transparantie te bieden; |
|
4. |
wijst op het toenemende aantal landen dat zich verbindt tot emissieneutraliteit tegen het midden van de eeuw, maar onderstreept dat deze toezeggingen dringend moeten worden omgezet in krachtige streefcijfers, beleidsmaatregelen en acties op korte termijn, ondersteund met financiële middelen, en moeten worden weerspiegeld in herziene NDC’s in de vorm van aangescherpte klimaatdoelstellingen, opdat de mondiale emissies zo spoedig mogelijk hun piek bereiken; sluit zich aan bij het oordeel van het UNEP dat in een groot aantal nationale klimaatplannen de acties tot na 2030 worden uitgesteld en dat veel van de langetermijntoezeggingen tot emissieneutraliteit een groot aantal onduidelijkheden vertonen en niet transparant zijn; |
|
5. |
wijst met diepe bezorgdheid op het meest recente WMO-rapport over de toestand van het klimaat waarin wordt gesteld dat vier belangrijke klimaatindicatoren — stijging van de zeespiegel, opwarming van de oceanen, verzuring van de oceanen en concentraties van broeikasgassen — in 2021 nieuwe records hebben gebroken; |
Het klimaatpact van Glasgow en de COP27 in Sharm-el-Sheikh
|
6. |
neemt kennis van de vooruitgang die is geboekt tijdens de COP26 en in het klimaatpact van Glasgow; benadrukt echter dat de beperking van de opwarming van de aarde tot 1,5 oC alleen kan worden bereikt als er in dit kritieke decennium vóór 2030 dringend actie wordt ondernomen; benadrukt dat de partijen tijdens de COP26 zijn verzocht de streefcijfers voor 2030 in hun NDC’s uiterlijk eind 2022 te herzien en aan te scherpen, aangezien dit nodig is om tegemoet te komen aan de temperatuurdoelstelling in het kader van de Overeenkomst van Parijs, rekening houdend met de verschillende nationale omstandigheden; dringt er bij alle partijen bij het UNFCCC met klem op aan hun NDC’s vóór de COP27 te verhogen teneinde de ambitiekloof te dichten, en hun beleid af te stemmen op een traject dat verenigbaar is met deze ambitie; verzoekt de EU en alle G20-landen in dit opzicht mondiaal leiderschap te tonen; |
|
7. |
verwelkomt het besluit van de COP26 om een werkprogramma op te stellen om in dit kritieke decennium dringend de mitigatieambitie en -uitvoering op te voeren, op een wijze die de wereldwijde inventarisatie aanvult, om het syntheseverslag over de NDC’s jaarlijks vóór elke COP bij te werken en om jaarlijks een ministeriële rondetafelgesprek over het ambitieniveau tot 2030 te beleggen; dringt erop aan dat dit werkprogramma tijdens de COP27 wordt goedgekeurd en dat wordt toegezien op een jaarlijkse evaluatie van het ambitieniveau aan de hand van de beste beschikbare wetenschappelijke kennis en het hoogst mogelijke ambitieniveau van de partijen; benadrukt dat de partijen hun NDC’s moeten herzien en verhogen totdat ze in overeenstemming zijn met een traject dat verenigbaar is met het beperken van de opwarming van de aarde tot 1,5 oC; |
|
8. |
is ingenomen met de voltooiing in Glasgow van het regelboek voor de Overeenkomst van Parijs, en benadrukt dat de toepassing van het regelboek moet zorgen voor een sterke milieu-integriteit en zo hoog mogelijke ambities; |
|
9. |
is verheugd over het feit dat in het klimaatpact van Glasgow het belang van aanpassing aan de klimaatverandering wordt benadrukt, alsook de noodzaak om de maatregelen op te schalen teneinde het vermogen tot aanpassing te vergroten, de veerkracht te versterken en de kwetsbaarheid voor klimaatverandering te verminderen; merkt in dit kader op dat 47 landen het afgelopen jaar adaptatiemededelingen of nationale adaptatieplannen hebben ingediend, en verwacht van andere landen dat zij hun mededelingen indienen in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs; is ingenomen met de totstandbrenging van een nieuwe dialoog van Glasgow over verlies en schade, die gericht moet zijn op financiële regelingen om verlies en schade door de nadelige gevolgen van klimaatverandering af te wenden, te beperken en aan te pakken; |
|
10. |
neemt nota van de toezeggingen met betrekking tot klimaatfinanciering die zijn gedaan tijdens de COP26, maar betreurt het feit dat uit het klimaatfinancieringsplan 2021 blijkt dat de huidige doelstelling van 100 miljard USD aan klimaatfinanciering waarschijnlijk pas in 2023 wordt verwezenlijkt, drie jaar na de oorspronkelijke uiterste termijn; wijst op de groeiende financieringskloof, met name voor aanpassing aan de klimaatverandering; dringt er bij de ontwikkelde landen, waaronder de EU en haar lidstaten, op aan ervoor te zorgen dat de doelstelling van 100 miljard USD voor klimaatfinanciering al vanaf 2022 en gemiddeld over de periode 2020-2025 kan worden gehaald en uitbetaald, en de weg voorwaarts voor de nieuwe doelstelling voor klimaatfinanciering na 2025 nader uit te werken; wijst erop dat financiële steun van de ontwikkelde landen die verantwoordelijk zijn voor een groot deel van de historische emissies, ook van cruciaal belang zal zijn voor het opbouwen van vertrouwen ten behoeve van een ambitieuzere dialoog over doelstellingen op het gebied van klimaatmitigatie; |
|
11. |
wijst er nadrukkelijk op dat de gastheer van de COP27 behoort tot een van de regio’s in de wereld die het zwaarst door de klimaatverandering worden getroffen; merkt op dat het Middellandse Zeegebied 20 % sneller opwarmt dan het wereldwijde gemiddelde en dat het een van de belangrijkste klimaathotspots van de wereld is, waar 250 miljoen mensen naar verwachting binnen 20 jaar met watertekorten zullen worden geconfronteerd (18); onderstreept dat de Middellandse Zee bezig is de snelst opwarmende zee van de wereld te worden (19), met gevolgen voor belangrijke economische sectoren en het hele maritieme ecosysteem, met onomkeerbare gevolgen voor het ecosysteem en soorten; verzoekt de Commissie en de lidstaten snel te handelen en met hun partners in het Middellandse Zeegebied samen te werken aan ambitieuze aanpassingsmaatregelen, en een voortrekkersrol te vervullen bij de mitigatie-actie; |
|
12. |
steunt het initiatief van de Oekraïense regering om een mondiaal platform op te zetten voor de beoordeling van de milieuschade die tijdens gewapende conflicten wordt veroorzaakt; |
|
13. |
herinnert eraan dat het belangrijk is alle partijen volledig te betrekken bij het besluitvormingsproces in het kader van het UNFCCC; wijst erop dat het huidige besluitvormingsproces in het kader van het UNFCCC kan worden verbeterd teneinde de volledige betrokkenheid van de gedelegeerden van ontwikkelingslanden en de minst ontwikkelende landen (MOL’s) en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld te bewerkstelligen; acht het van essentieel belang dat de standpunten van de landen die het meest onder de klimaatverandering te lijden hebben, worden gehoord en dat ernaar wordt gehandeld; roept derhalve het COP27-voorzitterschap en toekomstige voorzitterschappen op te zoeken naar aanvullende manieren om een effectieve en zinvolle deelneming van ontwikkelingslanden te waarborgen en hiervoor extra middelen uit te trekken; herinnert aan zijn eerdere standpunten over de mensenrechtensituatie in Egypte; neemt kennis van een aantal maatschappelijke organisaties die hun zorgen hebben geuit over de marginalisering van het maatschappelijk middenveld tijdens de COP in Egypte en de belemmeringen op het gebied van protesten en deelname door het maatschappelijk middenveld; verzoekt het UNFCCC en de Egyptische autoriteiten de billijke toegang en volledige deelname van burgers en het maatschappelijk middenveld bij de COP27 te waarborgen; |
|
14. |
herhaalt zijn oproep tot vrijlating van alle personen in Egypte die willekeurig worden vastgehouden en benadrukt het bijzonder dringende geval van mensenrechtenactivist Alaa Abd el-Fattah; verzoekt de Egyptische autoriteiten de dynamiek van de COP27 aan te wenden om de mensenrechtensituatie in Egypte te verbeteren en te garanderen dat de fundamentele vrijheden tijdens en na de COP27 worden geëerbiedigd, in het bijzonder voor wat de vrijheid van meningsuiting en vreedzame vergadering betreft; sluit zich onvoorwaardelijk aan bij de oproep van de VN-deskundigen aan het secretariaat van het UNFCCC om mensenrechtencriteria te ontwikkelen waartoe de landen waar de toekomstige COP’s zullen plaatsvinden, zich in het kader van de gastlandovereenkomst moeten verbinden; |
|
15. |
is verheugd over het feit dat in het klimaatpact van Glasgow de belangrijke rol wordt erkend van belanghebbenden die geen partij zijn, met inbegrip van het maatschappelijk middenveld, inheemse volken, lokale gemeenschappen, jongeren, kinderen, lokale en regionale overheden en andere belanghebbenden, bij het bevorderen van de verwezenlijking van de doelstellingen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs; erkent de belangrijke rol die jongeren vervullen bij de strijd tegen de klimaatverandering; roept de partijen en belanghebbenden dan ook met klem op de betekenisvolle deelname en vertegenwoordiging van jongeren in multilaterale, nationale en lokale besluitvormingsprocessen te waarborgen; herinnert er in het bijzonder aan dat steden een essentiële rol vervullen bij het terugdringen van broeikasgasemissies en is verheugd over het toenemend aantal steden en regio’s wereldwijd dat zich verbindt tot emissieneutraliteit, en met name over de verbintenis van de honderd Europese steden die deelnemen aan de missie klimaatneutrale en slimme steden die erop gericht is tegen 2030 klimaatneutraliteit te bereiken en deze steden tot innovatiehubs te maken, en ervoor te zorgen dat alle EU- en gelijkgestemde naburige steden tegen 2050 hun voorbeeld kunnen volgen; |
|
16. |
benadrukt dat een beperking van de stijging van de gemiddelde wereldwijde temperatuur tot 1,5 oC alleen maar kan worden gerealiseerd als alle partijen daar op doeltreffende wijze een bijdrage aan leveren, hetgeen vereist dat eventuele problemen in verband met gevestigde of strijdige belangen worden aangepakt; is met name bezorgd over het feit dat sommige grote vervuilers hun aanwezigheid op de COP’s hebben aangewend om de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te ondermijnen; maakt zich ernstige zorgen over het feit dat het UNFCCC nauwelijks iets doet op het gebied van het aanpakken van strijdige belangen in verband met de participatie van belanghebbenden die geen partij zijn; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan in dit proces het voortouw te nemen om het besluitvormingsproces van het UNFCCC te beschermen tegen belangen die indruisen tegen de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs; |
|
17. |
is verheugd over de verbetering ten aanzien van het partnerschap van Marrakesh voor mondiale klimaatactie als podium om niet-overheidsactoren en subnationale overheden aan te sporen per direct klimaatmaatregelen te nemen, alsook over de vaststelling van zijn werkprogramma voor 2022; erkent de initiatieven “Race to zero” en “Race to Resilience” als belangrijke platforms voor ondersteuning van bottom-upgovernance, met het oog op het vergemakkelijken van verslaglegging en inventarisatie op subnationaal niveau; |
Een ambitieus EU-klimaatbeleid
|
18. |
verwacht van het wetgevingspakket Fit for 55 en de beleidsmaatregelen in het kader van de Europese Green Deal dat zij resulteren in de maatregelen die nodig zijn om de EU-doelstelling voor 2030 te verwezenlijken en de EU en haar lidstaten koers te laten zetten in de richting van koolstofneutraliteit uiterlijk tegen 2050, en onderstreept de standpunten van het Parlement hierover; herinnert eraan dat de EU, overeenkomstig de EU-klimaatwet en de Overeenkomst van Parijs alsook de best beschikbare wetenschappelijke inzichten, haar klimaatactie moet intensiveren, zowel wat betreft mitigatie, om de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 oC ten opzichte van het pre-industriële niveau, als wat betreft adaptatie om de veerkracht te bevorderen; verzoekt de EU haar NDC bij te werken en haar broeikasgasreductiedoelstelling vóór de COP27 te verhogen op basis van de best beschikbare wetenschappelijke inzichten; roept op tot het hoogste ambitieniveau in het “Fit for 55”-pakket om een duidelijk signaal te geven aan alle andere partijen dat de EU bereid is bij te dragen aan het dichten van de kloof die nodig is om de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 oC, op een rechtvaardige, sociaal evenwichtige, eerlijke en kosteneffectieve manier, rekening houdend met aspecten van mondiale billijkheid en rechtvaardigheid en de historische en huidige verantwoordelijkheid van de EU voor de emissies die de klimaatcrisis veroorzaken; |
|
19. |
wijst erop dat de algemene EU-doelstelling inzake emissies voor 2030, zoals vastgelegd in de Europese klimaatwet en de wetgevingsvoorstellen voor “Fit for 55”, inhoudt dat de verlaging van de emissies van de EU groter zal moeten zijn dan de vermindering aan netto-emissies ter hoogte van 55 % die momenteel is opgenomen in de nationaal bepaalde bijdragen van de lidstaten; onderstreept voorts dat het Parlement voor wat deze voorstellen en de in het REPowerEU-plan opgenomen doelstellingen betreft van mening is dat de EU haar klimaatambities nog moet verhogen, en verzoekt de Raad om de standpunten van het Parlement in dit verband te onderschrijven; verzoekt de EU in het licht van het in het kader van het klimaatpact van Glasgow genomen besluit om de streefcijfers voor 2030 te herzien, met klem haar emissietoezeggingen dienovereenkomstig te actualiseren; |
|
20. |
wijst erop dat de huidige geopolitieke situatie aantoont dat de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen met spoed moet worden teruggedrongen en dat de uitrol van hernieuwbare energiebronnen moet worden gestimuleerd, en in dit opzicht de mogelijkheid biedt het EU-leiderschap te versterken; |
|
21. |
herhaalt dat het noodzakelijk is klimaatambities te integreren in al het beleid van de EU, evenals in alle maatregelen tot omzetting daarvan, en benadrukt dat artikel 6, lid 4, van de Europese klimaatwet de Commissie verplicht de samenhang tussen alle ontwerpmaatregelen of wetgevingsvoorstellen, waaronder begrotingsvoorstellen, en de klimaatdoelstellingen van de EU te beoordelen; dringt er bij de Commissie op aan deze bepaling volledig ten uitvoer te leggen op dezelfde wijze waarop zij effectbeoordelingen uitvoert op alle beleidsterreinen van de EU; benadrukt dat ook de bestaande beleidsmaatregelen van de Unie en haar lidstaten opnieuw moeten worden geëvalueerd en moeten worden afgestemd op deze doelstellingen, en verwacht dat de onlangs opgerichte Europese wetenschappelijke adviesraad inzake klimaatverandering een bijdrage zal leveren aan deze evaluatie; is verheugd over de benoeming van de 15 leden van de onlangs opgerichte Europese wetenschappelijke adviesraad inzake klimaatverandering; verzoekt de adviesraad zo snel mogelijk zijn beoordeling te publiceren van een EU-broeikasgasbudget dat verenigbaar is met de doelstelling om de opwarming van de aarde tot 1,5 oC te beperken, en verwacht van de Commissie dat zij het advies van de adviesraad volledig ter harte neemt bij het vaststellen van het indicatieve broeikasgasbudget van de Unie en de klimaatdoelstellingen van de Unie voor de periode na 2030; |
|
22. |
herinnert aan een recente uitspraak van het constitutionele hof van een lidstaat dat klimaatbescherming geen kwestie van politieke discretie is en dat de bepaling van de grondwet inzake milieubescherming de staat een grondwettelijke plicht oplegt om klimaatneutraliteit te bereiken; |
|
23. |
benadrukt de sterke steun van de EU-burgers voor het intensiveren van de klimaatactie nu volgens de meest recente Eurobarometer bijna een op de twee Europese burgers (49 %) de klimaatverandering als de belangrijkste mondiale uitdaging voor de toekomst van de EU beschouwt; |
|
24. |
benadrukt dat het volledige klimaatbeleid moet worden uitgevoerd in overeenstemming met het beginsel van een rechtvaardige transitie naar klimaatneutraliteit en in nauwe samenwerking met het maatschappelijk middenveld en de sociale en economische partners; stelt zich derhalve op het standpunt dat meer transparantie, een sterkere betrokkenheid van de sociale partners en het maatschappelijk middenveld op lokaal, regionaal, nationaal en EU-niveau noodzakelijk zijn om in alle sectoren van de samenleving op billijke, inclusieve en sociaal duurzame wijze voor klimaatneutraliteit te zorgen; |
Adaptatie en verlies en schade
|
25. |
is ingenomen met de nieuwe financiële toezeggingen die in Glasgow zijn gedaan voor wat betreft het aanpassingsfonds van het UNFCCC en het fonds voor de minst ontwikkelde landen; merkt echter op dat de steun voor mitigatie groter blijft dan de steun voor adaptatie, en staat volledig achter de oproep aan de ontwikkelde landen om hun collectieve verstrekking van financiering voor aanpassing aan de klimaatverandering in overeenstemming met het klimaatpact van Glasgow tegen 2025 ten minste te verdubbelen ten opzichte van het niveau van 2019, teneinde tot een beter evenwicht te komen; betreurt het feit dat de wereldwijde doelstelling inzake aanpassing zeven jaar na de Overeenkomst van Parijs nog altijd niet duidelijk is gedefinieerd; is ingenomen met het werkprogramma van Sharm-el-Sheikh voor de wereldwijde doelstelling inzake aanpassing, dat is vastgesteld en gelanceerd tijdens de COP26; onderstreept het belang van op subsidies gebaseerde financiering voor aanpassing; spoort de EU met klem aan het aandeel aanpassingsfinanciering uit hoofde van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking — Europa in de wereld, in de periode 2021-2027 ieder jaar te verhogen; benadrukt dat er meer inspanningen moeten worden geleverd om deze mondiale doelstelling inzake aanpassing om te zetten in meetbare resultaten die onder meer een grondig inzicht verschaffen in de klimaat- en rampenrisico’s en daaraan gerelateerde aanpassingsbehoeften en -kosten op meerdere niveaus, om de beschikbaarheid van consistente en vergelijkbare gegevens te vergroten, om de verstrekking en toegankelijkheid van uitvoeringsmiddelen vast te stellen en te verbeteren, met inbegrip van financiële en technologische bijstand, en om de ontwikkeling van een reeks gemeenschappelijke kwalitatieve en kwantitatieve meetmethoden, methodologieën en benaderingen mogelijk te maken om de vooruitgang die wordt geboekt bij het bereiken van de doelstelling door de tijd heen te meten; wijst in dit verband op het kader van Sendai voor rampenrisicovermindering en het bijbehorende monitoring- en rapportagesysteem; |
|
26. |
wijst erop dat aanpassingsmaatregelen voor de korte, middellange en lange termijn voor alle landen een onvermijdelijke noodzaak zijn als zij de negatieve gevolgen van de klimaat- en biodiversiteitscrises tot een minimum willen beperken en klimaatbestendigheid en duurzame ontwikkeling willen realiseren, en vestigt de aandacht op het feit dat ontwikkelingslanden bijzonder kwetsbaar zijn voor de gevolgen van de klimaatverandering, en dan met name de minst ontwikkelde landen en kleine eilandstaten in ontwikkeling; benadrukt het feit dat aanpassing aan de klimaatverandering diverse voordelen met zich meebrengt, zoals het verbeteren van de landbouwproductiviteit, voordelen met betrekking tot innovatie, gezondheid en welzijn, voedselzekerheid, bestaansmiddelen en behoud van de biodiversiteit, alsmede het verminderen van risico’s en schade; verzoekt de EU en de lidstaten de aanpassingsmaatregelen op te schroeven door middel van verplichte aanpassingsplannen, klimaatkwetsbaarheidsbeoordelingen en klimaatstresstests op lokaal, regionaal en nationaal niveau en door steun voor lokaal geleide benaderingen en samenwerking met lokale autoriteiten en het lokale maatschappelijk middenveld om de aanpassingsdoelstelling van de Overeenkomst van Parijs volledig na te komen en ervoor te zorgen dat het aanpassingsbeleid van de EU de gemeenschappen en ecosystemen in de EU voldoende beschermt tegen de effecten van klimaatverandering; dringt aan op verdere vooruitgang met betrekking tot de nieuwe aanpassingsstrategie van de EU en benadrukt het belang van de koppeling ervan met de EU-biodiversiteitsstrategie en het nieuwe regelgevingskader inzake aanpassing dat voortvloeit uit de Europese klimaatwet; herhaalt zijn oproep tot een ambitieuze uitvoering ervan, ook van de internationale componenten; |
|
27. |
benadrukt dat de klimaatverandering weliswaar een mondiaal probleem is, maar dat de verschillende regio’s hier nu al op verschillende wijzen door worden getroffen, en dat lokale overheden, die dichter bij de bevolking staan, essentiële actoren zijn voor het mogelijk maken van aanpassing aan de klimaatverandering; benadrukt dat een betere toewijzing van financiële middelen op lokaal niveau noodzakelijk is voor het ontwikkelen van doeltreffende, gerichte oplossingen, en is in dit kader verheugd over de missie inzake aanpassing aan de klimaatverandering die ter ondersteuning zal dienen voor minstens 150 Europese regio’s en gemeenschappen bij het uiterlijk in 2030 bewerkstelligen van klimaatveerkracht; roept op tot steun voor een regionale en gedecentraliseerde aanpak bij de respons op de effecten van klimaatverandering en bij de toegang tot klimaatfinanciering in ontwikkelingslanden, teneinde lokale overheden, lokale maatschappelijke organisaties en milieuactivisten een grotere rol te geven bij het aanpakken van de effecten van klimaatverandering en om de meest kwetsbaren te bereiken; |
|
28. |
benadrukt dat in de EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering die op 24 februari 2021 door de Commissie werd vastgesteld, uitdrukking wordt gegeven aan het doel van de Commissie om de klimaatfinanciering verder op te schroeven en op grotere schaal financiering voor aanpassing te mobiliseren en dat bijzondere aandacht vereist is om ervoor te zorgen dat financiële middelen terechtkomen bij de meest kwetsbare gemeenschappen in ontwikkelingslanden; |
|
29. |
wijst erop dat systemen voor vroegtijdige waarschuwing van cruciaal belang zijn voor doeltreffende aanpassing aan de klimaatverandering, maar dat deze in slechts minder dan de helft van de WMO-lidstaten beschikbaar zijn; steunt het tijdens de COP27 goed te keuren voorstel van de WMO op basis waarvan iedereen in de komende vijf jaar de beschikking krijgt over systemen voor vroegtijdige waarschuwing; hoopt dat dit initiatief voor systemen voor vroegtijdige waarschuwing snel wordt toegepast, met name om zo snel mogelijk zoveel mogelijk levens te redden; |
|
30. |
benadrukt dat groene infrastructuur bijdraagt tot de aanpassing aan klimaatverandering en rampenrisicovermindering doordat zij natuur en ecosystemen beschermt, natuurlijke habitats en soorten in stand houdt en herstelt en zorgt voor een goede ecologische toestand, goed waterbeheer en voedselzekerheid; merkt op dat de ontwikkeling van groene infrastructuur een van de doeltreffendste maatregelen voor de aanpassing aan de klimaatverandering vormt die kan worden uitgevoerd in steden, aangezien groene infrastructuur de negatieve gevolgen beperkt van klimaatverandering en toenemende extreme weersverschijnselen, zoals hittegolven, bosbranden, extreme regenval, overstromingen en droogten, extreme temperatuurverschillen beperkt, en de levenskwaliteit verbetert voor ingezetenen die in steden wonen, met inbegrip van hun geestelijke en fysieke gezondheid; |
|
31. |
wijst op de verwoestende gevolgen op middellange en lange termijn van woestijnvorming op ecologisch, sociaal en economisch gebied en de ontvolking die zij in sommige gebieden teweegbrengt, en merkt op dat er gemeenschappelijke benaderingen nodig zijn om dit fenomeen naar behoren te voorkomen, zich eraan aan te passen en het te boven te komen; herinnert er derhalve aan dat waterbeheer niet alleen van cruciaal belang is voor de mitigatie van en de aanpassing aan de klimaatverandering, maar ook voor het beschermen van de water- en voedselzekerheid, het beschermen van de biodiversiteit en het bevorderen van gezonde bodems; wijst er derhalve op dat de EU-kaderrichtlijn water snel en volledig moet worden uitgevoerd, zodat de doelstellingen ervan kunnen worden verwezenlijkt en de Europese waterbronnen beter kunnen worden beheerd; benadrukt dat het hergebruik van water en de efficiëntie van watergebruik door middel van circulaire processen in de gehele economie en samenleving volledig moeten worden toegepast teneinde de waarde van water te kunnen benutten en waterzekerheid voor iedereen, zowel kwantitatief als kwalitatief, te waarborgen; benadrukt dat digitale oplossingen kunnen bijdragen tot de aanpassing aan de klimaatverandering doordat ze het vermogen kunnen verbeteren om waterschaarste, overstromingen en waterverontreiniging te voorspellen, en steunt het gebruik van deze instrumenten; |
|
32. |
benadrukt dat klimaatverandering en milieudegradatie belangrijke aanjagers zijn van ontheemding en een multiplicatoreffect hebben op de menselijke veiligheid en de sociaal-politieke stabiliteit; benadrukt dat onvoldoende mitigatie- en aanpassingsvermogen gewapende conflicten, voedseltekorten, natuurrampen en door het klimaat veroorzaakte ontheemding in de hand kan werken; verzoekt de Commissie en de lidstaten de behoeften en kwetsbaarheid te erkennen van mensen die te kampen hebben met door het klimaat veroorzaakte ontheemding, en roept op tot versterking van het EU-beleid voor ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp en van de respectieve financiële instrumenten daarvan, teneinde de aanpassing aan de klimaatverandering in ontwikkelingslanden te ondersteunen, veerkracht op te bouwen, de beperking van het rampenrisico te versterken en te reageren op humanitaire noodsituaties in tijden van toenemende behoeften; |
|
33. |
merkt op dat in artikel 8 van de Overeenkomst van Parijs (betreffende verlies en schade) is bepaald dat de partijen een coöperatieve benadering van verlies en schade door de nadelige gevolgen van de klimaatverandering dienen te volgen; wijst daarom op het belang van wereldwijde ondersteunende maatregelen in gebieden die het door de klimaatverandering bijzonder hard te verduren krijgen, zoals kustgebieden en eilanden, en gebieden waar het aanpassingsvermogen beperkt is; verzoekt de Commissie en de lidstaten als bruggenbouwers op te treden tussen ontwikkelde landen, ontwikkelingslanden en de minst ontwikkelde landen, en zich in te zetten voor de opvoering van de werkzaamheden van de coalitie met een hoge ambitie met betrekking tot zowel financiering voor mitigatie en adaptatie als verlies en schade; erkent dat dit essentiële componenten zijn van mondiale klimaatrechtvaardigheid; |
|
34. |
betuigt zijn dank aan de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) en spreekt zijn grote waardering uit voor het werk dat is verricht in het kader van zijn zesde evaluatieverslag; is ingenomen met de grondige evaluatie van verliezen en schade in het recente verslag van Werkgroep II van de IPCC, en wijst erop dat verliezen en schade hierin worden aangemerkt als een steeds belangrijker onderwerp in zowel het internationale klimaatbeleid als de klimaatwetenschap; verzoekt de IPCC voort te bouwen op de verrichte werkzaamheden en een speciaal verslag op te stellen dat gericht betrekking heeft op verliezen en schade; |
|
35. |
herhaalt dat internationale instellingen hun organisaties, samenwerkingen en crisisbeheersing moeten versterken teneinde beter voorbereid te zijn op de klimaatverandering op lokaal en mondiaal niveau als volgende stap richting institutionele aanpassing aan klimaatverandering; |
De klimaat- en biodiversiteitscrisis
|
36. |
benadrukt het belang van het beschermen, in stand houden en herstellen van de natuur en de ecosystemen voor het verwezenlijken van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs; herinnert voorts aan de cruciale rol van biodiversiteit voor de mens bij de bestrijding van en de aanpassing aan de opwarming van de aarde en voor het vergroten van zijn weerstandsvermogen; is van mening dat op de natuur gebaseerde oplossingen en ecosysteemgerichte benaderingen essentiële instrumenten zijn voor de beperking van en de aanpassing aan de klimaatverandering, alsook voor de bescherming en het herstel van de biodiversiteit en bossen, en voor rampenrisicovermindering; benadrukt dat de samenleving kan profiteren van het vermogen van de natuur om koolstof te absorberen en op te slaan, door aangetaste ecosystemen zo snel mogelijk te herstellen en 30 tot 50 % van wereldwijde habitats te land, in binnenwateren en in zee op efficiënte en eerlijke wijze in stand te houden, en tegelijkertijd de mensenrechten en de rechten van inheemse volkeren te vrijwaren en te versterken; beklemtoont dat de overgang naar duurzame ontwikkeling moet worden versneld, maar dat gepaste financiële en politieke steun hiervoor onmisbaar zijn; |
|
37. |
benadrukt de kritieke en onderling afhankelijke rol die bossen, biodiversiteit en duurzaam landgebruik vervullen om de wereld in staat te stellen zijn SDG’s te bewerkstelligen; wijst er derhalve op dat het zaak is ontbossing en bodemdegradatie met spoed een halt toe te roepen en terug te draaien als manier om een bijdrage te leveren aan de vermindering van de jaarlijkse nettobroeikasgasemissies; |
|
38. |
herinnert aan de toezegging van de regeringen van 141 landen met ruim 3,6 miljard hectare aan bossen om de ontbossing tegen 2030 een halt toe te roepen en terug te draaien; |
|
39. |
herhaalt dat de strikte instandhouding en het herstel van koolstofrijke ecosystemen een responsoptie is met een onmiddellijk effect en een breed scala aan mitigatie- en aanpassingsvoordelen; wijst op de sleutelrol van bossen bij de bescherming van het klimaat en de biodiversiteit; benadrukt dat bossen bijdragen tot inspanningen om de negatieve gevolgen van klimaatverandering te verzachten en zich daaraan aan te passen; |
|
40. |
wijst erop dat sectoraal beleid en het klimaatbeleid voor de sector landgebruik, onder meer voor belangrijke primaire productieactiviteiten van de land- en bosbouw, op passende wijze moeten worden uitgevoerd in synergie met het natuurlijk aanpassingsvermogen van de natuurlijke en seminatuurlijke ecosystemen, en het aanpassingsvermogen van de overwegend culturele landschappen zoveel mogelijk moeten verhogen; wijst op de recente uitspraak in een zaak waarin de eisers bosbouwers waren die een zaak hadden aangespannen tegen de overheid vanwege haar nationale bosbeleid, dat hen in feite heeft belet de veerkracht van beheerde bossen te verbeteren, onder meer doordat het beleid natuurlijke regeneratie ontmoedigde (20); |
|
41. |
herinnert eraan dat volgens het vijfde evaluatieverslag van het IPCC inheemse, lokale en traditionele vormen van kennis een belangrijke hulpbron zijn voor het duurzame beheer van natuurlijke hulpbronnen, het behoud van de biodiversiteit en de aanpassing aan klimaatverandering; benadrukt de noodzaak om hun gemeenschapsrechten op land en hulpbronnen te versterken teneinde de klimaatverandering tegen te gaan, zoals uiteengezet in de Verklaring van de Verenigde Naties over de rechten van inheemse volkeren en Verdrag nr. 169 van de IAO, en om te voldoen aan het beginsel van vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming; |
|
42. |
benadrukt dat grond- en milieuactivisten ten opzichte van het bedrijfsleven moeten worden beschermd door doeltreffende en robuuste op regelgeving gebaseerde bescherming te waarborgen op het gebied van het milieu, arbeidsrechten, landrechten, en de rechten, bestaansmiddelen en culturen van inheemse volken, met inbegrip van het beginsel van vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming; is in dit opzicht verheugd over de EU-initiatieven inzake passende duurzame zorgvuldigheid in het bedrijfsleven en de verordening betreffende het op de markt van de Unie aanbieden en de uitvoer uit de Unie van bepaalde grondstoffen en producten die met ontbossing en bosdegradatie verband houden; verzoekt de partijen erop toe te zien dat de tijdens de COP27 gedane toezeggingen tot uitvoering van de Overeenkomst van Parijs verenigbaar zijn met de bestaande internationale verplichtingen betreffende mensenrechten en de voor bedrijfsactiviteiten geldende normen; |
|
43. |
herinnert eraan dat de klimaatverandering een van de belangrijkste directe oorzaken is van het verlies aan biodiversiteit en de aantasting van het land; onderstreept dat de negatieve gevolgen van de klimaatverandering voor de natuur en de biodiversiteit, de ecosystemen, de oceanen, de gezondheid en de voedselzekerheid de komende decennia naar verwachting een kritieke omvang zullen bereiken; benadrukt dat er een sterker, bindend en ambitieuzer internationaal kader nodig is om de mondiale biodiversiteit te beschermen, om de huidige neergang te stoppen en om de biodiversiteit zoveel mogelijk te herstellen; erkent in deze context het belang van de Conferentie over biodiversiteit in Montreal, Canada, in december 2022; verzoekt de IPCC en het IPBES hun samenwerking en gezamenlijke werkzaamheden voort te zetten en te versterken teneinde beleidsmakers van de meest recente wetenschappelijke inzichten te kunnen voorzien over de klimaat- en biodiversiteitscrises en de aanpak ervan; verzoekt daarnaast het UNFCCC zich in het kader van het VN-Verdrag inzake biologische diversiteit (VBD) en het ontwikkelingsprogramma van de VN (UNDP) in te spannen voor een samenhangend kader voor klimaatneutraliteit en -veerkracht, bescherming van de biodiversiteit en duurzame ontwikkeling; |
|
44. |
spoort de partijen aan om, in overeenstemming met het klimaatpact van Glasgow, in hun nationaal, regionaal en lokaal beleid en in hun planningsbesluiten een geïntegreerde aanpak te hanteren ten aanzien van de biodiversiteit; roept het UNFCCC in dit verband op zich in het kader van het VBD en het UNDP in te spannen voor een samenhangend kader voor klimaatneutraliteit en -veerkracht, bescherming van de biodiversiteit en duurzame ontwikkeling; is verheugd over de verklaring van Edinburgh inzake het mondiaal biodiversiteitskader voor de periode na 2020, hetgeen een voorbeeld is van een inclusieve, overheidsbrede aanpak; |
|
45. |
verzoekt de partijen hun werkzaamheden ten behoeve van de dialoog over oceanen en klimaatverandering voort te zetten door concrete en actiegerichte doelstellingen vast te stellen, de meest relevante en dringende kwesties met betrekking tot het verband tussen oceanen en het klimaat aan de orde te stellen, en landen — met name kuststaten — aan te sporen overeenkomstige toezeggingen op te nemen in onder meer hun geactualiseerde NDC’s, nationale adaptatieplannen, langetermijnstrategieën en algemene inventarisaties; |
Duurzame klimaatfinanciering
|
46. |
wijst erop dat de EU en haar lidstaten de grootste verstrekkers van publieke klimaatfinanciering zijn; erkent dat de klimaatfinanciering van belang is voor succesvolle klimaatacties, vooral omdat veel ontwikkelingslanden voorwaardelijke NDC’s hebben, waarvan de verwezenlijking afhankelijk is van toereikende financiële steun; is daarom ingenomen met het feit dat er tegen 2025 een nieuwe collectieve gekwantificeerde doelstelling inzake klimaatfinanciering zal worden vastgesteld die veel verder moet gaan dan de jaarlijkse doelstelling van 2020 van 100 miljard USD, en rekening houdend met de behoeften en prioriteiten van ontwikkelingslanden met betrekking tot aanvullende en adequate klimaatfinanciering; is van mening dat als onderdeel van deze nieuwe collectieve gekwantificeerde doelstelling inzake klimaatfinanciering, afzonderlijke doelstellingen voor mitigatie, aanpassing en verlies en schade moeten worden onderzocht; onderstreept dat bij het vaststellen van de bijdragen van de partijen in het kader van toekomstige doelstellingen inzake klimaatfinanciering rekening moet worden gehouden met de behoeften van ontwikkelingslanden, evenals met het billijkheidsbeginsel van de Overeenkomst van Parijs; benadrukt in dit verband de noodzaak om duidelijk prioriteit te geven aan op subsidies gebaseerde klimaatfinanciering om ervoor te zorgen dat klimaatfinanciering niet bijdraagt tot onhoudbare schulden in ontwikkelingslanden; herinnert aan zijn oproep voor een specifiek EU-mechanisme voor overheidsfinanciering voor het verstrekken van aanvullende en toereikende steun in het kader van de eerlijke bijdrage van de EU ten behoeve van de doelstellingen betreffende internationale klimaatfinanciering; herhaalt tevens zijn standpunt van 22 juni 2022 inzake het mechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens (CBAM) (21) dat de Unie financiering moet bieden voor de inspanningen van minst ontwikkelde landen om hun maakindustrie koolstofvrij te maken, met een jaarlijks bedrag dat minstens overeenkomt met het niveau van de inkomsten uit de verkoop van CBAM-certificaten; |
|
47. |
benadrukt hoe belangrijk het is de wereldwijde doelstelling inzake aanpassing te verwezenlijken en omvangrijke nieuwe fondsen te mobiliseren voor aanpassing in ontwikkelingslanden; stelt met bezorgdheid vast dat de aanpassingsbehoeften en -kosten stijgen en dat zij vijf tot tien keer groter zijn dan de huidige internationale financieringsstromen voor aanpassing, wat leidt tot een groeiende financieringskloof voor aanpassing aan de klimaatverandering; wijst op de inherente moeilijkheden die samengaan met het genereren van private financiering ten behoeve van aanpassing aan de klimaatverandering; benadrukt dat de huidige mondiale financieringsstromen met name in de ontwikkelingslanden onvoldoende zijn voor de uitvoering van de noodzakelijke aanpassingsmaatregelen, onder meer omdat een aanzienlijk deel van de aanpassingsfinanciering wordt verleend in de vorm van leningen; merkt op dat 50 % van de totale EU-klimaatfinanciering in 2020 is verstrekt in de vorm van leningen, en spoort de EU en alle lidstaten aan de subsidiegebaseerde financiering te verhogen, met name waar het aanpassingsfinanciering betreft en vooral voor de minst ontwikkelde landen en kleine eilandstaten in ontwikkeling; vraagt de EU en haar lidstaten zich ertoe verbinden om de aanpassingsfinanciering die zij verstrekken, aanzienlijk te verhogen en tijdens de COP27 met een duidelijk plan te komen over de manier waarop de in het klimaatpact van Glasgow overeengekomen doelstelling kan worden verwezenlijkt, te weten het tegen 2025 verdubbelen van de aanpassingsfinanciering ten opzichte van het niveau van 2019; |
|
48. |
erkent de noodzaak van vooruitgang op het gebied van financiën om verlies en schade aan te pakken; roept de partijen op om overeenstemming te bereiken over nieuwe, adequate en aanvullende bronnen van overheidsfinanciering, waarbij duidelijke prioriteit wordt gegeven aan subsidies om verliezen en schade in verband met de negatieve effecten van klimaatverandering aan te pakken; wijst op de inherente moeilijkheden die samengaan met het genereren van private financiering ten behoeve van verlies en schade; dringt er bij de EU op aan zich voorafgaand aan de COP27 constructief op te stellen, onder meer door de modaliteiten voor een dergelijke faciliteit te bestuderen, rekening houdend met bestaande institutionele regelingen in de voorstellen van ontwikkelingslanden teneinde tijdens de COP27 een financieringsfaciliteit voor verlies en schade op te richten; dringt erop aan dat verlies en schade een vast agendapunt wordt voor toekomstige COP’s, zodat er duidelijke onderhandelingsruimte is om toezicht te houden op en vooruitgang te boeken met betrekking tot deze kwestie, en voor de volledige operationalisering van het Santiago-netwerk om op doeltreffende wijze technische bijstand te katalyseren voor het adequaat aanpakken van verlies en schade; |
|
49. |
herinnert eraan dat alle partijen ervoor moeten zorgen dat de — publieke, private, binnenlandse en internationale — financieringsstromen verenigbaar zijn met een traject dat overeenkomt met de doelstelling in de Overeenkomst van Parijs om de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 oC; herhaalt dat de subsidies voor fossiele brandstoffen en andere subsidies die schadelijk zijn voor het milieu in de EU en wereldwijd dringend moeten worden stopgezet; benadrukt de in het kader van het klimaatpact van Glasgow gedane toezegging om de inspanningen te versnellen voor het terugdringen van de onverminderd hoge productie van elektriciteit uit steenkool en van inefficiënte subsidies voor fossiele brandstoffen; is bezorgd over het ontbreken van een definitie van wat een “inefficiënte subsidie voor fossiele brandstoffen” is en dat dit de geloofwaardigheid van dergelijke toezeggingen ernstig in gevaar brengt; merkt op dat de subsidies voor fossiele brandstoffen in de EU nog steeds zo’n 55-58 miljard EUR per jaar bedragen; herinnert eraan dat de Commissie en de lidstaten in het kader van het achtste milieuactieprogramma zijn overeengekomen een uiterste termijn vast te stellen voor de uitfasering van subsidies voor fossiele brandstoffen in overeenstemming met de ambitie om de opwarming van de aarde tot 1,5 oC te beperken, alsook een bindend Uniekader om toezicht te houden op en verslag uit te brengen over de vooruitgang die de lidstaten boeken bij het uitfaseren van subsidies voor fossiele brandstoffen, op basis van een overeengekomen methodologie; verzoekt de Commissie en alle lidstaten concreet beleid te voeren, concrete tijdschema’s in te voeren en concrete maatregelen te treffen om alle directe en indirecte subsidies voor fossiele brandstoffen zo snel mogelijk en uiterlijk in 2025 af te schaffen; moedigt andere partijen aan soortgelijke maatregelen te nemen en te werken aan de ontwikkeling van een non-proliferatieverdrag voor fossiele brandstoffen; verwelkomt de toezegging van de G7 om vóór eind 2022 de financiering van de ontwikkeling van fossiele brandstoffen in het buitenland stop te zetten, maar benadrukt dat deze toezegging ook binnen de eigen grenzen moet gelden; benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat het EU-kader voor koolstofbeprijzing industriële vervuiling niet stimuleert; wijst op de rol van het Innovatiefonds; |
|
50. |
acht het van essentieel belang dat de grote internationale financiële instellingen snel groene financieringsinstrumenten invoeren en ontwikkelen om de wereldeconomie met succes koolstofvrij te maken; herinnert aan de rol van de Europese Investeringsbank (EIB) als de klimaatbank van de EU en aan haar onlangs aangenomen routekaart voor de klimaatbank en haar geactualiseerde beleid voor energieleningen, alsook aan de extra inspanningen van het Europees Investeringsfonds (EIF) om klimaatinvesteringen tot speerpunt te maken; is verheugd over het feit dat de Europese Centrale Bank heeft toegezegd klimaatveranderingsoverwegingen op te nemen in haar monetair beleidskader; dringt er bij multilaterale ontwikkelingsbanken, inclusief de EIB, en instellingen voor ontwikkelingsfinanciering — die doorgaans financiële steun verlenen in de vorm van instrumenten die schulden creëren — op aan de beginselen van het verantwoord verstrekken en opnemen van leningen toe te passen, hun portefeuilles in overeenstemming te brengen met de Overeenkomst van Parijs, en hoogwaardige gegevens over klimaatrisico’s, -kwetsbaarheid en -gevolgen te verzamelen en in te zetten teneinde investeringen af te kunnen stemmen op de doelstelling van het beperken van de opwarming van de aarde tot 1,5 oC; erkent het belang van de oprichting van de Glasgow Financial Alliance for Net Zero en de bijbehorende toezegging om opkomende economieën te helpen bij de transitie naar klimaatneutraliteit; is in dit verband verheugd over de EU-overeenkomst inzake duurzaamheidsrapportage door bedrijven, hetgeen van cruciaal belang is voor de totstandbrenging van financiering; |
|
51. |
spreekt zijn steun uit voor de werkzaamheden van de coalitie van ministers van Financiën voor klimaatactie en spoort alle regeringen aan om zich aan te sluiten bij de toezeggingen van de coalitie om alle onder de bevoegdheid van de ministeries van Financiën vallende beleidsmaatregelen en praktijken in overeenstemming te brengen met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en een effectieve koolstofbeprijzing in te voeren overeenkomstig de beginselen van Helsinki; |
|
52. |
is verheugd over de werkzaamheden van de International Sustainability Standards Board bij het ontwikkelen van een mondiaal referentiescenario voor duurzaamheidsinformatie teneinde kapitaalmarkten aan te sporen meer kapitaal in schone technologieën en klimaatinvesteringen te steken; |
Inspanningen in alle sectoren
|
53. |
herinnert eraan dat de Europese klimaatwet een toezegging bevat om sectorspecifieke klimaatdialogen en partnerschappen te vergemakkelijken door de essentiële belanghebbenden op inclusieve en representatieve wijze samen te brengen, om de sectoren aan te moedigen zelf indicatieve vrijwillige routekaarten te ontwerpen en hun transitie naar de verwezenlijking van de doelstelling van de Unie inzake klimaatneutraliteit uiterlijk in 2050 te plannen; benadrukt dat deze routekaarten een waardevolle bijdrage kunnen leveren als hulp aan de sectoren bij de planning van de nodige investeringen voor de transitie naar een klimaatneutrale economie en ook kunnen dienen ter versterking van de sectorale betrokkenheid voor het nastreven van klimaatneutrale oplossingen; |
|
54. |
verzoekt alle partijen om dringend maatregelen te nemen tegen methaanemissies; is ingenomen met de “Global Methane Pledge” (wereldwijde methaanbelofte) die de EU, de VS en een aantal andere landen tijdens de COP26 hebben onderschreven, en die tot doel heeft alle door menselijk handelen veroorzaakte methaanemissies tegen 2030 met 30 % te verminderen ten opzichte van het niveau van 2020, wat de eerste stap is in de richting naar de door het UNEP aanbevolen vermindering met 45 % (22); dringt er bij alle ondertekenaars op aan ervoor te zorgen dat zij de methaanemissies op hun grondgebied tegen 2030 met ten minste 30 % verminderen en om nationale maatregelen te nemen om dit doel te bereiken; merkt op dat ongeveer 60 % van alle methaan ter wereld wordt uitgestoten door bronnen zoals de landbouw, stortplaatsen en afvalwaterinstallaties, en door de productie van fossiele brandstoffen en het vervoer daarvan via pijpleidingen; herinnert eraan dat methaan een krachtig broeikasgas is en dat de impact ervan op het klimaat in een tijdbestek van honderd jaar 28 keer groter is dan de impact van CO2, en in een tijdsbestek van twintig jaar tachtig keer groter; benadrukt in dit verband dat krachtiger optreden om de methaanemissies te verminderen een van de meest kosteneffectieve maatregelen is om de broeikasgasemissies op korte termijn terug te dringen; merkt op dat er al veel technologieën en praktijken beschikbaar zijn waarmee de methaanemissies op een kosteneffectieve manier, tegen lage of negatieve kosten, kunnen worden verminderd; wijst erop dat de hoeveelheid methaanemissies in de landbouw met name het gevolg is van de groter wordende veestapel en dat de emissies van vee uit mest en darmgisting ongeveer 32 % van de antropogene methaanemissies uitmaken; neemt in dit verband nota van het in december 2021 door de Commissie ingediende voorstel ter vermindering van de methaanemissies in de energiesector; roept op tot de aanneming van aanvullende bindende wetgevingsmaatregelen om de emissies in andere emitterende sectoren aan te pakken, tot bindende emissiereductiedoelstellingen van de Unie voor methaan, en tot de opneming van methaan onder de gereguleerde verontreinigende stoffen in de richtlijn nationale emissieplafonds; herhaalt zijn oproep om de veedichtheid in de EU aan te pakken met het oog op een ambitieuze vermindering van de broeikasgasemissies in deze sector; herhaalt zijn standpunt dat een verschuiving nodig is in de consumptiepatronen naar meer gezonde voedingsmiddelen, eetpatronen en levensstijlen, waaronder een grotere consumptie van duurzaam en regionaal geproduceerde planten en plantaardige voedingsmiddelen, en dat de overconsumptie van vlees en sterk verwerkte producten moet worden aangepakt; |
|
55. |
is van mening dat voor duurzame landbouwproductiemodellen mondiale normen moeten worden vastgesteld op basis van een sectoroverschrijdende, multidisciplinaire “één gezondheid”-benadering (23) ter waarborging van de transitie naar duurzame voedselsystemen en het voldoen aan de toezeggingen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs en het klimaatpact van Glasgow; |
|
56. |
erkent dat de klimaatverandering zal bijdragen aan de hogere resistentie tegen antibiotica en roept de partijen derhalve op om tot een mondiale overeenkomst te komen om het gebruik van antimicrobiële stoffen te verminderen en het risico op resistentie te bestrijden; |
|
57. |
benadrukt dat de vervoerssector de enige sector is waarin de emissies op EU-niveau sinds 1990 zijn gestegen en dat dit niet verenigbaar is met de klimaatdoelstellingen van de EU, die grotere en snellere emissiereducties vereisen in alle sectoren van de samenleving, inclusief de lucht- en de zeevaart; is van mening dat, om ervoor te zorgen dat de NDC’s in overeenstemming zijn met de inspanningen die op grond van de Overeenkomst van Parijs in de hele economie moeten worden geleverd, de partijen er sterk toe moeten worden aangemoedigd om de emissies van de internationale scheepvaart en luchtvaart daarin op te nemen en in te stemmen met en uitvoering te geven aan maatregelen op internationaal, regionaal en nationaal niveau om de emissies van deze sectoren terug te dringen, met inbegrip van de niet-CO2-gerelateerde effecten van de luchtvaart; herinnert er voorts aan dat, om tegen 2050 klimaatneutraliteit te bereiken, volgens het IEA alle nieuwe personenauto’s die wereldwijd op de markt worden gebracht tegen 2035 emissievrij moeten zijn; |
|
58. |
benadrukt de opneming van emissies van de lucht- en scheepvaart in het EU-emissiehandelssysteem (ETS), hetgeen als voorbeeld zou kunnen dienen voor andere landen, en ter ondersteuning van hogere ambities op internationaal niveau, onder meer in de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) en de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO); is bezorgd over de geringe vooruitgang die de IMO en de ICAO hebben geboekt bij de aanpak van de emissies van de internationale scheepvaart en luchtvaart; verzoekt de Commissie en de lidstaten alles in het werk te stellen om de regeling voor koolstofcompensatie en -reductie voor de internationale luchtvaart (Corsia) te versterken, zonder afbreuk te doen aan de wetgevingsautonomie van de EU bij de uitvoering van de ETS-richtlijn; is verheugd over de lopende werkzaamheden van de IMO bij het actualiseren van haar strategie inzake broeikasgassen en haar streefcijfer voor emissiereductie, alsook bij het vaststellen van concrete maatregelen; spoort de IMO echter aan snel over te gaan tot het op de korte en middellange termijn vaststellen van streefcijfers en maatregelen in overeenstemming met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs; |
|
59. |
merkt op dat privéjets een enorme klimaatimpact hebben en wijst erop dat één privéjet in slechts één uur twee kubieke ton CO2 kan uitstoten (24); onderstreept dat leiders het goede voorbeeld moeten geven en betreurt daarom dat sommige wereldleiders en delegatieleden met een privéjet naar de COP26 zijn gereisd; verzoekt alle deelnemers aan de COP27 met klem om de minst vervuilende vervoerswijze te gebruiken om hun bestemming te bereiken; vindt het verontrustend dat het gebruik van privéjets in Europa sinds de pandemie naar schatting met 30 % is toegenomen (25), en verzoekt de lidstaten dan ook onverwijld maatregelen te nemen om het gebruik van privéjets op hun grondgebied te beperken; |
|
60. |
is verheugd over de tijdens de COP26 tot stand gebrachte “Beyond Oil and Gas Alliance” (BOGA) en wijst erop dat het van cruciaal belang is het aanbod van fossiele brandstoffen te beperken en de productie van olie en gas uit te faseren; herinnert eraan dat fossiele brandstoffen de grootste bijdrage leveren aan klimaatverandering en verantwoordelijk zijn voor meer dan 75 % van alle broeikasgassen, en dat de huidige plannen zouden leiden tot de productie van ongeveer 240 % meer steenkool, 57 % meer olie en 71 % meer gas dan verenigbaar zou zijn met de beperking van de opwarming van de aarde tot 1,5 oC; is voorstander van een sociaal rechtvaardige en billijke mondiale transitie die erop is gericht de productie van olie en gas in overeenstemming te brengen met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs; roept alle lidstaten en andere partijen bij de Overeenkomst van Parijs op zich bij dit initiatief aan te sluiten; |
|
61. |
toont zich bezorgd over het feit dat investeerders in fossiele brandstoffen in het kader van investeringsovereenkomsten regeringen voor investeringsgerechten dagen wegens het voeren van beleid op het gebied van klimaat, de uitfasering van fossiele brandstoffen of de rechtvaardige transitie; pleit ervoor om bilaterale en multilaterale investeringsovereenkomsten en internationaal overeengekomen klimaatdoelstellingen onderling coherent te maken door investeringen in fossiele brandstoffen niet langer te beschermen; |
|
62. |
herinnert eraan dat volgens het zesde evaluatierapport van de IPCC mitigatieopties die maximaal 100 USD per ton CO2-kosten de mondiale broeikasgasemissies tegen 2030 met minstens de helft van het niveau van 2019 kunnen terugdringen; benadrukt daarom dat het invoeren van een effectieve koolstofprijs, als onderdeel van een bredere beleidsmix, kan bijdragen tot een aanzienlijke vermindering van de broeikasgasemissies en het stimuleren van innovatie op het gebied van schone technologie; moedigt de EU aan een leidende rol op zich te nemen bij het bevorderen van koolstofbeprijzing in combinatie met een doeltreffend en sociaal inclusief gebruik van de inkomsten om een snellere en rechtvaardigere transitie te bevorderen; moedigt de EU er ook toe aan om te zoeken naar koppelingen en andere vormen van samenwerking met bestaande koolstofbeprijzingsmechanismen in derde landen en regio’s, teneinde de kostenefficiënte en sociaal rechtvaardige emissiereducties wereldwijd te versnellen en tegelijkertijd het risico van koolstoflekkage te verminderen, hetgeen er allemaal toe moet bijdragen dat er wereldwijd een gelijk speelveld wordt gecreëerd; verzoekt de Commissie te voorzien in waarborgen om ervoor te zorgen dat koppelingen met de EU ETS-regeling extra en permanente mitigatiebijdragen blijven opleveren en de verbintenissen van de EU op het gebied van de binnenlandse uitstoot van broeikasgassen niet ondermijnen; |
|
63. |
verzoekt de Commissie samen te werken met andere grote veroorzakers van CO2-emissies om een internationale klimaatclub tot stand te brengen waar alle landen aan kunnen deelnemen die het voortouw willen nemen bij het aan de dag leggen van hoge klimaatambities en zich willen inzetten voor effectieve koolstofbeprijzing, met als gemeenschappelijk doel de broeikasgasemissies terug te dringen en uiterlijk tegen 2050 klimaatneutraliteit te bereiken; |
Klimaatverandering en gender
|
64. |
waarschuwt dat mensen op verschillende manieren worden beïnvloed door klimaatverandering, afhankelijk van factoren zoals gender, leeftijd, handicap, etniciteit en armoede; is van mening dat de transitie naar een duurzame samenleving op een inclusieve, eerlijke en gelijke manier moet plaatsvinden, en dat gendergelijkheid de sleutel is tot die transitie; is derhalve verheugd over het tijdens COP26 aangenomen besluit zoals aanbevolen door het hulporgaan inzake de uitvoering op het gebied van gender en klimaatverandering om de genderdimensie beter in NDC’s te integreren en dat klimaatfinanciering genderresponsief moet zijn; betreurt echter dat ongeveer de helft van de partijen nog steeds een nationaal contactpunt moet benoemen voor genderkwesties en klimaatverandering met het oog op klimaatonderhandelingen, uitvoering en monitoring en hier hun steun voor moet uitspreken; |
|
65. |
wijst op het door UNFCCC verbeterde Lima-werkprogramma inzake gender en het bijbehorende genderactieplan, waarin wordt erkend dat het bevorderen en verbeteren van gendergelijkheid een horizontale prioriteit bij klimaatverandering is; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om een concreet actieplan uit te werken om de verbintenissen van het verlengde genderactieplan waar te maken en een permanent EU-contactpunt voor genderkwesties en klimaatverandering in het leven te roepen, met voldoende begrotingsmiddelen, teneinde genderverantwoordelijke klimaatactie in de EU en wereldwijd uit te voeren en te monitoren (26); roept de EU op het genderaspect te integreren in alle beleidsvorming op het gebied van klimaat en milieu; herhaalt zijn oproep aan de EU en haar lidstaten om te zorgen voor genderrechtvaardige nationale klimaatactieplannen en voor een zinvolle betrokkenheid van alle genders bij de opstelling en uitvoering daarvan, alsook om de rol van vrouwen en vrouwenorganisaties in de governance en de besluitvorming te versterken, en hun toegang te verlenen tot financiering en tot programma’s die de rol van vrouwen in klimaatgovernance ondersteunen; |
|
66. |
wijst erop dat van de ontwikkelde landen in het kader van de Overeenkomst van Parijs wordt verwacht dat zij verslag uitbrengen over de genderresponsiviteit van hun financiering en over het feit of bij hun financiering genderaspecten in overweging worden genomen; uit zijn bezorgdheid over het feit dat de gendermarkering van projecten nog steeds duidelijk onvoldoende is en roept de EU op haar inspanningen op dit gebied op te voeren; beveelt het gebruik van genderanalyses aan om de verschillende behoeften en belangen in de samenleving te helpen bepalen, evenals de verschillende niveaus van toegang tot financieringsmechanismen binnen samenlevingen; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om een concreet actieplan uit te werken om de verbintenissen van het verlengde genderactieplan waarover tijdens de COP25 overeenstemming is bereikt, waar te maken, met voldoende begrotingsmiddelen om genderresponsieve klimaatactie in de EU en wereldwijd uit te voeren en te monitoren; is van mening dat dit voor andere partijen een voorbeeld kan zijn om soortgelijke maatregelen te nemen; |
Industrie, kmo’s en concurrentievermogen
|
67. |
beschouwt de COP27 als een zeer belangrijke stap sinds de ondertekening van de Overeenkomst van Parijs in 2015, aangezien de Unie haar “Fit for 55”-pakket, het REPowerEU-pakket en andere maatregelen heeft gelanceerd, niet alleen om haar broeikasgasemissies te verminderen en uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken, maar ook om haar energiesysteem om te vormen; is van mening dat economische welvaart, sociale cohesie, het scheppen van banen, duurzame industriële ontwikkeling en klimaatbeleid elkaar moeten versterken; benadrukt dat de bestrijding van klimaatverandering gericht moet zijn op het terugdringen van energiearmoede en het vergroten van de veerkracht en het concurrentievermogen, en kansen biedt voor het bedrijfsleven en de kmo’s in de EU die kunnen worden benut als wetgevers zich ertoe verbinden een tijdige, op maat gemaakte, op solidariteit gebaseerde en adequate beleidsrespons te bieden; acht het van het grootste belang dat de Unie ervoor zorgt dat zij een pioniersvoordeel verkrijgt en het goede voorbeeld geeft, terwijl zij de interne markt beschermt tegen oneerlijke concurrentie door derde landen en zorgt voor een gelijk speelveld voor Europese industrieën wereldwijd; |
|
68. |
benadrukt dat de Unie alles in het werk moet stellen om de leidende positie en het mondiale concurrentievermogen van haar industrieën en kmo’s te behouden bij de transitie naar een economie met een netto-uitstoot van broeikasgassen van nul; wijst erop dat beschikbare en innovatieve beleidsinstrumenten moeten worden ingezet om de gebieden waarop de EU een leidende rol speelt, te handhaven en uit te breiden; onderstreept dat de Europese industrie snel verder moet worden gedecarboniseerd en dat de Unie dit streven moet blijven steunen, met name wat betreft evenredige oplossingen voor kmo’s; is ingenomen met de genomen initiatieven voor strategische waardeketens; erkent de positieve gevolgen voor de Europese industrieën, waaronder kmo’s, van het aannemen van vroegtijdige strategieën ter bestrijding van de klimaatverandering, alsmede van het feit dat de Unie een voorbeeld stelt door klimaatneutraliteit te bereiken, hetgeen de weg vrijmaakt voor minder geavanceerde of ambitieuze landen en een zeer gunstig concurrentievoordeel voor de industrieën en kmo’s in de EU zou kunnen waarborgen; benadrukt dat er afdwingbare multilaterale en bilaterale overeenkomsten tussen de EU en haar partners moeten worden gesloten die gericht zijn op het exporteren van de milieunormen van de Unie en op het waarborgen van gelijke concurrentievoorwaarden in handel en investeringen; benadrukt dat moet worden voorkomen dat productie en investeringen in de Europese industrieën en kmo’s worden verplaatst als gevolg van minder ambitieuze klimaatmaatregelen buiten de Unie, en spoort de internationale partners er derhalve toe aan hun inspanningen ter bestrijding van de klimaatverandering op elkaar af te stemmen; is daarentegen van mening dat productie en investeringen in Europa de industriële waardeketen en de strategische autonomie van de EU in een onstabiele mondiale context zouden versterken; |
|
69. |
erkent de essentiële rol van de kmo’s, met name van micro-ondernemingen en start-ups, bij het stimuleren en realiseren van werkgelegenheid en groei, alsook bij het nemen van het voortouw in de digitale en de groene transitie; herinnert eraan dat kmo’s een essentieel onderdeel vormen van het Europese economische en sociale weefsel en bij deze transitie moeten worden gesteund en gestimuleerd door de wetgever, met name door te zorgen voor toegang tot financiering voor duurzame technologieën, diensten en processen, en door administratieve procedures te vereenvoudigen; is bezorgd over het feit dat niet voldoende rekening wordt gehouden met de kansen en kwetsbaarheden van kmo’s in alle EU-beleidsmaatregelen met betrekking tot de interne markt, ook niet bij het streven naar bevordering van digitalisering en de groene transitie; |
|
70. |
is verheugd over de inzet, de inspanningen en de vooruitgang die de Europese burgers, gemeenschappen, gemeenten, steden, regio’s, industrieën en instellingen tot dusver hebben geleverd om aan de verplichtingen van de Overeenkomst van Parijs te voldoen; |
|
71. |
is verheugd over het feit dat verschillende handelspartners van de EU koolstofhandelssystemen of andere koolstofprijsmechanismen hebben ingevoerd en verzoekt de Commissie dit en soortgelijk beleid op wereldschaal verder te promoten; ziet uit naar een spoedig akkoord met de Raad over het voorstel voor een sociaal rechtvaardig EU-mechanisme voor koolstofgrenscorrectie, dat een doeltreffend mechanisme voor koolstoflekkage omvat, en naar het effect daarvan op de totstandkoming van een mondiale koolstofprijs, die zal bijdragen tot de vermindering van de mondiale koolstofemissies en tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs; |
|
72. |
is van mening dat de overgang naar een duurzame economie gepaard moet gaan met het behoud van het concurrentievermogen van Europa en het scheppen van banen, aangezien het voor het welslagen van de Europese Green Deal van cruciaal belang is dat de interne markt kostenefficiënt blijft bij de aanpassing aan een nieuw regelgevingskader; |
|
73. |
benadrukt de noodzaak van bevordering van concurrerende markten voor grondstoffen en zeldzame metalen die essentieel zijn voor de groene transitie, aangezien de grondstoffenvoorraden in de wereld in handen zijn van zeer weinig landen; benadrukt dat een aanhoudende afhankelijkheid van enkele leveranciers bepaalde huidige beleidsmaatregelen, zoals het REPowerEU-plan, en de door de burgers van de Unie gebrachte offers teniet zal doen; |
|
74. |
wijst op de noodzaak van kwalificatieprogramma’s om de beroepsbevolking om te scholen om te voldoen aan de toenemende vraag naar arbeidskrachten op het gebied van energie-efficiëntie, hernieuwbare energiebronnen en groene technologie; roept alle lidstaten op stappen te ondernemen om ervoor te zorgen dat de huidige en toekomstige Europese beroepsbevolking alle nodige vaardigheden verwerft om de groene transitie in goede banen te leiden, door te voeren en de bakens ervan te verzetten; |
Energiebeleid
|
75. |
is ingenomen met alle initiatieven om de afhankelijkheid van de EU van fossiele brandstoffen te verminderen, waaronder het verminderen en uiteindelijk wegnemen van de afhankelijkheid van alle Russische fossiele brandstoffen en aanverwante producten, aangezien Rusland zijn natuurlijke hulpbronnen als wapen gebruikt en vanwege zijn invasie in Oekraïne; dringt er in dit verband bij de Commissie en de Raad op aan een investeringsplan voor energie-efficiëntiemaatregelen en hernieuwbare energiebronnen te ontwikkelen teneinde de energieautonomie te versterken; herinnert eraan dat de Commissie schat dat er 300 miljard EUR nodig is om onze energieafhankelijkheid van Rusland tegen 2030 geleidelijk af te bouwen; neemt nota van de lopende werkzaamheden van de EU met internationale partners om de energievoorziening te diversifiëren; merkt op dat in de analyse van de Commissie ter ondersteuning van het REPowerEU-plan wordt voorspeld dat als gevolg van nieuwe omstandigheden sommige op fossiele brandstoffen gebaseerde capaciteit helaas langer zal worden gebruikt dan aanvankelijk werd verwacht; |
|
76. |
wijst op de lopende herziening van de energiewetgeving in het kader van het “Fit for 55”-pakket om deze in overeenstemming te brengen met de verhoogde doelstelling van de Unie om de emissies tegen 2030 met ten minste 55 % te verminderen teneinde uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken; dringt echter aan op voortzetting van de werkzaamheden om ambitieuzere doelstellingen vast te stellen, bijvoorbeeld op het gebied van hernieuwbare energiebronnen en energie-efficiëntie, vooral gezien het feit dat de Unie het goede voorbeeld moet blijven geven; |
|
77. |
wijst op het grote belang van energie-efficiëntie en hernieuwbare energie in het kader van de transitie naar een klimaatneutrale economie; herinnert eraan dat de groenst mogelijke energie de energie is die we niet gebruiken, en wijst met name op de rol die instrumenten voor energie-efficiëntie kunnen spelen bij de bevordering hiervan; erkent de vooruitgang die is geboekt bij de uitbouw van hernieuwbare energiebronnen; roept tegelijkertijd op tot een verdere uitbouw van energie-efficiënte acties zoals sectorale integratie en hergebruik van overtollige warmte; wijst erop dat verwarming in 2018 goed was voor 50 % van het wereldwijde energieverbruik (27) en dat warmte, overeenkomstig het energie-efficiëntie-eerstbeginsel, op voordelige wijze kan worden hergebruikt en opnieuw geïntegreerd als duurzame verwarmingsbron die alle landen ten goede zou komen, aangezien in alle landen overtollige warmte wordt gegenereerd; erkent echter hoe belangrijk het is om de doelstellingen voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie op elkaar af te stemmen om uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken en om te voldoen aan de Overeenkomst van Parijs en aan de doelstellingen van REPowerEU, waarbij gebruik wordt gemaakt van de huidige daling van de kosten van technologieën voor hernieuwbare energie en opslag; erkent dat een aangescherpte ambitie op het gebied van het energie-efficiëntiestreefcijfer voor 2030 van de Unie verenigbaar moet zijn met de toename en toepassing van elektrificatie, waterstof, e-brandstoffen en andere schone technologieën die nodig zijn voor de groene transitie; |
|
78. |
herinnert aan de noodzaak van een massale opschaling en versnelling van de vergunningsprocedures voor projecten op het gebied van hernieuwbare energie, rekening houdend met de EU-natuurwetgeving, ook op het gebied van biodiversiteit, en waarbij alle relevante belanghebbenden worden betrokken bij het karterings- en planningsproces; |
|
79. |
herinnert aan de gehechtheid van de Unie aan het energie-efficiëntie-eerstbeginsel, waarbij rekening wordt gehouden met kostenefficiëntie, systeemefficiëntie, opslagcapaciteit, flexibiliteit aan de vraagzijde en voorzieningszekerheid; onderstreept het belang van de integratie en toepassing van het beginsel in alle relevante wetgeving en initiatieven en in alle sectoren, waar passend; wijst op het onbenutte potentieel van energie-efficiëntie in sectoren zoals de industrie (28), informatietechnologie, vervoer en gebouwen, inclusief verwarming en koeling; verwelkomt het “renovatiegolf”-initiatief en daarmee verband houdende en concrete regelgevings-, financierings- en faciliteringsmaatregelen, met als doel het jaarlijkse percentage energierenovaties van gebouwen tegen 2030 ten minste te verdubbelen, grondige renovaties te bevorderen en e-mobiliteit te faciliteren, in het kader van het “Fit for 55”-pakket, teneinde de energiearmoede terug te dringen; wijst op de cruciale rol die kmo’s in de bouw- en renovatiesector zullen spelen tijdens de renovatiegolf, die een vermindering van de energie- en klimaatimpact van gebouwen mogelijk zal maken; |
|
80. |
is ingenomen met de REPowerEU-strategie en roept alle EU-lidstaten op om het tienpuntenplan van het IEA in overweging te nemen, dat, indien correct uitgevoerd, het potentieel heeft om de gasinvoer uit Rusland met meer dan de helft te verminderen, waardoor de Unie minder afhankelijk wordt van Russisch aardgas; |
|
81. |
benadrukt het belang van een zo spoedig mogelijke geleidelijke afschaffing van fossiele brandstoffen; merkt op dat deze doelstelling moet worden verwezenlijkt en dat daarbij het positieve effect op de energiezekerheid van de Unie, het concurrentievermogen van de industrie en het welzijn van de burgers moet worden gemaximaliseerd; roept de G7-landen op het goede voorbeeld te geven bij de energietransitie en alle nieuwe investeringen in de winning van fossiele brandstoffen stop te zetten; is ingenomen met de toezegging van de G7-landen om hun energiesectoren tegen 2035 te decarboniseren en de financiering van de meeste buitenlandse projecten voor fossiele brandstoffen tegen het einde van dit jaar stop te zetten; benadrukt het belang van internationale samenwerking om fossiele brandstoffen uit te faseren, zoals in het kader van BOGA en de Powering Past Coal Alliance; |
|
82. |
betreurt dat de subsidies voor fossiele energie in de Unie sinds 2008 op hetzelfde peil zijn gebleven en in totaal ongeveer 55-58 miljard EUR per jaar bedragen, hetgeen overeenkomt met ongeveer een derde van alle energiesubsidies in de Unie, en dat momenteel 15 lidstaten meer subsidie verlenen voor fossiele brandstoffen dan voor hernieuwbare energie; is van mening dat subsidies voor fossiele brandstoffen de doelstellingen van de Europese Green Deal en de verplichtingen van de Overeenkomst van Parijs ondermijnen; is van mening dat het van cruciaal belang is dat er consistentere prijssignalen komen voor alle energiesectoren en de lidstaten, en dat wordt voorkomen dat externe kosten worden geïnternaliseerd; neemt nota van de recente goedkeuring door sommige lidstaten van maatregelen om consumenten te beschermen tegen de directe gevolgen van stijgende energieprijzen, met name voor huishoudens, en dringt erop aan dat dergelijke praktijken uitzonderlijk en tijdelijk moeten blijven; roept de lidstaten en de andere partijen bij de COP26 op prioriteit te geven aan investeringen in groene energie en infrastructuur en directe en indirecte subsidies voor fossiele brandstoffen geleidelijk af te schaffen; |
|
83. |
is van mening dat, wil de Unie klimaatneutraliteit bereiken, haar energiesysteem geïntegreerd moet zijn en gebaseerd moet zijn op een trapsgewijs prioriteitensysteem dat begint met de toepassing van het energie-efficiëntie-eerstbeginsel, op basis van kostenefficiëntie, systeemefficiëntie, opslagcapaciteit, voorzieningszekerheid en flexibiliteit aan de vraagzijde, ondersteund door slimme netwerken, wat leidt tot energiebesparingen, gevolgd door rechtstreekse elektrificatie van eindverbruikssectoren met behulp van hernieuwbare bronnen, gebruik van hernieuwbare en op hernieuwbare bronnen gebaseerde brandstoffen, waaronder waterstof, voor eindgebruiktoepassingen en, in een overgangsfase, duurzame en veilige koolstofarme brandstoffen voor toepassingen waarvoor geen ander alternatief bestaat, met behoud van de toegankelijkheid, betaalbaarheid en voorzieningszekerheid van energie door de ontwikkeling van een circulair, zeer energie-efficiënt, geïntegreerd, onderling verbonden, veerkrachtig en multimodaal energiesysteem; |
|
84. |
herinnert eraan hoe belangrijk het is rekening te houden met de diversiteit van de nationale energiesystemen en uitdagingen; wijst op de noodzaak van een rechtvaardige transitie en herhaalt de in de nieuwe Green Deal vervatte belofte dat niemand in de kou mag blijven staan; is bezorgd over het feit dat ongeveer 50 miljoen huishoudens in de Unie nog steeds in energiearmoede leven en is van mening dat de EU haar inspanningen moet opvoeren om energiearmoede te voorkomen en tot een minimum te beperken; benadrukt het belang van de sociale dimensie van een hogere klimaatambitie; onderstreept dat renovaties van gebouwen essentieel zijn om het energieverbruik van gebouwen te verminderen, de emissies terug te dringen en de energierekeningen te verlagen; benadrukt dat al het energiebeleid moet worden gevoerd volgens het principe van een rechtvaardige transitie en in nauwe samenwerking met het maatschappelijk middenveld en de sociale partners; stelt zich daarom op het standpunt dat overheidsbeleid, sterkere sociale partnerschappen en betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld op lokaal, nationaal en EU-niveau noodzakelijk zijn om in alle sectoren van de samenleving op billijke, inclusieve en sociaal duurzame wijze voor klimaatneutraliteit te zorgen; |
|
85. |
is ingenomen met de aanneming van de Europese waterstofstrategie die vereist dat er in de Unie hernieuwbare waterstofelektrolysers worden geïnstalleerd met een vermogen van ten minste 6 GW tegen 2024 en van 40 GW tegen 2030; verzoekt de Unie en de lidstaten in dit verband de integratie van waterstof in moeilijk aan te passen sectoren te vergemakkelijken; |
|
86. |
is ingenomen met de EU-strategie voor hernieuwbare offshore-energie en haar ambitie van ten minste 60 GW aan capaciteit tegen 2030 en 340 GW tegen 2050, waarvan het Parlement heeft gevraagd deze te verhogen tot 450 GW (29), evenals met de strategie voor zonne-energie die tot doel heeft om in de periode tot 2025 ruim 320 GW aan energie uit zonnepanelen te gaan halen, en bijna 600 GW in de periode tot 2030; benadrukt dat ervoor moet worden gezorgd dat de uitvoering van de strategie ten goede komt aan de gehele Unie, met inbegrip van de niet aan zee grenzende lidstaten; benadrukt dat Europese bedrijven wereldleiders en industriële pioniers zijn op het gebied van hernieuwbare offshore-energie en dat de sector een onaangeboord potentieel biedt voor het scheppen van meer banen (zowel direct als indirect), groei en export; dringt erop aan dat Europees leiderschap in de hernieuwbare-energiesector en de toeleveringsketens daarvan deel uitmaken van het industriebeleid van de EU; neemt met grote tevredenheid kennis van de gezamenlijke verklaring die België, Denemarken, Duitsland en Nederland in mei 2022 tijdens de Noordzeetop in Esbjerg (Denemarken) hebben ondertekend en die van de Noordzee een groene motor voor Europa zal maken; |
|
87. |
is ervan overtuigd dat de voorwaarden moeten worden geschapen opdat de consument meer kennis opdoet en meer wordt gestimuleerd om voor duurzamere vormen van energie te kiezen en actiever te zijn; verzoekt de Commissie de netcapaciteit te beoordelen die nodig is voor de integratie van hernieuwbare energie en elektrische verwarmingsoplossingen, en na te gaan welke belemmeringen er nog bestaan om de ontwikkeling van zelfverbruik van hernieuwbare energie en hernieuwbare-energiegemeenschappen te vergemakkelijken, met name voor huishoudens met een laag inkomen of kwetsbare huishoudens; |
|
88. |
moedigt de lopende werkzaamheden ter herziening van de richtlijn energiebelasting aan, met als doel het belastingbeleid af te stemmen op de energie- en klimaatdoelstellingen voor 2030 en 2050, en tegelijkertijd de gevolgen ervan te beoordelen, onder meer voor consumenten, energiearmoede en mobiliteitsarmoede; |
|
89. |
benadrukt dat Europa weliswaar werkt aan de verwezenlijking van haar ambitieuze doelstellingen, maar dat er gecoördineerde wereldwijde actie vereist is om het doel van mondiaal nul emissies tegen uiterlijk 2050 te bereiken; wijst erop dat ontwikkelingslanden internationale steun nodig zullen hebben om hun groene transitie te bewerkstelligen; benadrukt dat het van belang is de nauwe grensoverschrijdende samenwerking en de uitwisseling van beste praktijken met internationale partners op het gebied van beleidsvorming en wetenschap, met inbegrip van technologieoverdracht, te versterken teneinde energie-efficiëntie en investeringen in duurzame energietechnologieën en -infrastructuur te bevorderen; neemt nota van de recente goedkeuring door de Commissie van haar mededeling over de externe energiebetrokkenheid van de EU, waarin zij vastbesloten is om samen te werken met derde landen over de hele wereld en “om partnerlanden aan te moedigen hun klimaatambitie te versterken en hun wegen naar klimaatneutraliteit uit te stippelen, maar ook om langdurige relaties aan te gaan die voor beide partijen gunstig zijn, met name op energiegebied”; |
|
90. |
is ingenomen met het voornemen van de Commissie om in 2022 een actieplan voor de digitalisering van de energiesector vast te stellen, teneinde de EU als technologisch leider te positioneren en een meer geïntegreerd energiesysteem mogelijk te maken met intelligente oplossingen in specifieke sectoren en met een betere financiering voor de periode 2021-2027; herinnert eraan hoe belangrijk het is cyberbeveiligingsrisico’s in de energiesector aan te pakken teneinde de veerkracht van de energiesystemen te waarborgen; |
Beleid inzake onderzoek, innovatie, digitale technologieën en ruimtevaart
|
91. |
is ingenomen met de rol van het programma Horizon Europa en de bijdrage ervan aan klimaatneutraliteit; is van mening dat de partnerschappen in het kader van Horizon Europa, met inbegrip van de gemeenschappelijke ondernemingen, de samenwerking tussen de openbare en de particuliere sector zullen bevorderen, met als doel bij te dragen tot de verwezenlijking van de groene transitie, en er tegelijkertijd voor te zorgen dat innovaties duurzaam, beschikbaar, toegankelijk en betaalbaar zijn; onderstreept het belang van een betere toegang tot en deelname van kmo’s aan oproepen in het kader van Horizon Europa en van betere communicatie met en betrokkenheid van burgers over de resultaten van Europese O&O-projecten en nieuwe technologieën, met inbegrip van “vuurtorenprojecten”, teneinde de publieke aanvaarding te vergroten en de rol van de Unie zichtbaarder te maken voor haar burgers; |
|
92. |
is ingenomen met de rol van het Copernicus-programma en het nieuwe EU-kenniscentrum voor aardobservatie voor de land-, atmosfeer- en marienemilieumonitoringsdienst; onderstreept het belang van satellietobservatiecapaciteiten voor monitoring, modellering, voorspelling en ondersteuning van beleidsvorming inzake klimaatverandering; |
|
93. |
benadrukt dat er meer publieke en private investeringen moeten worden aangetrokken in onderzoek, innovatie en toepassing van nieuwe duurzame technologieën, onder meer in arbeidsintensieve industrieën, in noodzakelijke nieuwe infrastructuurnetwerken en in projecten die bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europese Green Deal en de Overeenkomst van Parijs; benadrukt dat bij toekomstig onderzoek en toekomstige technologie rekening moet worden gehouden met duurzaamheid en circulariteit; benadrukt tegelijkertijd het belang van fundamenteel onderzoek en van collaboratieve en transdisciplinaire benaderingen op het gebied van onderzoek en innovatie (O&I) bij het aanpakken van klimaatuitdagingen; wijst voorts op de noodzaak om de sociale innovatie te ondersteunen die essentieel is om onvervulde maatschappelijke behoeften en uitdagingen aan te pakken en tegelijkertijd mensen mondiger te maken tijdens de groene transitie; |
|
94. |
onderstreept dat het van belang is te zorgen voor samenhang en consistentie in de stimuleringsmaatregelen ter bevordering van innovatieve technologieën om de doelstellingen voor 2030 en 2050 te halen, en daarbij aandacht te besteden aan de inzet van reeds volgroeide technologieën en aan investeringen in nieuwe technologieën die moeten worden ontwikkeld om de doelstelling van de Unie om uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken, te verwezenlijken; |
|
95. |
benadrukt de noodzaak van een dubbele transitie, waarbij de digitale en groene transitie hand in hand gaan; benadrukt de fundamentele rol die digitale technologieën kunnen spelen bij de groene transitie van de Unie; herinnert eraan dat het herstel van de Unie de instelling vereist van een stabiel regelgevingskader dat bevorderlijk is voor vooruitgang, met inbegrip van marktgestuurde vooruitgang, op het gebied van onderzoek, innovatie en ontwikkeling van duurzame technologieën, en van passende voorwaarden voor de financiering daarvan; |
|
96. |
onderstreept dat digitalisering een van de sleutelfactoren is die de integratie van energiesystemen aandrijven, aangezien zij dynamische en onderling gekoppelde stromen van energiedragers mogelijk kan maken, de mogelijkheid biedt meer diverse markten onderling te koppelen, en de nodige gegevens kan opleveren om vraag en aanbod op elkaar af te stemmen; benadrukt het potentieel van digitale technologieën om de energie-efficiëntie te verhogen en zo de totale broeikasgasemissies te verminderen; benadrukt de noodzaak om te zorgen voor een veilig regelgevingskader met niet-discriminerende en transparante procedures voor toegang tot en overdracht van energiegegevens; herinnert eraan dat de Commissie schat dat de ecologische voetafdruk van ICT tussen 5 % en 9 % van het mondiale elektriciteitsverbruik vertegenwoordigt en meer dan 2 % van de mondiale broeikasgasemissies; benadrukt dat volgens een studie van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek van de Commissie over artificiële intelligentie uit 2018 datacentra en datatransmissie tussen 3 % en 4 % van het totale elektriciteitsverbruik van de Unie kunnen uitmaken; wijst erop dat de Commissie tussen 2018 en 2030 een stijging van 28 % van het verbruik van datacentra verwacht; onderstreept dat 47 % van de digitale koolstofemissies wordt veroorzaakt door consumentenapparatuur, zoals computers, smartphones, tablets en andere geconnecteerde voorwerpen; roept derhalve op tot maatregelen om de koolstofvoetafdruk van de ICT-sector te verkleinen door te zorgen voor energie- en hulpbronnenefficiëntie op het niveau van netwerken, datacentra en consumentenapparatuur, en herhaalt de doelstelling om datacentra uiterlijk in 2030 klimaatneutraal en zeer energie-efficiënt te maken, zoals vermeld in de digitale strategie; |
|
97. |
herinnert aan het belang van de bijdrage van O&I aan de verwezenlijking van de doelstellingen die zijn vastgelegd in de Overeenkomst van Parijs en aan de doelstellingen van de Europese Green Deal; verzoekt de Commissie en de lidstaten om steun voor onderzoek en innovatie en om een algehele verhoging van de EU- en nationale begrotingen voor O&I op het gebied van duurzame en veilige energietechnologieën en -innovatie; verzoekt de Commissie te overwegen verdere steun te verlenen voor technologieën en innovatieve oplossingen die zullen bijdragen tot een klimaatbestendig en geïntegreerd energiesysteem, ook daar waar Europa wereldleider is en over eigen waardeketens beschikt; acht het van essentieel belang dat cruciale segmenten van de waardeketens voor hernieuwbare energie zich in de Unie bevinden, teneinde de klimaatdoelstellingen te verwezenlijken en de Europeanen aanzienlijke economische voordelen te bieden, en dringt aan op passende maatregelen om de rol van Europese inhoud in de toeleveringsketen van hernieuwbare energiebronnen en wetgeving te ondersteunen; |
Klimaatverandering en ontwikkeling
|
98. |
bevestigt dat de EU zich inzet voor de uitvoering van een coherent ontwikkelingsbeleid, met name op het gebied van industrie-, landbouw-, visserij-, handels- en investeringsbeleid; dringt aan op een coherente aanpak van de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs en de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling in het kader van zowel het intern als extern beleid; |
|
99. |
verzoekt de Commissie, de lidstaten en de andere G7-landen partnerschappen voor een rechtvaardige energietransitie met ontwikkelingslanden te ontwikkelen en vast te stellen, en in nieuwe en aanvullende investeringen te voorzien om een rechtvaardige transitie te waarborgen bij het uitfaseren van fossiele brandstoffen in ontwikkelingslanden; is van mening dat deze partnerschappen voornamelijk moeten worden ondersteund door financiële instrumenten die geen schulden creëren; |
|
100. |
benadrukt het belang van een mensenrechtenbenadering in klimaatmaatregelen om ervoor te zorgen dat alle maatregelen de mensenrechten van alle mensen eerbiedigen en ondersteunen; dringt er bij de partijen bij het UNFCCC op aan de mensenrechtendimensie te integreren in hun NDC’s, hun aanpassingsmededeling en hun NAP’s; |
|
101. |
dringt erop aan dat met het ontwikkelings- en klimaatbeleid ongelijkheid, de reeds bestaande schuldenproblematiek en armoede, die worden verergerd door de negatieve gevolgen van klimaatverandering, worden aangepakt; |
Rol van het Europees Parlement
|
102. |
is van mening dat het Parlement, aangezien het zijn goedkeuring moet geven aan internationale overeenkomsten en als medewetgever een centrale rol speelt bij de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs in Europa, op integrerende wijze moet worden opgenomen in de EU-delegatie; rekent er dan ook op dat het de coördinatievergaderingen van de EU tijdens de COP27 in Sharm-el-Sheikh mag bijwonen en dat het vanaf het begin van de onderhandelingen toegang krijgt tot alle voorbereidende documenten; |
o
o o
|
103. |
verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en het secretariaat van het UNFCCC, met het verzoek haar toe te zenden aan alle niet-EU-partijen bij het UNFCCC. |
(1) PB C 184 van 5.5.2022, blz. 118.
(2) PB C 232 van 16.6.2021, blz. 28.
(3) PB C 445 van 29.10.2021, blz. 156.
(4) PB L 114 van 12.4.2022, blz. 22.
(5) PB C 385 van 22.9.2021, blz. 167.
(6) PB L 243 van 9.7.2021, blz. 1.
(7) PB C 270 van 7.7.2021, blz. 2.
(8) PB C 385 van 22.9.2021, blz. 10.
(9) PB C 506 van 15.12.2021, blz. 38.
(10) Aangenomen teksten, P9_TA(2022)0263.
(11) PB C 67 van 8.2.2022, blz. 25.
(12) IPCC-aanpassingsverslag, 2022.
(13) VN-Bureau voor rampenrisicovermindering, “The human costs of disasters: an overview of the last 20 years 2000–2019”, https://www.undrr.org/media/48008/download
(14) https://www.who.int/news-room/fact-sheets/detail/climate-change-and-health#:~:text=Climate%20change%20affects%20the%20social,malaria%2C%20diarrhoea%20and%20heat%20stress
(15) Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling, de Wereldbank, “Groundswell, Acting on Internal Climate Migration, Part II”, 2021 https://openknowledge.worldbank.org/handle/10986/36248
(16) Instituut voor Europees milieubeleid (IEEP) en Oxfam, “Carbon Inequality in 2030”, november 2021 https://oxfamilibrary.openrepository.com/bitstream/handle/10546/621305/bn-carbon-inequality-2030-051121-en.pdf
(17) Global Witness, “Last Line of Defence, The industries causing the climate crisis and attacks against land and environmental defenders”, september 2021 https://www.globalwitness.org/en/campaigns/environmental-activists/last-line-defence/
(18) Mediterrane deskundigen op het gebied van klimaat- en milieuverandering, “Risks associated to climate and environmental changes in the Mediterranean region”, 2019, https://ufmsecretariat.org/wp-content/uploads/2019/10/MedECC-Booklet_EN_WEB.pdf
(19) WWF Mediterranean Marine Initiative, “The Climate Change Effect in the Mediterranean — Six stories from an Overheating Sea”, Rome, Italië, 2021.
(20) https://www.klimazaloba.cz/wp-content/uploads/2021/04/Klimaticka%CC%81-z%CC%8Caloba.pdf
(21) Aangenomen teksten, P9_TA(2022)0248.
(22) Evaluatie van het UNEP over de wereldwijde methaanemissies, 2021.
(23) https://www.who.int/health-topics/one-health#tab=tab_1
(24) Transport & Environment, “Private jets: can the super rich supercharge zero-emission aviation?”, april 2021.
(25) Idem.
(26) Resolutie van 21 januari 2021 over de EU-strategie inzake gendergelijkheid (PB C 456 van 10.11.2021, blz. 208).
(27) IEA, “Market analysis and forecast from 2019 to 2024”, https://www.iea.org/reports/renewables-2019/power
(28) herinnert eraan dat het economisch potentieel van een vermindering van het eindenergieverbruik voor de industrie tegen 2030 wordt geraamd op 23,5 % in vergelijking met ongewijzigd beleid.
(29) Resolutie van 16 februari 2022 over een Europese strategie voor hernieuwbare offshore-energie (PB C 342 van 6.9.2022, blz. 66).