<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><CONCLUSION NNC="YES" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://formex.publications.europa.eu/schema/formex-05.00-20081231.xd"><BIB.CONCLUSION><REF.CASE FILE="ECRCJ2005NLA.0300183901.case.xml"><NO.CASE>C-22/03</NO.CASE></REF.CASE><NO.CELEX>62003C0022</NO.CELEX><NO.SEQ>0011.0001</NO.SEQ><PAGE.FIRST.ECR>1841</PAGE.FIRST.ECR><PAGE.SEQ>1</PAGE.SEQ><PAGE.LAST.ECR>1849</PAGE.LAST.ECR><PAGE.TOTAL>9</PAGE.TOTAL></BIB.CONCLUSION><CURR.TITLE><LEFT>CONCLUSIE VAN ADV.-GEN. RUIZJARABO — ZAAK C-22/03</LEFT><RIGHT>OPTIVER Ľ.A.</RIGHT></CURR.TITLE><CONTENTS.CONCLUSION><TITLE><TI><P><HT TYPE="UC">Conclusie van advocaat-generaal</HT></P><P><HT TYPE="UC">D. Ruiz-Jarabo Colomer</HT></P><P>van <DATE ISO="20041109">9 november 2004</DATE><NOTE NOTE.ID="E0001" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Oorspronkelijke taal: Spaans.</P></NOTE></P></TI></TITLE><NP><NO.P>1.</NO.P><TXT>De vragen die rijzen in deze prejudiciële zaak, zijn precies, en nauwkeurig afgebakend. De Rechtbank te Rotterdam (Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken) wenst te vernemen of richtlijn 69/335/EEG van de Raad van <DATE ISO="19690717">17 juli 1969</DATE> betreffende de indirecte belastingen op hel bijeenbrengen van kapitaal<NOTE NOTE.ID="E0002" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P><REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="249" DATE.PUB="1969" PAGE.FIRST="25">PB I. 249, blz. 25</REF.DOC.OJ>.</P></NOTE> (hierna: <QUOT.START ID="QS0001" REF.END="QE0001" CODE="201E"/>richtlijn<QUOT.END ID="QE0001" REF.START="QS0001" CODE="201D"/>), van toepassing is op de jaarlijkse heffing die de nationale op het effectenverkeer toezichthoudende autoriteit ter financiering van haar toezichthoudende activiteit oplegt aan de ondernemingen van de betrokken sector, welke heffing wordt berekend op basis van de bruto balen uit de gewone bedrijfsuitoefening van het voorafgaande jaar.</TXT><P>Indien het antwoord bevestigend luidt, wenst zij te vernemen of de betrokken heffing verboden is dan wel onder een van de in de betrokken richtlijn voorziene uitzonderingen valt.</P></NP><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P>I —</NO.P><TXT>Toepasselijke bepalingen</TXT></NP></TI></TITLE><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P>A —</NO.P><TXT>De richtlijn</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>2.</NO.P><TXT>De belastingen die in de lidstalen worden geheven over het bijeenbrengen van kapitaal, inzonderheid het zegelrecht en hel recht op de inbreng in vennootschappen, kunnen hel vrij verkeer van kapitaal binnen de Gemeenschap belemmeren, zodat de Raad ze in 1969 samen met andere heffingen van dezelfde aard heeft afgeschaft; in de plaats daarvan is overeenkomstig de artikelen 2 lol en met 9 van de richtlijn één enkele, geharmoniseerde belasting ingevoerd (punten 2 en 9 van de considerans, artikel 1).</TXT></NP><NP><NO.P>3.</NO.P><TXT>Artikel 4 geeft in lid 1 een opsomming van de verrichtingen die aan het kapitaalrecht moeten worden onderworpen. In lid 2 is bepaald welke verrichtingen de staten aan het kapitaalrecht kunnen onderwerpen. Tol de eerste categorie behoren de oprichting van een kapitaalvennootschap, de vermeerdering van hel vennootschappelijk kapitaal, en de vermeerdering van hel vennootschappelijk vermogen (lid 1, sub a, c en d), de omzetting van een vennootschap, niet zijnde een kapitaalvennootschap, in een kapilaalvennootschap<?PAGE NO="I-1842"?> (lid 1, sub b), en de overbrenging, van een derde land naar een lidstaat, of van een lidstaat naar een andere lidstaat, van de zetel van de werkelijke leiding van een vennootschap of van de statutaire zetel van de vennootschap (lid 1, sub e tot en met h).</TXT></NP><NP><NO.P>4.</NO.P><TXT>Ingevolge voormeld lid 2 kunnen aan het kapitaalrecht worden onderworpen de vermeerdering van het vennootschappelijk kapitaal door omzetting van winst, reserves of voorzieningen (sub a), de vermeerdering van het vennootschappelijk vermogen op verschillende wijzen (sub b), en het afsluiten van leningen bij derden, voorzover zij de schuldeisers recht geven op een aandeel in de winst, dan wel dezelfde functie hebben als een vermeerdering van het vennootschappelijk kapitaal (sub c en d).<NOTE NOTE.ID="E0003" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Volgens richtlijn 85/303/EEG van de Raad van <DATE ISO="19850619">19 juni 1985</DATE>, tot wijziging van richtlijn 69/335 (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="156" DATE.PUB="1985" PAGE.FIRST="23">PB L 156, biz. 23</REF.DOC.OJ>), mogen de lidstaten de belasting over de in artikel 4, lid 2, bedoelde verrichtingen handhaven indien zij op <DATE ISO="19840701">1 juli 1984</DATE> tegen het tarief van 1 % werden belast.</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>5.</NO.P><TXT>De lidstaten heffen geen enkele andere belasting ter zake van de in artikel 4 van de richtlijn bedoelde verrichtingen en van de inbreng, de leningen of de prestaties, verricht binnen het kader van de in artikel 4 bedoelde verrichtingen; evenmin heffen zij enige andere belasting over de inschrijving of enige andere formaliteit die een op het maken van winst gerichte vennootschap, vereniging of rechtspersoon vanwege haar rechtsvorm in acht moet nemen alvorens met haar werkzaamheden te kunnen beginnen (artikel 10).</TXT></NP><NP><NO.P>6.</NO.P><TXT>Meer in het bijzonder onderwerpen de lidstaten aan geen enkele belasting het opmaken, de uitgifte, de toelating ter beurze, het in omloop brengen of het verhandelen van aandelen, deelbewijzen of andere soortgelijke effecten, alsmede van certificaten van deze stukken, onverschillig door wie zij worden uitgegeven. Evenmin kunnen aan enige belasting worden onderworpen, leningen, met inbegrip van renten, afgesloten tegen uitgifte van obligaties of andere verhandelbare effecten, en alle daarmede verband houdende formaliteiten (artikel 11).</TXT></NP><NP><NO.P>7.</NO.P><TXT>In afwijking van het voorgaande kunnen evenwel toch worden geheven (1) overdrachtsrechten wegens inbreng van roerende of andere zaken, en rechten op de vestiging, inschrijving of doorhaling van voorrechten en hypotheken; (2) de belasting over de toegevoegde waarde; en (3) rechten met het karakter van een vergoeding (artikel 12, lid 1).</TXT></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P>B —3</NO.P><TXT>Bepalingen van Nederlands recht</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>8.</NO.P><TXT>De Wet toezicht effectenverkeer 1995<NOTE NOTE.ID="E0004" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Staatsblad 1995, 574. Deze wet die is gewijzigd bij de wet van <DATE ISO="20011206">6 december 2001</DATE> (Staatsblad 2001, 584), behelst de omzetting in Nederlands recht van richtlijnen 93/6/EEG van de Raad van <DATE ISO="19930315">15 maart 1993</DATE> inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="141" DATE.PUB="1993" PAGE.FIRST="1">PB L 141, blz. 1</REF.DOC.OJ>), en 93/22/EEG van de Raad van <DATE ISO="19930510">10 mei 1993</DATE> betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="141" DATE.PUB="1993" PAGE.FIRST="27">PB L 141, blz. 27</REF.DOC.OJ>).</P></NOTE> (hierna: <QUOT.START ID="QS0002" REF.END="QE0002" CODE="201E"/>Wte 1995<QUOT.END ID="QE0002" REF.START="QS0002" CODE="201D"/>) regelt het administratief toezicht op het effectenverkeer. Dit toezicht is krachtens artikel 40 Wte 1995 en bij het<?PAGE NO="I-1843"?> Overdrachtsbesluit Wte 1995<NOTE NOTE.ID="E0005" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P><HT TYPE="ITALIC">Staatsblad</HT> 1995, 624.</P></NOTE>, door de minister van financiën gedelegeerd aan de Stichting Autoriteit Financiële Markten (hierna: <QUOT.START ID="QS0003" REF.END="QE0003" CODE="201E"/>AFM<QUOT.END ID="QE0003" REF.START="QS0003" CODE="201D"/>). De wel geldt zowel voor effectenbemiddelaars als voor vermogensbeheerders, zoals respectievelijk omschreven in artikel 1, sub b en c, welke twee categorieën worden aangeduid als <QUOT.START ID="QS0004" REF.END="QE0004" CODE="201E"/>effecteninstellingen<QUOT.END ID="QE0004" REF.START="QS0004" CODE="201D"/> (artikel 1, lid 1, sub d).</TXT></NP><NP><NO.P>9.</NO.P><TXT>Volgens artikel 7, leden 1 en 4, Wte 1995, is een vergunning vereist om de betrokken activiteit te mogen uitoefenen.</TXT></NP><NP><NO.P>10.</NO.P><TXT>Artikel 42 Wte 1995 bepaalt dat de kosten die worden gemaakt voor het toezicht op de effecteninstellingen in rekening kunnen worden gebracht volgens door de minister vast te stellen regels.</TXT></NP><NP><NO.P>11.</NO.P><TXT>De Regeling toezichtskoslen Wet toezicht effectenverkeer 1995<NOTE NOTE.ID="E0006" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Staatscourant 2000, 137, blz. 10.</P></NOTE> (hierna: <QUOT.START ID="QS0005" REF.END="QE0005" CODE="201E"/>Regeling toezichtskosten<QUOT.END ID="QE0005" REF.START="QS0005" CODE="201D"/>), verleent de AFM bevoegdheid om jaarlijks de kosten voortvloeiende uit de uitoefening van haar taken en bevoegdheden in rekening te brengen bij onder meer de in Nederland gevestigde effecteninstellingen die houder zijn van een vergunning afgegeven overeenkomstig artikel 7 Wte. De heffingen worden jaarlijks bepaald door de minister van financiën op basis van de begroting van de AFM, zoals goedgekeurd door de minister, die een raming beval van de te verwachten kosten en ontvangsten, op een zodanige wijze dat de kosten worden gedekt uil de ontvangsten (artikelen 2 en 3).</TXT></NP><NP><NO.P>12.</NO.P><TXT>De AFM haalt haar inkomsten uit twee soorten belastingen. Er bestaan vaste tarieven voor de vergoeding van bepaalde diensten, zoals de behandeling van vergunningaanvragen (artikel 4). Naast deze specifieke heffing is er een abstracte heffing, die wordt berekend aan de hand van de inkomsten van de effecteninstellingen, gegenereerd in het aan de begroting voorafgaande jaar (artikel 5), waarmee wordt bedoeld de bruto baten uit effeclengerelaleerde activiteiten (toelichting bij artikel 1).</TXT></NP><NP><NO.P>13.</NO.P><TXT>De Vaststellingsregeling bedragen Regeling toezichtskoslen Wet toezicht effectenverkeer 1995 voor 2000<NOTE NOTE.ID="E0007" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Staatscourant 2000, 137, blz. 9.</P></NOTE> (hierna: <QUOT.START ID="QS0006" REF.END="QE0006" CODE="201E"/>Vaststellingsregeling 2000<QUOT.END ID="QE0006" REF.START="QS0006" CODE="201D"/>) preciseert in artikel 3 de bedragen als bedoeld in artikel 5 van de Regeling toezichtskoslen, die gaan van <FT TYPE="NUMBER">10000</FT> NLG, voor ondernemingen met jaarlijkse bruto baten tot <FT TYPE="NUMBER">2500000</FT> NLG, tol <FT TYPE="NUMBER">2000000</FT> NLG, voor ondernemingen met bruto balen van meer dan <FT TYPE="NUMBER">1280000000</FT> NLG.</TXT></NP></GR.SEQ></GR.SEQ><?PAGE NO="I-1844"?><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P>II —</NO.P><TXT>De feiten van het hoofdgeding en de prejudiciële vraag</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>14.</NO.P><TXT>Optiver BV, Robeco Obligatie Dividend-Funds NV, All Options International BV en de andere ondernemingen, 39 in totaal, die in de verwijzingsbeschikking van de Rechtbank te Rotterdam zijn opgesomd (hierna: <QUOT.START ID="QS0007" REF.END="QE0007" CODE="201E"/>Optiver e.a.<QUOT.END ID="QE0007" REF.START="QS0007" CODE="201D"/>)> zijn in Nederland gevestigde en overeenkomstig artikel 7 Wte 1995 opgerichte effecteninstellingen.</TXT></NP><NP><NO.P>15.</NO.P><TXT>Op <DATE ISO="20000815">15 augustus 2000</DATE> zond de AFM (destijds genaamd Stichting Toezicht Effectenverkeer) de betrokken ondernemingen overeenkomstig artikel 5 van de Regeling toezichtskosten een heffingsaanslag berekend op basis van de bruto baten uit de vergunde activiteit tijdens het voorgaande jaar.</TXT></NP><NP><NO.P>16.</NO.P><TXT>Nadat zij tijdens de administratieve procedure op bezwaar slechts gedeeltelijk in het gelijk waren gesteld, hebben Optiver e.a. beroep ingesteld bij de rechter, stellende dat de litigieuze heffing in strijd is met artikel 11 van de richtlijn.</TXT></NP><NP><NO.P>17.</NO.P><TXT>Gelet op een en ander, heeft de Rechtbank te Rotterdam het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende vraag:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START ID="QS0008" REF.END="QE0008" CODE="201E"/>Staat de richtlijn, en met name de interpretatie van de artikelen 11 en 12, eraan in de weg dat van effecteninstellingen een heffing in de hiervoor beschreven zin op de bruto baten uit effectengerelateerde activiteiten wordt geheven?<QUOT.END ID="QE0008" REF.START="QS0008" CODE="201D"/></P></QUOT.S></P></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P>III —</NO.P><TXT>Procesverloop voor het Hof van Justitie</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>18.</NO.P><TXT>Binnen de termijn van artikel 20 van het Statuut-EG van het Hof van Justitie zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door de verzoeksters in het hoofdgeding, uitgezonderd de tien laatste verzoeksters op de lijst in de verwijzingsbeschikking, de verwerende overheidsinstelling, de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en die van het Verenigd Koninkrijk, en de Commissie.</TXT></NP><NP><NO.P>19.</NO.P><TXT>Ter terechtzitting van <DATE ISO="20040930">30 september 2004</DATE> zijn mondelinge opmerkingen gemaakt door de partijen die aan de schriftelijke fase hebben deelgenomen, behoudens de regering van het Verenigd Koninkrijk.</TXT></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P>IV —</NO.P><TXT>Bespreking van de prejudiciële vraag</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>20.</NO.P><TXT>Zoals gezegd, wenst de Rechtbank te Rotterdam te vernemen of heffingen zoals<?PAGE NO="I-1845"?> die welke aan de orde zijn in het hoofdgeding, verenigbaar zijn met de richtlijn, zodat moet worden vastgesteld wat de werkingssfeer van de richtlijn is.</TXT></NP><NP><NO.P>21.</NO.P><TXT>In zijn vroegste uitspraken over deze kwestie heeft het Hof van Justitie verklaard dat de richtlijn ter bevordering van het vrije kapitaalverkeer de verschillende indirecte belastingen die voorheen in de lidstaten werden geheven op hel bijeenbrengen van kapitaal, beoogt te vervangen door één, zowel wat de percentages als wat de structuur betreft, geharmoniseerd kapitaalrecht.<NOTE NOTE.ID="E0008" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Aldus voor het eerst in het arrest van <DATE ISO="19790627">27 juni 1979</DATE>. Conradsen (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="161/78" YEAR="1979" PAGE.ECR="2221">161/78, Jurispr. blz. 2221. punt 11</REF.DOC.ECR>). Idem in de latere uitspraken van <DATE ISO="19871112">12 november 1987</DATE>, Anno Aandelen Fonds (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="112/86" YEAR="1987" PAGE.ECR="4453">112/86, lurisnr. blz. 4453, punt 7</REF.DOC.ECR>), en <DATE ISO="19960611">11 juni 1996</DATE>, Denkavit Internationaal e.a. (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-2/94" YEAR="1996" PAGE.ECR="I-2827">C-2/94, lurispr. blz. I-2827, punten 16 en 17</REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>22.</NO.P><TXT>Hieruit volgt dat de gewenste harmonisatie niet de directe maar alleen de indirecte belastingen betreft.<NOTE NOTE.ID="E0009" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>In het arrest van <DATE ISO="19960926">26 september 1996</DATE>, Frederiksen (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-287/94" YEAR="1996" PAGE.ECR="I-4581">287/94, Jurisnr. blz. I-4581</REF.DOC.ECR>), heet het dal de werkingssfeer van de richtlijn beperkt blijft tot indirecte belastingen, en Reen gevolgen heeft voor de directe belastingen, zoals de belasting op de inkomsten van vennootschappen; zij verzet /ich er namelijk niet legen dat een moedermaatschappij die aan een van haar dochtermaatschappijen een renteloze lening heeft verstrekt, wordt onderworpen aan inkomstenbelasting over een achteraf bepaalde rente (punten 20-22). Op dezelfde gronden heeft bet Hof verklaard dat de betrokken gemeenschapsregeling zich er niet tegen verzet dat van kapitaalvennootschappen een belasting als de belasting op het netto vermogen van ondernemingen wordt geheven, aangezien niet de overdracht van kapitaal of goederen aan een ka])ilaalvennootschap en evenmin een daadwerkelijke vermeerdering van het vennootschappelijk kapitaal of vermogen wordt belast (arrest van <DATE ISO="19981027">27 oktober 1998</DATE>, Nonwovcn, <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-4/97" YEAR="1998" PAGE.ECR="I-6469">C-4/97, Jurispr. blz. I-6469, punten 20, 21 en 25</REF.DOC.ECR>). Deze uitspraak is bevestigd in de beschikking van <DATE ISO="20010315">15 maart 2001</DATE>, Pctrolvilla &amp; Bortolotli e. a. (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-279/99+C-293/99+C-296/99+C-330/99+C-336/99" YEAR="2001" PAGE.ECR="I-2339">C-279/99, C-293/99, C-296/99, C-330/99 en C-336/99, lurispr. blz. I-2339</REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> Bovendien zijn binnen laatstbedoelde categorie belastingen alleen die van belang welke als belastbare handeling het bijeenbrengen van kapitaal hebben, aangezien dit bijdraagt lot de versterking van hel economisch potentieel van de ondernemingen.<NOTE NOTE.ID="E0010" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Deze zienswijze komt tol uitdrukking in hel arrest van <DATE ISO="19820715">15 juli 1982</DATE>. Felicitas Itickniers-I.inic (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="270/81" YEAR="1982" PAGE.ECR="2771">270/81. lurispr. blz. 2771</REF.DOC.ECR>), en is later herhaald in de arresten van <DATE ISO="19910205">5 februari 1991</DATE>, Dellakabel (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-15/89" YEAR="1991" PAGE.ECR="I-241">C-15/89. lurispr: blz. I-241</REF.DOC.ECR>), en Trave Schiffahrls Gesellschaft (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-249/89" YEAR="1991" PAGE.ECR="I-257">C-249/89, lurispr. blz. 1 257</REF.DOC.ECR>), alsook in het arresi van <DATE ISO="19880202">2 februari 1988</DATE>, Dansk Sparinvest (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="36/86" YEAR="1988" PAGE.ECR="409">36/86, lurisnr. blz. 409</REF.DOC.ECR>). Op basis van deze theorie is beslist dal de richtlijn niet van toepassing is op een nationale belasting op de eventuele meerwaarde van een onroerend goed, die wordt vastgesteld op het tijdstip van de inbreng van dit goed in een kapitaalvennontscha]) (arrest van <DATE ISO="19971211">11 december 1997</DATE>, Immobiliare SIF, <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-42/96" YEAR="1997" PAGE.ECR="I-7089">C-42/96, lurispr. blz. I-7089</REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> Daarbij komt nog dat de afbakening niet beperkt blijft tot dit aspect, maar eveneens een subjectieve dimensie heeft, aangezien inbrengen in personenvennootschappen buiten de werkingssfeer ervan vallen.<NOTE NOTE.ID="E0011" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Arrest van <DATE ISO="20020516">16 mei 2002</DATE>, Palais am Sladtpark Hotelbelriebs gesellschaft (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-508/99" YEAR="2002" PAGE.ECR="I-4455">0508/99, lurispr. blz. I-4455, punt 28</REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>23.</NO.P><TXT>Met andere woorden, een belasting die drukt op de handelingen die zijn opgesomd in artikel 4 van de richtlijn, en die kapitaalvennootschappen betreffen, zijn de concrete uiting van het bijeenbrengen van middelen en van een versterking van hel economisch gewicht van de vennootschap, en vormt als zodanig een <QUOT.START ID="QS0009" REF.END="QE0009" CODE="201E"/>belasting op de inbreng<QUOT.END ID="QE0009" REF.START="QS0009" CODE="201D"/> in de zin van bedoelde regeling van gemeenschapsrecht.<NOTE NOTE.ID="E0012" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Deze idee ligt len grondslag aan het arrest van <DATE ISO="19960213">13 februari 1996</DATE>, Bauliaa en Société Française Maritime (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-197/94+C-252/94" YEAR="1996" PAGE.ECR="I-505">C-197/94 en C-252/94, lurispr. blz. I-505. punten 31 en 32</REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>24.</NO.P><TXT>De verbodsbepalingen van artikel 10 van de richtlijn verbieden de lidstalen dus indirecte belastingen Ie heffen die dezelfde kenmerken vertonen als hel kapitaalrecht. Bedoeld zijn de belastingen die verschuldigd zijn voor de oprichting of vermeerdering van het vennootschappelijk kapitaal van een<?PAGE NO="I-1846"?> kapitaalvennootschap (artikel 10, sub a), of voor de inschrijving of elke andere formaliteit die een vennootschap vanwege haar rechtsvorm in acht moet nemen alvorens met haar werkzaamheden te kunnen beginnen (artikel 10, sub c).<NOTE NOTE.ID="E0013" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Deze formule komt voor het eerst voor in het reeds aangehaalde arrest Denkavit Internationaal e.a. (punt 23), hoewel er een duidelijk precedent was in het arrest van <DATE ISO="19930420">20 april 1993</DATE>, Ponente Carni en Cispadana Costruzioni (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-71/91+C-178/91" YEAR="1993" PAGE.ECR="I-1915">C-71/91 en C-178/91, Jurispr. blz. I-1915, punt 29</REF.DOC.ECR>). De formule heeft ingang gevonden en is overgenomen in de arresten van <DATE ISO="19971202">2 december 1997</DATE>, Fantask e.a. (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-188/95" YEAR="1997" PAGE.ECR="I-6783">C-188/95, Jurispr. blz. I-6783, punt 21</REF.DOC.ECR>); <DATE ISO="19980305">5 maart 1998</DATE>, Solred (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-347/96" YEAR="1998" PAGE.ECR="I-937">C-347/96, Jurispr. blz. I-937, punt 21</REF.DOC.ECR>); <DATE ISO="20020319">19 maart 2002</DATE>, Commissie/Griekenland (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-426/98" YEAR="2002" PAGE.ECR="I-2793">C-426/98, Jurispr. blz. I-2793, punt 24</REF.DOC.ECR>), en <DATE ISO="20020910">10 september 2002</DATE>, Prisco en Caser (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-216/99+C-222/99" YEAR="2002" PAGE.ECR="I-6761">C-216/99 en C-222/99, Jurispr. blz. I-6761, punt 48</REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>25.</NO.P><TXT>Dit verbod vindt zijn rechtvaardiging in het feit dat dergelijke belastingen, hoewel zij niet drukken op de inbreng als zodanig, worden geheven ter zake van de formaliteiten die verband houden met de rechtsvorm van de vennootschap, dat wil zeggen het medium dat voor het bijeenbrengen van kapitaal wordt gebruikt. Het bestaan van dergelijke belastingen zou dus de doelstellingen van de richtlijn kunnen doorkruisen.<NOTE NOTE.ID="E0014" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Deze idee is geformuleerd door advocaat-generaal Jacobs in punt 44 van zijn conclusie in de reeds aangehaalde zaak Denkavit Internationaal e.a., en is door het Hof aanvaard in zijn arrest in die zaak en in de andere in de vorige voetnoot aangehaalde zaken. Zij is eveneens terug te vinden in de arresten van <DATE ISO="19981027">27 oktober 1998</DATE>, AGAS (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-152/97" YEAR="1998" PAGE.ECR="I-6553">C-152/97, Jurispr. blz. I-6553, punt 21</REF.DOC.ECR>), en <DATE ISO="20020118">18 januari 2002</DATE>, P.P. Handelsgesellschaft (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-113/99" YEAR="2002" PAGE.ECR="I-471">C-113/99, Jurispr. blz. I-471, punt 21</REF.DOC.ECR>); zie ook de reeks <QUOT.START ID="QS0010" REF.END="QE0010" CODE="201E"/>Portugese zaken<QUOT.END ID="QE0010" REF.START="QS0010" CODE="201D"/>, namelijk de arresten van <DATE ISO="19990929">29 september 1999</DATE>, Modelo I (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-56/98" YEAR="1999" PAGE.ECR="I-6427">C-56/98, Jurispr. blz. I-6427, punt 24</REF.DOC.ECR>); <DATE ISO="20000921">21 september 2000</DATE>, Modelo II (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-19/99" YEAR="2000" PAGE.ECR="I-7213">C-19/99, Jurispr. blz. I-7213, punt 24</REF.DOC.ECR>); <DATE ISO="20000926">26 september 2000</DATE>, IGI (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-134/99" YEAR="2000" PAGE.ECR="I-7717">C-134/99, Jurispr. blz. I-7717, punt 22</REF.DOC.ECR>), en <DATE ISO="20010621">21 juni 2001</DATE>, SONAE (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-206/99" YEAR="2001" PAGE.ECR="I-4679">C-206/99, Jurispr. blz. I-4679, punt 28</REF.DOC.ECR>).</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>26.</NO.P><TXT>Uit het overzicht hiervoor volgt duidelijk, dat de heffingen die in casu aan de orde zijn, niet binnen de werkingssfeer van de richtlijn vallen, aangezien zij niet onder de verbodsbepalingen van die regeling vallen.</TXT></NP><NP><NO.P>27.</NO.P><TXT>Verschillende argumenten pleiten voor deze zienswijze omdat de betrokken heffingen niet drukken op een van de transacties of verrichtingen als bedoeld in artikel 4 van de richtlijn, die de juridische uitdrukking zijn van het bijeenbrengen van kapitaal en bijdragen tot de versterking van de economische positie van de onderneming. Het gaat om een heffing-welke term ik in de ruimste betekenis gebruik — die moet worden betaald door ondernemingen op de effectenmarkt om de activiteiten van de toezichthoudende instantie te financieren: daarom kan niet worden gesproken van een belasting op de inbreng in de vennootschap, aangezien het in beginsel mogelijk is dat de eigenaars van deze ondernemingen natuurlijke personen zijn of, wat de vennootschappen betreft, personenvennootschappen.<NOTE NOTE.ID="E0015" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Deze zaak vertoont gelijkenis met de zaak Denkavit Internationaal e.a., die ging over een heffing die geen verband hield met formaliteiten die kapitaalvennootschappen vanwege hun rechtsvorm in acht moeten nemen; de heffing kon namelijk worden verlangd van een natuurlijke persoon en wat vennootschappen betreft, van een personenvennootschap (punten 25 en 26).</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>28.</NO.P><TXT>Voorzover het nu gaat om heffingen die de vergunde vennootschappen jaarlijks moeten afdragen, vertonen zij gelijkenis met een belasting bij de inschrijving of een belasting waaraan de noodzakelijke formaliteiten om activiteiten te kunnen ontplooien, worden onderworpen. Verder mag niet worden vergeten dat artikel 10, sub c, van de richtlijn, zoals uitgelegd door de gemeenschapsrechtspraak, alleen geldt voor dergelijke heffingen die aan kapitaalvennootschappen worden opgelegd, wanneer er een verband bestaat met de noodzakelijke vereiste van het inzamelen of verhogen van het kapitaal. Dit kan niet worden gezegd van de heffing door de AFM voor de financiering van haar activiteiten, aangezien elk verband ontbreekt met de formaliteiten die verzoekende vennootschappen<?PAGE NO="I-1847"?> in het hoofdgeding moeten verrichten om hun kapitaal bijeen te brengen. Anders dan het geval was in de reeks <QUOT.START ID="QS0011" REF.END="QE0011" CODE="201E"/>Portugese zaken<QUOT.END ID="QE0011" REF.START="QS0011" CODE="201D"/>, waarin het Hof zich uitsprak tegen rechten die werden geheven voor het opmaken van notariële stukken betreffende binnen de werkingssfeer van de richtlijn vallende verrichtingen (arresten Modelo I en Modelo II) of voor de inschrijving van de verhoging van het maatschappelijk kapitaal in een nationaal register (arresten IGI en SONAE), komt in de onderhavige zaak de litigieuze heffing niet overeen met een van de in de betrokken bepaling bedoelde gevallen.<NOTE NOTE.ID="E0016" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Het geval dat in de onderhavige zaak aan de orde is, vertoont gelijkenis met dal waarover het ging in het arrest van <DATE ISO="19971211">11 december 1997</DATE>, Locamion (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-8/96" YEAR="1997" PAGE.ECR="I-7055">C-8/96, Jurispr. blz. I 7055</REF.DOC.ECR>), waarin het Hof oordeelde dat de richtlijn geen verbod stelde op een heffing zoals de registratiebelasting van voertuigen, aangezien die niet de inbreng van voertuigen in een kapitaalvennootschap, doch meer bepaald het in hel verkeer brengen ervan belast (punt 31).</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>29.</NO.P><TXT>Zelfs artikel 11 levert geen steun op voor de zienswijze van verzoeksters in het hoofdgeding, aangezien de verwijzing naar het verhandelen van aandelen, deelbewijzen of andere soortgelijke effecten wegens de opzet van de richtlijn aldus moet worden begrepen, dat daarmee worden bedoeld de transacties die bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstelling die erin bestaat het vennootschappelijk kapitaal bijeen te brengen, en niet enige andere maatregel die verband houdt met deze effecten en, zoals in de onderhavige zaak het geval is, geen enkel verband houdt met voormelde doelstelling. Bedoelde verzoeksters zijn actief op de effectenmarkt, doch de litigieuze heffing wordt hun niet in rekening gebracht wegens hun transacties ter vermeerdering van hel maatschappelijk vermogen maar om de kosten te dekken van het overheidsorgaan dat is belast met het toezicht op de financiële sector waarin zij hun activiteiten ontplooien. Zo verklaarde het Hof bijvoorbeeld in het arrest Dansk Sparinvesl (reeds aangehaald), naar aanleiding van het geval van een beleggingsmaatschappij die certificaten had uilgegeven welke een aandeel in het vermogen vertegenwoordigden, dal die verrichting voor de betrokken lidstaat (Denemarken) geen grond opleverde om een belasting over de inbreng te heffen, aangezien het economisch potentieel van de maatschappij niet was vergroot, en haar situatie voor en na de uitgifte dezelfde was.</TXT></NP><NP><NO.P>30.</NO.P><TXT>Het arrest FECSA en ACESA<NOTE NOTE.ID="E0017" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Arrest van <DATE ISO="19981027">27 oktober 1998</DATE> (<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-31/97+C-32/97" YEAR="1998" PAGE.ECR="I-6491">C-31/97 en C-32/97, lurispr. blz. I-6491</REF.DOC.ECR>).</P></NOTE> preciseert dal artikel 11, sub b, van de richtlijn de terugbetaling van een obligatielening <QUOT.START ID="QS0012" REF.END="QE0012" CODE="201E"/>als globale verrichting voor het bijeenbrengen van kapitaal<QUOT.END ID="QE0012" REF.START="QS0012" CODE="201D"/> aan belasting onderwerpt (punt 18).</TXT></NP><NP><NO.P>31.</NO.P><TXT>Ten slotte is in hel recente arrest van <DATE ISO="20040715">15 juli 2004</DATE>, Commissie/België<NOTE NOTE.ID="E0018" NUMBERING.CONTINUED="YES"><P>Zaak <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-415/02" YEAR="2004" PAGE.ECR="I-7215">C-415/02, lurispr. blz. I-7215</REF.DOC.ECR>,.</P></NOTE>, onder verwijzing naar punt 14 van de conclusie van advocaat-generaal Tizzano de in het vorige punt tussen aanhalingstekens geplaatste passus overgenomen om te herinneren aan de samenhang die moet bestaan tussen de effectenhandel en hel bijeenbrengen van kapitaal (punt 32). Gelei op een en ander, is in punt 40 vastgesteld dat artikel 11, sub a, het heffen van belasting verbiedt over beursverrichtingen, voorzover die belasting wordt geheven over nieuwe effecten <QUOT.START ID="QS0013" REF.END="QE0013" CODE="201E"/>die zijn uitgegeven hetzij bij de oprichting van een vennootschap of een beleggingsfonds, hetzij na een kapitaalverhoging, hetzij bij de uitgifte van een lening<QUOT.END ID="QE0013" REF.START="QS0013" CODE="201D"/>.</TXT></NP><?PAGE NO="I-1848"?><NP><NO.P>32.</NO.P><TXT>Samengevat, valt een heffing zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is buiten de werkingssfeer van de richtlijn, zodat zij niet in strijd is met het gemeenschapsrecht.</TXT></NP><NP><NO.P>33.</NO.P><TXT>Ondanks de lovenswaardige inspanningen van verzoeksters in het hoofdgeding die de aanzet hebben gegeven tot de onderhavige prejudiciële procedure, om te pogen het Hof van Justitie van het tegendeel te overtuigen, kunnen hun argumenten niet worden aanvaard. Hoewel namelijk de door de AFM van Optiver e.a. verlangde heffing ongetwijfeld en onweersproken een belasting is, is het belastbaar feit niet een van de in artikel 11 opgesomde omstandigheden, want deze transacties zijn, zoals gezegd, onderworpen aan de belasting over de inbreng, en kunnen dus niet aan enige andere belasting worden onderworpen, omdat zij het instrument zijn voor het <QUOT.START ID="QS0014" REF.END="QE0014" CODE="201E"/>bijeenbrengen van kapitaal<QUOT.END ID="QE0014" REF.START="QS0014" CODE="201D"/>, dat conform het doel van de richtlijn aan één, geharmoniseerde indirecte belasting is onderworpen.</TXT></NP><NP><NO.P>34.</NO.P><TXT>Wat artikel 12 betreft, beschouwd in samenhang met de artikelen 10 en 11, zij opgemerkt dat de daarin opgenomen afwijkingen, die strikt moeten worden uitgelegd, bedoeld zijn om juridische feiten te belasten die niets te maken hebben met het bijeenbrengen van kapitaal en niet bijdragen tot de versterking van het economisch potentieel van de ondernemingen, hoewel zij plaatsvinden tegen de achtergrond van dergelijke omstandigheden. Hiervan uitgaand heeft het Hof van Justitie in verband met artikel 12, lid 1, sub e (<QUOT.START ID="QS0015" REF.END="QE0015" CODE="201E"/>rechten met het karakter van een vergoeding<QUOT.END ID="QE0015" REF.START="QS0015" CODE="201D"/>), vastgesteld dat het daarbij gaat om <QUOT.START ID="QS0016" REF.END="QE0016" CODE="201E"/>retributies die worden geheven als tegenprestatie voor door de wet met een doel van algemeen belang voorgeschreven verrichtingen, zoals de inschrijving van kapitaalvennootschappen<QUOT.END ID="QE0016" REF.START="QS0016" CODE="201D"/>, welke rechten moeten <QUOT.START ID="QS0017" REF.END="QE0017" CODE="201E"/>worden berekend op basis van de kosten<QUOT.END ID="QE0017" REF.START="QS0017" CODE="201D"/> van de betrokken verrichting (arrest Ponente Carni), met dien verstande dat forfaitaire rechten voor onbepaalde tijd kunnen worden vastgesteld mits die bedragen de gemiddelde kosten van de verrichtingen niet overschrijdt (arrest Fantask e.a.).</TXT></NP><NP><NO.P>35.</NO.P><TXT>In dit verband moet bij wijze van voorbeeld worden gewezen op het arrest Immobiliare SIF, waaruit valt af te leiden dat de belastingen op de overdracht van onroerende goederen of handelseigendommen als bedoeld in artikel 12, lid 1, sub b, als belastbaar feit niet de inbreng van onroerende goederen in een kapitaalvennootschap hebben (punt 30), maar wegens de betrokken verrichtingen worden geheven op grond van algemene en objectieve criteria (punt 34). Ingevolge de betrokken bepaling is het de lidstaten dus toegestaan naast het bij de richtlijn geharmoniseerde recht, rechten te heffen waarvan het belastbare feit verband houdt met voormelde transacties (punt 35).</TXT></NP><NP><NO.P>36.</NO.P><TXT>Om dezelfde redenen is volgens het arrest FECSA en ACESA met de richtlijn onverenigbaar de heffing van de Spaanse belasting op de notariële akte die de terugbetaling van een obligatielening vaststelt; deze transactie is opgenomen in artikel 11, sub b, en kan niet onder artikel 12, lid 1, sub d, vallen (<QUOT.START ID="QS0018" REF.END="QE0018" CODE="201E"/>rechten op de vestiging, inschrijving of doorhaling van voorrechten en hypotheken<QUOT.END ID="QE0018" REF.START="QS0018" CODE="201D"/>), aangezien het gaat om een specifieke financiële verrichting, waardoor het economisch potentieel van de onderneming toeneemt, die verschilt van de loutere<?PAGE NO="I-1849"?> doorhaling van een hypotheek gevestigd om de nakoming van de uit de lening voortvloeiende verbintenissen te waarborgen (punt 24).</TXT></NP><NP><NO.P>37.</NO.P><TXT>Effectentransacties blijven onderworpen aan de richtlijn, voorzover daartoe wordt overgegaan door een kapitaalvennootschap om zich financiële middelen te verschaffen, zodat daarbij alleen over het bijeenbrengen van kapitaal belasting kan worden geheven. De uitlegging die Optiver e.a. verdedigen tegenover de andere partijen, zou ertoe leiden dat deze categorie van transacties aan elke belasting zou ontsnappen, zowel wanneer zij niet door een kapitaalvennootschap worden verricht als wanneer zij geen verband zouden houden met hel bijeenbrengen of de overdracht van financiële middelen. Meer concreet, zet de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen uileen dat indien de zienswijze zou worden gevolgd van verzoeksters in het hoofdgeding, die als enige activiteit het verhandelen van effecten hebben, zulks tot een algemene vrijstelling zou leiden, wal in strijd is met de wil van de gemeenschapswetgever, die hel er enkel om te doen was de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal te harmoniseren en dubbele belasting van die aard uil te sluiten.</TXT></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P>V —</NO.P><TXT>Conclusie</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>38.</NO.P><TXT>Gelet op een en ander, geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van de Rechtbank te Rotterdam te beantwoorden als volgt:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START ID="QS0019" REF.END="QE0019" CODE="201E"/>Richtlijn 69/335/EEG van de Raad van <DATE ISO="19690717">17 juli 1969</DATE> betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal, verzet zich er niet tegen dat de lidstaten van ondernemingen met een vergunning voor de effectenhandel, een jaarlijkse heffing verlangen, die wordt berekend aan de hand van de bruto baten uit deze activiteit, en bedoeld is ter dekking van de kosten voor de uitvoering van de opdracht van de met het toezicht op de betrokken markt belaste autoriteit.<QUOT.END ID="QE0019" REF.START="QS0019" CODE="201D"/></P></QUOT.S></P></NP></GR.SEQ></CONTENTS.CONCLUSION></CONCLUSION>