83/486/EEG: Beschikking van de Commissie van 20 juli 1983 inzake twee steunregelingen ten behoeve van de textiel- en kledingindustrie in Frankrijk door middel van parafiscale heffingen (Slechts de tekst in de Franse taal is authentiek)
Publicatieblad Nr. L 268 van 30/09/1983 blz. 0048 - 0050
***** BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE van 20 juli 1983 inzake twee steunregelingen ten behoeve van de textiel- en kledingindustrie in Frankrijk door middel van parafiscale heffingen (Slechts de tekst in de Franse taal is authentiek) (83/486/EEG) DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en met name op artikel 93, lid 2, eerste alinea, Na de belanghebbenden overeenkomstig de bepalingen van artikel 93, lid 2, eerste alinea, van het EEG-Verdrag te hebben aangemaand hun opmerkingen kenbaar te maken en gezien deze opmerkingen, I Overwegende dat de Franse Regering op 13 januari 1983 twee decreten bij de Commissie heeft aangemeld houdende wijziging en verlenging voor de periode 1983 tot en met 1985 van twee in Frankrijk bestaande steunregelingen, één ten behoeve van de textiel- en één ten behoeve van de kledingindustrie, die door twee, volgens dezelfde regels als de belasting over de toegevoegde waarde bij verkopen in Frankrijk van produkten van de textiel- en kledingindustrie, geheven parafiscale belastingen worden gefinancierd; Overwegende dat bij de in het officiële blad, het »Journal officiel de la république française" nr. 10 van 13 januari 1983, gepubliceerde decreten nrs. 82/1242 en 82/1243 deze beide regelingen op 1 januari 1983 in werking zijn getreden; dat de Franse Regering daarbij inbreuk heeft gepleegd op de verplichtingen welke krachtens artikel 93, lid 3, op haar rusten; Overwegende dat deze decreten ertoe leiden dat de steunregelingen krachtens welke de textiel- en de kledingindustrie een jaarlijks bedrag van ongeveer 240 miljoen Ffr. wordt toegekend, tot en met 31 december 1985 zijn verlengd; dat een deel van dit bedrag, ongeveer 40 %, wordt gereserveerd voor collectief onderzoek, dat voornamelijk door sectoriële instituten wordt verricht; dat de rest van de opbrengst van de parafiscale belastingen voor individuele steuninitiatieven ten behoeve van ondernemingen in de textiel- en de kledingindustrie wordt bestemd; dat deze steunmaatregelen de toekenning van subsidies ten belope van 10 tot 15 % van de moderniserings- en de renovatie-investeringen omvatten; dat deze regelingen - via verlengingen en opeenvolgende wijzigingen - respectievelijk sinds 1965 en 1969 van kracht zijn; Overwegende dat de Commissie, wat het collectieve onderzoek betreft, tegen de toegekende steun geen bezwaar heeft, mits deze maar in het raam van de op communautair niveau ontplooide acties past; Overwegende dat de Commissie echter na een eerste onderzoek van oordeel is dat de betrokken regelingen, wat de overige aspecten aangaat, niet verenigbaar waren met de gemeenschappelijke markt en daarom heeft besloten dienaangaande de procedure van artikel 93, lid 2, eerste alinea, van het EEG-Verdrag in te leiden; dat zij met het oog daarop de Franse Regering bij brief van 18 maart 1983 heeft aangemaand haar opmerkingen kenbaar te maken; II Overwegende dat de Franse Regering in haar antwoord van 31 mei 1983 erop wijst dat een groot gedeelte van de steun voor collectief onderzoek is bestemd en dat de Commissie in haar brief van 18 maart 1983 reeds had verklaard dat zij, voor zover die steun daadwerkelijk voor onderzoek in de betrokken sector bestemd is, daartegen geen bezwaar had; Overwegende dat de Franse Regering in haar antwoord verklaart van oordeel te zijn dat de steun voor moderniseringsinvesteringen, die sinds respectievelijk 1965 en 1969 wordt verleend, voor uitzonderlijke programma's is bedoeld, maar niet nader aanduidt waaruit dit uitzonderlijke karakter bestaat, daar immers in de teksten van de decreten uitsluitend het algemene oogmerk van renovatie van de industriële en commerciële structuren wordt genoemd; Overwegende dat de Franse Regering, naar bovendien uit haar antwoord blijkt, van oordeel is dat de toepassing van het criterium van de selectiviteit, dat door de Commissie is aangehaald, aan een »verfijndere analyse ten aanzien van de industriële politiek met betrekking tot de textiel- en de kledingindustrie" zou moeten worden onderworpen; dat zij bovendien meent dat het punt van de cumulering met de andere in Frankrijk bestaande regelingen, gezien de geringe bedragen van de steunmaatregelen in kwestie, wezenlijke betekenis ontbeert en van gering belang is; Overwegende dat twee Lid-Staten en een federatie in de betrokken sector hebben verklaard dat zij het standpunt van de Commissie delen, en hun bezorgdheid over de betrokken steunregelingen hebben uitgesproken; III Overwegende dat de toekenning van staatssteun aan individuele ondernemingen die overgaan tot moderniserings- en renoveringsinvesteringen een sectoriële steunmaatregel oplevert die de normaal op deze ondernemingen rustende lasten in even grote mate vermindert; dat algemeen bekend is dat deze steunmaatregelen in de textiel- en de kledingsector, die in de gehele Gemeenschap in een moeilijke situatie verkeren en waar de concurrentie tussen Lid-Staten uiterst scherp is, het handelsverkeer tussen Lid-Staten ongunstig kunnen beïnvloeden en de mededinging in de zin van artikel 92, lid 1, van het EEG-Verdrag door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde produkties vervalsen of dreigen te vervalsen; Overwegende dat artikel 92, lid 1, van het EEG-Verdrag de principiële onverenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt behelst van steunmaatregelen die aan de in die bepaling vermelde criteria voldoen; dat in de in artikel 92, lid 3, van het EEG- Verdrag vermelde afwijkingen van dat beginsel, de enige die in casu in aanmerking komen, de oogmerken zijn omschreven welke in het belang van de Gemeenschap worden geacht en die niet slechts het belang van bepaalde sectoren van de nationale economie dienen; dat deze afwijkingen bij het onderzoek van ieder steunprogramma met regionale of sectoriële strekking, of van ieder individueel geval van toepassing van een algemene steunregeling, eng moeten worden geïnterpreteerd en dat zij in het bijzonder slechts van toepassing zijn wanneer de Commissie kan vaststellen dat het vrije marktmechanisme alleen, zonder deze afwijkingen, de begunstigde ondernemingen niet ertoe zou kunnen brengen een gedrag te volgen dat tot verwezenlijking van een van de in deze afwijkingsvoorschriften genoemde doelstellingen kan bijdragen; Overwegende dat toepassing van die afwijkingen op steunmaatregelen die niet een zodanige tegenprestatie als rechtvaardigingsgrond omvatten, erop zou neerkomen dat aan bepaalde Lid-Staten onverdiende voordelen worden toegekend, waardoor het handelsverkeer tussen Lid-Staten ongunstig wordt beïnvloed en de mededinging wordt vervalst zonder dat het communautaire belang dit in enigerlei opzicht rechtvaardigt; Overwegende dat de Commissie bij de toepassing van de bovenomschreven beginselen in haar onderzoek van steunregelingen zich ervan moet vergewissen dat de begunstigde ondernemingen een tegenprestatie leveren die de toekenning van de steun rechtvaardigt, in die zin dat de steun ter bevordering van de verwezenlijking van een van de in artikel 92, lid 3, van het EEG-Verdrag genoemde doelstellingen noodzakelijk is; dat het, indien dit niet kan worden aangetoond, duidelijk is dat de steun niet tot de verwezenlijking van de door deze afwijkingen nagestreefde doelstellingen bijdraagt, maar slechts tot verbetering van de financiële situatie van de betrokken ondernemingen dient; Overwegende dat de steunregelingen in het onderhavige geval niet de conclusie wettigen dat van zulk een tegenprestatie bij de begunstigde ondernemingen sprake is; Overwegende dat de Franse Regering namelijk geen enkele rechtvaardiging heeft kunnen geven aan de hand waarvan zou kunnen worden vastgesteld dat de betrokken steun aan de voorwaarden voor de toepassing van een der afwijkingen van artikel 92, lid 3, van het EEG-Verdrag voldoet en dat de Commissie deze evenmin heeft kunnen ontdekken; Overwegende dat ten aanzien van de afwijkingen in artikel 92, lid 3, onder a) en c), van het EEG-Verdrag inzake steun ter begunstiging of vergemakkelijking van de ontwikkeling van bepaalde streken, moet worden geconstateerd dat de levensstandaard in Frankrijk niet abnormaal laag is en er in de zin van de afwijking onder a) geen ernstig gebrek aan werkgelegenheid bestaat; dat de betrokken steunregelingen door hun toepassingsgebied, te weten alle ondernemingen in een gegeven economische sector, ongeacht de plaats waar zij gevestigd zijn, niet de ontwikkeling van streken in de zin van de afwijking onder c) ten doel hebben; Overwegende dat het, wat de afwijkingen in artikel 92, lid 3, onder b), van het EEG-Verdrag betreft, duidelijk is dat de betrokken steunregelingen niet bestemd zijn om de verwezenlijking van een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang te bevorderen, noch om een ernstige verstoring in de Franse economie op te heffen; dat trouwens volgens de met betrekking tot Frankrijk beschikbare sociaal-economische gegevens geen enkel ervan de gevolgtrekking wettigt dat er een ernstige verstoring van de economie van dit land in de zin van artikel 92, lid 3, onder b) bestaat; Overwegende dat steunmaatregelen die een deel van de moderniserings- en renoveringskosten dekken, trouwens alleen voor een afwijking van het beginsel van onverenigbaarheid van steunmaatregelen met de gemeenschappelijke markt in aanmerking komen, wanneer de Commissie, gezien de wijze van toekenning van de voor de steunverlening toegepaste criteria, een zekere tegenprestatie van de zijde van de begunstigde ondernemingen had kunnen ontwaren, in die zin dat de toekenning van de steun aan een speciale, aan het communautaire belang beantwoordende inspanning van de onderneming gekoppeld zou zijn; Overwegende dat de Commissie ten aanzien van de textiel- en kledingsector in de communautaire regelingen voor steun aan deze sector, die in 1971 en 1977 met de Lid-Staten zijn opgesteld, de doelstellingen heeft omschreven welke in het communautaire belang moeten worden nagestreefd; dat met deze richtlijnen in het bijzonder een selectieve sanering van de ondernemingen van die sector, niet-uitbreiding van de produktiecapaciteiten in de deelsectoren waar reeds structurele overproduktie heerst, bevordering van externe of interne omschakelingen in de sector en degressiviteit van de steun worden beoogd; dat daarmee iedere vorm van ondersteuning die uitsluitend het karakter van instandhouding vertoont, waardoor slechts de moeilijkheden van de ene Lid-Staat naar de andere zouden worden verplaatst, wordt uitgesloten; Overwegende dat de Franse steunregelingen ten gunste van de textiel- en kledingindustrie in de vorm van subsidies ten gunste van moderniserings- en renoveringsinvesteringen voor alle ondernemingen in die sector gelden waar tot dergelijke investeringen wordt overgegaan; dat van deze ondernemingen geen enkele tegenprestatie als rechtvaardigingsgrond wordt verlangd, noch in de vorm van herstructurering, noch in de vorm van capaciteitsverminderingen in de deelsectoren waar reeds op communautair niveau een overschotsituatie bestaat of waar de Franse industrie buitengewoon concurrerend is; dat er geen enkele selectiviteit met betrekking tot de aard van de investeringen valt te constateren en dat deze derhalve uit loutere vervanging van bestaande uitrustingen kunnen bestaan; dat daarvan ook geen sprake is ten aanzien van de keuze van de begunstigden met het oog op hun financiële levensvatbaarheid op langere termijn; dat ten slotte in geen enkele degressiviteit is voorzien gedurende de periode waarin de steun wordt verleend en deze trouwens met bestaande sectoriële of algemene steunmaatregelen kan worden gecumuleerd; dat het derhalve volstrekt duidelijk is dat de steun ten gunste van individuele operaties niet beantwoordt aan de doelstellingen die in de communautaire regelingen inzake steun aan de textiel- en de kledingindustrie zijn omschreven; Overwegende dat de betrokken steunmaatregelen derhalve, gezien hun vorm en gelet op de afwezigheid van een tegenprestatie als rechtvaardigingsgrond in het belang van de Gemeenschap, in een sector waar bovendien de intracommunautaire concurrentie uiterst scherp is, de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt zodanig kunnen veranderen dat het gemeenschappelijke belang wordt geschaad; dat er derhalve geen gronden aanwezig zijn waarop de Commisie de betrokken steunregelingen zou kunnen vrijstellen van de onverenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt, door daarop de afwijkingsbepaling van artikel 92, lid 3, onder c), van het EEG-Verdrag van toepassing te verklaren; Overwegende dat, gezien het bovenstaande, de steun ten gunste van individuele investeringsinitiatieven voor modernisering en renovatie in de textiel- en de kledingsector uit hoofde van de in het officiële blad »Journal officiel de la république française" nr. 10 gepubliceerde decreten nrs. 82/1242 en 82/1243 onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 92 van het EEG-Verdrag en derhalve niet meer mag worden toegekend, HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN: Artikel 1 De steun ten behoeve van individuele initiatieven als bedoeld in de in het officiële blad »Journal officiel de la république française" nr. 10 van 13 januari 1983 gepubliceerde decreten nrs. 82/1242 en 82/1243, is onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 92 van het EEG-Verdrag en mag derhalve niet meer worden toegekend. Artikel 2 De Franse Republiek deelt de Commissie binnen twee maanden na kennisgeving van deze beschikking mede welke maatregelen er genomen zijn om aan de beschikking gevolg te geven. Artikel 3 Deze beschikking is gericht tot de Franse Republiek. Gedaan te Brussel, 20 juli 1983. Voor de Commissie Frans ANDRIESSEN Lid van de Commissie