<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><CONCLUSION NNC="YES" xmlns:fmx="http://opoce" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://formex.publications.europa.eu/schema/formex-05.55-20141201.xd"><BIB.CONCLUSION><REF.CASE FILE="n.a."><NO.CASE>C‑286/13 P</NO.CASE></REF.CASE><NO.CELEX>62013CC0286</NO.CELEX><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2014:2437">EU:C:2014:2437</NO.ECLI><NO.SEQ>0001</NO.SEQ><PAGE.FIRST.ECR>1</PAGE.FIRST.ECR><PAGE.SEQ>1</PAGE.SEQ><PAGE.LAST.ECR>27</PAGE.LAST.ECR><PAGE.TOTAL>27</PAGE.TOTAL></BIB.CONCLUSION><CURR.TITLE><PAGE.HEADER><P>CONCLUSIE VAN ADV.-GEN. KOKOTT – ZAAK C‑286/13 P</P><P>DOLE FOOD EN DOLE FRESH FRUIT EUROPE / COMMISSIE</P></PAGE.HEADER></CURR.TITLE><TITLE><TI><P><HT TYPE="UC">Conclusie van advocaat-generaal</HT></P><P><HT TYPE="UC">J. Kokott</HT></P><P>van <DATE ISO="20141211">11 december 2014</DATE><NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0001"><P>Oorspronkelijke taal: Duits.</P></NOTE></P></TI><STI><P><HT TYPE="BOLD">Zaak C‑286/13 P</HT></P><P><HT TYPE="BOLD">Dole Food Company, Inc.en</HT></P><P><HT TYPE="BOLD">Dole Fresh Fruit Europe OHG</HT></P><P><HT TYPE="BOLD">tegen</HT></P><P><HT TYPE="BOLD">Europese Commissie</HT></P></STI></TITLE><INDEX><KEYWORD>Hogere voorziening</KEYWORD><KEYWORD>Mededinging</KEYWORD><KEYWORD>Mededingingsregelingen</KEYWORD><KEYWORD>Onderling afgestemde feitelijke gedragingen</KEYWORD><KEYWORD>Europese bananenmarkt</KEYWORD><KEYWORD>Referentieprijzen</KEYWORD><KEYWORD>Marktstructuur</KEYWORD><KEYWORD>Berekening van marktaandelen</KEYWORD><KEYWORD>Groene en gele bananen</KEYWORD><KEYWORD>Mededingingsbeperkende strekking</KEYWORD><KEYWORD>Verloop van de procedure in eerste aanleg</KEYWORD></INDEX><CONTENTS.CONCLUSION><TOC><TITLE><TI><P>Inhoud</P></TI></TITLE><TOC.BLK><TOC.BLK><TOC.ITEM><NO.ITEM>I –</NO.ITEM><ITEM.CONT>Inleiding</ITEM.CONT><ITEM.REF>3</ITEM.REF></TOC.ITEM></TOC.BLK><TOC.BLK><TOC.ITEM><NO.ITEM>II –</NO.ITEM><ITEM.CONT>Achtergrond van het geding</ITEM.CONT><ITEM.REF>3</ITEM.REF></TOC.ITEM></TOC.BLK><TOC.BLK><TOC.ITEM><NO.ITEM>III –</NO.ITEM><ITEM.CONT>Procedure voor het Hof en conclusies van partijen</ITEM.CONT><ITEM.REF>5</ITEM.REF></TOC.ITEM></TOC.BLK><TOC.BLK><TOC.ITEM><NO.ITEM>IV –</NO.ITEM><ITEM.CONT>Beoordeling van de hogere voorziening</ITEM.CONT><ITEM.REF>6</ITEM.REF></TOC.ITEM><TOC.BLK><TOC.ITEM><NO.ITEM>A –</NO.ITEM><ITEM.CONT>Eerste middel: procedurefouten</ITEM.CONT><ITEM.REF>6</ITEM.REF></TOC.ITEM><TOC.BLK><TOC.ITEM><NO.ITEM>1.</NO.ITEM><ITEM.CONT>Ontvankelijkheid van de door de Commissie in eerste aanleg aangevoerde argumentatie (eerste onderdeel van het eerste middel)</ITEM.CONT><ITEM.REF>6</ITEM.REF></TOC.ITEM></TOC.BLK><TOC.BLK><TOC.ITEM><NO.ITEM>2.</NO.ITEM><ITEM.CONT>Ontvankelijkheid van de door Dole in eerste aanleg aangevoerde bewijsmiddelen (tweede en derde onderdeel van het eerste middel)</ITEM.CONT><ITEM.REF>7</ITEM.REF></TOC.ITEM><TOC.BLK><TOC.ITEM><NO.ITEM>a)</NO.ITEM><ITEM.CONT>Overlegging van stukken ter terechtzitting (tweede onderdeel van het eerste middel)</ITEM.CONT><ITEM.REF>8</ITEM.REF></TOC.ITEM><TOC.ITEM><NO.ITEM>b)</NO.ITEM><ITEM.CONT>Niet-ontvankelijkheid van een bijlage bij de repliek van Dole (derde onderdeel van het eerste middel)</ITEM.CONT><ITEM.REF>9</ITEM.REF></TOC.ITEM><TOC.ITEM><NO.ITEM>c)</NO.ITEM><ITEM.CONT>Tussenconclusie</ITEM.CONT><ITEM.REF>9</ITEM.REF></TOC.ITEM></TOC.BLK></TOC.BLK><?PAGE NO="2"?><TOC.BLK><TOC.ITEM><NO.ITEM>3.</NO.ITEM><ITEM.CONT>Beginsel van <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0001" ID="QS0001"/>equality of arms<QUOT.END REF.START="QS0001" CODE="201D" ID="QE0001"/> (vierde onderdeel van het eerste middel)</ITEM.CONT><ITEM.REF>9</ITEM.REF></TOC.ITEM></TOC.BLK><TOC.BLK><TOC.ITEM><NO.ITEM>4.</NO.ITEM><ITEM.CONT>Verwijt van gebrekkige vaststelling van de feiten door het Gerecht (vijfde onderdeel van het eerste middel)</ITEM.CONT><ITEM.REF>10</ITEM.REF></TOC.ITEM></TOC.BLK></TOC.BLK><TOC.BLK><TOC.ITEM><NO.ITEM>B –</NO.ITEM><ITEM.CONT>Tweede middel: onjuiste opvatting van de feiten</ITEM.CONT><ITEM.REF>12</ITEM.REF></TOC.ITEM></TOC.BLK><TOC.BLK><TOC.ITEM><NO.ITEM>C –</NO.ITEM><ITEM.CONT>Derde middel: <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0002" ID="QS0002"/>ontoereikende beoordeling van het bewijsmateriaal<QUOT.END REF.START="QS0002" CODE="201D" ID="QE0002"/> door het Gerecht</ITEM.CONT><ITEM.REF>13</ITEM.REF></TOC.ITEM><TOC.BLK><TOC.ITEM><NO.ITEM>1.</NO.ITEM><ITEM.CONT>Marktstructuur en marktpositie van de betrokken ondernemingen – de rol van gele en groene bananen bij de berekening van marktaandelen (eerste onderdeel van het derde middel)</ITEM.CONT><ITEM.REF>14</ITEM.REF></TOC.ITEM><TOC.BLK><TOC.ITEM><ITEM.CONT>Aanvullende opmerkingen over de inhoudelijke kritiek op de marktaandeelcijfers</ITEM.CONT><ITEM.REF>16</ITEM.REF></TOC.ITEM></TOC.BLK></TOC.BLK><TOC.BLK><TOC.ITEM><NO.ITEM>2.</NO.ITEM><ITEM.CONT>Beschrijving van de informatie-uitwisseling tussen de karteldeelnemers (tweede, derde en vierde onderdeel van het derde middel)</ITEM.CONT><ITEM.REF>17</ITEM.REF></TOC.ITEM><TOC.BLK><TOC.ITEM><NO.ITEM>a)</NO.ITEM><ITEM.CONT>Juridische eisen waaraan de motivering van de litigieuze beschikking moet voldoen (tweede en derde onderdeel van het derde middel)</ITEM.CONT><ITEM.REF>17</ITEM.REF></TOC.ITEM><TOC.ITEM><NO.ITEM>b)</NO.ITEM><ITEM.CONT>Het argument van Dole dat de bij de informatie-uitwisseling betrokken medewerkers niet zelf verantwoordelijk waren voor de vaststelling van referentieprijzen (vierde onderdeel van het derde middel)</ITEM.CONT><ITEM.REF>18</ITEM.REF></TOC.ITEM></TOC.BLK></TOC.BLK><TOC.BLK><TOC.ITEM><NO.ITEM>3.</NO.ITEM><ITEM.CONT>Begrip <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0003" ID="QS0003"/>mededingingsbeperkende strekking<QUOT.END REF.START="QS0003" CODE="201D" ID="QE0003"/> (vijfde onderdeel van het derde middel)</ITEM.CONT><ITEM.REF>19</ITEM.REF></TOC.ITEM><TOC.BLK><TOC.ITEM><NO.ITEM>a)</NO.ITEM><ITEM.CONT>Relevante juridische criteria</ITEM.CONT><ITEM.REF>19</ITEM.REF></TOC.ITEM></TOC.BLK><TOC.BLK><TOC.ITEM><NO.ITEM>b)</NO.ITEM><ITEM.CONT>Toepassing van de relevante juridische criteria op het concrete geval</ITEM.CONT><ITEM.REF>20</ITEM.REF></TOC.ITEM><TOC.BLK><TOC.ITEM><NO.ITEM>–</NO.ITEM><ITEM.CONT>Aard en inhoud van de informatie-uitwisseling</ITEM.CONT><ITEM.REF>20</ITEM.REF></TOC.ITEM><TOC.ITEM><NO.ITEM>–</NO.ITEM><ITEM.CONT>Frequentie en geregeld karakter van de informatie-uitwisseling</ITEM.CONT><ITEM.REF>22</ITEM.REF></TOC.ITEM><TOC.ITEM><NO.ITEM>–</NO.ITEM><ITEM.CONT>Marktstructuur</ITEM.CONT><ITEM.REF>23</ITEM.REF></TOC.ITEM><TOC.ITEM><NO.ITEM>–</NO.ITEM><ITEM.CONT>Samenvatting</ITEM.CONT><ITEM.REF>23</ITEM.REF></TOC.ITEM></TOC.BLK></TOC.BLK></TOC.BLK><TOC.BLK><TOC.ITEM><NO.ITEM>4.</NO.ITEM><ITEM.CONT>Tussenconclusie</ITEM.CONT><ITEM.REF>23</ITEM.REF></TOC.ITEM></TOC.BLK></TOC.BLK><TOC.BLK><TOC.ITEM><NO.ITEM>D –</NO.ITEM><ITEM.CONT>Vierde middel: berekening van de geldboete</ITEM.CONT><ITEM.REF>23</ITEM.REF></TOC.ITEM><TOC.BLK><TOC.ITEM><NO.ITEM>1.</NO.ITEM><ITEM.CONT>Eerste onderdeel van het vierde middel: meetelling van de verkopen van niet bij het kartel betrokken dochterondernemingen van Dole</ITEM.CONT><ITEM.REF>24</ITEM.REF></TOC.ITEM><TOC.ITEM><NO.ITEM>2.</NO.ITEM><ITEM.CONT>Tweede onderdeel van het vierde middel: dubbeltelling van dezelfde verkopen</ITEM.CONT><ITEM.REF>25</ITEM.REF></TOC.ITEM></TOC.BLK></TOC.BLK><TOC.BLK><TOC.ITEM><NO.ITEM>E –</NO.ITEM><ITEM.CONT>Samenvatting</ITEM.CONT><ITEM.REF>26</ITEM.REF></TOC.ITEM></TOC.BLK></TOC.BLK><TOC.BLK><TOC.ITEM><NO.ITEM>V –</NO.ITEM><ITEM.CONT>Kosten</ITEM.CONT><ITEM.REF>26</ITEM.REF></TOC.ITEM></TOC.BLK><TOC.BLK><TOC.ITEM><NO.ITEM>VI –</NO.ITEM><ITEM.CONT>Conclusie</ITEM.CONT><ITEM.REF>27</ITEM.REF></TOC.ITEM></TOC.BLK></TOC.BLK></TOC><?PAGE NO="3"?><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P>I –</NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD">Inleiding</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>1.</NO.P><TXT>Er is nauwelijks een andere vrucht die in de loop der jaren op Europees niveau aanleiding was voor zulke hardnekkige en veelvuldige juridische geschillen als de banaan.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0002"><P>Zie met name arresten United Brands en United Brands Continentaal/Commissie (27/76, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1978:22">EU:C:1978:22</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, over misbruik van een machtspositie), Cooperativa Co‑Frutta (193/85, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1987:210">EU:C:1987:210</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, over een verbruiksbelasting op bananen), Duitsland/Raad (C‑280/93, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1994:367">EU:C:1994:367</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, over de wettigheid van de gemeenschappelijke marktordening in de bananensector), Atlanta Fruchthandelsgesellschaft e.a. (I) (C‑465/93, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1995:369">EU:C:1995:369</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, over vraagstukken met betrekking tot kortgedingprocedures), Van Parys (C‑377/02, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2005:121">EU:C:2005:121</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, over de toetsing van rechtshandelingen van de Unie aan het WTO-recht) en FIAMM e.a./Raad en Commissie (C‑120/06 P en C‑121/06 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2008:476">EU:C:2008:476</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, over de uitsluiting van schadevergoedingsaanspraken voor rechtmatig handelen door organen van de Unie).</P></NOTE> In de onderhavige zaak moet het Hof zich zoals al ruim 30 jaar<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0003"><P>In zijn arrest United Brands en United Brands Continentaal/Commissie (27/76, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1978:22">EU:C:1978:22</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>) heeft het Hof zich reeds in de jaren zeventig uit het oogpunt van het mededingingsrecht beziggehouden met bananen.</P></NOTE> opnieuw over een aantal mededingingsrechtelijke kwesties rond de banaan buigen.</TXT></NP><NP><NO.P>2.</NO.P><TXT>Deze kwesties spelen tegen de achtergrond van een <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0004" ID="QS0004"/>bananenkartel<QUOT.END REF.START="QS0004" CODE="201D" ID="QE0004"/>, waarvan de deelnemers zich in verschillende lidstaten van de Europese Unie schuldig hebben gemaakt aan onderling afgestemde mededingingsverstorende gedragingen. De Europese Commissie heeft bij beschikking van <DATE ISO="20081015">15 oktober 2008</DATE><NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0004"><P>Beschikking C(2008) 5955 definitief van de Commissie van <DATE ISO="20081015">15 oktober 2008</DATE> in een procedure op grond van artikel 81 [EG] (zaak COMP/39.188 – Bananen, samengevat in <REF.DOC.OJ COLL="C" NO.OJ="189" PAGE.FIRST="12" DATE.PUB="2009">PB 2009, C 189, blz. 12</REF.DOC.OJ>; hierna: <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0005" ID="QS0005"/>litigieuze beschikking<QUOT.END REF.START="QS0005" CODE="201D" ID="QE0005"/>).</P></NOTE> tegen een aantal karteldeelnemers miljoenenboetes opgelegd wegens schending van artikel 81 EG (thans artikel 101 VWEU). Nadat hun beroep tegen deze beschikking in eerste aanleg is afgewezen, leggen Dole Food Company, Inc. en Dole Fresh Fruit Europe OHG<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0005"><P>Hierna samen aangeduid als <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0006" ID="QS0006"/>Dole<QUOT.END REF.START="QS0006" CODE="201D" ID="QE0006"/> of <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0007" ID="QS0007"/>rekwirantes<QUOT.END REF.START="QS0007" CODE="201D" ID="QE0007"/>. Dole Fresh Fruit Europe stond een tijd lang bekend onder de naam Dole Germany; onder deze naam trad de onderneming in eerste aanleg op als verzoekster.</P></NOTE> hun zaak thans in hogere voorziening voor aan het Hof.</TXT></NP><NP><NO.P>3.</NO.P><TXT>Centraal staat de vraag of gele en groene bananen <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0008" ID="QS0008"/>over één kam mogen worden geschoren<QUOT.END REF.START="QS0008" CODE="201D" ID="QE0008"/> wanneer het erom gaat de structuur van de markt en de positie en het gedrag van de betrokken ondernemingen op de betrokken markt te beoordelen. Deze vraag rijst keer op keer in uiteenlopende contexten en vormt de rode draad van de procedure in hogere voorziening. Dole is van mening dat het Gerecht onvoldoende rekening heeft gehouden met haar desbetreffende argumenten tegen de beschikking van de Commissie en de feiten onjuist heeft opgevat. Daarnaast voert Dole aan dat het Gerecht in zijn arrest van <DATE ISO="20130314">14 maart 2013</DATE> (zaak T‑588/08)<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0006"><P>Arrest Dole Food en Dole Germany/Commissie (T‑588/08, EU:T:2013:130; hierna: <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0009" ID="QS0009"/>bestreden arrest<QUOT.END REF.START="QS0009" CODE="201D" ID="QE0009"/>).</P></NOTE> van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het begrip <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0010" ID="QS0010"/>mededingingsbeperkende strekking<QUOT.END REF.START="QS0010" CODE="201D" ID="QE0010"/> is uitgegaan en verschillende procedurefouten heeft gemaakt.</TXT></NP><NP><NO.P>4.</NO.P><TXT>De onderhavige procedure in zaak C‑286/13 P houdt nauw verband met de procedure in hogere voorziening in de gevoegde zaken C‑293/13 P en C‑294/13 P, waarin ik heden eveneens conclusie neem. De daarin gestelde rechtsvragen hebben evenwel – met uitzondering van het begrip <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0011" ID="QS0011"/>mededingingsbeperkende strekking<QUOT.END REF.START="QS0011" CODE="201D" ID="QE0011"/> – betrekking op geheel andere juridische problemen dan die welke in de onderhavige zaak moeten worden opgelost.</TXT></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P>II –</NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD">Achtergrond van het geding</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>5.</NO.P><TXT>Voorwerp van de administratieve procedure bij de Commissie waren onderling afgestemde feitelijke gedragingen van meerdere op de bananenmarkt actieve ondernemingen (hierna: <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0012" ID="QS0012"/>betrokken ondernemingen<QUOT.END REF.START="QS0012" CODE="201D" ID="QE0012"/>) – waaronder Dole<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0007"><P>Naast Dole waren met name Chiquita en de met Del Monte verbonden onderneming Internationale Fruchtimport Gesellschaft Weichert betrokken bij de onderling afgestemde feitelijke gedragingen.</P></NOTE> – die er gedurende de jaren 2000, 2001 en 2002 op waren gericht de vaststelling van de referentieprijzen voor bananen die in het noordelijke deel van Europa in de handel werden gebracht, te coördineren.</TXT></NP><?PAGE NO="4"?><NP><NO.P>6.</NO.P><TXT>Naar het Gerecht heeft vastgesteld, worden bananen gewoonlijk groen vanuit Latijns-Amerikaanse havens naar Noord-Europa verscheept, waar zij meestal eenmaal per week worden aangevoerd.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0008"><P>Zie hierover en voor het navolgende, de punten 8 tot en met 23 van het bestreden arrest.</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>7.</NO.P><TXT>De bananen worden ofwel rechtstreeks, in groene staat, of na een rijpingsproces van zeven dagen als gele bananen aan de Europese afnemers geleverd. De rijping kan worden verricht door of in naam van de invoerder of door de koper zelf worden georganiseerd. De klanten van de invoerders zijn over het algemeen rijpers of winkelketens.</TXT></NP><NP><NO.P>8.</NO.P><TXT>De prijzen van deze bananen werden tijdens de betrokken periode volgens wekelijkse cycli aan de hand van referentieprijzen voor groene bananen vastgesteld. De referentieprijs voor gele bananen werd gewoonlijk bepaald op basis van de referentieprijs voor groene bananen, vermeerderd met een rijpingsvergoeding. De prijzen die door detailhandelaars en distributeurs werden betaald (<QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0013" ID="QS0013"/>reële prijzen<QUOT.END REF.START="QS0013" CODE="201D" ID="QE0013"/> of <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0014" ID="QS0014"/>transactieprijzen<QUOT.END REF.START="QS0014" CODE="201D" ID="QE0014"/> genoemd) berustten vervolgens ofwel op wekelijkse onderhandelingen, die normaliter op donderdagmiddag of vrijdag plaatsvonden, ofwel op leveringsovereenkomsten met vooraf bepaalde tariefformules.</TXT></NP><NP><NO.P>9.</NO.P><TXT>De betrokken ondernemingen voerden vóór het vaststellen van de prijzen bilaterale gesprekken waarin zij de factoren bespraken die relevant waren voor de wekelijkse vaststelling van de referentieprijzen, of prijstendensen bespraken of onthulden of aanwijzingen verstrekten over de te verwachten referentieprijs voor daaropvolgende weken. Deze gesprekken vonden plaats voordat de betrokken ondernemingen hun referentieprijs vaststelden, wat gewoonlijk op woensdag gebeurde, en hadden alle betrekking op de toekomstige referentieprijzen. Het bedoelde voorafgaande prijsoverleg diende ertoe de onzekerheid te beperken over de referentieprijzen die de ondernemingen donderdagochtend dienden vast te stellen.</TXT></NP><NP><NO.P>10.</NO.P><TXT>Bovendien wisselden de betrokken ondernemingen na de vaststelling van hun referentieprijzen op donderdagochtend bilateraal informatie over hun prijzen uit. Door die informatie-uitwisseling, konden zij de individuele prijsbeslissingen toetsen aan de gesprekken die voordien, vóór de vaststelling van de tarieven, hadden plaatsgevonden, en hun samenwerking versterken.</TXT></NP><NP><NO.P>11.</NO.P><TXT>De referentieprijzen dienden ten minste als marktsignalen, markttendensen en/of aanwijzingen met betrekking tot de gewenste ontwikkeling van de bananenprijs. Bovendien waren de prijzen bij bepaalde transacties rechtstreeks aan de referentieprijzen gekoppeld op grond van contractueel overeengekomen prijsformules.</TXT></NP><NP><NO.P>12.</NO.P><TXT>De betrokken ondernemingen moesten bij het bepalen van hun marktgedrag noodzakelijkerwijs rekening houden met de informatie die zij van de concurrenten ontvingen. Chiquita en Dole hebben dit zelfs uitdrukkelijk toegegeven.</TXT></NP><NP><NO.P>13.</NO.P><TXT>Op <DATE ISO="20050408">8 april 2005</DATE> diende Chiquita bij de Commissie een verzoek om clementie in op grond van de mededeling inzake medewerking van 2002<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0009"><P>Mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (<REF.DOC.OJ COLL="C" NO.OJ="045" PAGE.FIRST="3" DATE.PUB="2002">PB 2002, C 45, blz. 3</REF.DOC.OJ>).</P></NOTE>. Nadat de Commissie bij verschillende ondernemingen, onder meer in de kantoren van Dole Fresh Fruit Europe, inspecties had verricht en verschillende verzoeken om inlichtingen had verstuurd, zond zij op <DATE ISO="20070720">20 juli 2007</DATE> een mededeling van punten van bezwaar aan tal van ondernemingen die actief waren op de bananenmarkt. De betrokken ondernemingen is tijdens de administratieve procedure inzage van het dossier verleend en zij werden van 4 tot en met <DATE ISO="20080206">6 februari 2008</DATE> gehoord. Ten slotte stelde de Commissie de litigieuze beschikking op <DATE ISO="20081015">15 oktober 2008</DATE> vast.</TXT></NP><?PAGE NO="5"?><NP><NO.P>14.</NO.P><TXT>In de litigieuze beschikking stelde de Commissie vast dat een aantal ondernemingen, waaronder Dole, inbreuk hadden gemaakt op artikel 81 EG door deel te nemen aan onderling afstemde feitelijke gedragingen waarmee zij de prijsnoteringen voor bananen coördineerden. Geografisch strekte de inbreuk zich uit tot België, Denemarken, Duitsland, Finland, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk en Zweden<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0010"><P>Artikel 1 van de litigieuze beschikking.</P></NOTE>. Naar de Commissie heeft vastgesteld was Dole in het tijdvak van <DATE ISO="20000101">1 januari 2000</DATE> tot en met <DATE ISO="20021231">31 december 2002</DATE> bij de inbreuk betrokken.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0011"><P>Artikel 1, onder e) en f), van de litigieuze beschikking.</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>15.</NO.P><TXT>Wegens hun betrokkenheid bij de inbreuk legde de Commissie bij de litigieuze beschikking geldboeten op aan verschillende ondernemingen. Aan de onderneming Dole, namelijk de vennootschappen Dole Food en Dole Fresh Fruit Europe, legde de Commissie een hoofdelijk verschuldigde geldboete op van 45,6 miljoen euro.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0012"><P>Artikel 2, onder b), van de litigieuze beschikking.</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>16.</NO.P><TXT>Tegen de litigieuze beschikking stelden verscheidene adressanten in eerste aanleg beroep tot nietigverklaring in bij het Gerecht. Het op <DATE ISO="20081224">24 december 2008</DATE> door Dole Food Company en Dole Germany ingestelde beroep tot nietigverklaring is door het Gerecht bij zijn bestreden arrest van <DATE ISO="20130314">14 maart 2013</DATE> in zijn geheel afgewezen en de verzoeksters werden in de kosten verwezen.</TXT></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P>III –</NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD">Procedure voor het Hof en conclusies van partijen</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>17.</NO.P><TXT>Bij verzoekschrift van <DATE ISO="20130524">24 mei 2013</DATE> hebben Dole Food en Dole Fresh Fruit Europe gezamenlijk de onderhavige hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht ingesteld. Zij verzoeken het Hof:</TXT><P><LIST TYPE="DASH"><ITEM><P>het bestreden arrest geheel of gedeeltelijk te vernietigen voor zover het beroep van rekwirantes is verworpen;</P></ITEM><ITEM><P>de litigieuze beschikking geheel of gedeeltelijk nietig te verklaren voor zover deze betrekking heeft op rekwirantes;</P></ITEM><ITEM><P>op grond van de volledige rechtsmacht waarover het krachtens artikel 261 VWEU beschikt, de aan rekwirantes opgelegde geldboete in te trekken of te verlagen;</P></ITEM><ITEM><P>subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor afdoening overeenkomstig het arrest van het Hof;</P></ITEM></LIST></P><P>voorts:</P><P><LIST TYPE="DASH"><ITEM><P>de Commissie te verwijzen in kosten van deze procedure en van de procedure voor het Gerecht.</P></ITEM></LIST></P></NP><NP><NO.P>18.</NO.P><TXT>De Commissie verzoekt het Hof:</TXT><P><LIST TYPE="DASH"><ITEM><P>de hogere voorziening af te wijzen;</P></ITEM><ITEM><P>subsidiair, het beroep tot nietigverklaring te verwerpen;</P></ITEM></LIST></P><P>alsmede</P><P><LIST TYPE="DASH"><ITEM><P>rekwirantes te verwijzen in de kosten van de hogere voorziening of, subsidiair, in die van het beroep tot nietigverklaring.</P></ITEM></LIST></P></NP><?PAGE NO="6"?><NP><NO.P>19.</NO.P><TXT>De hogere voorziening is voor het Hof schriftelijk behandeld, en de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op <DATE ISO="20141008">8 oktober 2014</DATE>.</TXT></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P>IV –</NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD">Beoordeling van de hogere voorziening</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>20.</NO.P><TXT>De talrijke grieven die door Dole tegen het bestreden arrest naar voren worden gebracht, zijn vervat in vier middelen, die ik hieronder één voor één zal behandelen.</TXT></NP><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P>A –</NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">Eerste middel: procedurefouten</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>21.</NO.P><TXT>Met het eerste middel, dat uit vijf onderdelen bestaat, stelt Dole dat het Gerecht bij zijn beoordeling van de litigieuze beschikking een aantal procedurefouten heeft gemaakt.</TXT></NP><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><NP><NO.P>1.</NO.P><TXT>Ontvankelijkheid van de door de Commissie in eerste aanleg aangevoerde argumentatie (eerste onderdeel van het eerste middel)</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>22.</NO.P><TXT>Dole verwijt het Gerecht ten eerste dat het de Commissie ten onrechte heeft toegestaan om voor het eerst tijdens de gerechtelijke procedure bewijsmateriaal aan te voeren dat in het dossier van de administratieve procedure was opgenomen en in tegenspraak was met de vaststellingen in de beschikking. Daarmee heeft het Gerecht volgens Dole niet voldaan aan de eisen die op grond van artikel 253 EG, gelezen in samenhang met het verbod op het tardief voordragen van middelen en argumenten overeenkomstig artikel 48, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering, gelden voor de motivering van handelingen van de Unie.</TXT></NP><NP><NO.P>23.</NO.P><TXT>Deze grief berust op het argument van Dole dat haar referentieprijzen en die van Chiquita niet voor dezelfde kalenderweken golden en derhalve betrekking hadden op bananen die in de detailhandelsfase niet met elkaar in concurrentie staan.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0013"><P>Zie punt 119 van het bestreden arrest.</P></NOTE> Pas in de procedure voor het Gerecht is de Commissie op dit argument ingegaan, hoewel in het dossier van de administratieve procedure bewijsmateriaal was opgenomen dat voldoende grond vormde om nader op dit punt in te gaan.</TXT></NP><NP><NO.P>24.</NO.P><TXT>Volgens de vaststellingen van het Gerecht, die in het kader van het onderhavige middel niet worden betwist, heeft Dole haar argument met betrekking tot het feit dat haar eigen bananen en die van Chiquita in de detailhandelsfase niet met elkaar concurreerden, niet in de administratieve procedure aangevoerd, maar pas in de procedure voor het Gerecht.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0014"><P>Zie de punten 128 tot en met 132 van het bestreden arrest.</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>25.</NO.P><TXT>In deze omstandigheden diende het Gerecht de Commissie in eerste aanleg vanzelfsprekend in de gelegenheid te stellen om op dit argument te antwoorden, dat door Dole voor het eerst in het verzoekschrift werd aangedragen. Een schending van artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht is derhalve a priori uitgesloten.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0015"><P>Zie in die zin arrest Alliance One International en Standard Commercial Tobacco/Commissie (C‑628/10 P en C‑14/11 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2012:479">EU:C:2012:479</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 58).</P></NOTE> De Commissie heeft namelijk, zoals iedere andere partij, in een gerechtelijke procedure recht op hoor en wederhoor.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0016"><P>Arrest Commissie/Ierland e.a. (C‑89/08 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2009:742">EU:C:2009:742</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 53); in dezelfde zin arrest Heroverweging M/EMEA (C‑197/09 RX‑II, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2009:804">EU:C:2009:804</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 42).</P></NOTE></TXT></NP><?PAGE NO="7"?><NP><NO.P>26.</NO.P><TXT>Er moet echter een passend evenwicht bestaan tussen het recht van de Commissie op hoor en wederhoor en het recht van de betrokken ondernemingen op een eerlijk proces en een doeltreffende rechterlijke bescherming (artikel 47 van het Handvest van de grondrechten).<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0017"><P>Zie mijn conclusies in de zaak Alliance One International en Standard Commercial Tobacco/Commissie (C‑628/10 P en C‑14/11 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2012:11">EU:C:2012:11</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 109).</P></NOTE> In de gerechtelijke procedure mag de Commissie dus in het kader van haar verweer weliswaar de gronden voor de litigieuze beschikking nader toelichten.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0018"><P>Arrest Stora Kopparbergs Bergslags/Commissie (C‑286/98 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2000:630">EU:C:2000:630</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 61); in dezelfde zin arresten Präsident Ruhrkohlen-Verkaufsgesellschaft e.a./ Hoge Autoriteit (36/59‑38/59 en 40/59, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1960:36">EU:C:1960:36</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, inzonderheid blz. 926) en Picciolo/Parlement (111/83, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1984:200">EU:C:1984:200</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 22).</P></NOTE> Evenwel staat het de Commissie in de gerechtelijke procedure niet vrij geheel nieuwe gronden voor de litigieuze beschikking aan te voeren. Het aanvankelijk ontbreken van een motivering kan niet worden geregulariseerd doordat de betrokkene tijdens de procedure voor de Unierechter kennis krijgt van de redenen van het besluit.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0019"><P>Arresten Michel/Parlement (195/80, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1981:284">EU:C:1981:284</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 22), Dansk Rørindustri e.a./Commissie (C‑189/02 P, C‑202/02 P, C‑205/02 P–C‑208/02 P en C‑213/02 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2005:408">EU:C:2005:408</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 463), Elf Aquitaine/Commissie (C‑521/09 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2011:620">EU:C:2011:620</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 149) en Alliance One International en Standard Commercial Tobacco/Commissie (C‑628/10 P en C‑14/11 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2012:479">EU:C:2012:479</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 74).</P></NOTE> Bijzonder strikt geldt dit verbod van <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0015" ID="QS0015"/>het achteraf aanvullen van de motivering<QUOT.END REF.START="QS0015" CODE="201D" ID="QE0015"/> ten overstaan van de rechter in strafrechtelijke en daarmee vergelijkbare procedures zoals de kartelprocedure.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0020"><P>Zie wat betreft het strafrecht in engere zin, arrest E en F (C‑550/09, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2010:382">EU:C:2010:382</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 59); zie voor met het strafrecht vergelijkbare procedures – in dit geval het kartelrecht – arresten Dansk Rørindustri e.a./Commissie (C‑189/02 P, C‑202/02 P, C‑205/02 P–C‑208/02 P en C‑213/02 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2005:408">EU:C:2005:408</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 463) en Elf Aquitaine/Commissie (C‑521/09 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2011:620">EU:C:2011:620</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 149).</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>27.</NO.P><TXT>In de onderhavige zaak stelt de litigieuze beschikking duidelijk en ondubbelzinnig dat de referentieprijzen van de betrokken ondernemingen volgens de Commissie ten minste als marktsignalen, markttendensen en/of aanwijzingen met betrekking tot de gewenste ontwikkeling van de bananenprijs fungeerden en bovendien bij bepaalde transacties van belang waren op grond van contractueel overeengekomen prijsformules.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0021"><P>Punt 19 van het bestreden arrest en overweging 115 van de litigieuze beschikking.</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>28.</NO.P><TXT>Uit deze motivering van de litigieuze beschikking blijkt reeds dat de onderling afgestemde feitelijke gedragingen met betrekking tot de referentieprijzen naar de mening van de Commissie daadwerkelijk uitwerkingen konden hebben op de markt, ongeacht of de concrete producten van de betrokken ondernemingen rechtstreeks met elkaar in concurrentie stonden in de detailhandelsfase.</TXT></NP><NP><NO.P>29.</NO.P><TXT>Het Gerecht is er daarom terecht van uitgegaan dat de motivering van de litigieuze beschikking voldeed aan de vereisten van artikel 253 EG (thans artikel 296, lid 2, VWEU) en dat de aanvullende opmerkingen van de Commissie in eerste aanleg, die uitsluitend naar aanleiding van de door Dole in het verzoekschrift aangevoerde argumenten werden gemaakt, niet ten doel hadden de litigieuze beschikking achteraf te motiveren, maar slechts ter verdediging en verduidelijking daarvan dienden.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0022"><P>Punten 133 tot en met 135 van het bestreden arrest.</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>30.</NO.P><TXT>Al met al is het eerste onderdeel van het eerste middel dus ongegrond.</TXT></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><NP><NO.P>2.</NO.P><TXT>Ontvankelijkheid van de door Dole in eerste aanleg aangevoerde bewijsmiddelen (tweede en derde onderdeel van het eerste middel)</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>31.</NO.P><TXT>Vervolgens bekritiseert Dole het feit dat het Gerecht twee door haar zelf ingediende stukken niet-ontvankelijk heeft verklaard en niet in aanmerking heeft genomen.</TXT></NP><?PAGE NO="8"?><GR.SEQ LEVEL="4"><TITLE><TI><NP><NO.P>a)</NO.P><TXT>Overlegging van stukken ter terechtzitting (tweede onderdeel van het eerste middel)</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>32.</NO.P><TXT>Ten eerste klaagt Dole over een procedurefout die het Gerecht naar haar mening heeft gemaakt door haar niet toe te staan ter terechtzitting een stuk over te leggen dat ter weerlegging moest dienen van nieuwe argumenten die de Commissie volgens Dole pas in dupliek had aangevoerd.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0023"><P>Punten 40 tot en met 48 van het bestreden arrest.</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>33.</NO.P><TXT>Het bedoelde stuk was een uittreksel uit het dossier van de administratieve procedure aan de hand waarvan Dole naar eigen zeggen wilde aantonen dat de zogenoemde Aldi-referentieprijs slechts relevant was voor gele bananen, en niet voor groene, aangezien die prijs telkens betrekking had op bananen die door Aldi twee weken later zouden worden afgenomen. Hiermee wilde Dole het vermeende argument in de dupliek van de Commissie ontzenuwen, dat de Aldi-referentieprijs ook een rol speelde bij de prijsvorming voor groene bananen.</TXT></NP><NP><NO.P>34.</NO.P><TXT>In beginsel is de verzoeker in eerste aanleg vrij om ter terechtzitting voor het Gerecht te antwoorden op de schriftelijke argumentatie van de verweerder in diens laatste memorie – in dit geval de dupliek. Indien in deze memorie nieuwe omstandigheden worden aangedragen, kan de verzoeker niet categorisch de mogelijkheid worden ontzegd om zelfs in dit late stadium van de procedure nog bewijs over te leggen teneinde dat betoog te betwisten.</TXT></NP><NP><NO.P>35.</NO.P><TXT>Dat is in casu echter niet aan de orde.</TXT></NP><NP><NO.P>36.</NO.P><TXT>Aan de ene kant zij erop gewezen dat de Aldi-referentieprijs reeds het voorwerp van de administratieve procedure en de litigieuze beschikking was.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0024"><P>Punt 14 van het bestreden arrest en overweging 104 van de litigieuze beschikking.</P></NOTE> Uit het dossier van de procedure blijkt voorts dat ook voor het Gerecht de draagwijdte en de betekenis van de Aldi-referentieprijs van meet af aan onderwerp van geschil waren tussen de partijen in de schriftelijke procedure in eerste aanleg. Het ging dus in geen geval om een nieuw punt dat pas met de dupliek van de Commissie werd aangevoerd.</TXT></NP><NP><NO.P>37.</NO.P><TXT>Indien Dole het van belang achtte om de opmerkingen van de Commissie over de Aldi-referentieprijs recht te zetten en zich met het oog daarop te baseren op het administratief dossier, had zij daartoe reeds in de schriftelijke procedure in eerste aanleg voldoende gelegenheid. Inzonderheid had Dole reeds in haar verzoekschrift en uiterlijk in haar memorie van repliek de mogelijkheid om op de bijzondere omstandigheid te wijzen dat de Aldi-referentieprijs telkens betrekking had op gele bananen die twee weken later zouden worden afgenomen.</TXT></NP><NP><NO.P>38.</NO.P><TXT>Aan de andere kant moet worden benadrukt dat Dole in werkelijkheid zelf in haar verzoekschrift in eerste aanleg heeft aangegeven dat de aankoopprijs van Aldi voor gele bananen als referentieprijs voor alle afnemers van bananen in Noord-Europa diende, ongeacht of zij groene of gele bananen aankochten.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0025"><P>In de procestaal als volgt geformuleerd: <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0016" ID="QS0016"/>[...] Aldi’s pricing for yellow bananas served as a reference price for all purchasers of bananas, whether green or yellow, in Northern Europe<QUOT.END REF.START="QS0016" CODE="201D" ID="QE0016"/> (punt 47 in fine van het verzoekschrift van Dole in zaak T‑588/08; zie ook punt 46 in fine van dat verzoekschrift).</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>39.</NO.P><TXT>Tegen deze achtergrond kan Dole niet in alle ernst beweren de bedoeling te hebben gehad om ter terechtzitting een volgens haar onjuiste bewering van de Commissie recht te zetten. Veeleer ging het om een poging om onder het voorwendsel van een dergelijke correctie nieuwe middelen aan te voeren, die bovendien in tegenspraak waren met de argumentatie van Dole zelf in de voorafgaande schriftelijke procedure. Een dergelijke tactische zet wordt door de vervalregel van artikel 48 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht uitgesloten.</TXT></NP><?PAGE NO="9"?><NP><NO.P>40.</NO.P><TXT>Het Gerecht heeft daarom het door Dole ter terechtzitting in eerste aanleg overgelegde stuk terecht niet in aanmerking genomen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0026"><P>In punt 48 van het bestreden arrest wordt het document op enigszins ongebruikelijke wijze <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0017" ID="QS0017"/>niet-toelaatbaar<QUOT.END REF.START="QS0017" CODE="201D" ID="QE0017"/> verklaard.</P></NOTE></TXT></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="4"><TITLE><TI><NP><NO.P>b)</NO.P><TXT>Niet-ontvankelijkheid van een bijlage bij de repliek van Dole (derde onderdeel van het eerste middel)</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>41.</NO.P><TXT>Ten tweede stelt Dole dat het Gerecht bijlage C 7 bij haar memorie van repliek in eerste aanleg ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Deze grief heeft betrekking op de punten 460 tot en met 470 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht die bijlage inderdaad als <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0018" ID="QS0018"/>niet-ontvankelijk<QUOT.END REF.START="QS0018" CODE="201D" ID="QE0018"/> aanmerkt.</TXT></NP><NP><NO.P>42.</NO.P><TXT>Aan de hand van de bedoelde bijlage C 7 wilde Dole in eerste aanleg betogen dat de Commissie een aantal verklaringen uit de administratieve procedure uit hun verband had gerukt.</TXT></NP><NP><NO.P>43.</NO.P><TXT>Uit de stukken blijkt dat in de repliek van Dole niet nader wordt toegelicht om welke verklaringen van Dole uit de administratieve procedure het gaat en in hoeverre deze verklaringen door de Commissie onjuist zijn geïnterpreteerd. Alleen bijlage C 7 bevat hierover gedetailleerde uiteenzettingen.</TXT></NP><NP><NO.P>44.</NO.P><TXT>Daarmee heeft Dole de procedureregel naast zich neer gelegd, dat de partijen hun argumenten dienen uiteen te zetten in hun memories en dat de bijlagen bij deze memories slechts als bewijsmiddel dienen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0027"><P>Arrest Dansk Rørindustri e.a./Commissie (C‑189/02 P, C‑202/02 P, C‑205/02 P–C‑208/02 P en C‑213/02 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2005:408">EU:C:2005:408</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punten 97 en 100).</P></NOTE> Volgens dit beginsel kan een algemene verwijzing naar andere stukken, ook al zijn die als bijlage bij het verzoekschrift gevoegd, het ontbreken van de wezenlijke elementen van het juridische betoog, die in de memories zelf moeten worden vermeld, niet goedmaken.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0028"><P>Arresten Versalis/Commissie (C‑511/11 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2013:386">EU:C:2013:386</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 115) en MasterCard e.a./Commissie (C‑382/12 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2014:2201">EU:C:2014:2201</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 40).</P></NOTE> Het is niet de taak van het Gerecht om in de bijlagen de middelen en argumenten te zoeken en te ontdekken die het als grondslag voor het beroep zou kunnen beschouwen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0029"><P>Arresten Dansk Rørindustri e.a./Commissie (C‑189/02 P, C‑202/02 P, C‑205/02 P–C‑208/02 P en C‑213/02 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2005:408">EU:C:2005:408</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punten 98 en 100) en MasterCard e.a./Commissie (C‑382/12 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2014:2201">EU:C:2014:2201</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 41).</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>45.</NO.P><TXT>Daarom heeft het Gerecht in casu volledig terecht geweigerd de inhoud van bijlage C 7 in aanmerking te nemen.</TXT></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="4"><TITLE><TI><NP><NO.P>c)</NO.P><TXT>Tussenconclusie</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>46.</NO.P><TXT>Ook het tweede en het derde onderdeel van het eerste middel zijn derhalve ongegrond.</TXT></NP></GR.SEQ></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><NP><NO.P>3.</NO.P><TXT>Beginsel van <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0019" ID="QS0019"/>equality of arms<QUOT.END REF.START="QS0019" CODE="201D" ID="QE0019"/> (vierde onderdeel van het eerste middel)</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>47.</NO.P><TXT>In het vierde onderdeel van het eerste middel betoogt Dole dat het Gerecht het beginsel van <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0020" ID="QS0020"/>equality of arms<QUOT.END REF.START="QS0020" CODE="201D" ID="QE0020"/> heeft geschonden doordat het de door haar in eerste aanleg overgelegde bewijzen niet heeft aanvaardt, maar de Commissie wel toestond nieuwe grieven en argumenten aan te voeren.</TXT></NP><?PAGE NO="10"?><NP><NO.P>48.</NO.P><TXT>Ongetwijfeld is het beginsel van <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0021" ID="QS0021"/>equality of arms<QUOT.END REF.START="QS0021" CODE="201D" ID="QE0021"/>, dat een uitvloeisel is van het vereiste van een eerlijk proces voor de gerechten van de Unie, van het hoogste belang. Dit beginsel houdt in dat elke partij een redelijke mogelijkheid moet worden geboden om haar zaak, daaronder begrepen haar bewijsmiddelen, onder zodanige omstandigheden voor te dragen dat zij tegenover de tegenpartij niet wezenlijk wordt benadeeld.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0030"><P>Arresten Zweden/API en Commissie (C‑514/07 P, C‑528/07 P en C‑532/07 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2010:541">EU:C:2010:541</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 88) en Otis e.a. (C‑199/11, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2012:684">EU:C:2012:684</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 71).</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>49.</NO.P><TXT>In casu bevat de grief inzake schending van het beginsel van <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0022" ID="QS0022"/>equality of arms<QUOT.END REF.START="QS0022" CODE="201D" ID="QE0022"/> geen uitvoerige argumenten van rekwirantes waaruit valt op te maken dat Dole in eerste aanleg ten opzichte van de Commissie op enige – laat staan duidelijke – wijze nadeel van procedurele aard heeft ondervonden.</TXT></NP><NP><NO.P>50.</NO.P><TXT>Dole motiveert deze grief namelijk slechts met een algemene verwijzing naar haar uiteenzettingen in het eerste, het tweede en het derde onderdeel van het eerste middel. Met andere woorden, dit vierde onderdeel van het eerste middel staat en valt met de drie vorige onderdelen.</TXT></NP><NP><NO.P>51.</NO.P><TXT>Aangezien het eerste, het tweede en het derde onderdeel van het eerste middel moeten worden verworpen, snijdt ook het vierde, op het beginsel van <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0023" ID="QS0023"/>equality of arms<QUOT.END REF.START="QS0023" CODE="201D" ID="QE0023"/> berustende onderdeel geen hout.</TXT></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><NP><NO.P>4.</NO.P><TXT>Verwijt van gebrekkige vaststelling van de feiten door het Gerecht (vijfde onderdeel van het eerste middel)</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>52.</NO.P><TXT>In het vijfde en laatste onderdeel van het eerste middel stelt Dole tot slot dat het Gerecht heeft nagelaten de feiten naar behoren vast te stellen overeenkomstig artikelen 64 en 65 van het Reglement voor de procesvoering. Naar de mening van Dole heeft het Gerecht het recht geschonden door alleen mondeling vragen te stellen, zonder echter maatregelen tot organisatie van de procesgang te treffen of maatregelen van instructie te nemen, hoewel bij het Gerecht <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0024" ID="QS0024"/>duidelijk verwarring<QUOT.END REF.START="QS0024" CODE="201D" ID="QE0024"/> heerste met betrekking tot bepaalde feiten die voor de beslechting van het geding van doorslaggevend belang waren. Hiermee heeft het Gerecht volgens rekwirantes zowel de beginselen van de bewijslevering geschonden als de verplichting tot correcte vaststelling van de feiten en tegelijkertijd inbreuk gemaakt op de rechten van verdediging van Dole.</TXT></NP><NP><NO.P>53.</NO.P><TXT>Ten eerste dient te worden opgemerkt dat het aan rekwirantes is om in hun verzoekschrift in hogere voorziening duidelijk aan te geven tegen welke onderdelen van het bestreden arrest zij opkomen en welke argumenten rechtens hun grieven specifiek staven.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0031"><P>Arresten Telefónica en Telefónica de España/Commissie (C‑295/12 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2014:2062">EU:C:2014:2062</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 29) en MasterCard e.a./Commissie (C‑382/12 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2014:2201">EU:C:2014:2201</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punten 151 en 215).</P></NOTE> Als kennelijk niet-ontvankelijk moet worden afgewezen een hogere voorziening zonder coherente structuur, die louter algemene beweringen bevat en geen precieze aanwijzingen verstrekt betreffende de rechtsoverwegingen van het bestreden arrest waaruit mogelijkerwijs een onjuiste rechtsopvatting blijkt.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0032"><P>Arrest Telefónica en Telefónica de España/Commissie (C‑295/12 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2014:2062">EU:C:2014:2062</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 30).</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>54.</NO.P><TXT>Gezien het uiterst vage karakter van de argumentatie van Dole betwijfel ik ten zeerste of het vijfde onderdeel van het eerste middel ontvankelijk kan worden geacht. Het verzoekschrift bevat namelijk niet veel meer dan een cryptische verwijzing naar <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0025" ID="QS0025"/>verwarring<QUOT.END REF.START="QS0025" CODE="201D" ID="QE0025"/> die bij het Gerecht zou bestaan ten aanzien van de <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0026" ID="QS0026"/>feiten in verband met het wezen van de referentieprijzen<QUOT.END REF.START="QS0026" CODE="201D" ID="QE0026"/>. Noch wordt uiteengezet waarin deze <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0027" ID="QS0027"/>verwarring<QUOT.END REF.START="QS0027" CODE="201D" ID="QE0027"/> precies bestaat, noch wordt op enige wijze aangegeven in welke punten van het bestreden arrest deze verwarring concreet tot uitdrukking komt.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0033"><P>Het terloops geuite verwijt van een onjuiste opvatting van de feiten wordt door Dole in het kader van het vijfde onderdeel van het eerste middel niet gepreciseerd. In plaats daarvan verwijst Dole naar het tweede middel. Ik zal deze vraag daarom ook slechts in het kader van het tweede middel onderzoeken (zie hieronder punten 61‑70 van deze conclusie).</P></NOTE></TXT></NP><?PAGE NO="11"?><NP><NO.P>55.</NO.P><TXT>Los daarvan moet in elk geval worden opgemerkt dat het volgens vaste rechtspraak uitsluitend ter beoordeling van het Gerecht staat, of de gegevens waarover het beschikt betreffende de aan hem voorgelegde zaken, eventueel aanvulling behoeven. De waardering van de bewijskracht van deze gegevens behoort tot zijn uitsluitende bevoegdheid tot beoordeling van de feiten. Volgens eveneens vaste rechtspraak kan deze beoordeling in hogere voorziening door het Hof niet worden getoetst, behoudens in het geval van een onjuiste opvatting van de feiten of van de bewijzen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0034"><P>Arresten Ismeri Europa/Rekenkamer (C‑315/99 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2001:391">EU:C:2001:391</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 19), Der Grüne Punkt – Duales System Deutschland/Commissie (C‑385/07 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2009:456">EU:C:2009:456</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 163), en E.ON Energie/Commissie (C‑89/11 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2012:738">EU:C:2012:738</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 115); in dezelfde zin arrest Viega/Commissie (C‑276/11 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2013:163">EU:C:2013:163</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 39).</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>56.</NO.P><TXT>Het door Dole aangevoerde feit dat het Gerecht ter terechtzitting tal van vragen aan de partijen stelde, kan redelijkerwijs niet als aanwijzing voor een eventuele nalatigheid van het Gerecht bij de vaststelling van de feiten worden beschouwd. In tegendeel kan uit de intensieve ondervraging van de partijen worden geconcludeerd dat het Gerecht zich uiterst zorgvuldig over de bijzondere omstandigheden van het geschil heeft gebogen. Overigens voorzien de procedureregels in de ondervraging van de partijen, bijvoorbeeld met het doel om bestaande onduidelijkheden weg te nemen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0035"><P>Artikel 24, eerste alinea, eerste volzin, juncto artikel 53, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie.</P></NOTE> Het is goed mogelijk dat een dergelijke ondervraging resultaten oplevert waardoor verdere maatregelen tot organisatie van de procesgang of formele maatregelen van instructie overbodig worden.</TXT></NP><NP><NO.P>57.</NO.P><TXT>Bovendien zij eraan herinnerd dat de procedure voor de Unierechter in mededingingszaken op het beginsel van bewijsvoering door partijen berust.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0036"><P>Arresten Chalkor/Commissie (C‑386/10 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2011:815">EU:C:2011:815</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punten 64 en 66), Schindler Holding e.a./Commissie (C‑501/11 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2013:522">EU:C:2013:522</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 46) en Siemens/Commissie (C‑239/11 P, C‑489/11 P en C‑498/11 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2013:866">EU:C:2013:866</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 321); zie daarnaast mijn conclusie in de zaak Schindler Holding e.a./Commissie (C‑501/11 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2013:248">EU:C:2013:248</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 47) alsook mijn conclusie in de zaak Nexans en Nexans France/Commissie (C‑37/13 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2014:223">EU:C:2014:223</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 87).</P></NOTE> Indien Dole in eerste aanleg de indruk had dat maatregelen tot organisatie van de procesgang of maatregelen van instructie noodzakelijk waren, had zij desbetreffende concrete verzoeken tot het Gerecht kunnen richten.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0037"><P>In dezelfde zin arrest Siemens/Commissie (C‑239/11 P, C‑489/11 P en C‑498/11 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2013:866">EU:C:2013:866</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 322).</P></NOTE> Zoals rekwirantes ter terechtzitting voor het Hof moesten toegeven, heeft Dole in eerste aanleg op geen enkel moment dergelijke verzoeken gedaan, hoewel daartoe zonder meer voldoende gelegenheid bestond. In die omstandigheden kan Dole thans in hogere voorziening bezwaarlijk stellen dat het Gerecht is tekortgeschoten in zijn verplichtingen op het vlak van de instructie van de feiten.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0038"><P>Arresten Schindler Holding e.a./Commissie (C‑501/11 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2013:522">EU:C:2013:522</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 46) en Viega/Commissie (C‑276/11 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2013:163">EU:C:2013:163</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punten 41 en 42).</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>58.</NO.P><TXT>In het algemeen is het Gerecht niet verplicht om in een kartelzaak het dossier ambtshalve volledig opnieuw te onderzoeken.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0039"><P>Arresten Chalkor/Commissie (C‑386/10 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2011:815">EU:C:2011:815</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 66), Kone e.a./Commissie (C‑510/11 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2013:696">EU:C:2013:696</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 32) alsook Telefónica en Telefónica de España/Commissie (C‑295/12 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2014:2062">EU:C:2014:2062</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 55).</P></NOTE> Slechts bij hoge uitzondering zal kunnen worden aangenomen dat de ruime bevoegdheid van het Gerecht om te beoordelen welk bewijs geschikt en noodzakelijk is om bepaalde feiten aan te tonen, een verplichting wordt om op eigen initiatief nader bewijs te verkrijgen, zelfs als geen van de partijen daarom heeft verzocht. Dit geldt temeer wanneer de partijen – zoals in de onderhavige zaak – grote ondernemingen met enige ervaring in mededingingsrechtelijke kwesties zijn en door gespecialiseerde advocaten worden vertegenwoordigd.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0040"><P>Zie dienaangaande mijn conclusie in de zaak Schindler Holding e.a./Commissie (C‑501/11 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2013:248">EU:C:2013:248</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 51) en mijn conclusie in de zaak Nexans en Nexans France/Commissie (C‑37/13 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2014:223">EU:C:2014:223</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punten 87 en 88).</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>59.</NO.P><TXT>In casu hebben rekwirantes geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het Gerecht bij uitzondering verplicht zou zijn geweest om ambtshalve bewijzen te verkrijgen. Zelfs na daarom uitdrukkelijk door mij te zijn verzocht, zijn zij een beschrijving van dergelijke omstandigheden schuldig gebleven.</TXT></NP><?PAGE NO="12"?><NP><NO.P>60.</NO.P><TXT>Bijgevolg is ook het vijfde onderdeel van het eerste middel ongegrond, zodat dit middel in zijn geheel moet worden afgewezen.</TXT></NP></GR.SEQ></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P>B –</NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">Tweede middel: onjuiste opvatting van de feiten</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>61.</NO.P><TXT>Met haar tweede middel verwijt Dole het Gerecht een aantal feiten onjuist te hebben opgevat die voor de juiste beoordeling van de inbreuk in zijn juridische en economische context van belang zijn. Dit middel is gericht tegen de punten 152, 182, 184 en 232 van het bestreden arrest.</TXT></NP><NP><NO.P>62.</NO.P><TXT>Met name gaat het daarbij in hoofdzaak om drie vragen: ten eerste de vraag of het Gerecht referentieprijzen<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0041"><P>In de procestaal (Engels): <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0028" ID="QS0028"/>quotation prices<QUOT.END REF.START="QS0028" CODE="201D" ID="QE0028"/>; in de taal van de beraadslaging (Frans): <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0029" ID="QS0029"/>prix de référence<QUOT.END REF.START="QS0029" CODE="201D" ID="QE0029"/>.</P></NOTE> en prijsoffertes<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0042"><P>In de procestaal: <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0030" ID="QS0030"/>price quotes<QUOT.END REF.START="QS0030" CODE="201D" ID="QE0030"/>; in de taal van de beraadslaging: <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0031" ID="QS0031"/>offres de prix<QUOT.END REF.START="QS0031" CODE="201D" ID="QE0031"/>.</P></NOTE> door elkaar gehaald heeft; ten tweede of het Gerecht er ten onrechte van is uitgegaan dat Dole referentieprijzen voor gele bananen heeft vastgesteld, en ten derde of de referentieprijzen voor groene en gele bananen in de gehele sector dusdanig met elkaar verband hielden dat zij geacht kunnen worden naar elkaar omrekenbaar te zijn.</TXT></NP><NP><NO.P>63.</NO.P><TXT>Allereerst zij erop gewezen dat alleen van een onjuiste opvatting van feiten of bewijzen kan worden uitgegaan indien aan een aantal strikte voorwaarden is voldaan. Van een dergelijke verkeerde opvatting van feiten of bewijzen is slechts sprake wanneer, zonder gebruik te maken van nieuwe bewijsmiddelen, de beoordeling van de bestaande bewijsmiddelen kennelijk onjuist blijkt te zijn.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0043"><P>Arresten PKK en KNK/Raad (C‑229/05 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2007:32">EU:C:2007:32</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 37), Sniace/Commissie (C‑260/05 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2007:700">EU:C:2007:700</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 37) en Lafarge/Commissie (C‑413/08 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2010:346">EU:C:2010:346</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 17).</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>64.</NO.P><TXT>Niets in de argumentatie van Dole duidt echter op een <HT TYPE="ITALIC">kennelijk onjuiste</HT> beoordeling van feiten of bewijzen.</TXT></NP><NP><NO.P>65.</NO.P><TXT>Wat ten eerste het vermeende door elkaar halen van referentieprijzen en prijsoffertes in de punten 152, 182, 184 en 232 van het bestreden arrest betreft, valt op te merken dat die begrippen helemaal niet in elk van die passages van het arrest voorkomen. Alleen in punt 182 wordt – in de procestaal – gewag gemaakt van een <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0032" ID="QS0032"/>quotation price<QUOT.END REF.START="QS0032" CODE="201D" ID="QE0032"/> (<QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0033" ID="QS0033"/>referentieprijs<QUOT.END REF.START="QS0033" CODE="201D" ID="QE0033"/>), in punt 152 van een <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0034" ID="QS0034"/>yellow quote<QUOT.END REF.START="QS0034" CODE="201D" ID="QE0034"/> (<QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0035" ID="QS0035"/>gele referentieprijs<QUOT.END REF.START="QS0035" CODE="201D" ID="QE0035"/>)<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0044"><P>In de taal van de beraadslaging: <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0036" ID="QS0036"/>une offre jaune<QUOT.END REF.START="QS0036" CODE="201D" ID="QE0036"/>.</P></NOTE>, in punt 184 van een <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0037" ID="QS0037"/>yellow price<QUOT.END REF.START="QS0037" CODE="201D" ID="QE0037"/> (<QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0038" ID="QS0038"/>gele prijs<QUOT.END REF.START="QS0038" CODE="201D" ID="QE0038"/>)<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0045"><P>In de taal van de beraadslaging: <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0039" ID="QS0039"/>un prix jaune<QUOT.END REF.START="QS0039" CODE="201D" ID="QE0039"/>.</P></NOTE> en in punt 232 van een <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0040" ID="QS0040"/>green price<QUOT.END REF.START="QS0040" CODE="201D" ID="QE0040"/> en een <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0041" ID="QS0041"/>yellow price<QUOT.END REF.START="QS0041" CODE="201D" ID="QE0041"/> (<QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0042" ID="QS0042"/>groene prijs<QUOT.END REF.START="QS0042" CODE="201D" ID="QE0042"/> en <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0043" ID="QS0043"/>gele prijs<QUOT.END REF.START="QS0043" CODE="201D" ID="QE0043"/>). In geen enkele van de genoemde passages van het bestreden arrest worden door het Gerecht referentieprijzen en prijsoffertes door elkaar gehaald, en evenmin worden referentieprijzen en daadwerkelijk betaalde prijzen over één kam geschoren. Het desbetreffende verwijt van Dole is ongegrond.</TXT></NP><NP><NO.P>66.</NO.P><TXT>Ten tweede moet ten aanzien van het vermeende gebruik door Dole van een referentieprijs voor gele bananen worden opgemerkt dat het Gerecht slechts in één passage van het bestreden arrest, namelijk in punt 182 daarvan, met betrekking tot Dole gebruik maakt van het begrip <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0044" ID="QS0044"/>yellow quotation price<QUOT.END REF.START="QS0044" CODE="201D" ID="QE0044"/> (<QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0045" ID="QS0045"/>gele referentieprijs<QUOT.END REF.START="QS0045" CODE="201D" ID="QE0045"/>). Waarschijnlijk gaat het hier eerder om een redactionele fout dan om een kennelijk verkeerde beoordeling van de feiten. In elk geval komt uit de argumentatie van Dole niet naar voren in hoeverre juist deze mogelijke onnauwkeurigheid in de formulering van punt 182 van invloed kan zijn geweest op de mededingingsrechtelijke beoordeling van de feiten door het Gerecht en uiteindelijk op het dictum van het bestreden arrest. Ook al gaat men van een onjuiste opvatting van de feiten uit, bestaat er zonder desbetreffende concrete aanwijzingen geen reden om het bestreden arrest te vernietigen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0046"><P>Arresten P &amp; O European Ferries (Vizcaya) en Diputación Foral de Vizcaya/Commissie (C‑442/03 P en C‑471/03 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2006:356">EU:C:2006:356</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punten 67‑69), Sison/Raad (C‑266/05 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2007:75">EU:C:2007:75</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punten 70‑72) en Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad (C‑583/11 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2013:625">EU:C:2013:625</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 112).</P></NOTE></TXT></NP><?PAGE NO="13"?><NP><NO.P>67.</NO.P><TXT>Wat ten derde de problematiek van de voor de gehele sector geldende omrekenbaarheid van groene en gele referentieprijzen betreft, zij erop gewezen dat het verwijt van Dole dat het Gerecht de feiten verkeerd heeft opgevat, betrekking heeft op punt 232 van het bestreden arrest. Interessant is evenwel dat in die passage van het arrest het door Dole gelaakte begrip <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0046" ID="QS0046"/>referentieprijzen<QUOT.END REF.START="QS0046" CODE="201D" ID="QE0046"/><NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0047"><P>In de procestaal: <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0047" ID="QS0047"/>quotation prices<QUOT.END REF.START="QS0047" CODE="201D" ID="QE0047"/>.</P></NOTE> in het geheel niet wordt gebruikt. Wel gaat het Gerecht aldaar van een nauwe samenhang tussen <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0048" ID="QS0048"/>groene prijzen<QUOT.END REF.START="QS0048" CODE="201D" ID="QE0048"/> en <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0049" ID="QS0049"/>gele prijzen<QUOT.END REF.START="QS0049" CODE="201D" ID="QE0049"/> uit. Dole heeft niets aangevoerd waaruit blijkt dat deze vaststelling onjuist – laat staan <HT TYPE="ITALIC">kennelijk onjuist</HT> – zou kunnen blijken. Integendeel, indien men tevens rekening houdt met het door de rechter in eerste aanleg in de direct voorafgaande punten 220 tot en met 231 van het bestreden arrest beoordeelde bewijsmateriaal – te weten een e-mail van een medewerker van Atlanta van <DATE ISO="20030102">2 januari 2003</DATE> –, is de door het Gerecht getrokken conclusie vrijwel onontkoombaar. In die punten worden de wisselwerkingen tussen de door Chiquita en Dole gehanteerde prijzen aanschouwelijk uiteengezet, ook al legt de ene onderneming een <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0050" ID="QS0050"/>gele prijs<QUOT.END REF.START="QS0050" CODE="201D" ID="QE0050"/> ten grondslag, terwijl de andere van een <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0051" ID="QS0051"/>groene prijs<QUOT.END REF.START="QS0051" CODE="201D" ID="QE0051"/> uitgaat. Al met al komt het verwijt dat in punt 232 van het bestreden arrest feiten onjuist zijn opgevat, daarmee op losse schroeven te staan.</TXT></NP><NP><NO.P>68.</NO.P><TXT>Algemeen gesproken lijkt het erop dat Dole in het kader van het onderhavige tweede middel met tal van onzinnige semantische spitsvondigheden komt, waarmee zij in werkelijkheid slechts beoogt het Hof, onder het mom van de grief inzake onjuiste opvatting van de feiten, tot een nieuw onderzoek te bewegen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0048"><P>Arresten Lafarge/Commissie (C‑413/08 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2010:346">EU:C:2010:346</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 23), Ziegler/Commissie (C‑439/11 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2013:513">EU:C:2013:513</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punten 75 en 76) en FLSmidth/Commissie (C‑238/12 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2014:284">EU:C:2014:284</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 31).</P></NOTE> Het is echter niet de taak van het Hof om in het kader van een hogere voorziening zijn eigen beoordeling van de marktgegevens en de mededingingssituatie in de plaats stellen van die van het Gerecht.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0049"><P>Arrest British Airways/Commissie (C‑95/04 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2007:166">EU:C:2007:166</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 137).</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>69.</NO.P><TXT>Overigens gaan de verwijten van rekwirantes mank doordat zij op uit hun verband gelichte individuele passages van het arrest steunen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0050"><P>Zie met name de punten 226 tot en met 228 van het bestreden arrest.</P></NOTE> Indien men de betwiste punten van het arrest niet op zichzelf beschouwt, maar in de context van de algehele motivering van het arrest, wordt duidelijk dat het Gerecht de werking van de Noord-Europese bananenmarkt met inbegrip van de nodige details heeft weten te doorgronden. Het Gerecht heeft wel degelijk nota genomen van het door Dole keer op keer herhaalde argument dat er in de detailhandelsfase geen sprake is van concurrentie tussen haar eigen bananen en die van Chiquita<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0051"><P>Zie wederom de punten 128 tot en met 132 van het bestreden arrest.</P></NOTE>; het feit dat het Gerecht zich uiteindelijk niet door dit argument heeft laten overtuigen, volstaat op zichzelf niet ter onderbouwing van het verwijt dat het feiten of bewijzen onjuist heeft opgevat.</TXT></NP><NP><NO.P>70.</NO.P><TXT>Al met al moet derhalve het tweede middel worden afgewezen.</TXT></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P>C –</NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">Derde middel:</HT> <HT TYPE="ITALIC"><QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0052" ID="QS0052"/>ontoereikende beoordeling van het bewijsmateriaal</HT><HT TYPE="ITALIC"><QUOT.END REF.START="QS0052" CODE="201D" ID="QE0052"/> door het Gerecht</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>71.</NO.P><TXT>Met haar derde, uit niet minder dan vijf onderdelen bestaande middel verwijt Dole het Gerecht <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0053" ID="QS0053"/>ontoereikende beoordeling van bewijsmateriaal<QUOT.END REF.START="QS0053" CODE="201D" ID="QE0053"/>. Indien de bewoordingen van Dole letterlijk zouden worden opgevat, moest het derde middel kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien het alleen aan het Gerecht staat om feiten en bewijzen te beoordelen, terwijl het Hof daartoe in hogere voorziening niet bevoegd is – met uitzondering van een eventuele grief met betrekking tot een<?PAGE NO="14"?> onjuiste opvatting van feiten of bewijzen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0052"><P>Beschikking San Marco/Commissie (C‑19/95 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1996:331">EU:C:1996:331</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punten 39 en 40) en arresten Commissie/Schneider Electric (C‑440/07 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2009:459">EU:C:2009:459</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 103) alsmede Telefónica en Telefónica de España/Commissie (C‑295/12 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2014:2062">EU:C:2014:2062</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 84); zie ook arrest MasterCard e.a./Commissie (C‑382/12 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2014:2201">EU:C:2014:2201</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 60).</P></NOTE> Bij nader inzien gaan echter achter het verwijt van <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0054" ID="QS0054"/>ontoereikende beoordeling<QUOT.END REF.START="QS0054" CODE="201D" ID="QE0054"/> in wezen verschillende grieven schuil met betrekking tot de motivering van het besteden arrest, de juridische eisen waaraan de motivering van het bestreden arrest moet voldoen en de juridische kwalificatie van de feiten.</TXT></NP><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><NP><NO.P>1.</NO.P><TXT>Marktstructuur en marktpositie van de betrokken ondernemingen – de rol van gele en groene bananen bij de berekening van marktaandelen (eerste onderdeel van het derde middel)</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>72.</NO.P><TXT>Ten eerste bekritiseert Dole in het kader van het derde middel dat het Gerecht de berekening van het gezamenlijke marktaandeel van Dole, Chiquita en Del Monte/Weichert, waarop de Commissie zich in de litigieuze beschikking voor haar beschrijving van de structuur van de betrokken markt baseert, zonder passende motivering heeft bevestigd.</TXT></NP><NP><NO.P>73.</NO.P><TXT>Deze grief is in de eerste plaats gericht tegen punt 353 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht zich aansluit bij de vaststelling van de Commissie <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0055" ID="QS0055"/>dat Dole, Chiquita en Weichert een groot deel in handen hadden van de markt<QUOT.END REF.START="QS0055" CODE="201D" ID="QE0055"/>. Deze vaststelling berust op het feit dat het gezamenlijke marktaandeel van Chiquita, Dole en Weichert volgens de beschikking van de Commissie 45 tot 50 % bedroeg, gemeten aan de waarde van de bananenverkoop in Noord-Europa in 2002<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0053"><P>Overwegingen 26 en 27 van de litigieuze beschikking en punt 345 van het bestreden arrest.</P></NOTE>, dan wel 40 tot 45 % uitmaakte, indien men kijkt naar <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0056" ID="QS0056"/>het kennelijke verbruik van verse bananen in Noord-Europa<QUOT.END REF.START="QS0056" CODE="201D" ID="QE0056"/> in dezelfde periode<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0054"><P>Overweging 31 van de litigieuze beschikking en punt 350 van het bestreden arrest.</P></NOTE>.</TXT></NP><NP><NO.P>74.</NO.P><TXT>Dole brengt daartegen in dat deze ramingen van het gezamenlijke marktaandeel van de betrokken ondernemingen overdreven hoog zijn. Volgens haar zijn de cijfers kunstmatig verhoogd doordat de Commissie groene en gele bananen bij elkaar heeft opgeteld, zonder rekening te houden met het feit dat in Noord-Europa slechts groene bananen worden ingevoerd en dat een aantal van deze groene bananen eerst tussen importeurs onderling worden verhandeld voordat zij, na te zijn gerijpt, als gele bananen aan de detailhandel worden geleverd. Op deze wijze is volgens Dole een deel van de op de Noord-Europese markt verkochte bananen dubbel geteld bij de berekening van de marktaandelen.</TXT></NP><NP><NO.P>75.</NO.P><TXT>Het Gerecht heeft naar de mening van rekwiranten niet in voldoende mate rekening gehouden met dit door Dole geuite bezwaar, zodat het bestreden arrest in dit opzicht ontoereikend is gemotiveerd.</TXT></NP><NP><NO.P>76.</NO.P><TXT>Dit verwijt is verrassend, aangezien het Gerecht zich in de punten 351 tot en met 354 van het bestreden arrest uitdrukkelijk over het bezwaar van Dole uitlaat en dit verwerpt op grond dat de argumentatie van Dole <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0057" ID="QS0057"/>uitgaat van een onjuiste premisse, namelijk dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen gele en groene bananen<QUOT.END REF.START="QS0057" CODE="201D" ID="QE0057"/><NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0055"><P>Punt 352, eerste volzin, van het bestreden arrest.</P></NOTE>.</TXT></NP><NP><NO.P>77.</NO.P><TXT>Daar het Gerecht wel degelijk een – zij het ook summiere – motivering heeft gegeven, rijst het vermoeden dat Dole <HT TYPE="ITALIC">inhoudelijk</HT> niet akkoord gaat met de bedoelde passage van het arrest. De formele rechtmatigheid van het bestreden arrest, wat betreft de motiveringsplicht, kan echter niet door een dergelijke inhoudelijke kritiek in twijfel worden getrokken. Dole mag het dan inhoudelijk niet eens zijn met de opvatting van het Gerecht, dat feit alleen betekent nog niet dat de motivering van het bestreden arrest ontoereikend zou zijn.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0056"><P>Arresten Wunenburger/Commissie (C‑362/05 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2007:322">EU:C:2007:322</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 80) en Gogos/Commissie (C‑583/08 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2010:287">EU:C:2010:287</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 35).</P></NOTE></TXT></NP><?PAGE NO="15"?><NP><NO.P>78.</NO.P><TXT>Desalniettemin impliceert deze door Dole aangevoerde motiveringsgrief tevens de vraag of het Gerecht in formeel opzicht niet verplicht was om het bestreden arrest <HT TYPE="ITALIC">uitvoeriger te motiveren</HT> wat betreft de kritiek van Dole op de berekening van het gezamenlijke marktaandeel van de betrokken ondernemingen.</TXT></NP><NP><NO.P>79.</NO.P><TXT>De verplichting om arresten in eerste aanleg naar behoren te motiveren volgt uit artikel 36 juncto artikel 53, eerste alinea, van het Statuut van het Hof. Volgens vaste rechtspraak moet de motivering van het arrest de redenering van het Gerecht duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking brengen, zodat de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de gronden voor de genomen beslissing en het Hof zijn rechterlijke controle kan uitoefenen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0057"><P>Arrest Raad/De Nil en Impens (C‑259/96 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1998:224">EU:C:1998:224</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punten 32 en 33), France Télécom/Commissie (C‑202/07 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2009:214">EU:C:2009:214</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 29) en Mindo/Commissie (C‑652/11 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2013:229">EU:C:2013:229</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 29).</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>80.</NO.P><TXT>Een motivering kan weliswaar ook ontoereikend zijn vanwege het feit dat het Gerecht in zijn arrest heeft nagelaten in te gaan op een verzoek<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0058"><P>Arrest Evropaïki Dynamiki/Commissie (C‑200/10 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2011:281">EU:C:2011:281</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 33).</P></NOTE>, een middel<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0059"><P>Arresten Vidrányi/Commissie (C‑283/90 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1991:361">EU:C:1991:361</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 29), Commissie/Greencore (C‑123/03 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2004:783">EU:C:2004:783</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punten 40 en 41) en Gogos/Commissie (C‑583/08 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2010:287">EU:C:2010:287</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 29).</P></NOTE> of de argumenten<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0060"><P>Arresten Ferriere Nord/Commissie (C‑219/95 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1997:375">EU:C:1997:375</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>), Dansk Rørindustri e.a./Commissie (C‑189/02 P, C‑202/02 P, C‑205/02 P–C‑208/02 P en C‑213/02 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2005:408">EU:C:2005:408</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 244) en France Télécom/Commissie (C‑202/07 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2009:214">EU:C:2009:214</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 41), met betrekking tot argumenten voor de verlaging van geldboeten.</P></NOTE> van een partij.</TXT></NP><NP><NO.P>81.</NO.P><TXT>Dit betekent echter niet dat het Gerecht verplicht is om in zijn uitspraak alle door de partijen in het geding aangevoerde argumenten uitputtend te behandelen, met name wanneer deze onvoldoende duidelijk en nauwkeurig zijn.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0061"><P>Arresten Connolly/Commissie (C‑274/99 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2001:127">EU:C:2001:127</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 121) en FIAMM e.a./Raad en Commissie (C‑120/06 P en C‑121/06 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2008:476">EU:C:2008:476</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 91).</P></NOTE> De motivering van het Gerecht kan zelfs impliciet zijn, mits de belanghebbenden de redenen kunnen kennen waarom het hun betoog niet heeft gevolgd en het Hof over voldoende elementen beschikt om zijn rechterlijke controle uit te oefenen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0062"><P>Arresten Ziegler/Commissie (C‑439/11 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2013:513">EU:C:2013:513</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 82), Gascogne Sack Deutschland/Commissie (C‑40/12 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2013:768">EU:C:2013:768</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 35) en MasterCard e.a./Commissie (C‑382/12 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2014:2201">EU:C:2014:2201</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 189).</P></NOTE> Doorslaggevend is uiteindelijk de vraag of het Gerecht in zijn motivering is ingegaan op alle gelaakte schendingen van het recht en de <HT TYPE="ITALIC">wezenlijke punten van de argumentatie</HT> van de partijen naar behoren heeft behandeld.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0063"><P>Arresten Komninou e.a./Commissie (C‑167/06 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2007:633">EU:C:2007:633</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 22) en Mindo/Commissie (C‑652/11 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2013:229">EU:C:2013:229</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 41).</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>82.</NO.P><TXT>In casu kan redelijkerwijs niet worden gesteld dat de kritiek van Dole op de door de Commissie ten grondslag gelegde cijfers over het gezamenlijk marktaandeel van de betrokken ondernemingen een <HT TYPE="ITALIC">wezenlijk punt</HT> van haar argumentatie in eerste aanleg was. Deze kritiek speelde integendeel een marginale rol in de aan het Gerecht overgelegde memories van Dole. Zo heeft Dole aan deze problematiek slechts één punt in haar verzoekschrift gewijd<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0064"><P>Punt 118 van het verzoekschrift in eerste aanleg.</P></NOTE>, in haar repliek nog niet eens een halve zin<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0065"><P>Punt 40 van de repliek in eerste aanleg verwijst slechts tussen haakjes naar de <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0058" ID="QS0058"/>overdreven cijfers van de Commissie<QUOT.END REF.START="QS0058" CODE="201D" ID="QE0058"/>.</P></NOTE>. Inhoudelijk beperkte Dole zich tot de bewering dat het door de Commissie ten grondslag gelegde marktaandeel <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0059" ID="QS0059"/>aanzienlijk overdreven<QUOT.END REF.START="QS0059" CODE="201D" ID="QE0059"/> was en dat uit een onafhankelijke consumentenenquête een gezamenlijk marktaandeel van slechts 25 % naar voren kwam.</TXT></NP><NP><NO.P>83.</NO.P><TXT>Het verwijt van Dole dat de Commissie de groene en gele bananen niet bij elkaar op had mogen tellen, staat inmiddels in hogere voorziening centraal, terwijl het in eerste aanleg slechts in een voetnoot werd vermeld.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0066"><P>Voetnoot 86 van het verzoekschrift in eerste aanleg; in voetnoot 44 van de repliek in eerste aanleg wordt dit verwijt herhaald.</P></NOTE> In het schriftelijke betoog van Dole in eerste aanleg is nergens sprake van een dubbeltelling van bananen op grond van het feit dat mogelijkerwijs onderlinge verkooptransacties tussen importeurs zijn meegenomen in de berekening.</TXT></NP><?PAGE NO="16"?><NP><NO.P>84.</NO.P><TXT>Zoals Dole in antwoord op een uitdrukkelijke vraag van het Hof moest toegeven, werden deze twee aspecten – het bij elkaar optellen van groene en gele bananen enerzijds, de dubbeltelling van onderling tussen importeurs verhandelde bananen anderzijds – ter terechtzitting voor het Gerecht evenmin nader uitgewerkt.</TXT></NP><NP><NO.P>85.</NO.P><TXT>In deze omstandigheden kan het Gerecht niet worden verweten deze beide aspecten in het bestreden arrest niet nader te hebben behandeld. Derhalve kan hier in geen geval sprake zijn van een schending van de motiveringsplicht.</TXT></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><P>Aanvullende opmerkingen over de inhoudelijke kritiek op de marktaandeelcijfers</P></TI></TITLE><NP><NO.P>86.</NO.P><TXT>Alleen voor de volledigheid voeg ik hieraan toe dat het betoog van Dole in het kader van het onderhavige eerste deel van het derde middel ook geen geschikte grondslag vormt voor inhoudelijke bezwaren tegen de overwegingen van het Gerecht inzake het gezamenlijk marktaandeel van de betrokken ondernemingen.</TXT></NP><NP><NO.P>87.</NO.P><TXT>Aangezien alleen het Gerecht bevoegd is ter zake van de beoordeling van feiten en bewijzen, is het zeker niet de taak van het Hof om in hogere voorziening zijn eigen beoordeling van de marktgegevens en de mededingingssituatie in de plaats stellen van die van het Gerecht.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0067"><P>Arrest British Airways/Commissie (C‑95/04 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2007:166">EU:C:2007:166</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 137).</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>88.</NO.P><TXT>Weliswaar is het Hof in hogere voorziening bevoegd om de juridische kwalificatie van feiten door het Gerecht te toetsen of een eventuele onjuiste opvatting van feiten en bewijzen vast te stellen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0068"><P>Arresten Commissie/Brazzelli Lualdi e.a. (C‑136/92 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1994:211">EU:C:1994:211</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 49), Commissie/Schneider Electric (C‑440/07 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2009:459">EU:C:2009:459</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 191), Raad/Zhejiang Xinan Chemical Industrial Group (C‑337/09 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2012:471">EU:C:2012:471</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 55) en Ziegler/Commissie (C‑439/11 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2013:513">EU:C:2013:513</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 74).</P></NOTE> Voor het Hof heeft Dole echter geen van beide grieven aangevoerd met betrekking tot de in geding zijnde berekening van het gezamenlijke marktaandeel van de betrokken ondernemingen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0069"><P>De door Dole in het kader van het tweede middel aangevoerde grief met betrekking tot de onjuiste opvatting van feiten steunde <HT TYPE="ITALIC">niet</HT> op de vermeende onjuiste berekening van de marktaandelen.</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>89.</NO.P><TXT>Afgezien daarvan zijn de uiteenzettingen van Dole over de vermeende onnauwkeurigheid van de berekening van het gezamenlijk marktaandeel van de betrokken ondernemingen zo algemeen en vaag dat een behoorlijke beoordeling ervan redelijkerwijs niet mogelijk is.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0070"><P>Arresten Lindorfer/Raad (C‑227/04 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2007:490">EU:C:2007:490</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 83), Schindler Holding e.a./Commissie (C‑501/11 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2013:522">EU:C:2013:522</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 45) en MasterCard e.a./Commissie (C‑382/12 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2014:2201">EU:C:2014:2201</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 151).</P></NOTE> In het bijzonder geeft Dole geen enkele aanwijzing over de omvang van de door haar bedoelde onderlinge bananenverkoop tussen importeurs. Ging het daarbij om een wijdverbreide praktijk of om een marginaal fenomeen?<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0071"><P>Volgens de toelichtingen van de Commissie ter terechtzitting voor het Hof, die door Dole niet werden betwist, was de omvang van de onderlinge bananenverkoop tussen importeurs niet noemenswaardig. Dezelfde conclusie kan worden getrokken uit de onbetwiste vaststellingen van de Commissie in de overwegingen 451 tot en met 453 van de litigieuze beschikking, ook al zijn deze vaststellingen in een andere context gedaan.</P></NOTE> Bij gebrek aan een met bewijzen gestaafde uiteenzetting hierover van Dole<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0072"><P>Men had ten minste mogen verwachten dat Dole in de procedure concrete gegevens zou hebben verstrekt over haar eigen verkoop aan andere importeurs of aankopen van Dole bij andere importeurs. Dole beschikt immers over alle relevante gegevens over haar eigen transacties met bananen.</P></NOTE> kan uiteindelijk niet worden beoordeeld of het eventuele meetellen van onderlinge verkooptransacties tussen importeurs van noemenswaardige invloed zou kunnen zijn geweest op de in de litigieuze beschikking geraamde en door het Gerecht aan zijn beoordeling ten grondslag gelegde marktaandelen.</TXT></NP><NP><NO.P>90.</NO.P><TXT>Al met al moet bijgevolg het eerste onderdeel van het derde middel worden afgewezen.</TXT></NP></GR.SEQ><?PAGE NO="17"?><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><NP><NO.P>2.</NO.P><TXT>Beschrijving van de informatie-uitwisseling tussen de karteldeelnemers (tweede, derde en vierde onderdeel van het derde middel)</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>91.</NO.P><TXT>Met het tweede, derde en vierde onderdeel van het derde middel verwijt Dole het Gerecht dat het blijk heeft gegeven van verschillende onjuiste rechtsopvattingen die verband houden met de beschrijving van de in geding zijnde informatie-uitwisseling tussen de betrokken ondernemingen.</TXT></NP><GR.SEQ LEVEL="4"><TITLE><TI><NP><NO.P>a)</NO.P><TXT>Juridische eisen waaraan de motivering van de litigieuze beschikking moet voldoen (tweede en derde onderdeel van het derde middel)</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>92.</NO.P><TXT>Ten eerste verwijt Dole het Gerecht te lage eisen te hebben gesteld aan de motivering van de litigieuze beschikking. Naar de mening van Dole had het Gerecht de Commissie moeten verplichten een nauwkeurigere beschrijving te leveren van de onderwerpen waarover de betrokken ondernemingen met mededingingsverstorend oogmerk onderling informatie hebben uitgewisseld (tweede onderdeel van het derde middel), en had het de Commissie moeten verzoeken gedetailleerd uiteen te zetten op welke prijsvormingsfactoren de vastgestelde inbreuk met een mededingingsverstorend doel betrekking had (derde onderdeel van het derde middel). Deze twee aspecten vertonen aanzienlijke overlappingen en worden daarom tezamen onderzocht.</TXT></NP><NP><NO.P>93.</NO.P><TXT>De juridische eisen die aan de motivering van besluiten van de Commissie op het gebied van het kartelrecht worden gesteld, vloeien voort uit artikel 253 EG (thans artikel 296, lid 2, VWEU). Volgens vaste rechtspraak moet een dergelijke motivering de redenering van de Commissie duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking brengen, zodat de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de rechtvaardigingsgronden van de maatregel en de bevoegde rechter zijn rechterlijke controle kan uitoefenen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0073"><P>Arresten Bertelsmann en Sony Corporation of America/Impala (C‑413/06 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2008:392">EU:C:2008:392</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 166), Elf Aquitaine/Commissie (C‑521/09 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2011:620">EU:C:2011:620</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 147) en Ziegler/Commissie (C‑439/11 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2013:513">EU:C:2013:513</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 115).</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>94.</NO.P><TXT>Het is evenwel niet noodzakelijk dat alle gegevens feitelijk en rechtens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 253 EG voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de tekst ervan, doch ook op de context waarin deze is genomen, en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0074"><P>Arresten Bertelsmann en Sony Corporation of America/Impala (C‑413/06 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2008:392">EU:C:2008:392</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 166), Elf Aquitaine/Commissie (C‑521/09 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2011:620">EU:C:2011:620</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 150) en Ziegler/Commissie (C‑439/11 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2013:513">EU:C:2013:513</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 116).</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>95.</NO.P><TXT>Het Gerecht heeft tal van punten uit de litigieuze beschikking aangehaald en er onder meer op gewezen dat de informatie-uitwisseling tussen de betrokken ondernemingen in casu betrekking had op voorraden, overtollige voorraden van ingevoerde bananen in de havens, de verwachte marktvraag en de marktontwikkeling – bijvoorbeeld aan de hand van gesprekken over een promotiecampagne – alsook op de kans dat er een algemene stijging of daling van de bananenprijzen op de markt zou komen, of dat de prijzen over het algemeen op hetzelfde niveau zouden blijven.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0075"><P>Punten 262 en 263 van het bestreden arrest.</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>96.</NO.P><TXT>Uit deze opsomming blijkt mijns inziens duidelijk genoeg dat Dole niet onkundig kon zijn van het precieze voorwerp van de haar ten laste gelegde inbreuk. Dit geldt des te meer daar de genoemde details met betrekking tot de informatie-uitwisseling tussen de betrokken ondernemingen onder meer zijn ontleend aan de verklaringen van Dole zelf in de administratieve procedure.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0076"><P>Punt 264 juncto punten 262 en 263 van het bestreden arrest.</P></NOTE></TXT></NP><?PAGE NO="18"?><NP><NO.P>97.</NO.P><TXT>Daarnaast heeft het Gerecht terecht opgemerkt dat de Commissie op grond van artikel 253 EG niet verplicht was om een <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0060" ID="QS0060"/>uitputtende lijst van factoren op te nemen die a priori als ongeoorloofd dienden te worden beschouwd in de betrokken sector<QUOT.END REF.START="QS0060" CODE="201D" ID="QE0060"/><NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0077"><P>Punt 261 van het bestreden arrest.</P></NOTE>. In tegenstelling tot de kennelijke opvatting van Dole is het namelijk niet de taak van de Commissie om in een besluit uit hoofde van artikel 7 en artikel 23, lid 2, onder a), van verordening (EG) nr. 1/2003<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0078"><P>Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van <DATE ISO="20021216">16 december 2002</DATE> betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] van het Verdrag (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="001" PAGE.FIRST="1" DATE.PUB="2003">PB 2003, L 1, blz. 1</REF.DOC.OJ>).</P></NOTE> aan karteldeelnemers richtsnoeren te geven voor hun toekomstige marktgedrag. Veeleer zijn de betrokken ondernemingen net als alle andere marktdeelnemers gehouden er zelf voor verantwoordelijk om erop toe te zien dat hun marktgedrag geen inbreuken op de mededingingsregels van de interne markt tot gevolg heeft.</TXT></NP><NP><NO.P>98.</NO.P><TXT>Het Gerecht heeft de door Dole aangevoerde grief met betrekking tot ontoereikende motivering van de litigieuze beschikking derhalve volledig terecht afgewezen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0079"><P>Punt 267 van het bestreden arrest.</P></NOTE></TXT></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="4"><TITLE><TI><NP><NO.P>b)</NO.P><TXT>Het argument van Dole dat de bij de informatie-uitwisseling betrokken medewerkers niet zelf verantwoordelijk waren voor de vaststelling van referentieprijzen (vierde onderdeel van het derde middel)</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>99.</NO.P><TXT>Vervolgens<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0080"><P>Voor zover deze grief ook een rol speelt in het kader van het vijfde onderdeel van het derde middel, reageer ik er reeds op deze plaats op in de hieronder volgende uiteenzettingen.</P></NOTE> verwijt Dole het Gerecht, niet te hebben geantwoord op haar argument dat het ongeloofwaardig is dat de betrokken personeelsleden van Chiquita en Dole aan een informatie-uitwisseling hadden kunnen meewerken, omdat zij binnen de onderneming niet zijn belast met het vaststellen van referentieprijzen. Met deze grief beroept Dole zich op het ontbreken van een toereikende motivering van het bestreden arrest.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0081"><P>Zie in die zin arresten Komninou e.a./Commissie (C‑167/06 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2007:633">EU:C:2007:633</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 22), Gogos/Commissie (C‑583/08 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2010:287">EU:C:2010:287</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 29) en Mindo/Commissie (C‑652/11 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2013:229">EU:C:2013:229</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 41).</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>100.</NO.P><TXT>Zoals de Commissie terecht betoogt, berust deze grief echter op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. In werkelijkheid gaan de punten 577 tot en met 582 van dat arrest uitdrukkelijk in op het bedoelde argument van Dole. Dole mag het dan inhoudelijk niet eens zijn met de opvatting van het Gerecht, dat feit alleen betekent nog niet dat de motivering van het bestreden arrest ontoereikend zou zijn.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0082"><P>Arresten Wunenburger/Commissie (C‑362/05 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2007:322">EU:C:2007:322</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 80) en Gogos/Commissie (C‑583/08 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2010:287">EU:C:2010:287</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 35).</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>101.</NO.P><TXT>Inhoudelijk snijdt de argumentatie van Dole evenmin hout. Zelfs als een medewerker binnen een onderneming niet persoonlijk verantwoordelijk is voor de vaststelling van de referentieprijzen, kan hij desondanks over de daaraan ten grondslag liggende bedrijfsinterne informatie beschikken, deze informatie met zijn gesprekspartners van andere ondernemingen uitwisselen en zo bijdragen tot een beperking van de onzekerheid over de werking van de betrokken markt waarvan onder mededingingsvoorwaarden normaliter sprake is. In het algemeen kan ook een medewerker die binnen het bedrijf niet verantwoordelijk is voor het ondernemings‑ en prijsbeleid, naar buiten toe wel een rol vervullen bij inbreuken op de mededingingsregels.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0083"><P>Zie in die zin arresten Musique diffusion française e.a./Commissie (100/80‑103/80, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1983:158">EU:C:1983:158</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 97) en Slovenská sporiteľňa (C‑68/12, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2013:71">EU:C:2013:71</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 25) en mijn conclusie in de zaak Schindler Holding e.a./Commissie (C‑501/11 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2013:248">EU:C:2013:248</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punten 128‑131).</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>102.</NO.P><TXT>Al met al zijn het tweede, het derde en het vierde onderdeel van het derde middel derhalve niet steekhoudend.</TXT></NP></GR.SEQ></GR.SEQ><?PAGE NO="19"?><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><NP><NO.P>3.</NO.P><TXT>Begrip <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0061" ID="QS0061"/>mededingingsbeperkende strekking<QUOT.END REF.START="QS0061" CODE="201D" ID="QE0061"/> (vijfde onderdeel van het derde middel)</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>103.</NO.P><TXT>Met het vijfde en laatste onderdeel van het derde middel voert Dole tot slot aan dat het Gerecht een onjuiste juridische kwalificatie van de feiten heeft gegeven, door vast te stellen dat de gesprekken tussen de medewerkers van de betrokken ondernemingen een mededingingsbeperkende strekking hadden. Dole meent dat de informatie-uitwisseling in het onderhavige geval de onzekerheden over het door de betrokken ondernemingen voorgenomen gedrag niet kon wegnemen.</TXT></NP><NP><NO.P>104.</NO.P><TXT>Op het eerste gezicht lijkt het erop dat Dole het Hof met dit argument op ontoelaatbare wijze ertoe wil bewegen, in hogere voorziening zijn eigen beoordeling van de feiten en bewijzen in de plaats te stellen van die van het Gerecht. In werkelijkheid wordt het Hof hier echter verzocht na te gaan of het Gerecht bij zijn beoordeling van de feiten en de bewijzen is uitgegaan van de juiste criteria en maatstaven. Dit is een rechtsvraag die in hogere voorziening door het Hof kan worden getoetst<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0084"><P>Arresten Aalborg Portland e.a./Commissie (C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2004:6">EU:C:2004:6</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 125), Bertelsmann en Sony Corporation of America/Impala (C‑413/06 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2008:392">EU:C:2008:392</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 117) en Commissie/Stichting Administratiekantoor Portielje (C‑440/11 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2013:514">EU:C:2013:514</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 59).</P></NOTE> en die van bijzonder belang is in verband met het recente arrest in de zaak CB/Commissie<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0085"><P>C‑67/13 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2014:2204">EU:C:2014:2204</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>.</P></NOTE>.</TXT></NP><NP><NO.P>105.</NO.P><TXT>Ik wijs er vooraf op dat het Gerecht zich in casu zeer uitvoerig over de marktomstandigheden en de desbetreffende argumenten van Dole heeft gebogen en zeer helder heeft gemotiveerd waarom de informatie-uitwisseling tussen de betrokken ondernemingen geacht moest worden naar haar aard schadelijk te zijn geweest voor de werking van de normale mededinging. Hierin verschilt de onderhavige zaak fundamenteel van de genoemde zaak CB/Commissie.</TXT></NP><GR.SEQ LEVEL="4"><TITLE><TI><NP><NO.P>a)</NO.P><TXT>Relevante juridische criteria</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>106.</NO.P><TXT>Binnen de werkingssfeer van artikel 81 EG (thans artikel 101 VWEU) kan het mededingingsverstorende karakter van gedragingen van ondernemingen niet alleen voortvloeien uit de gevolgen ervan, maar ook uit de strekking ervan. Dit geldt evenzeer voor overeenkomsten en besluiten als voor onderling afgestemde feitelijke gedragingen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0086"><P>Arrest T-Mobile Netherlands e.a. (C‑8/08, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2009:343">EU:C:2009:343</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 24).</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>107.</NO.P><TXT>Niet elke uitwisseling van informatie tussen concurrenten strekt er noodzakelijkerwijs toe dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst in de zin van artikel 81, lid 1, EG.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0087"><P>Zie dienaangaande mijn conclusie in de zaak T-Mobile Netherlands e.a. (C‑8/08, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2009:110">EU:C:2009:110</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 37).</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>108.</NO.P><TXT>Of een dergelijke informatie-uitwisseling reeds naar haar aard de mededinging in die mate nadelig beïnvloedt dat zij kan worden geacht een mededingingsbeperkende strekking in de zin van artikel 81, lid 1, EG te hebben, moet worden beoordeeld op basis van de inhoud en de beoogde doelen ervan, alsook de economische en juridische context waarin die uitwisseling plaatsvindt.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0088"><P>Arrest T-Mobile Netherlands e.a. (C‑8/08, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2009:343">EU:C:2009:343</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 27); in dezelfde zin arresten Allianz Hungária Biztosító e.a. (C‑32/11, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2013:160">EU:C:2013:160</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 37) en CB/Commissie (C‑67/13 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2014:2204">EU:C:2014:2204</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 53).</P></NOTE> Bij de beoordeling van deze context moet ook rekening worden gehouden met de aard van de betrokken goederen of diensten en met de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren en de structuur van de specifieke markt of markten.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0089"><P>Arresten Allianz Hungária Biztosító e.a. (C‑32/11, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2013:160">EU:C:2013:160</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 36) en CB/Commissie (C‑67/13 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2014:2204">EU:C:2014:2204</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 53).</P></NOTE> De bedoelingen van de betrokkenen vormen weliswaar geen noodzakelijk element van die beoordeling, maar kunnen hierbij wel in aanmerking worden genomen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0090"><P>Arresten T-Mobile Netherlands e.a. (C‑8/08, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2009:343">EU:C:2009:343</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 27), Allianz Hungária Biztosító e.a. (C‑32/11, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2013:160">EU:C:2013:160</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 37) en CB/Commissie (C‑67/13 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2014:2204">EU:C:2014:2204</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 54).</P></NOTE></TXT></NP><?PAGE NO="20"?><NP><NO.P>109.</NO.P><TXT>Wanneer op basis van de hierboven genoemde criteria blijkt dat de informatie-uitwisseling tussen concurrenten reeds naar haar aard kan worden geacht schadelijk te zijn voor de werking van de normale mededinging – met andere woorden, dat die uitwisseling op zichzelf de mededinging in voldoende mate verstoort – hoeven de concrete gevolgen ervan voor de mededinging niet te worden onderzocht en in aanmerking te worden genomen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0091"><P>Arrest T-Mobile Netherlands e.a. (C‑8/08, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2009:343">EU:C:2009:343</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punten 29 en 30); in dezelfde zin arresten Football Association Premier League e.a. (C‑403/08 en C‑429/08, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2011:631">EU:C:2011:631</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 135), Allianz Hungária Biztosító e.a. (C‑32/11, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2013:160">EU:C:2013:160</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 34) en CB/Commissie (C‑67/13 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2014:2204">EU:C:2014:2204</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punten 49‑52 en 57 in fine).</P></NOTE> Het volstaat in dat geval dat de informatie-uitwisseling de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt concreet kan verhinderen, beperken of vervalsen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0092"><P>Arrest T-Mobile Netherlands e.a. (C‑8/08, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2009:343">EU:C:2009:343</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punten 31 en 43); in dezelfde zin arrest Allianz Hungária Biztosító e.a. (C‑32/11, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2013:160">EU:C:2013:160</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 38).</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>110.</NO.P><TXT>Volgens de rechtspraak van het Hof bestaat er, behoudens door de betrokken ondernemers te leveren tegenbewijs, een weerlegbaar vermoeden dat ondernemingen die aan de afstemming deelnemen en op de markt actief blijven, bij de bepaling van hun gedrag op de markt rekening houden met de met hun concurrenten uitgewisselde informatie.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0093"><P>Arresten Commissie/Anic Partecipazioni (C‑49/92 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1999:356">EU:C:1999:356</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punten 121 en 126), Hüls/Commissie (C‑199/92 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1999:358">EU:C:1999:358</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punten 162 en 167) en T-Mobile Netherlands e.a. (C‑8/08, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2009:343">EU:C:2009:343</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 51) en mijn conclusie in de zaak T-Mobile Netherlands e.a. (C‑8/08, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2009:110">EU:C:2009:110</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 75).</P></NOTE></TXT></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="4"><TITLE><TI><NP><NO.P>b)</NO.P><TXT>Toepassing van de relevante juridische criteria op het concrete geval</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>111.</NO.P><TXT>Anders dan Dole ben ik van mening dat niets erop wijst dat het Gerecht in casu aan de hierboven vermelde juridische criteria is voorbijgegaan of onjuist heeft toegepast.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0094"><P>Hieronder behandel ik niet alleen de argumenten die Dole in het kader van het vijfde onderdeel van het derde middel heeft aangevoerd, maar ook een aantal andere die Dole met betrekking tot dit onderwerp terloops naar voren heeft gebracht in het kader van andere middelen.</P></NOTE></TXT></NP><GR.SEQ LEVEL="5"><TITLE><TI><NP><NO.P>–</NO.P><TXT>Aard en inhoud van de informatie-uitwisseling</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>112.</NO.P><TXT>Een van de hoofdargumenten van Dole die rekwirantes zowel hier als in ander verband keer op keer aanvoeren, luidt dat de betrokken ondernemingen helemaal geen informatie hebben uitgewisseld over werkelijke prijzen, maar slechts over tendensen op het gebied van de referentieprijzen.</TXT></NP><NP><NO.P>113.</NO.P><TXT>Dienaangaande zij opgemerkt dat een uitwisseling van informatie niet alleen een mededingingsbeperkende strekking heeft wanneer zij rechtstreeks betrekking heeft op de prijzen die door de betrokken ondernemingen op de markt worden gehanteerd. Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, is artikel 81 EG (artikel 101 VWEU) er namelijk op gericht de structuur van de markt en daarmee de mededinging als zodanig veilig te stellen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0095"><P>Arresten T-Mobile Netherlands e.a. (C‑8/08, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2009:343">EU:C:2009:343</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 38) en GlaxoSmithKline Services/Commissie (C‑501/06 P, C‑513/06 P, C‑515/06 P en C‑519/06 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2009:610">EU:C:2009:610</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 63).</P></NOTE> Dienovereenkomstig is er niet eerst sprake van een onderling afgestemde feitelijke gedraging met een mededingingsbeperkende strekking wanneer er een rechtstreeks verband met de verbruikersprijzen bestaat.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0096"><P>Arrest T-Mobile Netherlands e.a. (C‑8/08, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2009:343">EU:C:2009:343</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punten 36‑39).</P></NOTE> Evenmin moet er een rechtstreeks verband tussen de uitgewisselde informatie en de groothandelsprijzen bestaan. Om te kunnen spreken van een mededingingsbeperkende strekking volstaat het veeleer dat tussen concurrenten informatie wordt uitgewisseld over factoren die van belang zijn voor hun prijsbeleid of – meer algemeen – hun marktgedrag.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0097"><P>Zie in die zin arresten Suiker Unie e.a./Commissie (40/73‑48/73, 50/73, 54/73‑56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1975:174">EU:C:1975:174</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 173), Deere/Commissie (C‑7/95 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1998:256">EU:C:1998:256</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 86) en T-Mobile Netherlands e.a. (C‑8/08, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2009:343">EU:C:2009:343</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 32).</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>114.</NO.P><TXT>Dat is in casu nu juist het geval.</TXT></NP><?PAGE NO="21"?><NP><NO.P>115.</NO.P><TXT>Volgens de zeer uitvoerige vaststellingen van het Gerecht, waartegen Dole geen bezwaar wegens onjuiste opvatting van feiten of bewijzen maakt, hebben de betrokken ondernemingen in het onderhavige geval telkens voorafgaand bilateraal prijsoverleg gevoerd, in het kader waarvan zij hun referentieprijzen en bepaalde prijstendensen hebben besproken.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0098"><P>Zie met name de punten 15 tot en met 17, 74, 187, 256, 375 en 583 van het bestreden arrest alsook de overwegingen 51 tot en met 57 van de litigieuze beschikking.</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>116.</NO.P><TXT>Naar het Gerecht tevens heeft vastgesteld – overigens in belangrijke mate op basis van de verklaringen van Dole zelf – waren de referentieprijzen relevant voor de betrokken markt.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0099"><P>Punten 434 tot en met 576 van het bestreden arrest; zie met name de punten 442 tot en met 470 van dat arrest, die op de verklaringen van Dole zelf zijn gebaseerd.</P></NOTE> Inzonderheid konden aan de bedoelde referentieprijzen van de bananenimporteurs in het onderhavige geval ten minste marktsignalen, markttendensen of indicaties over de voorziene ontwikkeling van de bananenprijs worden ontleend; bovendien was de prijs bij bepaalde transacties op grond van contractueel overeengekomen prijsformules rechtstreeks aan de referentieprijzen gekoppeld.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0100"><P>Punten 19, 574 en 638 van het bestreden arrest alsook overweging 115 van de litigieuze beschikking.</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>117.</NO.P><TXT>Ik vermeld hier nog bij dat het uit commercieel oogpunt niet bijzonder zinvol zou zijn om referentieprijzen vast te leggen en informatie over de verdere ontwikkeling ervan uit te wisselen met concurrenten, tenzij de eigen referentieprijzen en de over de referentieprijzen van de concurrentie verkregen informatie een rol spelen bij het bepalen van het toekomstige marktgedrag van de verschillende ondernemingen en de door hen daadwerkelijk gehanteerde prijzen.</TXT></NP><NP><NO.P>118.</NO.P><TXT>Na een zeer uitvoerige behandeling van de concrete marktomstandigheden en de door Dole aangevoerde argumenten heeft het Gerecht derhalve terecht geconcludeerd dat de uitwisseling van informatie tussen de betrokken ondernemingen een mededingingsbeperkende strekking had.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0101"><P>Zie met name de punten 553, 585 en 654 van het bestreden arrest.</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>119.</NO.P><TXT>Een dergelijke informatie-uitwisseling tussen concurrenten over factoren die relevant zijn voor de prijsvorming, staat namelijk haaks op de eis van zelfstandigheid, die kenmerkend is voor het marktgedrag van ondernemingen in een op effectieve mededinging gebaseerd marktstelsel.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0102"><P>Zie met betrekking tot de eis van zelfstandigheid onder andere de arresten Suiker Unie e.a./Commissie (40/73‑48/73, 50/73, 54/73‑56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1975:174">EU:C:1975:174</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 173), Deere/Commissie (C‑7/95 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1998:256">EU:C:1998:256</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punten 86 en 87) en T-Mobile Netherlands e.a. (C‑8/08, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2009:343">EU:C:2009:343</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punten 32 en 33).</P></NOTE> Een dergelijke uitwisseling zal dus – zonder dat dit verdere toelichting behoeft – op zichzelf volstaan om de mededinging in voldoende mate te verstoren en kan worden geacht naar zijn aard schadelijk te zijn voor de normale mededinging.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0103"><P>Zie met betrekking tot deze criteria nogmaals het recente arrest CB/Commissie (C‑67/13 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2014:2204">EU:C:2014:2204</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, inzonderheid de punten 50 en 57).</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>120.</NO.P><TXT>Op dit punt verschilt de onderhavige zaak fundamenteel van de door Dole aangevoerde zaak Asnef-Equifax<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0104"><P>Arrest Asnef-Equifax en Administración del Estado (C‑238/05, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2006:734">EU:C:2006:734</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>).</P></NOTE>, die betrekking had op het Spaanse systeem voor de uitwisseling van kredietinformatie. Want de uitwisseling van informatie over de kredietwaardigheid van kredietnemers, die in de zaak Asnef-Equifax aan de orde was, diende er in de eerste plaats toe de werking van de markt te verbeteren en gelijke mededingingsvoorwaarden voor alle kredietverstrekkers te scheppen, zonder dat de marktdeelnemers door hun concurrenten hierbij op enige wijze werden ingelicht over de condities die zij hun klanten zouden bieden. De hier in geding zijnde uitwisseling van informatie had hoofdzakelijk betrekking op de factoren die relevant waren voor de vaststelling van de te verwachten referentieprijzen en op prijstendensen, en werkte daarom omgekeerd: bij deze uitwisseling stelden de betrokken ondernemingen hun concurrenten – ten minste gedeeltelijk – op de hoogte van<?PAGE NO="22"?> hun beoogde marktgedrag en van gevoelige gegevens in verband met hun prijsvooruitzichten. Overduidelijk is dat een dergelijke uitwisseling de mogelijkheid biedt onzekerheden van de betrokken onderneming ten aanzien van het voorgenomen gedrag weg te nemen en mededingingsvoorwaarden doet ontstaan die niet met de normale voorwaarden op de betreffende markt overeenkomen.</TXT></NP><NP><NO.P>121.</NO.P><TXT>Dole poogt nog de vaststelling van het Gerecht dat er sprake is van een mededingingsbeperkende strekking belachelijk te maken door te beweren dat de betrokken ondernemingen met elkaar voornamelijk over banale zaken zoals <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0062" ID="QS0062"/>de algemene marktvoorwaarden<QUOT.END REF.START="QS0062" CODE="201D" ID="QE0062"/> of <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0063" ID="QS0063"/>het weer<QUOT.END REF.START="QS0063" CODE="201D" ID="QE0063"/> zouden hebben gesproken.</TXT></NP><NP><NO.P>122.</NO.P><TXT>Ook dit argument is echter juridisch gezien volledig irrelevant. Het is namelijk niet van belang of de uitwisseling van informatie over factoren die relevant zijn voor de prijsvorming het hoofddoel van het contact tussen de betrokken ondernemingen was of slechts naar aanleiding (of onder het voorwendsel) van dit contact plaatsvond, dat op zich geen onrechtmatig doel had.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0105"><P>Zie mijn conclusie in de zaak T-Mobile Netherlands e.a. (C‑8/08, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2009:110">EU:C:2009:110</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 51); in dezelfde zin arresten IAZ International Belgium e.a./Commissie (96/82‑102/82, 104/82, 105/82, 108/82 en 110/82, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1983:310">EU:C:1983:310</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 25), General Motors/Commissie (C‑551/03 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2006:229">EU:C:2006:229</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 64) en Beef Industry Development Society en Barry Brothers (C‑209/07, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2008:643">EU:C:2008:643</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 21).</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>123.</NO.P><TXT>Tegen deze achtergrond moet de kritiek van Dole betreffende de aard en de inhoud van de informatie-uitwisseling van de hand worden gewezen.</TXT></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="5"><TITLE><TI><NP><NO.P>–</NO.P><TXT>Frequentie en geregeld karakter van de informatie-uitwisseling</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>124.</NO.P><TXT>Een verder bezwaar dat door Dole op verschillende plaatsen in haar betoog in hogere voorziening naar voren wordt gebracht, betreft de frequentie en het geregelde karakter van de informatie-uitwisseling tussen de betrokken ondernemingen. Dole bekritiseert dat het in de litigieuze beschikking en het bestreden arrest in dit opzicht aan duidelijkheid ontbreekt.</TXT></NP><NP><NO.P>125.</NO.P><TXT>Anders dan Dole lijkt te veronderstellen, is de vaststelling van het bestaan van een informatie-uitwisseling met mededingingsbeperkende strekking echter zuiver juridisch gezien in het geheel niet afhankelijk van de vraag of er sprake is van een frequente of geregelde uitwisseling van informatie tussen de betrokken ondernemingen. Volgens de rechtspraak kan reeds op grond van een eenmalige informatie-uitwisseling een inbreuk worden vastgesteld en een geldboete worden opgelegd, als de betrokken ondernemingen na die informatie-uitwisseling op de markt actief zijn gebleven.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0106"><P>Arrest T-Mobile Netherlands e.a. (C‑8/08, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2009:343">EU:C:2009:343</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punten 58 en 59); zie ook arresten Commissie/Anic Partecipazioni (C‑49/92 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1999:356">EU:C:1999:356</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 121) en Hüls/Commissie (C‑199/92 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1999:358">EU:C:1999:358</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 162); zie verder mijn conclusie in de zaak T-Mobile Netherlands e.a. (C‑8/08, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2009:110">EU:C:2009:110</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punten 97‑107).</P></NOTE> Voor de hoogte van de geldboete is het hooguit van belang hoe frequent en hoe geregeld informatie met een mededingingsverstorend oogmerk werd uitgewisseld.</TXT></NP><NP><NO.P>126.</NO.P><TXT>De kritiek van Dole inzake een tekortschietende analyse door de Commissie en het Gerecht met betrekking tot de frequentie en het geregelde karakter van de informatie-uitwisseling tussen de betrokken ondernemingen snijdt daarom geen hout.</TXT></NP></GR.SEQ><?PAGE NO="23"?><GR.SEQ LEVEL="5"><TITLE><TI><NP><NO.P>–</NO.P><TXT>Marktstructuur</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>127.</NO.P><TXT>Ten slotte benadrukt Dole in hogere voorziening in verschillende contexten dat de door de Commissie en het Gerecht ten grondslag gelegde cijfers inzake het gezamenlijke marktaandeel van de betrokken ondernemingen <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0064" ID="QS0064"/>overdreven<QUOT.END REF.START="QS0064" CODE="201D" ID="QE0064"/> of <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0065" ID="QS0065"/>kunstmatig verhoogd<QUOT.END REF.START="QS0065" CODE="201D" ID="QE0065"/> zijn.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0107"><P>Zie in dezen het eerste onderdeel van het onderhavige derde middel (zie hierboven, punten 72‑90 van deze conclusie).</P></NOTE> Ik heb de indruk dat Dole met deze kritiek eigenlijk beoogt de vaststelling van het Gerecht te ondermijnen, dat de bananenmarkt in Noord-Europa <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0066" ID="QS0066"/>weliswaar niet als oligopolistisch<QUOT.END REF.START="QS0066" CODE="201D" ID="QE0066"/> moet worden beschouwd, maar ook niet <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0067" ID="QS0067"/>door een versnipperd aanbod werd gekenmerkt<QUOT.END REF.START="QS0067" CODE="201D" ID="QE0067"/>.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0108"><P>Punt 353 van het bestreden arrest.</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>128.</NO.P><TXT>De argumentatie van Dole is wellicht gebaseerd op de veronderstelling dat een informatie-uitwisseling tussen concurrenten alleen op een markt met een hoge concentratiegraad<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0109"><P>Aldus de formulering in het arrest Deere/Commissie (C‑7/95 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1998:256">EU:C:1998:256</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 88).</P></NOTE> een mededingingsbeperkende strekking kan hebben. Die veronderstelling zou echter op een vergissing berusten. Weliswaar ligt het op een dergelijke markt<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0110"><P>Zie mijn conclusie in de zaak T-Mobile Netherlands e.a. (C‑8/08, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2009:110">EU:C:2009:110</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 53).</P></NOTE> voor de hand dat een mededingingsbeperkende strekking kan worden vastgesteld. Volgens de rechtspraak kan een systeem van informatie-uitwisseling echter ook een inbreuk op de mededingingsregels vormen wanneer de betrokken markt geen sterk geconcentreerde oligopolistische markt is.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0111"><P>Arrest Thyssen Stahl/Commissie (C‑194/99 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2003:527">EU:C:2003:527</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 86).</P></NOTE> Met betrekking tot de marktstructuur geldt als enig algemeen beginsel dat het aanbod niet versnipperd mag zijn.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0112"><P>Arresten Thyssen Stahl/Commissie (C‑194/99 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2003:527">EU:C:2003:527</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 86) en Asnef-Equifax en Administración del Estado (C‑238/05, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2006:734">EU:C:2006:734</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 58).</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>129.</NO.P><TXT>Volgens de vaststellingen van het Gerecht – die door Dole niet konden worden ontzenuwd<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0113"><P>Zie dienaangaande nogmaals mijn bespreking van het eerste onderdeel van het onderhavige derde middel in de punten 72 tot en met 90 van deze conclusie.</P></NOTE> – zijn er in het onderhavige geval geen aanwijzingen voor een versnippering van het aanbod op de bananenmarkt in Noord-Europa, zodat de argumentatie van rekwirantes met betrekking tot de marktstructuur faalt.</TXT></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="5"><TITLE><TI><NP><NO.P>–</NO.P><TXT>Samenvatting</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>130.</NO.P><TXT>Al met al slaagt Dole er met haar argumentatie dus niet in te weerleggen dat de in geding zijnde informatie-uitwisseling overeenkomstig de juridische kwalificatie door het Gerecht moet worden beschouwd als een bij artikel 81 EG verboden onderling afgestemde feitelijke gedraging met mededingingsbeperkende strekking.</TXT></NP></GR.SEQ></GR.SEQ></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><NP><NO.P>4.</NO.P><TXT>Tussenconclusie</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>131.</NO.P><TXT>Aangezien geen van de door Dole aangevoerde individuele grieven slaagt, dient het derde middel in zijn geheel te worden afgewezen.</TXT></NP></GR.SEQ></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P>D –</NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">Vierde middel: berekening van de geldboete</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>132.</NO.P><TXT>Het vierde middel is tot slot gewijd aan de berekening van de geldboete. In dit kader voert Dole twee grieven tegen het bestreden arrest aan, waarop de twee onderdelen van dit middel betrekking hebben.</TXT></NP><?PAGE NO="24"?><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><NP><NO.P>1.</NO.P><TXT>Eerste onderdeel van het vierde middel: meetelling van de verkopen van niet bij het kartel betrokken dochterondernemingen van Dole</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>133.</NO.P><TXT>Ten eerste bekritiseert Dole in het kader van het vierde middel dat het Gerecht de geldboete ten onrechte heeft berekend op basis van de verkopen van <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0068" ID="QS0068"/>ondernemingen<QUOT.END REF.START="QS0068" CODE="201D" ID="QE0068"/> waaraan geen inbreuk ten laste is gelegd, te weten VBH, Saba, Kempowski en Dole France, die niet tot de adressaten van de mededeling van punten van bezwaar behoorden. Dit onderdeel is gericht tegen de punten 619 tot en met 623 van het bestreden arrest.</TXT></NP><NP><NO.P>134.</NO.P><TXT>Het lijkt erop dat deze grief berust op een apert onjuiste lezing van de vaste rechtspraak inzake de aansprakelijkheid van moedermaatschappijen voor inbreuken op de mededingingsregels door hun 100 %-dochterondernemingen en door andere ondernemingen waarop de moedermaatschappij beslissende invloed uitoefent.</TXT></NP><NP><NO.P>135.</NO.P><TXT>De grondslag van deze rechtspraak wordt gevormd door het feit dat de moedermaatschappij en haar dochterondernemingen tot een en dezelfde onderneming behoren.</TXT></NP><NP><NO.P>136.</NO.P><TXT>Indien de moedermaatschappij en één of meer van haar dochterondernemingen waarop zij beslissende invloed uitoefent, met het oog op de <HT TYPE="ITALIC">vaststelling</HT> van een inbreuk worden beschouwd als deel uitmakend van één enkele onderneming, moet dit ook gelden wanneer het erom gaat deze inbreuk te <HT TYPE="ITALIC">bestraffen</HT> met de oplegging van een geldboete. Het begrip <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0069" ID="QS0069"/>onderneming<QUOT.END REF.START="QS0069" CODE="201D" ID="QE0069"/> in artikel 7 van verordening nr. 1/2003 is namelijk identiek aan dat in artikel 23 van verordening nr. 1/2003 en is afgeleid van artikel 81 EG (artikel 101 VWEU).</TXT></NP><NP><NO.P>137.</NO.P><TXT>Alleen door de verkopen van de moedermaatschappij en alle dochterondernemingen waarop zij beslissende invloed uitoefent in aanmerking te nemen, kan bij de vaststelling van een geldboete naar behoren rekening worden gehouden met de financiële draagkracht van de gehele bij het kartel betrokken groep ondernemingen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0114"><P>Zie mijn conclusie in de zaak Alliance One International en Standard Commercial Tobacco/Commissie (C‑628/10 P en C‑14/11 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2012:11">EU:C:2012:11</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 1).</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>138.</NO.P><TXT>Het bezwaar van Dole dat slechts één van haar dochterondernemingen, namelijk Dole Fruit, rechtstreeks bij mededingingsbeperkende praktijken betrokken was, doet noch wat betreft de bestraffing van de inbreuk noch wat betreft de vaststelling ervan ter zake. De moedermaatschappij en de door haar beslissend beïnvloede dochtervennootschappen zijn gezamenlijk rechtssubjecten van een enkele onderneming in de zin van het mededingingsrecht en verantwoordelijk voor die onderneming. Maakt deze onderneming opzettelijk of door onachtzaamheid inbreuk op de mededingingsregels, dan heeft dit een gemeenschappelijke, persoonlijke verantwoordelijkheid tot gevolg van alle rechtssubjecten in de groepsstructuur.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0115"><P>Zie mijn conclusies in de zaken Alliance One International en Standard Commercial Tobacco/Commissie (C‑628/10 P en C‑14/11 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2012:11">EU:C:2012:11</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 173) en Akzo Nobel e.a./Commissie (C‑97/08 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2009:262">EU:C:2009:262</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 97).</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>139.</NO.P><TXT>Deze conclusie wordt niet ontkracht door de door Dole aangevoerde rechtspraak in de zaak Tomkins. Weliswaar wordt in het arrest Commissie/Tomkins benadrukt dat de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij voor kartelvergrijpen van dochterondernemingen waarover zij (nagenoeg) 100 % zeggenschap heeft, ondergeschikt is.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0116"><P>Arrest Commissie/Tomkins (C‑286/11 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2013:29">EU:C:2013:29</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 39).</P></NOTE> Evenwel vormt deze ondergeschiktheid geenszins een beletsel om de verkooptransacties van de ondernemingsgroep ten grondslag te leggen aan de berekening van een geldboete. Het ondergeschikte karakter van de aansprakelijkheid van de moedermaatschappij heeft slechts tot gevolg dat eventuele correcties van de aan een dochteronderneming opgelegde geldboete ook ten goede komen aan de hoofdelijk mede aansprakelijke moedermaatschappij, wanneer zij beide parallel aan elkaar een beroep tot nietigverklaring instellen bij het Gerecht.</TXT></NP><?PAGE NO="25"?><NP><NO.P>140.</NO.P><TXT>Het verzoek van Dole om bij de berekening van de geldboete de verkooptransacties van alle niet rechtstreeks bij de inbreuk betrokken dochterondernemingen buiten beschouwing te laten, is daarom terecht door het Gerecht afgewezen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0117"><P>Punten 619 en 620 van het bestreden arrest.</P></NOTE></TXT></NP><NP><NO.P>141.</NO.P><TXT>In deze omstandigheden hoeft niet nader te worden onderzocht of het aanvullende element waarop het Gerecht zijn motivering in dit verband eveneens steunt, steekhoudend is. Volgens het Gerecht vormt de argumentatie van Dole aangaande de autonomie van een aantal dochterondernemingen en het niet in aanmerking nemen van hun verkopen, een onderdeel van het betoog, dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen groene en gele bananen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0118"><P>Punt 621 van het bestreden arrest.</P></NOTE> Ik geef toe dat dit door het Gerecht aangevoerde aanvullende motiveringselement nogal verrassend is. Om de hierboven vermelde redenen in verband met het begrip <QUOT.START CODE="201E" REF.END="QE0070" ID="QS0070"/>één onderneming<QUOT.END REF.START="QS0070" CODE="201D" ID="QE0070"/><NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0119"><P>Zie in dezen de punten 134 tot en met 140 van deze conclusie.</P></NOTE> is het bestreden arrest echter rechtens juist.</TXT></NP><NP><NO.P>142.</NO.P><TXT>Bijgevolg moet het eerste onderdeel van het vierde middel worden afgewezen.</TXT></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><NP><NO.P>2.</NO.P><TXT>Tweede onderdeel van het vierde middel: dubbeltelling van dezelfde verkopen</TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>143.</NO.P><TXT>Ten tweede verwijt Dole het Gerecht in het kader van haar vierde middel, verkopen van dezelfde producten dubbel te hebben geteld bij de berekening van de geldboete. Deze grief van rekwirantes is gericht tegen punt 630 van het bestreden arrest.</TXT></NP><NP><NO.P>144.</NO.P><TXT>Meer concreet meent Dole dat de Commissie, hierin gevolgd door het Gerecht, bij de vaststelling van de verkoopcijfers van Dole ten behoeve van de berekening van de geldboete bananen dubbel heeft geteld die Dole eerst aan niet bij het kartel betrokken derden heeft verkocht om deze vervolgens weer van hen terug te kopen. Als enige voorbeeld noemt Dole de verkoop van een aantal bananen aan de onderneming Cobana en de doorverkoop van dezelfde bananen door Cobana aan Kempowski, een dochteronderneming van Dole.</TXT></NP><NP><NO.P>145.</NO.P><TXT>In dit verband zij erop gewezen dat de hogere voorziening tot rechtsvragen beperkt is.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0120"><P>Arresten Vidrányi/Commissie (C‑283/90 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1991:361">EU:C:1991:361</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punten 11‑13), Aalborg Portland e.a./Commissie (C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2004:6">EU:C:2004:6</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punten 47 en 48) alsmede Telefónica en Telefónica de España/Commissie (C‑295/12 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2014:2062">EU:C:2014:2062</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 84).</P></NOTE> Uit de argumentatie van Dole in het kader van het onderhavige tweede onderdeel van het vierde middel valt niet op te maken van welke onjuiste rechtsopvatting het Gerecht blijk zou hebben gegeven. De uiteenzetting van Dole in dit verband is zo algemeen en vaag dat een behoorlijke beoordeling ervan redelijkerwijs niet mogelijk is.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0121"><P>Arresten Lindorfer/Raad (C‑227/04 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2007:490">EU:C:2007:490</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 83), Schindler Holding e.a./Commissie (C‑501/11 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2013:522">EU:C:2013:522</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 45) en MasterCard e.a./Commissie (C‑382/12 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2014:2201">EU:C:2014:2201</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 151).</P></NOTE> Ik stel derhalve voor dit onderdeel niet-ontvankelijk te verklaren.</TXT></NP><NP><NO.P>146.</NO.P><TXT>Subsidiair voeg ik hieraan toe dat het Gerecht volledige rechtsmacht heeft in alle kwesties in verband met de hoogte van de geldboete (artikel 261 VWEU juncto artikel 31 van verordening nr. 1/2003). Het Hof toetst de uitoefening van deze rechtsmacht door het Gerecht enkel op kennelijk onjuiste rechtsopvattingen.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0122"><P>Arrest Aalborg Portland e.a./Commissie (C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2004:6">EU:C:2004:6</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 365).</P></NOTE> Van een dergelijke kennelijk onjuiste rechtsopvatting is sprake, ten<?PAGE NO="26"?> eerste wanneer het Gerecht de grenzen van zijn bevoegdheden krachtens artikel 261 VWEU heeft miskend<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0123"><P>Zie dienaangaande mijn conclusies in de zaken Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied/Commissie (C‑105/04 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2005:751">EU:C:2005:751</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 137) en Schindler Holding e.a./Commissie (C‑501/11 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2013:248">EU:C:2013:248</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 190); in dezelfde zin arresten Schindler Holding e.a./Commissie (C‑501/11 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2013:522">EU:C:2013:522</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punten 155 en 156) en Kone e.a./Commissie (C‑510/11 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2013:696">EU:C:2013:696</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punten 40 en 42).</P></NOTE>, ten tweede wanneer het niet alle relevante omstandigheden uitvoerig heeft onderzocht<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0124"><P>Arresten Baustahlgewebe/Commissie (C‑185/95 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1998:608">EU:C:1998:608</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 128), Dansk Rørindustri e.a./Commissie (C‑189/02 P, C‑202/02 P, C‑205/02 P – C‑208/02 P en C‑213/02 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2005:408">EU:C:2005:408</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punten 244 en 303) en Papierfabrik August Koehler e.a./Commissie (C‑322/07 P, C‑327/07 P en C‑338/07 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2009:500">EU:C:2009:500</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 125).</P></NOTE> en ten derde wanneer het onjuiste juridische criteria heeft toegepast<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0125"><P>Arresten Baustahlgewebe/Commissie (C‑185/95 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:1998:608">EU:C:1998:608</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 128), Dansk Rørindustri e.a./Commissie (C‑189/02 P, C‑202/02 P, C‑205/02 P – C‑208/02 P en C‑213/02 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2005:408">EU:C:2005:408</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punten 244 en 303) en Papierfabrik August Koehler e.a./Commissie (C‑322/07 P, C‑327/07 P en C‑338/07 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2009:500">EU:C:2009:500</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 125).</P></NOTE>, niet in de laatste plaats in het licht van de beginselen van gelijke behandeling<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0126"><P>Arresten Weig/Commissie (C‑280/98 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2000:627">EU:C:2000:627</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punten 63 en 68) en Sarrió/Commissie (C‑291/98 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2000:631">EU:C:2000:631</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punten 97 en 99).</P></NOTE> en evenredigheid<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0127"><P>Arresten E.ON Energie/Commissie (C‑89/11 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2012:738">EU:C:2012:738</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 126) en Schindler Holding e.a./Commissie (C‑501/11 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2013:522">EU:C:2013:522</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 165).</P></NOTE>.</TXT></NP><NP><NO.P>147.</NO.P><TXT>Aangezien de waarde van de producten die rechtstreeks of indirect verband houden met de inbreuk op artikel 81 EG (artikel 101 VWEU) als indicatie dienen voor het belang van de inbreuk<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0128"><P>Arrest Team Relocations e.a./Commissie (C‑444/11 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2013:464">EU:C:2013:464</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punten 76 en 88).</P></NOTE>, is het niet onredelijk om bij de berekening van de geldboete rekening te houden met alle verkooptransacties van een karteldeelnemer die deze producten betreffen. Indien een karteldeelnemer verschillende malen handelstransacties heeft verricht met dezelfde goederen – bijvoorbeeld door deze goederen eerst aan een derde te verkopen en op een later tijdstip weer van deze derde of een vierde terug te kopen – kan deze tweevoudige verkooptransactie worden beschouwd als indicatie voor het economische belang dat die goederen voor hem hebben.</TXT></NP><NP><NO.P>148.</NO.P><TXT>In deze omstandigheden heeft het Gerecht geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt door bij de toetsing van de berekening van de geldboete geen bezwaar te maken tegen het feit dat de verkopen van Dole dubbel waren geteld, doordat zowel de aanvankelijk door haar verkochte bananen als de vervolgens door haar weer teruggekochte bananen in aanmerking waren genomen.</TXT></NP><NP><NO.P>149.</NO.P><TXT>Bijgevolg moet het vierde middel in zijn geheel ongegrond worden verklaard.</TXT></NP></GR.SEQ></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><NP><NO.P>E –</NO.P><TXT><HT TYPE="ITALIC">Samenvatting</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>150.</NO.P><TXT>Aangezien geen van de door Dole aangevoerde middelen kan worden aanvaard, moet de hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen.</TXT></NP></GR.SEQ></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P>V –</NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD">Kosten</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>151.</NO.P><TXT>Volgens artikel 184, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening wordt afgewezen.</TXT></NP><NP><NO.P>152.</NO.P><TXT>Uit artikel 138, leden 1 en 2, juncto artikel 184, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering volgt dat de in het ongelijk gestelde partij in de kosten wordt verwezen, voor zover dit is gevorderd. Indien meer partijen in het ongelijk zijn gesteld, bepaalt het Hof het door elk van hen te dragen deel van de proceskosten. Aangezien rekwirantes in het ongelijk zijn gesteld, moeten zij overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in de kosten. Rekwirantes moeten hoofdelijk in de kosten worden verwezen, aangezien zij de hogere voorziening gezamenlijk hebben ingesteld.<NOTE TYPE="FOOTNOTE" NUMBERING="ARAB" NUMBERING.CONTINUED="YES" NOTE.ID="E0129"><P>Arrest Akzo Nobel Chemicals en Akcros Chemicals/Commissie (C‑550/07 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2010:512">EU:C:2010:512</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 123); in dezelfde zin arrest D en Zweden/Raad (C‑122/99 P en C‑125/99 P, <REF.DOC.ECR><NO.ECLI ECLI="ECLI:EU:C:2001:304">EU:C:2001:304</NO.ECLI></REF.DOC.ECR>, punt 65); in de laatstgenoemde zaak hadden D en het Koninkrijk Zweden zelfs twee aparte hogere voorzieningen ingesteld, maar werden zij toch hoofdelijk in de kosten verwezen.</P></NOTE></TXT></NP></GR.SEQ><?PAGE NO="27"?><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><NP><NO.P>VI –</NO.P><TXT><HT TYPE="BOLD">Conclusie</HT></TXT></NP></TI></TITLE><NP><NO.P>153.</NO.P><TXT>Op grond van het bovenstaande geef ik het Hof in overweging te beslissen als volgt:</TXT><P><LIST TYPE="ARAB"><ITEM><NP><NO.P>1)</NO.P><TXT>De hogere voorziening wordt afgewezen.</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>2)</NO.P><TXT>Dole Food Company, Inc. en Dole Fresh Fruit Europe OHG worden hoofdelijk verwezen in de kosten.</TXT></NP></ITEM></LIST></P></NP></GR.SEQ></CONTENTS.CONCLUSION></CONCLUSION>