<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><CONCLUSION NNC="YES" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://formex.publications.europa.eu/schema/formex-05.00-20081231.xd"><BIB.CONCLUSION><REF.CASE FILE="ECRCJ2005NLA.0700605101.case.xml"><NO.CASE>C-208/03 P</NO.CASE></REF.CASE><NO.CELEX>62003C0208</NO.CELEX><NO.SEQ>0006.0001</NO.SEQ><PAGE.FIRST.ECR>6054</PAGE.FIRST.ECR><PAGE.SEQ>1</PAGE.SEQ><PAGE.LAST.ECR>6071</PAGE.LAST.ECR><PAGE.TOTAL>18</PAGE.TOTAL></BIB.CONCLUSION><CURR.TITLE><LEFT>CONCLUSIE VAN ADV.-GEN. JACOBS — ZAAK C-208/03</LEFT><RIGHT>LE PEN / PARLEMENT</RIGHT></CURR.TITLE><CONTENTS.CONCLUSION><TITLE><TI><P><HT TYPE="UC">Conclusie van advocaat-generaal</HT></P><P><HT TYPE="UC">F. G. Jacobs</HT></P><P>van <DATE ISO="20050127">27 januari 2005</DATE><NOTE NOTE.ID="E0001" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Oorspronkelijke taal: Engels.</P></NOTE></P></TI></TITLE><NP><NO.P>1.</NO.P><TXT>In de onderhavige hogere voorziening verzoekt Jean-Marie Le Pen om vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen waarbij zijn beroep tot nietigverklaring van het besluit, genomen in de vorm van een verklaring van de voorzitter van het Europees Parlement van <DATE ISO="20001023">23 oktober 2000</DATE>, betreffende het verval van zijn mandaat van lid van het Europees Parlement (hierna: <QUOT.START ID="QS0001" REF.END="QE0001" CODE="201E"/>litigieuze handeling<QUOT.END ID="QE0001" REF.START="QS0001" CODE="201D"/>) niet-ontvankelijk is verklaard.<NOTE NOTE.ID="E0002" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Arrest Le Pen/Parlement (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="T-353/00" YEAR="2000" PAGE.ECR="II-1729">T-353/00, Jurispr. blz. II-1729</REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>2.</NO.P><TXT>Rekwirant betwist in het bijzonder de vaststelling dat de litigieuze handeling niet vatbaar was voor beroep in de zin van artikel 230 EG aangezien zij niet beoogde rechtsgevolgen teweeg te brengen.</TXT></NP><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P>I —</NO.P><TXT>Rechtskader</TXT></NP></TI></TITLE><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P>A —</NO.P><TXT>Gemeenschapsrecht</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>3.</NO.P><TXT>Artikel 190, lid 4, EG bepaalt dat het Europees Parlement een ontwerp opstelt voor het houden van rechtstreekse algemene verkiezingen voor het kiezen van zijn leden volgens een in alle lidstaten eenvormige procedure of volgens beginselen die deze lidstaten gemeen hebben, en dat de Raad van de Europese Unie met eenparigheid van stemmen de desbetreffende bepalingen vaststelt, waarvan hij de aanneming door de lidstaten aanbeveelt.</TXT></NP><NP><NO.P>4.</NO.P><TXT>Op <DATE ISO="19760920">20 september 1976</DATE> heeft de Raad besluit 76/787/EGKS, EEG, Euratom vastgesteld betreffende de Akte tot verkiezing van de vertegenwoordigers in de Vergadering door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen.<NOTE NOTE.ID="E0003" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P><REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="278" DATE.PUB="1976" PAGE.FIRST="1">PB L 278, blz. 1</REF.DOC.OJ>, <REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="278" DATE.PUB="1976" PAGE.FIRST="5">5</REF.DOC.OJ>.</P></NOTE> Deze akte (hierna: <QUOT.START ID="QS0002" REF.END="QE0002" CODE="201E"/>Akte van 1976<QUOT.END ID="QE0002" REF.START="QS0002" CODE="201D"/>) is aan genoemd besluit gehecht.</TXT></NP><?PAGE NO="I-6055"?><NP><NO.P>5.</NO.P><TXT>Volgens artikel 3, lid 1, van de Akte van 1976 worden de leden van het Parlement <QUOT.START ID="QS0003" REF.END="QE0003" CODE="201E"/>gekozen voor een periode van vijf jaar<QUOT.END ID="QE0003" REF.START="QS0003" CODE="201D"/>.</TXT></NP><NP><NO.P>6.</NO.P><TXT>Artikel 6, lid 1, van de Akte van 1976 noemt de functies die onverenigbaar zijn met de hoedanigheid van lid van het Parlement, terwijl lid 2 bepaalt dat <QUOT.START ID="QS0004" REF.END="QE0004" CODE="201E"/>iedere lidstaat onder de in artikel 7, lid 2, vastgestelde voorwaarden de incompatibiliteiten [kan] vaststellen die op nationaal niveau van toepassing zijn<QUOT.END ID="QE0004" REF.START="QS0004" CODE="201D"/>.</TXT></NP><NP><NO.P>7.</NO.P><TXT>Artikel 6, lid 3, bepaalt:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START ID="QS0005" REF.END="QE0005" CODE="201E"/>De [leden van het Parlement] waarop tijdens de in artikel 3 bedoelde periode van vijf jaar de leden 1 en 2 van toepassing zijn, worden vervangen overeenkomstig artikel 12.<QUOT.END ID="QE0005" REF.START="QS0005" CODE="201D"/></P></QUOT.S></P></NP><NP><NO.P>8.</NO.P><TXT>Artikel 7, lid 1, van de Akte van 1976 verplicht het Parlement tot het opstellen van een ontwerp voor een eenvormige verkiezingsprocedure. Ten tijde van de feiten van het geding had het Parlement weliswaar reeds ontwerpen voorbereid, maar was een dergelijke procedure nog niet tot stand gekomen.</TXT></NP><NP><NO.P>9.</NO.P><TXT>Artikel 7, lid 2, van de Akte van 1976 luidt als volgt:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START ID="QS0006" REF.END="QE0006" CODE="201E"/>Tot de inwerkingtreding van een eenvormige verkiezingsprocedure en behoudens de overige bepalingen van deze akte gelden voor de verkiezingsprocedure in elke lidstaat de nationale bepalingen.<QUOT.END ID="QE0006" REF.START="QS0006" CODE="201D"/></P></QUOT.S></P></NP><NP><NO.P>10.</NO.P><TXT>Artikel 12 van de Akte van 1976 bepaalt:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><NP><NO.P><QUOT.START ID="QS0007" REF.END="QE0007" CODE="201E"/>1.</NO.P><TXT>Tol de inwerkingtreding van de eenvormige procedure bedoeld in artikel 7, lid 1, en behoudens de overige bepalingen van deze akte, voorziet iedere lidstaat in passende procedures om de zetels die tijdens de in artikel 3 bedoelde periode van vijf jaar zijn opengevallen, voor hel resterende tijdvak te doen bezetten.</TXT></NP><NP><NO.P>2.</NO.P><TXT>Wanneer een zetel vacant is geworden op grond van de in een lidstaat toepasselijke nationale bepalingen, brengt deze lidstaat dit ter kennis van [het Parlement, dal] hiervan akte neemt.</TXT><P>In alle andere gevallen constateert [het Parlement] dat een zetel vacant is en brengt zij de betrokken lidstaat daarvan op de hoogte.<QUOT.END ID="QE0007" REF.START="QS0007" CODE="201D"/></P></NP></QUOT.S></P></NP><?PAGE NO="I-6056"?><NP><NO.P>11.</NO.P><TXT>Artikel 7 van het Reglement van het Europees Parlement<NOTE NOTE.ID="E0004" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P><REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="202" DATE.PUB="1999" PAGE.FIRST="1">PB 1999, L 202, blz. 1</REF.DOC.OJ>.</P></NOTE> (hierna: <QUOT.START ID="QS0008" REF.END="QE0008" CODE="201E"/>Reglement<QUOT.END ID="QE0008" REF.START="QS0008" CODE="201D"/>) betreft het <QUOT.START ID="QS0009" REF.END="QE0009" CODE="201E"/>Onderzoek van de geloofsbrieven<QUOT.END ID="QE0009" REF.START="QS0009" CODE="201D"/>. Lid 4 ervan bepaalt:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START ID="QS0010" REF.END="QE0010" CODE="201E"/>De bevoegde commissie ziet erop toe dat alle voor de uitoefening van het mandaat van een lid of voor de volgorde der vervangers relevante gegevens onverwijld door de autoriteiten van de lidstaten of de Unie ter kennis van het Parlement worden gebracht en dat in geval van een benoeming daarbij de datum waarop de benoeming van kracht wordt, wordt vermeld.</P><P>Indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaten ten aanzien van een lid een procedure openen op grond waarvan het mandaat van dit lid vervallen zou kunnen worden verklaard, verzoekt de voorzitter deze autoriteiten hem regelmatig op de hoogte te stellen van de voortgang van de procedure. Hij verwijst de aangelegenheid naar de bevoegde commissie, op voorstel waarvan het Parlement zich over de aangelegenheid kan uitspreken.<QUOT.END ID="QE0010" REF.START="QS0010" CODE="201D"/></P></QUOT.S></P></NP><NP><NO.P>12.</NO.P><TXT>Artikel 8, lid 6, van het Reglement bepaalt:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START ID="QS0011" REF.END="QE0011" CODE="201E"/>Als datum voor het einde van een mandaat en de aanvang van een vacature moet worden beschouwd:</P><LIST TYPE="DASH"><ITEM><P>bij ontslagneming: de datum waarop het Parlement heeft geconstateerd dat de zetel vacant is overeenkomstig het procesverbaal van ontslagneming,</P></ITEM><ITEM><P>bij benoeming in functies die onverenigbaar zijn met de hoedanigheid van lid van het Europees Parlement, hetzij op grond van de nationale kieswet, hetzij op grond van artikel 6 van de [Akte van 1976]: de door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten of de Unie medegedeelde datum.<QUOT.END ID="QE0011" REF.START="QS0011" CODE="201D"/></P></ITEM></LIST></QUOT.S></P></NP><NP><NO.P>13.</NO.P><TXT>Artikel 8, lid 9, van het Reglement bepaalt:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START ID="QS0012" REF.END="QE0012" CODE="201E"/>Ingeval bij het aanvaarden of het afzien van het mandaat kennelijk sprake is geweest van feitelijke onjuistheden of van wilsgebrek, behoudt het Parlement zich het recht voor het desbetreffende mandaat ongeldig te verklaren, c.q. te weigeren te constateren dat de zetel vacant is.<QUOT.END ID="QE0012" REF.START="QS0012" CODE="201D"/></P></QUOT.S></P></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P>B —</NO.P><TXT>Frans recht</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>14.</NO.P><TXT>Artikel 5 van Loi n° 77-729 relative à l'élection des représentants à l'Assemblée<?PAGE NO="I-6057"?> des Communautés européennes (wet betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in de Vergadering van de Europese Gemeenschappen) van <DATE ISO="19770707">7 juli 1977</DATE>, in de in casu toepasselijke versie (hierna: <QUOT.START ID="QS0013" REF.END="QE0013" CODE="201E"/>wet van 1977<QUOT.END ID="QE0013" REF.START="QS0013" CODE="201D"/>)<NOTE NOTE.ID="E0005" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>JORL van <DATE ISO="19770708">8 juli 1977</DATE>, blz. 3579.</P></NOTE>, bepaalt dat wanneer een lid van het Europees Parlement in de loop van zijn mandaat onverkiesbaar wordt, zijn mandaat eindigt. De onverkiesbaarheid dient bij decreet te worden vastgesteld.</TXT></NP><NP><NO.P>15.</NO.P><TXT>Artikel 25 van de wet van 1977 bepaalt:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START ID="QS0014" REF.END="QE0014" CODE="201E"/>Tegen de verkiezing van de [leden van het Europees Parlement] kan gedurende de tien dagen volgende op de bekendmaking van de uitslag van de stemming en met betrekking tot alles wat de toepassing van deze wet betreft, door iedere kiezer beroep worden ingesteld bij de Conseil d'État, rechtsprekend in bestuursgeschillen, die in volle samenstelling beslist.</P><P>Het beroep heeft geen schorsende werking.<QUOT.END ID="QE0014" REF.START="QS0014" CODE="201D"/></P></QUOT.S></P></NP></GR.SEQ></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P>II —</NO.P><TXT>Feiten</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>16.</NO.P><TXT>Rekwirant is op <DATE ISO="19990613">13 juni 1999</DATE> verkozen tot lid van het Europees Parlement.</TXT></NP><NP><NO.P>17.</NO.P><TXT>Op <DATE ISO="19991123">23 november 1999</DATE> heeft de Franse Cour de cassation (strafkamer) de door rekwirant ingestelde hogere voorziening tegen het arrest van de Cour d'appel de Versailles van <DATE ISO="19981117">17 november 1998</DATE> afgewezen. Bij dit arrest was rekwirant veroordeeld wegens onder meer geweldpleging tegen een persoon bekleed met openbaar gezag in de uiloefening van zijn functie, terwijl de hoedanigheid van die persoon aan de geweldpleger bekend is of bekend moet zijn. Rekwirant werd voor dit misdrijf veroordeeld tot drie maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en een geldboete van <FT TYPE="NUMBER">5000</FT> FRF. Als bijkomende straf werd hij voor de duur van een jaar onverkiesbaar verklaard.</TXT></NP><NP><NO.P>18.</NO.P><TXT>In het licht van deze veroordeling stelde de Franse eerste minister overeenkomstig artikel 5, tweede alinea, van de wet van 1977 bij decreet van <DATE ISO="20000331">31 maart 2000</DATE> (hierna: <QUOT.START ID="QS0015" REF.END="QE0015" CODE="201E"/>decreet<QUOT.END ID="QE0015" REF.START="QS0015" CODE="201D"/>) vast dal <QUOT.START ID="QS0016" REF.END="QE0016" CODE="201E"/>door de onverkiesbaarheid van Jean-Marie Le Pen diens mandaat als vertegenwoordiger in het Europees Parlement [was] geëindigd<QUOT.END ID="QE0016" REF.START="QS0016" CODE="201D"/>.</TXT></NP><NP><NO.P>19.</NO.P><TXT>Dit decreet werd bij schrijven van de secretarisgeneraal van het Franse ministerie van Buitenlandse Zaken van <DATE ISO="20000405">5 april 2000</DATE> leikennis gebracht van rekwirant. In deze brief werd hem tevens meegedeeld dat hij binnen twee maanden na de belekening ervan bij de Franse Conseil d'État beroep tegen dit decreet kon instellen.</TXT></NP><?PAGE NO="I-6058"?><NP><NO.P>20.</NO.P><TXT>De notulen van de plenaire vergadering van het Europees Parlement van <DATE ISO="20000503">3 mei 2000</DATE> vermelden onder het opschrift <QUOT.START ID="QS0017" REF.END="QE0017" CODE="201E"/>Vervallenverklaring van het mandaat van de heer Le Pen<QUOT.END ID="QE0017" REF.START="QS0017" CODE="201D"/> het volgende:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START ID="QS0018" REF.END="QE0018" CODE="201E"/>De Voorzitter [van het Parlement] deelt mede op <DATE ISO="20000426">26 april 2000</DATE> van de Franse autoriteiten een brief d.d. <DATE ISO="20000420">20 april 2000</DATE> te hebben ontvangen van de heer Védrine, minister van Buitenlandse Zaken, en de heer Moscovici, gedelegeerd minister van Europese Zaken, met in bijlage een dossier betreffende de vervallenverklaring van het mandaat van de heer Le Pen. Zij deelt mede dat zij dit dossier overeenkomstig artikel 7, lid 4, tweede alinea, van het Reglement zal verwijzen naar de commissie Juridische zaken en interne markt.<QUOT.END ID="QE0018" REF.START="QS0018" CODE="201D"/></P></QUOT.S></P></NP><NP><NO.P>21.</NO.P><TXT>De commissie Juridische zaken en interne markt (hierna: <QUOT.START ID="QS0019" REF.END="QE0019" CODE="201E"/>juridische commissie<QUOT.END ID="QE0019" REF.START="QS0019" CODE="201D"/>) onderzocht de juridische opties van rekwirant bij gesloten deuren op haar vergaderingen van <DATE ISO="20000504">4</DATE>, <DATE ISO="20000515">15</DATE> en <DATE ISO="20000516">16 mei 2000</DATE>.</TXT></NP><NP><NO.P>22.</NO.P><TXT>Tijdens de plenaire vergadering van <DATE ISO="20000518">18 mei 2000</DATE> deelde de voorzitter van het Europees Parlement mede dat zij de juridische commissie om advies had verzocht over het schrijven van de Franse autoriteiten betreffende het verval van het mandaat van rekwirant. Vervolgens las zij een brief voor van de voorzitter van die commissie van <DATE ISO="20000517">17 mei 2000</DATE>, die als volgt luidde:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START ID="QS0020" REF.END="QE0020" CODE="201E"/>Mevrouw de voorzitter,</P><P>[D]e [juridische commissie] heeft tijdens haar bijeenkomst van <DATE ISO="20000516">16 mei</DATE> jongstleden het onderzoek naar de situatie van Jean-Marie Le Pen hervat. De commissie geeft zich rekenschap van het feit dat het decreet van de eerste minister van de Franse Republiek, dat op <DATE ISO="20000405">5 april 2000</DATE> aan Le Pen bekend is gemaakt en op <DATE ISO="20000422">22 april 2000</DATE> in het <HT TYPE="ITALIC">Journal officiel de la République française</HT> is opgenomen, executoir is geworden. De commissie heeft echter opgemerkt dat in de brief waarin het decreet aan de betrokkene wordt betekend, de betrokkene de mogelijkheid wordt geboden in beroep te gaan bij de Conseil d'État teneinde de uitvoerbaarheid van het decreet op te schorten.</P><P>Met het oog op het gisteren genomen besluit om het Parlement aan te bevelen niet nu al formeel kennis te nemen van het besluit tot vervallenverklaring van het mandaat van Le Pen, heeft de commissie onderzocht welk gevolg er aan dit vraagstuk gegeven kan worden. Bij het besluit heeft de zaak-Tapie gediend als precedent. Dit heeft als gevolg dat het Europees Parlement pas formeel kennis dient te nemen van het decreet inzake de vervallenverklaring na afloop van de termijn voor beroep bij de Conseil d'État of zo mogelijk na het besluit van deze instelling.<QUOT.END ID="QE0020" REF.START="QS0020" CODE="201D"/></P></QUOT.S></P></NP><?PAGE NO="I-6059"?><NP><NO.P>23.</NO.P><TXT>De voorzitter van het Parlement verklaarde voornemens te zijn <QUOT.START ID="QS0021" REF.END="QE0021" CODE="201E"/>het advies van de juridische commissie<QUOT.END ID="QE0021" REF.START="QS0021" CODE="201D"/> te volgen.</TXT></NP><NP><NO.P>24.</NO.P><TXT>Rekwirant stelde op <DATE ISO="20000605">5 juni 2000</DATE> bij de Franse Conseil d'État beroep in tot nietigverklaring van het decreet.</TXT></NP><NP><NO.P>25.</NO.P><TXT>Bij schrijven van <DATE ISO="20000609">9 juni 2000</DATE> aan de heren Védrine en Moscovici verklaarde de voorzitter van het Parlement:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START ID="QS0022" REF.END="QE0022" CODE="201E"/>Na advies van onze [juridische commissie] lijkt het mij wegens het onherroepelijke karakter van het verval van het mandaat passend, dat het Europees Parlement eerst na het verstrijken van de termijn voor beroep bij de Conseil d'État of, in voorkomend geval, nadat deze uitspraak heeft gedaan, formeel akte neemt van het decreet.<QUOT.END ID="QE0022" REF.START="QS0022" CODE="201D"/></P></QUOT.S></P></NP><NP><NO.P>26.</NO.P><TXT>In een schrijven van <DATE ISO="20000613">13 juni 2000</DATE> deelde de heer Moscovici de voorzitter van het Parlement mede dat de Franse regering formeel protesteerde tegen het door deze instelling op <DATE ISO="20000518">18 mei 2000</DATE> genomen besluit om geen akte te nemen van het bij decreet vastgestelde verval van het mandaat van rekwirant. Zijns inziens schond het Parlement hiermee artikel 12, lid 2, van de Akte van 1976 en kon de aangevoerde reden een dergelijke schending niet rechtvaardigen. Het Parlement werd derhalve verzocht <QUOT.START ID="QS0023" REF.END="QE0023" CODE="201E"/>onverwijld<QUOT.END ID="QE0023" REF.START="QS0023" CODE="201D"/> kennis te nemen van het verval van het mandaat.</TXT></NP><NP><NO.P>27.</NO.P><TXT>In haar antwoord van <DATE ISO="20000616">16 juni 2000</DATE> deelde de voorzitter van hel Parlement mede dal het Parlement <QUOT.START ID="QS0024" REF.END="QE0024" CODE="201E"/>akte [zou nemen] van het verval van het mandaat van Le Pen [wanneer het decreet onaantastbaar [was] geworden]<QUOT.END ID="QE0024" REF.START="QS0024" CODE="201D"/>, hetgeen nog niet het geval was, aangezien rekwirant bij de Conseil d'Étal beroep tot nietigverklaring had ingesteld. Ter rechtvaardiging verwees zij naar het precedent van de heer Tapie en naar het rechtszekerheidsbeginsel.</TXT></NP><NP><NO.P>28.</NO.P><TXT>Op <DATE ISO="20001006">6 oktober 2000</DATE> verwierp de Conseil d'État hel beroep van rekwirant.</TXT></NP><NP><NO.P>29.</NO.P><TXT>Op <DATE ISO="20001017">17 oktober 2000</DATE> deed de permanente vertegenwoordiging van Frankrijk bij de Europese Unie de voorzitter van het Parlement een brief toekomen van de heren Védrine en Moscovici van <DATE ISO="20001012">12 oktober 2000</DATE>. De twee ministers benadrukten dal de Franse legering hel standpunt van het Parlement om de uitspraak van de Conseil d'État op het beroep van rekwirant legen het decreet van <DATE ISO="20000331">31 maart 2000</DATE> af te wachten, welk standpunt volgens haar in strijd was mei de letter en de geest van de Akte van 1976, <QUOT.START ID="QS0025" REF.END="QE0025" CODE="201E"/>steeds ten stelligste had betwist<QUOT.END ID="QE0025" REF.START="QS0025" CODE="201D"/>. Na te hebben meegedeeld dat de Conseil d'État het beroep van rekwirant had verworpen, verklaarden zij hel volgende:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START ID="QS0026" REF.END="QE0026" CODE="201E"/>Wij verwachten dat het Europees Parlement zich aan het gemeenschapsrecht zal conformeren en bij monde van zijn voorzitter zo spoedig mogelijk akte zal nemen van het verval van het mandaat van de heer Le Pen. Zo niet, behouden wij ons hel recht voor om juridische slappen te ondernemen.<QUOT.END ID="QE0026" REF.START="QS0026" CODE="201D"/></P></QUOT.S></P></NP><?PAGE NO="I-6060"?><NP><NO.P>30.</NO.P><TXT>Blijkens de notulen van de plenaire vergadering van <DATE ISO="20001023">23 oktober 2000</DATE> las de voorzitter van het Parlement bij het agendapunt <QUOT.START ID="QS0027" REF.END="QE0027" CODE="201E"/>Mededeling van de voorzitter<QUOT.END ID="QE0027" REF.START="QS0027" CODE="201D"/> de volgende mededeling voor:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START ID="QS0028" REF.END="QE0028" CODE="201E"/>Hierbij deel ik u mede dat ik op donderdag <DATE ISO="20001019">19 oktober 2000</DATE> van de bevoegde autoriteiten van de Franse Republiek de officiële kennisgeving heb ontvangen van een arrest van <DATE ISO="20001006">6 oktober 2000</DATE> van de Conseil d'État betreffende de verwerping van het beroep dat de heer Jean-Marie Le Pen had ingesteld tegen het besluit van de Eerste Minister van Frankrijk van <DATE ISO="20000331">31 maart 2000</DATE> om een einde te maken aan diens mandaat van vertegenwoordiger in het Europees Parlement.</P><P>Ik deel u mede dat ik sindsdien een kopie van het verzoek om gratie heb ontvangen dat de leden Charles de Gaulle, Carl Lang, Jean-Claude Martinez en Bruno Gollnisch ten behoeve van de heer Le Pen bij de heer Jacques Chirac, president van de Franse Republiek, hebben ingediend.<QUOT.END ID="QE0028" REF.START="QS0028" CODE="201D"/></P></QUOT.S></P></NP><NP><NO.P>31.</NO.P><TXT>Daarop verleende zij het woord aan de voorzitter van de juridische commissie, die verklaarde:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START ID="QS0029" REF.END="QE0029" CODE="201E"/>Mevrouw de voorzitter, de [juridische commissie] heeft in haar vergadering van 15 en 16 mei jongstleden over deze zaak beraadslaagd. Wij hebben toen besloten uitstel aan te bevelen van de bekendmaking in de plenaire vergadering van de constatering door het Parlement van de vervallenverklaring van het mandaat van Jean-Marie Le Pen. Ik wil benadrukken dat deze aanbeveling van de juridische commissie gold voor de termijn waarover de heer Le Pen beschikte om in beroep te gaan bij de Franse Conseil d'État of tot er een uitspraak zou komen van dit orgaan. Hierbij citeer ik letterlijk de brief van 17 mei, die u toen zelf, mevrouw de voorzitter, in de plenaire vergadering hebt voorgelezen.</P><P>Zoals u al gezegd heeft, is het beroep door de Conseil d'État verworpen en wij zijn daarvan op passende wijze op de hoogte gebracht. Er is dan ook geen reden meer om die bekendmaking in de plenaire vergadering verder uit te stellen. Die bekendmaking moet gebeuren volgens de regels van het primair recht, en wel in het bijzonder artikel 12, lid 2, van de [Akte van 1976].</P><P>Het door u genoemde gratieverzoek, mevrouw de voorzitter, verandert niets aan deze situatie, daar dat geen beroep is bij de rechterlijke macht. Gratie wordt verleend door het staatshoofd en laat onverlet het decreet van de Franse regering dat volgens de aanbeveling van de juridische commissie in de plenaire vergadering moet worden bekendgemaakt.<QUOT.END ID="QE0029" REF.START="QS0029" CODE="201D"/></P></QUOT.S></P></NP><NP><NO.P>32.</NO.P><TXT>De voorzitter van het Parlement verklaarde vervolgens:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START ID="QS0030" REF.END="QE0030" CODE="201E"/>Overeenkomstig artikel 12, lid 2, van de [Akte van 1976] neemt het Europees Parlement<?PAGE NO="I-6061"?> derhalve akte van de kennisgeving van de Franse regering en constateert het dat het mandaat van Jean-Marie Le Pen is komen te vervallen.<QUOT.END ID="QE0030" REF.START="QS0030" CODE="201D"/></P></QUOT.S></P></NP><NP><NO.P>33.</NO.P><TXT>Zij verzocht rekwirant daarop de vergaderzaal te verlaten, en schorste de vergadering om zijn vertrek te vergemakkelijken.</TXT></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P>III —</NO.P><TXT>Procedure voor het Gerecht van eerste aanleg</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>34.</NO.P><TXT>Rekwirant heeft bij een op <DATE ISO="20001121">21 november 2000</DATE> ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift beroep tot nietigverklaring van de litigieuze handeling ingesteld.</TXT></NP><NP><NO.P>35.</NO.P><TXT>Bij op dezelfde dag ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft hij verzocht om opschorting van de tenuitvoerlegging van die handeling.</TXT></NP><NP><NO.P>36.</NO.P><TXT>In antwoord op een vraag die de president van het Gerecht ter terechtzitting van <DATE ISO="20001215">15 december 2000</DATE> aan het Parlement had gesteld, heeft de directeurgeneraal Financiën en financiële controle van het Parlement in een verklaring van <DATE ISO="20001218">18 december 2000</DATE> onder meer meegedeeld dat rekwirant tot het einde van zijn mandaat reis- en verblijfsvergoedingen, alsook alle andere passende vergoedingen heeft ontvangen.</TXT></NP><NP><NO.P>37.</NO.P><TXT>Eveneens in antwoord op een door de president van het Gerecht ter terechtzitting gestelde vraag hebben de Franse autoriteiten bevestigd dal zij de bezoldiging van rekwirant lot <DATE ISO="20001024">24 oktober 2000</DATE> hebben uitbetaald.</TXT></NP><NP><NO.P>38.</NO.P><TXT>Bij beschikking van <DATE ISO="20010126">26 januari 2001</DATE> heeft de president van hel Gerecht bepaald dat de uitvoering van <QUOT.START ID="QS0031" REF.END="QE0031" CODE="201E"/>het besluit, genomen in de vorm van een verklaring van de voorzitter van het Europees Parlement van <DATE ISO="20001023">23 oktober 2000</DATE>, voorzover dit een besluit van het Europees Parlement is om akte te nemen van hel verval van hel mandaat van verzoeker als lid van hel Europees Parlement<QUOT.END ID="QE0031" REF.START="QS0031" CODE="201D"/>, werd opgeschort.<NOTE NOTE.ID="E0006" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Beschikking Le Pen/Europees Parlement (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="T-353/00 R" YEAR="2000" PAGE.ECR="II-125">T-353/00, Jurispr. blz.. II-125</REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P>IV —</NO.P><TXT>Arrest van het Gerecht van eerste aanleg</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>39.</NO.P><TXT>Het Parlement alsook de Franse Republiek, die tot interventie was toegelaten, hebben aangevoerd dal het beroep nietontvankelijk<?PAGE NO="I-6062"?> was omdat de Gemeenschap niet bevoegd is wanneer de incompatibiliteit of onverkiesbaarheid van de leden van het Parlement voortvloeit uit het nationale recht, en er geen voor beroep vatbare handeling in de zin van artikel 230 EG was.</TXT></NP><NP><NO.P>40.</NO.P><TXT>Ten aanzien van het tweede argument heeft het Gerecht het volgende overwogen:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><NP><NO.P><QUOT.START ID="QS0032" REF.END="QE0032" CODE="201E"/>77</NO.P><TXT>Er dient te worden aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak alleen maatregelen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen welke de belangen van de verzoeker kunnen aantasten doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen, als handelingen of besluiten die vatbaar zijn voor beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 230 EG, zijn te beschouwen (arrest Hof van <DATE ISO="19811111">11 november 1981</DATE>, IBM/Commissie, <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="60/81" YEAR="1981" PAGE.ECR="2639">60/81, Jurispr. blz. 2639, punt 9</REF.DOC.ECR>, en arrest Gerecht van <DATE ISO="19990304">4 maart 1999</DATE>, Assicurazioni Generali en Unicredito/Commissie, <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="T-87/96" YEAR="1999" PAGE.ECR="II-203">T-87/96, Jurispr. blz. II-203, punt 37</REF.DOC.ECR>). Aldus staat beroep tot nietigverklaring open tegen alle door de instellingen vastgestelde regelingen, ongeacht de aard of de vorm ervan, die beogen rechtsgevolgen teweeg te brengen (arrest Hofvan <DATE ISO="19710331">31 maart 1971</DATE>, Commissie/Raad, <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="22/70" YEAR="1971" PAGE.ECR="263">22/70, Jurispr. blz. 263, punt 42</REF.DOC.ECR>).</TXT></NP><NP><NO.P>78</NO.P><TXT>In de onderhavige zaak is de verklaring van de voorzitter van het Parlement tijdens de plenaire vergadering van <DATE ISO="20001023">23 oktober 2000</DATE>, volgens welke <QUOT.START ID="QS0033" REF.END="QE0033" CODE="201A"/>het [...] Parlement overeenkomstig artikel 12, lid 2, van de [Akte van 1976] [...] akte neemt van de kennisgeving van de Franse regering en constateert dat het mandaat van de [verzoeker] is komen te vervallen<QUOT.END ID="QE0033" REF.START="QS0033" CODE="2019"/> het bestreden besluit.</TXT></NP><NP><NO.P>79</NO.P><TXT>Derhalve moet worden nagegaan of deze verklaring bindende rechtsgevolgen in het leven roept welke de belangen van de verzoeker kunnen aantasten doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen.</TXT></NP><NP><NO.P>80</NO.P><TXT>Dienaangaande moet worden herinnerd aan de juridische context waarin die verklaring past.</TXT></NP><NP><NO.P>81</NO.P><TXT>Vaststaat dat er ten tijde van de feiten nog geen eenvormige procedure voor de verkiezing van de leden van het Europees Parlement bestond.</TXT></NP><NP><NO.P>82</NO.P><TXT>Bijgevolg werd de procedure voor die verkiezing overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de Akte van 1976 in elke lidstaat geregeld door de nationale bepalingen.</TXT></NP><?PAGE NO="I-6063"?><NP><NO.P>83</NO.P><TXT>Zo blijkt met name uit artikel 12, lid 2, eerste alinea, van de Akte van 1976 dat <QUOT.START ID="QS0034" REF.END="QE0034" CODE="201A"/>op grond van de in een lidstaat toepasselijke nationale bepalingen<QUOT.END ID="QE0034" REF.START="QS0034" CODE="2019"/> een zetel van een lid van het Europees Parlement vacant kan worden.</TXT></NP><NP><NO.P>84</NO.P><TXT>Overeenkomstig de Akte van 1976 heeft Frankrijk met name de wet van 1977 vastgesteld. In artikel 2 van deze wet wordt bepaald dat de verkiezing van de leden van het Europees Parlement wordt geregeld door <QUOT.START ID="QS0035" REF.END="QE0035" CODE="201A"/>titel I van boek I van het kieswetboek en door de bepalingen van de daaraanvolgende hoofdstukken<QUOT.END ID="QE0035" REF.START="QS0035" CODE="2019"/>. Artikel 5 van dezelfde wet, hoofdstuk III <QUOT.START ID="QS0036" REF.END="QE0036" CODE="201A"/>Voorwaarden voor verkiesbaarheid en onverkiesbaarheid, onverenigbaarheden<QUOT.END ID="QE0036" REF.START="QS0036" CODE="2019"/> bepaalt met name dat <QUOT.START ID="QS0037" REF.END="QE0037" CODE="201A"/>de artikelen LO 127 tot en met LO 130-1 van het kieswetboek van toepassing zijn op de verkiezing van de [leden van het Europees Parlement]<QUOT.END ID="QE0037" REF.START="QS0037" CODE="2019"/>, dat <QUOT.START ID="QS0038" REF.END="QE0038" CODE="201A"/>hel mandaat van de verkozene eindigt wanneer de betrokkene in de loop van zijn mandaat onverkiesbaar wordt<QUOT.END ID="QE0038" REF.START="QS0038" CODE="2019"/>, en dat <QUOT.START ID="QS0039" REF.END="QE0039" CODE="201A"/>dit bij decreet wordt vastgesteld<QUOT.END ID="QE0039" REF.START="QS0039" CODE="2019"/>.</TXT></NP><NP><NO.P>85</NO.P><TXT>Artikel 12, lid 2, van de Akte van 1976 onderscheidt twee hypotheses met betrekking tot het vacant worden van de zetels van de leden van het Europees Parlement.</TXT></NP><NP><NO.P>86</NO.P><TXT>De eerste hypothese vormt het onderwerp van de eerste alinea van deze bepaling en dekt de gevallen waarin zetels vacant worden op grond van <QUOT.START ID="QS0040" REF.END="QE0040" CODE="201A"/>de toepasselijke nationale bepalingen<QUOT.END ID="QE0040" REF.START="QS0040" CODE="2019"/>. De tweede hypothese, bedoeld in de tweede alinea van dezelfde bepaling, heeft belrekking op<QUOT.START ID="QS0041" REF.END="QE0041" CODE="201A"/>alle andere gevallen<QUOT.END ID="QE0041" REF.START="QS0041" CODE="2019"/>.</TXT></NP><NP><NO.P>87</NO.P><TXT>Dienaangaande moet worden opgemerkt dal, anders dan verzoeker betoogt, de eerste hypothese geenszins beperkt is lol de gevallen van onverenigbaarheid bedoeld in artikel 6 van de Akte van 1976, maar evenzeer de gevallen van onverkiesbaarheid omval. Artikel 6, lid 3, van de Akte van 1976 bepaalt weliswaar dat de leden van het Europees Parlement waarop <QUOT.START ID="QS0042" REF.END="QE0042" CODE="201A"/>de leden 1 en 2<QUOT.END ID="QE0042" REF.START="QS0042" CODE="2019"/> van toepassing zijn, worden vervangen <QUOT.START ID="QS0043" REF.END="QE0043" CODE="201A"/>overeenkomstig artikel 12<QUOT.END ID="QE0043" REF.START="QS0043" CODE="2019"/>, doch uit deze verwijzing mag niet worden afgeleid dat dit laatste artikel alleen betrekking heeft op de in artikel 6, leden 1 en 2, bedoelde gevallen van onverenigbaarheid. Vaststaat bovendien dat in artikel 12 niet het begrip <QUOT.START ID="QS0044" REF.END="QE0044" CODE="201A"/>onverenigbaarheid<QUOT.END ID="QE0044" REF.START="QS0044" CODE="2019"/>, maar het veel ruimere begrip <QUOT.START ID="QS0045" REF.END="QE0045" CODE="201A"/>vacant worden [van de zetel]<QUOT.END ID="QE0045" REF.START="QS0045" CODE="2019"/> wordt gehanteerd.</TXT></NP><NP><NO.P>88</NO.P><TXT>In de eerste hypothese, geregeld in artikel 12, lid 2, van de Akte van 1976, is de taak van hel Parlement beperkt lol het <QUOT.START ID="QS0046" REF.END="QE0046" CODE="201A"/>akte nemen<QUOT.END ID="QE0046" REF.START="QS0046" CODE="2019"/> van het vacant worden van de zetel van de betrokkene. In de tweede hypothese, die bijvoorbeeld belrekking heeft op hel geval van hel ontslag van een van zijn leden, <QUOT.START ID="QS0047" REF.END="QE0047" CODE="201A"/>constateert [het Parlement] dat een zetel vacant is, en brengt het de betrokken lidstaat daarvan op de hoogte<QUOT.END ID="QE0047" REF.START="QS0047" CODE="2019"/>.</TXT></NP><?PAGE NO="I-6064"?><NP><NO.P>89</NO.P><TXT>Aangezien de [litigieuze] handeling in het onderhavige geval op grond van artikel 12, lid 2, eerste alinea, van de Akte van 1976 is vastgesteld, moet de draagwijdte van het door deze bepaling voorgeschreven <QUOT.START ID="QS0048" REF.END="QE0048" CODE="201A"/>akte nemen<QUOT.END ID="QE0048" REF.START="QS0048" CODE="2019"/> worden bepaald.</TXT></NP><NP><NO.P>90</NO.P><TXT>Dienaangaande moet worden benadrukt dat het <QUOT.START ID="QS0049" REF.END="QE0049" CODE="201A"/>akte nemen<QUOT.END ID="QE0049" REF.START="QS0049" CODE="2019"/> geen betrekking heeft op het verval van het mandaat van de betrokkene, maar alleen op het feit dat zijn zetel vacant geworden is door de toepassing van nationale bepalingen. De taak van het Parlement bestaat er met andere woorden geenszins in het verval van het mandaat<QUOT.START ID="QS0050" REF.END="QE0050" CODE="201A"/>vast te stellen<QUOT.END ID="QE0050" REF.START="QS0050" CODE="2019"/>, zoals verzoeker beweert, maar is beperkt tot het akte nemen van de reeds door de nationale autoriteiten gedane vaststelling van het vacant worden van de zetel, te weten van een reeds bestaande rechtssituatie die uitsluitend voortvloeit uit een besluit van die autoriteiten.</TXT></NP><NP><NO.P>91</NO.P><TXT>Het Parlement beschikt in deze context over een bijzonder geringe verificatiebevoegdheid, die in wezen beperkt is tot een controle van de materiële juistheid van het vacant worden van de zetel van de betrokkene. Anders dan verzoeker beweert, staat het met name niet aan het Parlement, na te gaan of de door het toepasselijke nationale recht ingestelde procedure en de fundamentele rechten van de betrokkene werden geëerbiedigd. Daartoe zijn immers uitsluitend de nationale rechtbanken of, desgevallend, het Europees Hof voor de Rechten van de Mens bevoegd. Dienaangaande zij er bovendien aan herinnerd dat in het onderhavige geval verzoeker zijn rechten zowel voor de Franse Conseil d'État als voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft doen gelden. Verder zij erop gewezen dat het Parlement zelf in zijn schriftelijke stukken noch ter terechtzitting heeft gesteld dat het over een zo ruime verificatiebevoegdheid beschikt als verzoeker beweert.</TXT></NP><NP><NO.P>92</NO.P><TXT>Hieraan moet worden toegevoegd dat een dergelijke ruime opvatting van de verificatiebevoegdheid van het Parlement in het kader van artikel 12, lid 2, eerste alinea, van de Akte van 1976 zou meebrengen dat deze instelling de regelmatigheid zelf van het door de nationale autoriteiten vastgestelde verval opnieuw ter discussie zou kunnen stellen en zou kunnen weigeren akte te nemen van het vacant worden van een zetel wanneer het oordeelt dat er van een onregelmatigheid sprake is. Alleen artikel 8, lid 9, van het Reglement voorziet in de mogelijkheid voor het Parlement te weigeren te constateren dat een zetel vacant is en dit alleen in de hypothese waarin het gevraagd wordt een dergelijk vacant zijn te <QUOT.START ID="QS0051" REF.END="QE0051" CODE="201A"/>constateren<QUOT.END ID="QE0051" REF.START="QS0051" CODE="2019"/> en er sprake is van een <QUOT.START ID="QS0052" REF.END="QE0052" CODE="201A"/>feitelijke onjuistheid<QUOT.END ID="QE0052" REF.START="QS0052" CODE="2019"/> of van een <QUOT.START ID="QS0053" REF.END="QE0053" CODE="201A"/>wilsgebrek<QUOT.END ID="QE0053" REF.START="QS0053" CODE="2019"/>. Het zou paradoxaal zijn dat het Parlement een ruimere beoordelingsmarge heeft wanneer het gewoon gaat om het akte nemen van het vacant zijn van een zetel dan wanneer het zelf het vacant zijn van een zetel moet vaststellen.</TXT></NP><NP><NO.P>93</NO.P><TXT>Deze slotsom is geenszins in tegenspraak met de bewoordingen van artikel 7,<?PAGE NO="I-6065"?> lid 4, tweede alinea, van het Reglement. Zoals het Parlement en de Franse Republiek terecht beklemtonen, wordt deze bepaling toegepast <QUOT.START ID="QS0054" REF.END="QE0054" CODE="201A"/>vóór het verval zelf<QUOT.END ID="QE0054" REF.START="QS0054" CODE="2019"/> en derhalve vóór het vacant worden van de zetel. Daar wordt immers bepaald dat de voorzitter de aangelegenheid naar de bevoegde commissie verwijst <QUOT.START ID="QS0055" REF.END="QE0055" CODE="201A"/>indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaten ten aanzien van een [lid van het Europees Parlement] een procedure openen op grond waarvan het mandaat van dit lid vervallen zou kunnen worden verklaard<QUOT.END ID="QE0055" REF.START="QS0055" CODE="2019"/>. Nadat deze procedure is beëindigd en de bevoegde nationale autoriteiten hebben vastgesteld dat de zetel van de betrokkene vacant is, dient het Parlement alleen nog akte te nemen van dit vacant zijn overeenkomstig artikel 12, lid 2, eerste alinea, van de Akte van 1976. In ieder geval kan overeenkomstig het beginsel van de hiërarchie van de normen een bepaling van het Reglement niet afwijken van de bepalingen van de Akte van 1976 en kunnen aan het Parlement geen ruimere bevoegdheden worden toegekend dan die welke het krachtens die akte heeft.</TXT></NP><NP><NO.P>94</NO.P><TXT>Deze slotsom wordt ook niet op losse schroeven gesteld door het feit dat verzoeker tot <DATE ISO="20001023">23 oktober 2000</DATE> in het Parlement is blijven zetelen en ten laste van het Parlement vergoedingen is blijven ontvangen en dat de Franse autoriteiten hem tot <DATE ISO="20001024">24 oktober 2000</DATE> zijn bezoldiging hebben uitbetaald. Tussen partijen staat immers vast dat het decreet van <DATE ISO="20000331">31 maart 2000</DATE> executoir was. Dat het Parlement niet onmiddellijk na de kennisgeving ervan door de Franse autoriteiten akte heeft genomen van het decreet, maar dat pas later heeft gedaan, en dat daaruit een aantal praktische gevolgen voor verzoeker zijn voortgevloeid, tast de juridische gevolgen die deze kennisgeving volgens artikel 12, lid 2, van de Akte van 1976 heeft, niet aan.</TXT></NP><NP><NO.P>95</NO.P><TXT>De argumenten van verzoeker, dat enerzijds artikel 5 van de wet van 1977 inbreuk maakt op de onafhankelijkheid van het Parlement en een ontoelaatbare inmenging in zijn werking vormt, en dat er anderzijds een algemeen beginsel bestaat volgens hetwelk <QUOT.START ID="QS0056" REF.END="QE0056" CODE="201A"/>het verval door de betrokken parlementaire vergadering moet worden vastgesteld<QUOT.END ID="QE0056" REF.START="QS0056" CODE="2019"/>, zijn niet gegrond. Zoals hierboven in punt 83 reeds is uiteengezet, bepaalt artikel 12, lid 2, eerste alinea, van de Akte van 1976 uitdrukkelijk dat een zetel van het Europees Parlement vacant kan worden op grond van <QUOT.START ID="QS0057" REF.END="QE0057" CODE="201A"/>de in een lidstaat toepasselijke nationale bepalingen<QUOT.END ID="QE0057" REF.START="QS0057" CODE="2019"/>. Aangezien er ten tijde van de feilen geen eenvormige verkiezingsprocedure bestond, was deze bepaling, en bijgevolg de wet van 1977, ten volle van toepassing. Hoe de bevoegdheden van het Parlement zich ook mogen hebben ontwikkeld, nieuwe bevoegdheden kunnen nooit tot gevolg hebben dat bepalingen van primair recht, zoals de Akte van 1976, niet meer van toepassing zijn zonder dal zij uitdrukkelijk zijn opgeheven door een tekst van dezelfde rang.</TXT></NP><NP><NO.P>96</NO.P><TXT>Om dezelfde redenen is hel argument van verzoeker inzake de voorrang van<?PAGE NO="I-6066"?> het gemeenschapsrecht niet ter zake dienend. In de onderhavige zaak is er geen sprake van tegenspraak of conflict tussen het nationale recht en het gemeenschapsrecht.</TXT></NP><NP><NO.P>97</NO.P><TXT>Uit de voorgaande overwegingen volgt dat in de onderhavige zaak het decreet van <DATE ISO="20000331">31 maart 2000</DATE> de maatregel is die bindende rechtsgevolgen heeft die de belangen van verzoeker kunnen schaden. De [litigieuze] handeling was niet erop gericht eigen rechtsgevolgen te sorteren, die losstaan van de rechtsgevolgen van het decreet.</TXT></NP><NP><NO.P>98</NO.P><TXT>Derhalve dient te worden geconcludeerd dat de [litigieuze] handeling niet vatbaar is voor een beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 230 EG. Het onderhavige beroep moet dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard zonder dat de andere middelen en argumenten met betrekking tot de ontvankelijkheid behoeven te worden onderzocht.<QUOT.END ID="QE0032" REF.START="QS0032" CODE="201D"/></TXT></NP></QUOT.S></P></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P>V —</NO.P><TXT>Hogere voorziening</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>41.</NO.P><TXT>In zijn hogere voorziening betwist rekwirant de vaststelling van het Gerecht dat de litigieuze handeling niet vatbaar is voor een beroep tot nietigverklaring en in het bijzonder dat zij geen rechtsgevolgen heeft die losstaan van de rechtsgevolgen van het decreet.</TXT></NP><NP><NO.P>42.</NO.P><TXT>Tevens heeft rekwirant in hogere voorziening verzocht om opschorting van de tenuitvoerlegging van de litigieuze handeling. Dit verzoek is door de president afgewezen.<NOTE NOTE.ID="E0007" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Zaak Le Pen/Europees Parlement (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-208/03 PR" YEAR="2003" PAGE.ECR="I-7939">C-208/03 PR, lurispr. blz. I-7939</REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>43.</NO.P><TXT>Het Parlement betoogt dat de hogere voorziening grotendeels niet-ontvankelijk is omdat rekwirant vrijwel alleen de door hem voor het Gerecht aangevoerde middelen herhaalt zonder precies aan te geven op welk punt het bestreden arrest op een onjuiste rechtsopvatting zou berusten. Rekwirant geeft niet aan welk deel van het bestreden arrest hij betwist, noch voert hij specifieke juridische argumenten ter onderbouwing van zijn kritiek aan.</TXT></NP><NP><NO.P>44.</NO.P><TXT>Dit argument weet mij niet te overtuigen. Het is een feit dat de hogere voorziening grotendeels het bij het Gerecht ingediende verzoekschrift herhaalt (zoals het Parlement benadrukt, stemmen de punten 25 tot en met 35, de punten 39 tot en met 45 en de punten 46 tot en met 60 van de hogere voorziening exact overeen met respectievelijk de punten 21 tot en met 31, de punten 32 tot en met 38 en de punten 82 tot en met 96 van het verzoekschrift). De hogere voorziening bevat echter ook argumenten ten gronde waaruit kan worden afgeleid welke delen van het arrest van het Gerecht door rekwirant worden betwist (zoals blijkt uit de volgende samenvatting).</TXT></NP><?PAGE NO="I-6067"?><NP><NO.P>45.</NO.P><TXT>Ik zal derhalve ingaan op de middelen ten gronde van de hogere voorziening, die er in wezen op neerkomen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het beroep tot nietigverklaring af te wijzen omdat de litigieuze handeling niet vatbaar zou zijn voor een beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 230 EG.</TXT></NP><NP><NO.P>46.</NO.P><TXT>Rekwirant betoogt om te beginnen in het bijzonder dat de vaststelling van het Gerecht dat de litigieuze handeling niet beoogde eigen rechtsgevolgen te sorteren die losstaan van de rechtsgevolgen van het decreet (punt 97 van het arrest), haaks slaat op de vaststelling dat het Parlement over een, zij het geringe, verificatiebevoegdheid beschikt (punt 91).</TXT></NP><NP><NO.P>47.</NO.P><TXT>Dit argument snijdt mijns inziens geen hout.</TXT></NP><NP><NO.P>48.</NO.P><TXT>Punt 91 moet in zijn context worden gelezen. In de punten 85 tot en met 88, die door rekwirant blijkbaar niet worden betwist, heeft het Gerecht zich over de draagwijdte van artikel 12, lid 2, van de Akte van 1976 gebogen en vastgesteld dat deze bepaling <QUOT.START ID="QS0058" REF.END="QE0058" CODE="201E"/>twee hypotheses met betrekking tot het vacant worden van zetels van leden van het Europees Parlement<QUOT.END ID="QE0058" REF.START="QS0058" CODE="201D"/> onderscheidt. De eerste dekt <QUOT.START ID="QS0059" REF.END="QE0059" CODE="201E"/>de gevallen waarin zetels vacant worden <QUOT.START ID="QS0060" REF.END="QE0060" CODE="201A"/>op grond van de toepasselijke nationale bepalingen<QUOT.END ID="QE0060" REF.START="QS0060" CODE="2019"/><QUOT.END ID="QE0059" REF.START="QS0059" CODE="201D"/>, de tweede <QUOT.START ID="QS0061" REF.END="QE0061" CODE="201E"/>alle andere gevallen<QUOT.END ID="QE0061" REF.START="QS0061" CODE="201D"/>. In de eerste hypothese, waartoe ook <QUOT.START ID="QS0062" REF.END="QE0062" CODE="201E"/>gevallen van onverkiesbaarheid<QUOT.END ID="QE0062" REF.START="QS0062" CODE="201D"/> behoren, <QUOT.START ID="QS0063" REF.END="QE0063" CODE="201E"/>is de taak van het Parlement beperkt tot het <QUOT.START ID="QS0064" REF.END="QE0064" CODE="201A"/>akte nemen<QUOT.END ID="QE0064" REF.START="QS0064" CODE="2019"/> van het vacant worden van de zetel van de betrokkene<QUOT.END ID="QE0063" REF.START="QS0063" CODE="201D"/>. In de tweede hypothese, die bijvoorbeeld betrekking heeft op het geval van het ontslag van een van zijn leden, <QUOT.START ID="QS0065" REF.END="QE0065" CODE="201E"/>constateert [het Parlement] dat een zetel vacant is, en brengt het de betrokken lidstaat daarvan op de hoogte<QUOT.END ID="QE0065" REF.START="QS0065" CODE="201D"/>.</TXT></NP><NP><NO.P>49.</NO.P><TXT>In de volgende twee punten, die hierboven zijn aangehaald, wordt het begrip <QUOT.START ID="QS0066" REF.END="QE0066" CODE="201E"/>akte nemen<QUOT.END ID="QE0066" REF.START="QS0066" CODE="201D"/> toegelicht.</TXT></NP><NP><NO.P>50.</NO.P><TXT>In de punten 91 en 92, die ik eveneens heb aangehaald, gaat het Gerecht in op de precieze draagwijdte van de bevoegdheden van het Parlement wanneer het akte neemt van een verklaring die is afgegeven door de nationale autoriteiten.</TXT></NP><NP><NO.P>51.</NO.P><TXT>Deze punten bevallen mijns inziens niets dat afbreuk doet aan de vaststelling van het Gerecht dat de litigieuze handeling geen eigen rechtsgevolgen beoogde Ie sorteren. Zij leiden integendeel tot deze conclusie. Zoals blijkt uit de hierboven aangehaalde citaten, legt het Gerecht duidelijk uit dat a) hel <QUOT.START ID="QS0067" REF.END="QE0067" CODE="201E"/>akte nemen<QUOT.END ID="QE0067" REF.START="QS0067" CODE="201D"/> betrekking heeft op het geval dat een zetel vacant wordt op grond van nationale bepalingen en b) het Parlement kan verifiëren of die zetel inderdaad vacant is, bijvoorbeeld door te onderzoeken of alle nationale rechtsmiddelen zijn uitgeput, maar meer ook niet. Uil deze beperkte verificatiebevoegdheid volgt dat hel <QUOT.START ID="QS0068" REF.END="QE0068" CODE="201E"/>akte nemen<QUOT.END ID="QE0068" REF.START="QS0068" CODE="201D"/> door het Parlement geen eigen rechtsgevolgen sorteert die losstaan van de rechtsgevolgen van de nationale bepalingen op grond waarvan de nationale autoriteiten het Parlement<?PAGE NO="I-6068"?> hebben meegedeeld dat de zetel vacant was geworden.</TXT></NP><NP><NO.P>52.</NO.P><TXT>Rekwirant betoogt ten tweede dat het Gerecht de strekking van artikel 12 van de Akte van 1976 verkeerd heeft beoordeeld door vast te stellen dat het decreet de enige maatregel is die bindende rechtsgevolgen heeft die de belangen van verzoeker kunnen schaden.<NOTE NOTE.ID="E0008" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Zie punt 97 van het arrest.</P></NOTE> Rekwirant voert voorbeelden aan uit de rechtspraak waarin de gemeenschapsrechter een gedragscode van de Commissie<NOTE NOTE.ID="E0009" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Arrest van <DATE ISO="19911113">13 november 1991</DATE>, Frankrijk/Commissie (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-303/90" YEAR="1991" PAGE.ECR="I-5315">C-303/90, Jurispr. blz. I-5315</REF.DOC.ECR>).</P></NOTE>, een mededeling van de Commissie<NOTE NOTE.ID="E0010" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Arrest van <DATE ISO="19930616">16 juni 1993</DATE>, Frankrijk/Commissie (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-325/91" YEAR="1993" PAGE.ECR="I-3283">C-325/91, Jurispr. blz. I-3283</REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> en een verklaring van een woordvoerder van een lid van de Commissie<NOTE NOTE.ID="E0011" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Arrest van <DATE ISO="19940324">24 maart 1994</DATE>, Air France/Commissie (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="T-3/93" YEAR="1994" PAGE.ECR="1994">T-3/93, Jurispr. 1994, blz. II-121</REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> als voor beroep vatbare handelingen heeft aangemerkt. Zijns inziens is ook de bedoeling van degene die de handeling verricht relevant. In casu gingen de juridische commissie en de voorzitter van het Parlement ervan uit dat de status van rekwirant werd gewijzigd doordat het Parlement akte nam. Het is dan ook misleidend om een onderscheid te maken tussen de juridische en de praktische gevolgen van de litigieuze handeling, zoals het Gerecht heeft gedaan door vast te stellen dat het feit dat het Parlement niet onmiddellijk na de kennisgeving van het decreet daarvan akte heeft genomen en dat daaruit een aantal praktische gevolgen voor verzoeker zijn voortgevloeid, de juridische gevolgen die deze kennisgeving volgens artikel 12, lid 2, van de Akte van 1976 heeft, niet aantast.<NOTE NOTE.ID="E0012" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Zie punt 94 van het arrest.</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>53.</NO.P><TXT>Rekwirant voert voorts aan dat het Hof in zijn rechtspraak geen duidelijk onderscheid maakt tussen juridische en praktische gevolgen. Hij verwijst in dit verband naar arresten waarin is vastgesteld dat het loutere feit dat een persoon een verplichting wordt opgelegd een juridisch gevolg sorteert<NOTE NOTE.ID="E0013" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Arrest van <DATE ISO="19590717">17 juli 1959</DATE>, SNUPAT/Haute Autorité (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="32/58+33/58" YEAR="1959" PAGE.ECR="275">32/58 en 33/58, Jurispr. blz. 275</REF.DOC.ECR>).</P></NOTE>, hetgeen ook geldt voor een besluit waardoor een persoon aan een financieel risico wordt blootgesteld<NOTE NOTE.ID="E0014" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Arrest van <DATE ISO="19920227">27 februari 1992</DATE>, Vichy/Commissie (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="T-19/91" YEAR="1992" PAGE.ECR="II-415">T-19/91, Jurispr. blz. II-415</REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> en voor een verzoek om inlichtingen bij wege van een beschikking uit hoofde van artikel 11, lid 5, van verordening nr. 17<NOTE NOTE.ID="E0015" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Verordening nr. 17 van de Raad van <DATE ISO="19620206">6 februari 1962</DATE>, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen [81] en [82] van het Verdrag (<REF.DOC.OJ COLL="P" NO.OJ="013" DATE.PUB="1962" PAGE.FIRST="204">PB 1962, 13, blz. 204</REF.DOC.OJ>).</P></NOTE>, aangezien de betrokken onderneming kan worden beboet indien zij de gewenste inlichtingen niet verstrekt.<NOTE NOTE.ID="E0016" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Arrest van <DATE ISO="19941109">9 november 1994</DATE>, Scottish Football/Commissie (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="T-46/92" YEAR="1994" PAGE.ECR="II-1039">T-46/92, Jurispr. blz. II-1039, punt 13</REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>54.</NO.P><TXT>De redenering in de punten 48 tot en met 51 van deze conclusie gaat ook grotendeels op voor het tweede argument van rekwirant. Uit de relevante punten van het arrest van het Gerecht, die hierboven zijn samengevat of aangehaald, blijkt dat het zorgvuldig heeft uitgelegd waarom de litigieuze handeling zijns inziens geen bindende rechtsgevolgen heeft. Volgens mij is deze beoordeling juist. Artikel 12, lid 2, van de Akte van 1976 heeft uitdrukkelijk betrekking op gevallen waarin een zetel vacant wordt <QUOT.START ID="QS0069" REF.END="QE0069" CODE="201E"/>op grond van de in een lidstaat toepasselijke nationale bepalingen<QUOT.END ID="QE0069" REF.START="QS0069" CODE="201D"/>. Uit de nationale bepalingen in kwestie volgt specifiek met betrekking tot het Europees Parlement dat wanneer een lid in de loop van zijn mandaat onverkiesbaar wordt, <QUOT.START ID="QS0070" REF.END="QE0070" CODE="201E"/>zijn mandaat eindigt<QUOT.END ID="QE0070" REF.START="QS0070" CODE="201D"/><?PAGE NO="I-6069"?> en dat de <QUOT.START ID="QS0071" REF.END="QE0071" CODE="201E"/>onverkiesbaarheid bij decreet [dient] te worden vastgesteld<QUOT.END ID="QE0071" REF.START="QS0071" CODE="201D"/>.<NOTE NOTE.ID="E0017" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Zie punt 14 van deze conclusie.</P></NOTE> De onverkiesbaarheid van rekwirant is op deze wijze vastgesteld, het Parlement werd hiervan op de hoogte gesteld en nam, overeenkomstig het bepaalde in artikel 12, lid 2, akte van dit feit.</TXT></NP><NP><NO.P>55.</NO.P><TXT>Rekwirant betoogt ten derde dat het Parlement, bij monde van zijn voorzitter, een besluit heeft genomen over zijn juridische situatie. Hieruit blijkt zijns inziens dat de litigieuze handeling niet automatisch voortvloeide uit een andere tekst, maar integendeel gebaseerd was op een beoordeling van feitelijke en juridische elementen.</TXT></NP><NP><NO.P>56.</NO.P><TXT>Mij is niet duidelijk welk punt van het arrest door rekwirant wordt betwist. Dit zou kunnen betekenen dat het derde middel van de hogere voorziening niet-ontvankelijk is. Ik zal echter ervan uitgaan dat rekwirant de procedure op het oog heeft die voorafging aan de vaststelling van de litigieuze handeling, en in het bijzonder het feit dat de voorzitter van het Parlement de juridische commissie om advies heeft verzocht. Het betrokken besluit is genomen op basis van artikel 7, lid 4, tweede alinea, van het Reglement.<NOTE NOTE.ID="E0018" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Aangehaald in punt 11 van deze conclusie.</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>57.</NO.P><TXT>De laatste zin van deze alinea suggereert inderdaad dat er een zekere beoordelingsvrijheid bestaat. Het lijkt echter duidelijk dat het Parlement in casu geen definitief standpunt wenste in te nemen zolang rekwirant de nationale rechtsmiddelen nog niet had uitgeput. Zodra dit het geval was, <QUOT.START ID="QS0072" REF.END="QE0072" CODE="201E"/>nam het akte<QUOT.END ID="QE0072" REF.START="QS0072" CODE="201D"/> van het decreet, en het beschikte hierbij niet over enige beoordelingsvrijheid. Hoewel artikel 7, lid 4, tweede alinea, van het Reglement bepaalt dat hel Parlement zich op voorstel van de bevoegde commissie <QUOT.START ID="QS0073" REF.END="QE0073" CODE="201E"/>over de aangelegenheid kan uitspreken<QUOT.END ID="QE0073" REF.START="QS0073" CODE="201D"/>, betekent dit niet dat het over een beoordelingsmarge beschikt wanneer de inhoud van het door het Parlement te nemen besluit duidelijk wordt bepaald door andere voorschriften. Het loutere feit dal om juridisch advies wordt verzocht, bewijst mijns inziens niet dat een discrelionaire bevoegdheid bestaat: het advies kan immers luiden dal een dergelijke bevoegdheid niet bestaat. In casu maakte de voorzitter van hel Parlement gebruik van de bevoegdheid om advies te vragen, maar waar het werkelijk om gaal, hel <QUOT.START ID="QS0074" REF.END="QE0074" CODE="201E"/>besluit<QUOT.END ID="QE0074" REF.START="QS0074" CODE="201D"/> waartegen rekwirant in de zin van artikel 230 EG beroep wil aantekenen, is het feit dat <QUOT.START ID="QS0075" REF.END="QE0075" CODE="201E"/>akte is genomen<QUOT.END ID="QE0075" REF.START="QS0075" CODE="201D"/>. En zoals is aangetoond bij de bespreking van de andere middelen van rekwirant, had hel Parlement op dit punt geen beoordelingsvrijheid.</TXT></NP><NP><NO.P>58.</NO.P><TXT>Bovendien blijkt volgens rekwirant uit de omstandigheid dal het Gerecht heeft opgemerkt dal hij zijn rechten voor de Franse Conseil d'État en voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft doen gelden, dat het Parlement een feitelijke en juridische beoordeling heeft verricht, zodat sprake is van een voor beroep vatbare handeling.<NOTE NOTE.ID="E0019" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Zie punt 91 van het arrest. Ik wils erop dal hel Europees Hof voor de Rechten van de Mens het beroep van rekwirant telten de in Frankrijk uitgesproken straf in 2001 heeft afgewezen.</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>59.</NO.P><TXT>Dil argument houdt geen steek. Het Gerecht heeft in punt 91 van zijn arrest in feite precies het tegenovergestelde vastgesteld, namelijk dat hel <QUOT.START ID="QS0076" REF.END="QE0076" CODE="201E"/>met name niet aan<?PAGE NO="I-6070"?> het Parlement [staat], na te gaan of de door het toepasselijke nationale recht ingestelde procedure en de fundamentele rechten van de betrokkene werden geëerbiedigd. Daartoe zijn immers uitsluitend de nationale rechtbanken of, desgevallend, het Europees Hof voor de rechten van de mens bevoegd<QUOT.END ID="QE0076" REF.START="QS0076" CODE="201D"/>. Door vervolgens eraan te herinneren dat rekwirant zijn rechten voor deze rechters had doen gelden, stelde het Gerecht simpelweg een feit vast dat aantoont dat rekwirant andere mogelijkheden had om zijn recht op rechterlijke toetsing van nationale maatregelen die hem raken, uit te oefenen, en dat hij deze heeft benut. Uit deze opmerking kan dan ook niet worden afgeleid dat het Parlement bevoegd was om een feitelijke en juridische beoordeling te verrichten en derhalve door <QUOT.START ID="QS0077" REF.END="QE0077" CODE="201E"/>akte te nemen<QUOT.END ID="QE0077" REF.START="QS0077" CODE="201D"/> een voor beroep vatbare handeling in de zin van artikel 230 EG heeft verricht.</TXT></NP><NP><NO.P>60.</NO.P><TXT>Rekwirant betoogt ten vierde dat de litigieuze handeling zelf uitvoerende maatregelen vereiste<NOTE NOTE.ID="E0020" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Zoals het geval was in de zaak Luxemburg/Parlement (arrest van <DATE ISO="19840410">10 april 1984</DATE>, <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-108/83" YEAR="1984" PAGE.ECR="1945">C-108/83, Jurispr. blz. 1945, punten 21 en 22</REF.DOC.ECR>).</P></NOTE>, vooral gezien het feit dat Frankrijk zijn bezoldiging bleef uitbetalen na de uitvaardiging van het decreet en tot de vaststelling van de litigieuze handeling.</TXT></NP><NP><NO.P>61.</NO.P><TXT>Aangenomen mag worden dat rekwirant met dit middel opkomt tegen de opmerking van het Gerecht in punt 94 van het arrest, dat zijn vaststelling dat de verificatiebevoegdheid van het Parlement bijzonder gering is, <QUOT.START ID="QS0078" REF.END="QE0078" CODE="201E"/>niet op losse schroeven [wordt] gesteld door het feit dat verzoeker tot <DATE ISO="20001023">23 oktober 2000</DATE> in het Parlement is blijven zetelen en ten laste van het Parlement vergoedingen is blijven ontvangen en dat de Franse autoriteiten hem tot <DATE ISO="20001024">24 oktober 2000</DATE> zijn bezoldiging hebben uitbetaald<QUOT.END ID="QE0078" REF.START="QS0078" CODE="201D"/>. Zoals het Gerecht vervolgens vaststelt, staat evenwel tussen partijen vast dat het decreet executoir was. Blijkens de brief van <DATE ISO="20000517">17 mei 2000</DATE> van de juridische commissie aan de voorzitter van het Parlement, die de dag daarop in het Parlement werd voorgelezen<NOTE NOTE.ID="E0021" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Zie punt 22 van deze conclusie.</P></NOTE>, nam het Parlement niet onmiddellijk na de bekendmaking door de Franse autoriteiten akte van het decreet, omdat het besloten had te wachten tot <QUOT.START ID="QS0079" REF.END="QE0079" CODE="201E"/>na afloop van de termijn voor beroep bij de Conseil d'État of zo mogelijk na het besluit van deze instelling<QUOT.END ID="QE0079" REF.START="QS0079" CODE="201D"/>. Het Gerecht merkt op <QUOT.START ID="QS0080" REF.END="QE0080" CODE="201E"/>dat [uit dit uitstel] een aantal praktische gevolgen voor verzoeker zijn voortgevloeid<QUOT.END ID="QE0080" REF.START="QS0080" CODE="201D"/> en stelde vervolgens geheel terecht vast dat dit <QUOT.START ID="QS0081" REF.END="QE0081" CODE="201E"/>de juridische gevolgen die deze kennisgeving volgens artikel 12, lid 2, van de Akte van 1976 heeft, niet [aantast]<QUOT.END ID="QE0081" REF.START="QS0081" CODE="201D"/>.</TXT></NP><NP><NO.P>62.</NO.P><TXT>Volgens rekwirant komt ten slotte in punt 97 van het arrest, waarin het Gerecht vaststelt dat de litigieuze handeling geen eigen rechtsgevolgen beoogde te sorteren die losstaan van de rechtsgevolgen van het decreet, het beginsel tot uitdrukking dat een bevestigende handeling niet vatbaar is voor beroep in de zin van artikel 230 EG. Volgens rekwirant is dit beginsel, dat in het bijzonder in het arrest Irish Cement<NOTE NOTE.ID="E0022" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Arrest van <DATE ISO="19881215">15 december 1988</DATE> (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="166/86+220/86" YEAR="1988" PAGE.ECR="6473">166/86 en 220/86, Jurispr. blz. 6473</REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> is uitgewerkt, slechts van toepassing wanneer<?PAGE NO="I-6071"?> het dispositief van de bevestigende handeling identiek is aan dat van een eerdere handeling, hetgeen in casu niet het geval is. Bovendien zijn de twee besluiten telkens in een andere context genomen, aangezien het Parlement de nieuwe juridische factoren die in de tussentijd waren opgetreden, met inbegrip van het besluit van de Conseil d'État, in aanmerking had genomen.</TXT></NP><NP><NO.P>63.</NO.P><TXT>Mijns inziens bevat punt 97 van het arrest niets dat erop wijst dat het Gerecht het concept van een bevestigende handeling in gedachten had. Feitelijk is het gehele arrest, waarvan punt 97 het op één na laatste punt is (afgezien van de punten betreffende de kosten), en de definitieve conclusie aankondigt, er — mijns inziens geheel terecht — op gericht aan te tonen dal hel decreet en de litigieuze handeling zowel qua opzei als qua praktische gevolgen van elkaar losslaan.</TXT></NP><NP><NO.P>64.</NO.P><TXT>Uil deze overwegingen volgi dat alle door rekwirant aangevoerde middelen niel-gegrond en/of niel-ontvankelijk zijn. Ik concludeer derhalve dat de hogere voorziening moet worden afgewezen.</TXT></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P>VI —</NO.P><TXT>Conclusie</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>65.</NO.P><TXT>In het licht van het voorgaande geef ik het Hof in overweging:</TXT><P><LIST TYPE="ARAB"><ITEM><NP><NO.P>1)</NO.P><TXT>de hogere voorziening af te wijzen;</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>2)</NO.P><TXT>rekwirant in de kosten te verwijzen.</TXT></NP></ITEM></LIST></P></NP></GR.SEQ></CONTENTS.CONCLUSION></CONCLUSION>