<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><CONCLUSION xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://formex.publications.europa.eu/schema/formex-04.cj-20080212.xd"><BIB.CONCLUSION><REF.CASE FILE="ECRCJ1964NLB.0500096101.case.xml"><NO.CASE>87/63</NO.CASE></REF.CASE><NO.CELEX>61963C0087</NO.CELEX><NO.SEQ>0002.0002</NO.SEQ><PAGE.FIRST>997</PAGE.FIRST><PAGE.SEQ>1</PAGE.SEQ><PAGE.LAST>1003</PAGE.LAST><PAGE.TOTAL>7</PAGE.TOTAL></BIB.CONCLUSION><CURR.TITLE><LEFT>JURISPRUDENTIE VAN HET HOF VAN JUSTITIE</LEFT><RIGHT>ZAAK No. 87-63 — CONCLUSIES</RIGHT></CURR.TITLE><CONTENTS.CONCLUSION><TITLE><TI><P>Conclusies van de Advocaat-Generaal</P><P><HT TYPE="UC">M. Lagrange</HT></P><P><DATE ISO="19640610">10 juni 1964</DATE></P></TI><STI><P>Vertaald uit het Frans</P></STI></TITLE><?PAGE NO="998"?><?PAGE NO="999"?><P><HT TYPE="ITALIC">Mijnheer de President, mijne heren Rechters</HT>,</P><P>Verzoekster, mej. Georges, heeft een beroep ingesteld tegen een beschikking van <DATE ISO="19630320">20 maart 1963</DATE> — betekend bij brief van <DATE ISO="19630703">3 juli 1963</DATE> — waarbij de Commissie van de Euratom — overeenkomstig het ongunstige advies van de integratiecommissie — met toepassing van artikel 102 van het Statuut de vaste aanstelling van verzoekster heeft geweigerd en haar ontslag aangezegd. Zij vordert voorts een schadevergoeding ad Bfr <FT TYPE="NUMBER">50.000</FT> wegens geleden onstoffelijke schade en subsidiair — voor het geval de beschikking niet zou worden vernietigd — een bedrag ad Bfr <FT TYPE="NUMBER">150.000</FT> als vergoeding voor geleden materiële schade, vermeerderd met Bfr <FT TYPE="NUMBER">60.000</FT> wegens het niet in acht nemen van de wettelijke opzegtermijn.</P><P>Afgezien van de feiten, welke in dit geval verschillen, vertoont deze zaak, wat de daarmede samenhangende rechtsvragen aangaat, een sterke gelijkenis met enkele andere beroepen waarvan Uw Hof kennis heeft genomen, in het bijzonder met de zaak-de Vos.</P><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P>I —</NO.P><TXT>De vordering tot nietigverklaring</TXT></NP></TI></TITLE><P>Hiertoe zijn twee grieven voorgedragen:</P><LIST TYPE="ARAB"><ITEM><NP><NO.P>1.</NO.P><TXT>onregelmatigheid van de integratieprocedure;</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>2.</NO.P><TXT>de motivering was feitelijk onjuist en kon bovendien de beslissing niet dragen.</TXT></NP></ITEM></LIST><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P>Eerste grief: de onregelmatigheid van de integratieprocedure</P></TI></TITLE><P>Verzoekster voert in hoofdzaak aan, dat de <HT TYPE="ITALIC">juiste feiten</HT> waarop de integratiecommissie zich in werkelijkheid baseerde, niet op zodanige<?PAGE NO="1000"?> wijze te harer kennis werden gebracht, dat zij in staat was zich daarover te verantwoorden. Het integratierapport berustte op persoonlijke en zuiver subjectieve beoordelingen van haar meerderen, zonder dat daarin nauwkeurig de feiten werden vermeld welke uiteindelijk voor het advies van de commissie beslissend zijn gebleken. In feite, aldus verzoekster, betrof het hier een disciplinaire of quasi-disciplinaire procedure, welke met de daartoe gebruikelijke waarborgen omringd had behoren te zijn, d.w.z. voorafgaande mededeling en de mogelijkheid verweer te voeren, met name door het bijbrengen van tegenbewijs; er werd geen mededeling gedaan van de processenverbaal der eerste zittingen welke voorafgingen aan de zitting waarin het definitieve advies werd uitgebracht.</P><P>Evenals in de gedingen waarvan wij zoëven spraken, tracht verzoekster het karakter van disciplinaire procedure toe te kennen aan een procedure die niet van zodanige aard is en ook niet mag zijn. Het betreft hier — wij herhalen het eens te meer — een algemene waardering van het gedrag van de betrokkene met het doel tot een waarde-oordeel te geraken nopens zijn geschiktheid tot de definitieve uitoefening van de met zijn hiërarchische indeling overeenkomende functies. Het spreekt evenwel vanzelf, dat disciplinaire overtredingen — hetzij door de ernst, hetzij door de frequentie daarvan — een belangrijk element voor de waardering van het gedrag vormen, ook al werden zij niet afzonderlijk bestraft. Nodig is het slechts, dat wij ons van de materiële juistheid der aan de beoordeling ten grondslag gelegde feiten overtuigen (hetgeen tot de behandeling der tweede grief behoort) en onderzoeken of de commissie over deze feiten voldoende was ingelicht om het oordeel der hoofden van dienst te kunnen controleren. Gelijk U bekend, is het gebruikelijk aan de betrokkene het integratierapport alsmede zijn persoonsdossier toe te zenden met verzoek om schriftelijke opmerkingen. In casu heeft de commissie bovendien zowel de hoofden van dienst als verzoekster gehoord, doch zonder hen met elkander te confronteren, hetgeen, gelijk Gij weet, naar onze mening bij een dergelijke procedure ook niet vereist is. Er kan geen twijfel aan bestaan, dat de commissie toen zij haar definitief advies uitbracht, met volledige kennis van zaken handelde.</P><?PAGE NO="1001"?><P>Wat het haar medegedeelde dossier betreft — verzoekster heeft hiervan in de loop van dit geding ter griffie kennis kunnen nemen — geeft verzoekster niet nader aan in hoeverre het onvolledig zou zijn geweest. Indien zij hiermede bedoelt, dat het niets bevat aangaande de haar verweten tekortkomingen, dan ligt daarin niets abnormaals, daar zij slechts mondelinge waarschuwingen ontving, welke uiteraard in haar dossier niet tot uitdrukking <HT TYPE="ITALIC">mochten</HT> worden gebracht. Voor zover zij op de processen-verbaal van de zittingen der commissie zou doelen, deze behoorden niet tot haar dossier als arbeidscontractante, daar zij op de integratieprocedure betrekking hebben. Voorts zij er op gewezen, dat de commissie weliswaar aan verzoekster geen kennis heeft gegeven van de processen-verbaal der zittingen waarin bepaalde ambtenaren werden gehoord, doch dat zij verzoekster wèl telkens mededeling heeft gedaan van de te haren aanzien door die ambtenaren afgelegde verklaringen, met verzoek zich daarover uit te spreken.</P><P>Wij achten de eerste grief derhalve ongegrond.</P></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P>Tweede grief: de motivering was feitelijk onjuist en kon bovendien de beslissing niet dragen</P></TI></TITLE><LIST TYPE="alpha"><ITEM><NP><NO.P>a)</NO.P><TXT>Wat de zakelijke juistheid der feiten betreft: het staat als onbetwist vast, dat verzoekster de middelen van de dienst (bureauruimte en telefoon) voor privé-doeleinden heeft gebruikt. Daarentegen betwist verzoekster dat zij ter zake <HT TYPE="ITALIC">mondelinge waarschuwingen</HT> zou hebben ontvangen.</TXT><P>Dit is een ernstige ontkenning waardoor zij rechtstreeks in tegenspraak komt met de duidelijke en onderling overeenstemmende verklaringen, welke op dit punt in de loop van de integratieprocedure werden afgelegd. Bovendien moet het, gezien de toch al enigszins bevreemdende toegeeflijkheid van de administratie gedurende zo lange tijd ten aanzien van het gedrag van verzoekster betracht, wel hoogst onwaarschijnlijk worden geacht dat het bestuur zelfs niet met een opmerking of mondelinge waarschuwingen zou hebben gereageerd. De zakelijke onjuistheid der feiten op dit punt werd niet aangetoond.</P><?PAGE NO="1002"?><P>Wat de vraag betreft of de dienst door het gedrag van verzoekster werd verstoord kan worden gezegd, dat het hier eerder om een waardering dan een feitelijke vaststelling gaat. Zeker is het dat zulk een optreden <HT TYPE="ITALIC">op zichzelf van die aard</HT> was dat de dienst daardoor gehinderd moest worden; de verklaring van de administratie dat zulks <HT TYPE="ITALIC">in feite</HT> het geval is geweest kan dan ook bezwaarlijk worden weersproken. De bewering van verzoekster dat men haar veelal geen werk zou hebben gegeven komt mij op dit punt niet ter zake dienend voor.</P></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>b)</NO.P><TXT>Wat de vraag betreft of de <HT TYPE="ITALIC">overwegingen de beschikking konden dragen</HT>, verzoekster heeft dit niet in ernst betwist. In ieder geval is gebleken dat de door de integratiecommissie aangevoerde overwegingen van zodanige aard zijn dat zij het negatieve oordeel over het gedrag van verzoekster, gegeven in verband met haar geschiktheid tot de definitieve uitoefening harer functies, kunnen dragen.</TXT></NP></ITEM></LIST></GR.SEQ></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P>II —</NO.P><TXT>De vorderingen tot schadevergoeding</TXT></NP></TI></TITLE><P>Deze vorderingen steunen op twee gronden:</P><LIST TYPE="ARAB"><ITEM><NP><NO.P>1.</NO.P><TXT>het niet in acht nemen van de wettelijke opzegtermijn;</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>2.</NO.P><TXT>onrechtmatige daad.</TXT></NP></ITEM></LIST><P>Ten aanzien van deze beide punten kunnen wij slechts verwijzen naar onze uiteenzettingen in de zaak 84-63 (de Vos van Steenwijk): betrokkene ontving de bij contract voorziene schadeloosstelling van 1 maand salaris en voorts de in artikel 34 van het Statuut bedoelde schadeloosstelling, waarnaar artikel 102 verwijst. De dwingende bepalingen van het Statuut op dit punt schijnen een bijzondere beoordeling door de rechter in elk afzonderlijk geval niet toe te laten.</P><P>De vorderingen gegrond op onrechtmatige daad kunnen volgens Uw arrest in de zaak-Leroy niet worden toegewezen, indien de bestreden beschikking niet werd vernietigd en deze voor het overige geen <QUOT.START ID="QS0001" REF.END="QE0001" CODE="201E"/>onnodige kritiek<QUOT.END ID="QE0001" REF.START="QS0001" CODE="201D"/> ten aanzien van de persoon van betrokkene bevat.</P><?PAGE NO="1003"?><P>Wij concluderen tot verwerping van het beroep, met veroordeling van verzoekster in de proceskosten, in dier voege dat de kosten van de Commissie van de Euratom te haren laste blijven, gelijk artikel 70 van het reglement voor de procesvoering bepaalt.</P></GR.SEQ></CONTENTS.CONCLUSION></CONCLUSION>