Voorstel voor een UITVOERINGSVERORDENING VAN DE RAAD tot instelling van een definitief compenserend recht en tot definitieve inning van het voorlopig recht op bepaald draad van roestvrij staal van oorsprong uit India /* COM/2013/0573 final - 2013/0275 (NLE) */
TOELICHTING 1. Achtergrond van het voorstel · Motivering en doel van het voorstel Dit voorstel betreft de toepassing van Verordening
(EG) nr. 597/2009 van de Raad van 11 juni 2009 betreffende bescherming tegen
invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap
zijn ("de basisverordening") in het kader van de
antisubsidieprocedure betreffende de invoer van bepaald draad van roestvrij
staal van oorsprong uit India. · Algemene context Dit voorstel wordt gedaan in het kader van de
tenuitvoerlegging van de basisverordening en is het resultaat van een onderzoek
dat is uitgevoerd overeenkomstig de materiële en procedurele eisen in de
basisverordening. · Bestaande bepalingen op het door het voorstel bestreken gebied Bij Verordening (EU) nr. 419/2013 heeft de
Commissie een voorlopig compenserend recht op bepaald draad van roestvrij staal
van oorsprong uit India ingesteld. · Samenhang met andere beleidsgebieden en met de doelstellingen van de
Unie Niet van toepassing. 2. Raadpleging van belanghebbende
partijen en effectbeoordeling · Raadpleging van belanghebbende partijen Partijen die belang hebben bij de procedure werden
overeenkomstig de bepalingen van de basisverordening in de loop van het
onderzoek in de gelegenheid gesteld hun belangen te verdedigen. · Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid Er behoefde geen beroep te worden gedaan op
externe deskundigheid. · Effectbeoordeling Dit voorstel vloeit voort uit de tenuitvoerlegging
van de basisverordening. De basisverordening voorziet niet in een algemene
effectbeoordeling, maar bevat wel een uitputtende lijst van factoren die moeten
worden beoordeeld. 3. JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET
VOORSTEL · Samenvatting van de voorgestelde maatregel(en) Bijgaand voorstel voor een verordening van de Raad
is gebaseerd op de definitieve bevindingen inzake subsidiëring, schade,
oorzakelijk verband en belang van de Unie. Er wordt daarom voorgesteld dat de
Raad zijn goedkeuring hecht aan bijgaand voorstel voor een verordening, die
uiterlijk op 7 september 2013 moet worden bekendgemaakt. · Rechtsgrondslag Verordening (EG) nr. 597/2009 van de Raad van 11
juni 2009 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die
geen lid van de Europese Gemeenschap zijn. · Subsidiariteitsbeginsel Het voorstel betreft een gebied dat onder de
exclusieve bevoegdheid van de Europese Unie valt. Het subsidiariteitsbeginsel
is derhalve niet van toepassing. · Evenredigheidsbeginsel Het voorstel is om de volgende reden in
overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel: De vorm van de maatregel wordt voorgeschreven in
de basisverordening en laat geen ruimte voor nationale besluitvorming. Beschrijving van de wijze waarop de financiële en
administratieve lasten voor de Unie, de nationale, regionale en plaatselijke
overheden, de bedrijven en de burgers zo veel mogelijk worden beperkt en hoe
zij in verhouding staan tot het doel van het voorstel: niet van toepassing. · Keuze van instrumenten Voorgesteld(e) instrument(en): verordening. Andere instrumenten zouden om de volgende reden
ongeschikt zijn: Andere instrumenten zouden ongeschikt zijn omdat
de basisverordening niet in andere mogelijkheden voorziet. 4. GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING Het voorstel heeft geen gevolgen voor de begroting
van de Unie. 2013/0275 (NLE) Voorstel voor een UITVOERINGSVERORDENING VAN DE RAAD tot instelling van een definitief
compenserend recht en tot definitieve inning van het voorlopig recht op bepaald
draad van roestvrij staal van oorsprong uit India DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gezien het Verdrag betreffende de werking van
de Europese Unie, Gezien Verordening (EG) nr. 597/2009 van de
Raad van 11 juni 2009 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit
landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn[1] ("de
basisverordening"), en met name artikel 15, Gezien het voorstel van de Europese Commissie
("de Commissie"), ingediend na raadpleging van het Raadgevend Comité, Overwegende hetgeen volgt: 1. PROCEDURE 1.1. Voorlopige maatregelen (1) De Commissie heeft bij
Verordening (EU) nr. 419/2013[2]
("de voorlopige verordening") een voorlopig compenserend recht op
bepaald draad van roestvrij staal van oorsprong uit India ingesteld. (2) Het onderzoek werd ingeleid
naar aanleiding van een klacht die op 28 juni 2012 was ingediend door de
Europese Vereniging van IJzer- en Staalproducerende Industrieën (European
Confederation of Iron and Steel Industries - EUROFER) ("de klager")
namens producenten die meer dan 50% van de totale productie van bepaald draad
van roestvrij staal in de Unie voor hun rekening nemen. (3) Naar aanleiding van het
parallelle antidumpingonderzoek heeft de Commissie bij Verordening (EU) nr.
418/2013[3]
een voorlopig antidumpingrecht op bepaald draad van roestvrij staal van
oorsprong uit India ingesteld. 1.2. Bij het onderzoek betrokken
partijen (4) In de voorlopige fase van het
onderzoek was het oorspronkelijk de bedoeling om zowel voor de
producenten-exporteurs in India en de producenten in de Unie als voor de
niet-verbonden importeurs gebruik te maken van een steekproef. Omdat twee van
de voor de steekproef geselecteerde importeurs echter geen ingevulde
vragenlijst terugstuurden, was dat voor de importeurs echter niet mogelijk.
Voor de definitieve bevindingen, met name die welke op het belang van de Unie
betrekking hebben, werd gebruik gemaakt van alle van medewerkende importeurs
ontvangen informatie. (5) Zeven niet in de steekproef
opgenomen producenten-exporteurs in India verzochten om een individueel
onderzoek. Twee van hen vulden de vragenlijst in. De overige vijf deden dat
niet. Van de twee die de vragenlijst invulden, trok één het verzoek om een
individueel onderzoek later weer in. Bijgevolg heeft de Commissie het verzoek
onderzocht van één van de niet in de steekproef opgenomen
producenten-exporteurs in India. – KEI Industries Limited, New Delhi (KEI). (6) Afgezien van het bovenstaande
worden de overwegingen 5 tot en met 8, 10 tot en met 12 en 14 van de voorlopige
verordening bevestigd. 1.3. Onderzoektijdvak en
beoordelingsperiode (7) Zoals in overweging 20 van de
voorlopige verordening wordt uiteengezet, had het onderzoek naar subsidiëring
en schade betrekking op de periode van 1 april 2011 tot en met 31 maart 2012
("het onderzoektijdvak" of "OT"). Het onderzoek naar de
ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de
periode van 1 januari 2009 tot en met 31 maart 2012 ("de
beoordelingsperiode"). 1.4. Vervolg van de procedure (8) Na mededeling van de
belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan werd besloten voorlopige
compenserende maatregelen in te stellen ("mededeling van de voorlopige
bevindingen") hebben verscheidene belanghebbenden opmerkingen gemaakt,
namelijk: twee producenten-exporteurs, de klager en elf gebruikers. De partijen
die hierom verzochten, werden gehoord. De Commissie ging vervolgens door met
het verzamelen van alle informatie die zij voor haar definitieve bevindingen
noodzakelijk achtte. Alle gemaakte opmerkingen werden onderzocht en in
aanmerking genomen indien zij gegrond werden geacht. (9) De
Commissie stelde de belanghebbenden in kennis van de belangrijkste feiten en
overwegingen op basis waarvan zij voornemens was de instelling van een
definitief compenserend recht op bepaald draad van roestvrij staal van
oorsprong uit India alsmede de definitieve inning van de bedragen die voor het
voorlopige recht als zekerheid waren gesteld, aan te bevelen ("mededeling
van de definitieve bevindingen"). De belanghebbenden konden binnen een
bepaalde termijn ook opmerkingen maken over deze mededeling van de definitieve
bevindingen. Alle gemaakte opmerkingen werden onderzocht en in aanmerking
genomen indien zij gegrond werden geacht. 2. BETROKKEN PRODUCT EN
SOORTGELIJK PRODUCT (10) Zoals opgemerkt in overweging
21 van de voorlopige verordening wordt het betrokken product omschreven als
draad van roestvrij staal bevattende: –
2,5 of meer gewichtspercenten nikkel, met
uitzondering van draad dat 28 of meer doch niet meer dan 31 gewichtspercenten
nikkel en 20 of meer doch niet meer dan 22 gewichtspercenten chroom bevat, –
minder dan 2,5 gewichtspercenten nikkel, met uitzondering
van draad dat 13 of meer doch niet meer dan 25 gewichtspercenten chroom en 3,5
of meer doch niet meer dan 6 gewichtspercenten aluminium bevat, momenteel ingedeeld onder de GN-codes 7223 00
19 en 7223 00 99 en van oorsprong uit India. (11) Sommige
gebruikers uitten hun zorgen over het kennelijke gebrek aan onderscheid tussen
de verschillende soorten van het betrokken product en het soortgelijk product,
omdat binnen alle productsoorten een breed productassortiment bestaat. Men
toonde zich met name bezorgd over de vraag hoe in het onderzoek een eerlijke
vergelijking van alle productsoorten kon worden verzekerd. Zoals voor de meeste
onderzoeken het geval is, geldt ook voor dit onderzoek dat de omschrijving van
het betrokken product een grote verscheidenheid aan productsoorten bestrijkt
die allemaal dezelfde of vergelijkbare fysische, technische en chemische
basiseigenschappen hebben. Het feit dat deze eigenschappen van productsoort tot
productsoort kunnen variëren, kan inderdaad tot gevolg hebben dat een grote
verscheidenheid aan productsoorten onder de omschrijving valt. Dit is het geval
in het onderhavige onderzoek. De Commissie hield rekening met de verschillen
tussen de productsoorten en zorgde voor een eerlijke vergelijking. Elke
productsoort die door producenten-exporteurs in India werd geproduceerd en
verkocht en elke productsoort die door de bedrijfstak van de Unie werd
geproduceerd en verkocht, kreeg een uniek productcontrolenummer (PCN). Dit
nummer was afhankelijk van de belangrijkste eigenschappen van het product. In
het onderhavige geval hadden die betrekking op de staalsoort, de treksterkte,
de coating, het oppervlak, de diameter en de vorm. De soorten draad die naar de
Unie werden uitgevoerd, werden bijgevolg op PCN-basis vergeleken met de door de
bedrijfstak van de Unie geproduceerde en verkochte producten die dezelfde of
vergelijkbare eigenschappen hadden. Al die soorten vielen onder de omschrijving
van het betrokken product en het soortgelijk product zoals die in het bericht
van inleiding[4] en de voorlopige verordening werd gegeven. (12) Een partij herhaalde haar
argument dat de zogenaamde "hoogtechnische" productsoorten
verschillend waren en niet verwisselbaar met de andere soorten van het
betrokken product. Bijgevolg zouden ze van de productomschrijving moeten worden
uitgesloten. Om te kunnen bepalen of producten voldoende gelijk zijn om hen als
hetzelfde product te kunnen beschouwen, moet volgens de jurisprudentie worden
vastgesteld of ze dezelfde technische en fysische eigenschappen, basisgebruiksdoeleinden
en prijs-kwaliteitverhouding hebben. In dat verband moet ook worden gekeken
naar de onderlinge verwisselbaarheid en de concurrentie tussen die producten[5]. Uit het onderzoek is gebleken
dat de door de partij bedoelde "hoogtechnologische" productsoorten
dezelfde fysische, chemische en technische basiseigenschappen hebben als de
andere producten die voorwerp van het onderzoek waren. Zij zijn gemaakt van
roestvrij staal en het zijn draden. Het gaat om een halffabricaat (dat in de
meeste gevallen verder verwerkt wordt voor de productie van een grote
verscheidenheid van eindproducten), en het productieproces is vergelijkbaar,
met gebruikmaking van vergelijkbare machines, zodat producenten kunnen
omschakelen op andere varianten van het product, al naar gelang de vraag. Dus
hoewel de verschillende soorten draad onderling niet rechtstreeks verwisselbaar
zijn en geen rechtstreeks concurrerende producten zijn, moet in aanmerking
worden genomen dat producenten naar opdrachten dingen die een breed scala aan
draden van roestvrij staal bestrijken. Bovendien worden deze productsoorten
zowel door de bedrijfstak van de Unie als door de producenten-exporteurs in
India geproduceerd en verkocht, waarbij gebruik wordt gemaakt van een
vergelijkbare productiemethode. Dit argument moet derhalve worden afgewezen. (13) In antwoord op de mededeling
van de definitieve bevindingen voerde een belanghebbende partij aan dat de
analyse van de Commissie met betrekking tot het al of niet in het onderzoek
opnemen van zogenaamde "hoogtechnische" productsoorten onvoldoende
was. Dit argument wordt verworpen. Uit het onderzoek blijkt dat de
hoogtechnische productsoorten binnen de definitie van het product vallen, zoals
aangegeven in overweging 12. De belanghebbende partij neemt ten onrechte aan
dat aan alle in de jurisprudentie genoemde criteria tegelijkertijd voldaan moet
worden; dit is echter niet het geval. Volgens de jurisprudentie heeft de
Commissie een ruime beoordelingsbevoegdheid bij het bepalen welke producten
soortgelijk zijn[6],
en dient zij deze beoordeling te baseren op de door het hof genoemde criteria.
Het komt vaker voor, zoals ook in dit geval, dat verschillende criteria in
verschillende richtingen wijzen; in een dergelijke situatie moet de Commissie
een globale beoordeling verrichten, wat zij in dit geval ook gedaan heeft. De
betreffende belanghebbende partij neemt dan ook ten onrechte aan dat
productsoorten alle kenmerken gemeenschappelijk moeten hebben om onder dezelfde
definitie te vallen. (14) Sommige gebruikers stelden dat
draad van roestvrij staal van de "serie 200" van de
productomschrijving moest worden uitgesloten. Dit type draad zou nauwelijks
door de bedrijfstak van de Unie worden geproduceerd. Deze bewering is
ongegrond. Ten eerste is het feit dat een bepaald producttype niet door de
bedrijfstak van de Unie wordt geproduceerd, onvoldoende reden om het buiten de
reikwijdte van het onderzoek te plaatsen wanneer het productieproces voor dat
producttype zodanig is dat de producenten in de Unie met de productie ervan
zouden kunnen beginnen. Ten tweede is voor dit type van het betrokken product
hetzelfde gebleken als voor "hoogtechnische" draad (zie overweging
12), namelijk dat het dezelfde of vergelijkbare fysische, chemische en
technische basiseigenschappen heeft als andere typen van het soortgelijk
product die door de bedrijfstak van de Unie worden geproduceerd. Dit argument
moet derhalve worden afgewezen. (15) Volgens dezelfde gebruikers
zou walsdraad juist wel in de productomschrijving moeten worden opgenomen. Walsdraad
wordt als grondstof voor de productie van het betrokken product gebruikt, maar
kan ook voor de productie van andere producten worden gebruikt, zoals
bevestigingsmiddelen en nagels. In tegenstelling tot het product dat voorwerp
van onderzoek is, is walsdraad dus geen staal-eindproduct. Walsdraad kan, net
als andere producten, door koudvervormen worden omgevormd tot het betrokken
product of het soortgelijk product. Op grond hiervan kan walsdraad niet in de
productomschrijving van de basisverordening worden opgenomen. (16) Op grond van het bovenstaande
wordt de in de overwegingen 21 tot en met 24 van de voorlopige verordening
gegeven omschrijving van het betrokken product en het soortgelijk product
bevestigd. 3. SUBSIDIËRING 3.1. Inleiding (17) In overweging 25 van de
voorlopige verordening wordt verwezen naar de volgende regelingen, in het kader
waarvan tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies zouden zijn
verstrekt: a) Duty Entitlement Passbook Scheme
("DEPBS", kredietregeling voor invoerrechten), b) Duty Drawback Scheme ("DDS",
regeling voor de terugbetaling van rechten), c) Advance Authorisation Scheme
("AAS", regeling voorafgaande vergunningen), d) Export Promotion Capital Goods Scheme
("EPCGS", regeling kapitaalgoederen voor exportbevordering), e) Export Credit Scheme ("ECS",
regeling exportkredieten), f) Focus Market Scheme ("FMS",
focusmarktregeling), g) Special Economic Zones/Export Oriented
Units ("SEZ/EOU", regeling bijzondere economische
zones/exportgerichte bedrijven). (18) De bedrijfstak van de Unie
beweerde dat de Commissie een aantal subsidieregelingen buiten beschouwing had
gelaten, met name regionale, en meende dat de subsidies die de Indiase
producenten bleken te hebben ontvangen, onderschat waren. Deze bewering is ongegrond.
De Commissie heeft alle in de klacht genoemde nationale en lokale
subsidieregelingen onderzocht. De in de steekproef opgenomen
producenten-exporteurs bleken in het OT echter uitsluitend subsidies uit hoofde
van de in overweging 14 genoemde regelingen te hebben ontvangen. (19) De
bedrijfstak van de Unie voerde tevens aan dat aangezien tijdens het parallelle
antidumpingonderzoek was gebleken dat de gegevens van de in de steekproef
opgenomen Indiase producenten onbetrouwbaar waren en bijgevolg artikel 18 van
Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende
beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn
van de Europese Gemeenschap[7] was toegepast, in het huidige onderzoek het overeenkomstige artikel 28
van de basisverordening had moeten worden toegepast. Artikel 28 van de
basisverordening is echter alleen onder bepaalde voorwaarden van toepassing en
aan die voorwaarden is in dit geval niet voldaan wat betreft de informatie die
de in de steekproef opgenomen Indiase producenten hebben verstrekt. Dit
argument moet derhalve worden afgewezen. (20) Uit het onderzoek is gebleken
dat de DEPBS, DDS en AAS allemaal onderdeel van hetzelfde subsidiemechanisme
vormen, dat een mechanisme voor de terugbetaling van rechten is. In India
bestaan al lang verscheidene vormen van dit mechanisme. De afzonderlijke
deelmechanismen worden veelvuldig gewijzigd. Uit het onderzoek is gebleken dat
deze deelmechanismen gezamenlijk moeten worden geanalyseerd, omdat exporteurs in
de regel een ervan moeten kiezen (zij sluiten elkaar wederzijds uit) en in het
geval dat een van de deelmechanismen wordt stopgezet, naar een ander
overstappen. (21) Aangezien geen andere
opmerkingen zijn ontvangen, worden de overwegingen 25 tot en met 28 van de
voorlopige verordening bevestigd. 3.2. Kredietregeling voor
invoerrechten (DEPBS) (22) Een van de in de steekproef
opgenomen producenten-exporteurs in India voerde aan dat de DEPB niet mocht
worden beschouwd als een tot compenserende maatregelen aanleiding gevende
subsidie, aangezien de regeling bedoeld was om invoerrechten te compenseren.
Verder werd aangevoerd dat voor het product dat voorwerp van onderzoek is, in
India geen inputs worden geproduceerd, zodat het redelijk is om aan te nemen
dat alle invoer met 5 % is belast en het door de Indiase overheid
vastgestelde maximum overcompensatie voorkomt. Zoals uiteengezet in overweging
38 van de voorlopige verordening, kan deze regeling niet worden beschouwd als
een toelaatbare terugbetalingsregeling voor rechten op inputs of rechten op
vervangende inputs in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), ii), van de
basisverordening, aangezien zij niet voldoet aan de voorschriften van bijlage
I, punt i), bijlage II (definitie van en voorschriften voor de terugbetaling
van rechten op inputs) en bijlage III (definitie van en voorschriften voor de
terugbetaling van rechten op vervangende inputs) van de basisverordening. Meer
in het bijzonder is een exporteur die gebruik maakt van de DEPBS niet verplicht
de goederen die vrij van rechten werden ingevoerd, ook echt bij het
productieproces te gebruiken en wordt het kredietbedrag niet berekend op basis
van de werkelijke waarde van de gebruikte inputs. Ten slotte komt een exporteur
ook als hij geen inputs invoert voor DEPBS-steun in aanmerking. Om die steun te
verkrijgen, is het voldoende dat de exporteur goederen uitvoert; hij hoeft niet
aan te tonen dat inputs werden ingevoerd. De Indiase overheid heeft verzuimd om
een stelsel in te voeren waarin een verband bestaat tussen de hoogte van de
vrijstelling voor inputs en het gebruik van die inputs bij de productie van de
uitgevoerde producten. Verder kunnen de ondernemingen die gebruik maken van de
regeling niet aantonen dat zij niet te veel restitutie hebben gekregen. Wat betreft
het al dan niet sprake zijn van overcompensatie in dit specifieke geval kon de
onderneming in kwestie niet aantonen dat zij niet werd overgecompenseerd. Zij
had bijvoorbeeld een compensatie kunnen ontvangen voor andere ingevoerde
producten of voor ingevoerde inputs die in werkelijkheid niet bij de productie
van het betrokken product worden verbruikt. Verder is de verklaring dat in
India geen inputs voor het betrokken product worden, geproduceerd, onjuist,
omdat ten minste één van de onderzochte ondernemingen de inputs in India
produceerde en twee anderen de inputs van een binnenlandse producent kochten,
en niet van een importeur-handelaar. Deze argumenten moeten derhalve worden
afgewezen. (23) Een partij voerde aan dat bij
verkoop van de DEPBS-vergunning de werkelijke verkoopprijs lager was dan de
waarde van de vergunning en derhalve ook het tot compenserende maatregelen
aanleiding gevende voordeel kleiner was. In dit verband wordt opgemerkt dat het
uit deze regeling verkregen voordeel werd berekend op basis van het in de
vergunning toegekende kredietbedrag, ongeacht of de vergunning ter compensatie
van invoerrechten was gebruikt of verkocht. Het verkopen van een vergunning
tegen een prijs die lager is dan de nominale waarde is een louter commerciële beslissing
die het bedrag van het uit deze regeling ontvangen voordeel niet verandert. Dit
argument moet derhalve worden afgewezen. (24) De Indiase overheid voerde aan
dat de DEPBS in de loop van het OT was ingetrokken en daarom geen compenserende
maatregel tegen deze regeling moest worden ingesteld. Een ander argument dat
tegen het instellen van een compenserende maatregel tegen de DEPBS werd
aangevoerd, was dat de terugbetalingsregeling geen opvolger van de DEPBS is.
Het is juist dat de DEPBS op 30 september 2011, dus tijdens het OT, verviel. De
subsidiëring bleef echter bestaan. Exporteurs die eerder steun uit de DEPBS
ontvingen, bleken na 30 september 2011 steun uit de AAS en vooral de DDS te
ontvangen. Zoals beschreven in de overwegingen 42 tot en met 44 van de
voorlopige verordening werden de AAS en DDS zo aangepast dat die overgang
soepel zou verlopen. Daarnaast is de aard van de voordelen die uit de drie
regelingen werden verkregen, namelijk vergoeding van gederfde inkomsten in de
vorm van vrijstelling van douanerechten, precies hetzelfde. Ondernemingen
konden dus kiezen welke regeling zij voor de compensatie van douanerechten
wilden gebruiken. Vandaar dat ondanks het feit dat de DEPBS halverwege het OT
ophield te bestaan, tegen de subsidies die de Indiase regering in die periode
verstrekte compenserende maatregelen moeten worden ingesteld, omdat het
overkoepelende subsidiesysteem bleef bestaan. Om de in overweging 20 genoemde
redenen vormen alle regelingen voor de terugbetaling van rechten immers een enkel
subsidiemechanisme met verschillende, vaak veranderende deelmechanismen.
Genoemd argument moeten bijgevolg worden afgewezen. (25) In haar antwoord op de
definitieve bevindingen heeft de Indiase overheid haar argumenten betreffende
de intrekking van de DEPBS na de mededeling van de definitieve bevindingen
herhaald. Aangezien echter geen nieuwe argumenten zijn aangevoerd die
aanleiding zouden kunnen zijn tot een wijziging van de conclusie betreffende de
vervanging van de subsidiëring uit hoofde van de ingetrokken DEPBS door de
aangepaste DDS kan dit argument niet worden aanvaard. (26) Aangezien geen andere
opmerkingen zijn ontvangen, worden de overwegingen 29 tot en met 47 van de
voorlopige verordening bevestigd. (27) Daarnaast is gebleken dat de
Indiase producent-exporteur KEI in het OT gebruik heeft gemaakt van de DEPBS.
Het subsidiepercentage bedroeg 0,50 %. 3.3. Regeling voor de terugbetaling
van rechten (DDS) (28) De Indiase overheid voerde aan
dat de DDS niet mocht worden beschouwd als een tot compenserende maatregelen
aanleiding gevende subsidie, aangezien de regeling bedoeld was ter compensatie
van betaalde invoerrechten en accijnzen op inputs. Zoals uiteengezet in
overweging 58 tot en met 60 van de voorlopige verordening, kan deze regeling
niet worden beschouwd als een toelaatbare terugbetalingsregeling in de zin van
artikel 3, lid 1, onder a), ii), van de basisverordening, omdat zij niet
voldoet aan de voorschriften van bijlage I, punt i), bijlage II (definitie van
en voorschriften voor de terugbetaling van rechten op inputs ) en bijlage III
(definitie van en voorschriften voor de terugbetaling van rechten op
vervangende inputs) van de basisverordening. Meer in het bijzonder is er geen
systeem of procedure aan de hand waarvan kan worden vastgesteld welke inputs
bij de productie van het uitgevoerde product worden verbruikt, dan wel of te
veel restitutie werd betaald in de zin van bijlage I, punt i), en bijlagen II
en III van de basisverordening. Bovendien komt een exporteur ook als hij geen
inputs invoert voor de DDS-voordelen in aanmerking. Om die voordelen te
verkrijgen, is het voldoende dat de exporteur goederen uitvoert; hij hoeft niet
aan te tonen dat inputs werden ingevoerd. Het bovenstaande werd bevestigd
tijdens de controlebezoeken en blijkt ook uit de relevante nationale wetgeving
circulaire nr. 24/2001 zoals uiteengezet in overweging 60 van de voorlopige
verordening. Daarnaast gaf de Indiase overheid ook zelf in punt 32 van haar
schriftelijke opmerkingen toe dat de DDS tot een te hoge restitutie kan leiden.
Dit argument moet derhalve worden afgewezen. (29) De Indiase overheid voerde
verder aan dat de verificatieregeling voor de consumptie van inputs weliswaar
niet compleet was, met name door het grote aantal begunstigden en de
administratieve lasten die de controle van al die begunstigden met zich
meebrengt, maar dat het bestaande verificatiemechanisme op basis van
steekproeven aanvaardbaar zou moeten zijn. Dit argument moet echter worden
afgewezen, omdat artikel 3, lid 1, onder a), ii), bijlage I, punt i), bijlage
II (definitie van en voorschriften voor terugbetaling van rechten op inputs) en
bijlage III (definitie van en voorschriften voor terugbetaling van rechten op
vervangende inputs) van de basisverordening, niet voorzien in het gebruik van
steekproeven. (30) Aangezien geen andere
opmerkingen zijn ontvangen, worden de overwegingen 48 tot en met 64 van de
voorlopige verordening bevestigd. (31) Daarnaast is gebleken dat de
Indiase producent-exporteur KEI Industries in het OT gebruik heeft gemaakt van
de DDS. Het subsidiepercentage bedroeg 0,29 %. 3.4. Regeling voorafgaande
vergunningen (AAS) (32) Een van de in de steekproef
opgenomen producenten-exporteurs in India voerde aan dat de AAS moest worden
beschouwd als een regeling voor de terugbetaling van rechten, omdat de
ingevoerde materialen voor de productie van uitgevoerde producten werden
gebruikt. Zoals uiteengezet in overweging 76 van de voorlopige verordening kan
de subregeling waarvan in dit geval gebruik wordt gemaakt, niet worden beschouwd
als een toelaatbare terugbetalingsregeling in de zin van artikel 3,
lid 1, onder a), ii), van de basisverordening. Zij voldoet niet aan
de voorschriften van bijlage I, punt i), bijlage II (definitie
van en voorschriften voor de terugbetaling van rechten voor inputs) en
bijlage III (definitie van en voorschriften voor de terugbetaling van
rechten voor vervangende inputs) van de basisverordening. De Indiase overheid
heeft niet daadwerkelijk een verificatieregeling of procedure toegepast om na
te gaan of, en zo ja in welke mate, de inputs bij de productie van het
uitgevoerde product werden verbruikt (bijlage II, punt II.4, van de
basisverordening en, in het geval van terugbetalingsregelingen voor vervangende
inputs, bijlage III, punt II.2, van de basisverordening). Bovendien
zijn de standaard-input-outputnormen (SION's) voor het betrokken product niet
nauwkeurig genoeg en kunnen zij niet voor de verificatie van het werkelijke
verbruik worden gebruikt. De Indiase overheid kan aan de hand van deze standaardnormen
niet met voldoende nauwkeurigheid vaststellen hoeveel inputs bij de productie
van de uitgevoerde producten zijn verbruikt. De Indiase overheid doet ook geen
verder onderzoek naar de werkelijk verbruikte inputs, zoals uiteengezet in
overweging 73 van de voorlopige verordening, hoewel dit normaliter vereist is
als er geen effectieve verificatieregeling is (bijlage II, punt II.5,
en bijlage III, punt II.3, van de basisverordening). De subregeling
geeft daarom aanleiding tot compenserende maatregelen, en het argument wordt
verworpen. (33) Aangezien geen andere
opmerkingen zijn ontvangen, worden de overwegingen 65 tot en met 80 van de
voorlopige verordening bevestigd. (34) De Indiase producent-exporteur
KEI Industries bleek in het OT geen gebruik te hebben gemaakt van de AAS. 3.5. Regeling kapitaalgoederen voor
exportbevordering (EPCGS) (35) Naar aanleiding van de
mededeling van de definitieve bevindingen diende een van de Indiase
producenten-exporteurs een opmerking in betreffende een rekenfout. Deze opmerking
was deels terecht en er is rekening mee gehouden bij de berekening van het
subsidiebedrag. Aangezien de totale subsidiemarge voor deze onderneming al vóór
deze correctie onder de de-minimisdrempel lag, heeft deze aanpassing geen
invloed op de uiteindelijke hoogte van het compenserend recht voor deze
onderneming, en ook niet op de gemiddelde subsidiemarge voor de medewerkende
niet in de steekproef opgenomen ondernemingen, noch ook op de subsidiemarge
voor het hele land. (36) Afgezien van het bovenstaande
worden de overwegingen 81 tot en met 91 van de voorlopige verordening
bevestigd. (37) De Indiase producent-exporteur
KEI bleek in het OT met betrekking tot het betrokken product geen voordeel te
hebben verkregen uit de EPCGS. 3.6. Regeling
exportkredieten (ECS) (38) De
Indiase overheid merkte op dat de Commissie in overweging 92 van de voorlopige
verordening de rechtsgrond van de ECS verkeerd had aangehaald. De Indiase
overheid gaf aan dat Master Circular DBOD No. DIR(Exp.) BC
01/04.02.02/2007-2008 ("MC 07-08") en Master Circular DBOD No.
DIR(Exp.) BC 09/04.02.02/2008-09 ("MC 08-09") waren herzien en na de
herziening als volgt moesten worden aangehaald: Master Circular DBOD No.
DIR(Exp.) BC 06/04.02.002/2010-11 ("MC 10-11") en Master Circular
DBOD No. DIR.(Exp.) BC 04/04.02.002/2011-2012 ("MC 11-12"). Deze
herziene versies vormden in het OT de rechtsgrond van de ECS. Deze opmerking
van de Indiase overheid is terecht. (39) De Indiase overheid voerde
verder aan dat wanneer de Commissie de geactualiseerde rechtsgrond in
aanmerking had genomen, zij vastgesteld zou hebben dat het maximumrentetarief
voor exportkredieten die de Reserve Bank of India (nationale centrale bank)
voor alle handelsbanken verplicht had gesteld, al vóór het OT niet meer voor
exportkredieten in roepies werd toegepast. Bijgevolg zou deze regeling, voor
zover het exportkredieten in roepies betreft, niet langer als subsidie kunnen
worden beschouwd. Uit het onderzoek is gebleken dat twee in de steekproef
opgenomen ondernemingen van private banken exportkredieten kregen tegen een
lagere rente dan de door de centrale bank vastgestelde referentierentevoet. Uit
het onderzoek is niet gebleken van een commercieel motief voor het verstrekken
van kredieten tegen een lagere en kennelijk verliesgevende rente. Bijgevolg
duiden deze kredietverleningspraktijken erop dat nog steeds sprake is van
overheidsbemoeienis. Het onderzoek heeft echter niet de in de WTO-regels
vereiste mate van bewijs opgeleverd om te kunnen vaststellen dat de overheid
nog steeds opdrachten of instructies geeft aan de handelsbanken. Vandaar dat de
Commissie bij ontstentenis van voldoende bewijs van een gezagsverhouding tussen
overheid en banken en/of van een financiële bijdrage van de Indiase overheid
aan de banken, heeft besloten om de verlaagde rentetarieven niet aan te merken
als subsidie uit hoofde van deze subregeling. (40) Ten slotte voerde de Indiase
overheid aan dat de laatste gewijzigde versie van Master Circular - DBOD No.
DIR(Exp.) BC. 06/04.02.002/2012-13 ("MC 12-13"), die twee maanden na
het einde van het OT van kracht is geworden, de maximale rentetarieven voor
exportkredieten heeft opgeheven, ook voor kredieten in buitenlandse valuta.
Onder verwijzing naar artikel 15, lid 1, van de basisverordening stelde de
Indiase overheid dat tegen dit onderdeel van de ECS geen compenserende
maatregelen zouden moeten worden ingesteld, omdat de overheid niet langer
aanwijzingen geeft aan banken. Hoewel de overlegde MC 12-13 een bepaling bevat
die handelsbanken met ingang van mei 2012 de vrijheid geeft om zelf de
rentetarieven voor exportkredieten in buitenlandse valuta te bepalen, zoals
gesteld door de Indiase overheid, zou een dergelijke verandering van
instructies van de RBI aan particuliere banken gedurende het onderzoek op
zichzelf onvoldoende grond zijn om deze regeling uit te sluiten, aangezien de
overheid nog steeds op informele wijze opdrachten kan geven, hetgeen nader zou
moeten worden onderzocht. Gezien bovenstaande conclusie over exportkredieten in
roepies uit hoofde van de subregeling, heeft de Commissie echter besloten om in
dit stadium geen compenserende maatregelen tegen deze subregeling in te stellen
voor zover hieruit exportkredieten in buitenlandse valuta worden verstrekt. (41) Gezien het bovenstaande worden
de rechten, voor zover van toepassing, gecorrigeerd. 3.7. Focus Market Scheme (FMS) (42) Naar aanleiding van mededeling
van de definitieve bevindingen heeft de Indiase overheid enkele opmerkingen
gemaakt over de FMS-regeling. Zij voerde aan dat deze regeling geografisch
gerelateerd is aan landen die geen deel uitmaken van de EU en dat er dus geen
aanleiding is voor de EU om compenserende maatregelen in te stellen. De Indiase
overheid kon echter niet ontkennen dat deze regeling in de praktijk wordt
toegepast was en dat de FMS-steun gebruikt kan worden voor het betrokken
product, en met name dat de FMS-kredietpunten vrij verhandelbaar zijn en
gebruikt kunnen worden om douanerechten te betalen op later ingevoerde inputs
of goederen, met inbegrip van kapitaalgoederen. Dit argument moest dus worden
afgewezen, aangezien uit het onderzoek bleek dat het betrokken product van deze
regeling kan profiteren en ook inderdaad profiteert wanneer het naar de EU
wordt uitgevoerd. (43) Aangezien geen andere
opmerkingen zijn ontvangen, worden de overwegingen 101 tot en met 111 van de
voorlopige verordening bevestigd. (44) De Indiase producent-exporteur
KEI Industries bleek in het OT geen gebruik te hebben gemaakt van de FMS. 3.8. Regeling exportgerichte
bedrijven (EOUS) (45) Naar aanleiding van de
mededeling van de definitieve bevindingen diende de enige onderzochte
producent-exporteur die gebruik maakte van EOUS opmerkingen in met betrekking
tot deze regeling. De onderneming stelde dat de Commissie een andere methode
zou moeten gebruiken om de uit hoofde van EOUS ontvangen steun te berekenen.
Zij voerde aan dat bepaalde steun uit hoofde van EOUS beschouwd zou moeten
worden als een toelaatbare regeling voor de terugbetaling van rechten in de zin
van bijlage II en III van de basisverordening en dat daarop om die reden geen
compenserend recht zou moeten worden toegepast. (46) Het bleek echter dat ongeacht
de wijze van berekening het subsidiepercentage uit hoofde van deze regeling
niet meer dan 0,95% zou bedragen, zodat de totale subsidiemarge voor deze
onderneming onder de de-minimisdrempel zou blijven. Het werd daarom niet
noodzakelijk geacht deze claim verder te analyseren in de context van dit
onderzoek. (47) Aangezien geen verdere
opmerkingen zijn ontvangen, wordt overweging 112 van de voorlopige verordening
bevestigd. (48) De Indiase producent-exporteur
KEI Industries bleek in het OT geen gebruik te hebben gemaakt van deze
regeling. 3.9. Hoogte
van tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies (49) Na de beslissing om de steun uit
hoofde van de ESC niet als een subsidie te beschouwen, zoals beschreven in de
overwegingen 38 tot en met 41 , en na correctie van de berekening van de
EPCGS-steun voor een van de ondernemingen, zoals beschreven in overweging 35,
zijn de rechten waar nodig aangepast. De definitieve subsidiemarges die tot
compenserende maatregelen aanleiding geven, vastgesteld overeenkomstig de
bepalingen van de basisverordening en uitgedrukt ad valorem, variëren nu van
0,79 % tot 3,72 %. Regeling || Onderneming || Raajratna || Venus Group || Viraj || KEI DEPBS(*) || 0,58% || 0,93%, 1,04%, 1,32%, 2,04% || - || 0,50% DDS (*) || 0,61% || 1,14%, 1,77%, 1,68%, 1,91% || - || 0,29% AAS(*) || 2,43% || 0,15%, 0%, 0%, 0% || - || - EPCGS(*) || 0,09% || 0,02%, 0%, 0%, 0% || 0,03% || - ECS (*) || - || - || - || - FMS (*) || - || 0,13%, 0,71%, 0,07%, 0% || - || - EOU (*) || - || - || 0,95% || - TOTAAL || 3,72% || 3,03% (**) || 0,98 %(***) || 0,79 %(***) (*) De met een sterretje gemerkte subsidies zijn
exportsubsidies (**) Totale subsidiemarge op basis van de
berekening voor de groep als geheel (***) de-minimis (50) De opnieuw berekende
subsidiemarge voor de niet in de steekproef opgenomen medewerkende
ondernemingen is 3,41 %. (51) De opnieuw berekende voor het
gehele land geldende subsidiemarge is 3,72 %. 4. BEDRIJFSTAK VAN DE UNIE 4.1. Bedrijfstak van de Unie (52) Sommige gebruikers zetten
vraagtekens bij het aantal producenten in de Unie dat in overweging 116 van de
voorlopige verordening wordt genoemd. Zij stellen dat dit aantal onjuist is en
dat er in werkelijkheid minder producenten op de markt van de Unie zijn. (53) De Commissie wijst erop dat
deze stelling niet is onderbouwd en bevestigt de in overweging 116 van de
voorlopige verordening gegeven informatie, namelijk dat het betrokken product
in het OT door 27 producenten in de Unie werd vervaardigd. Dit is het aantal
dat is vastgesteld op basis van de klacht, in de representativiteitsfase en
gedurende het onderzoek. De Commissie heeft zich in verbinding gesteld met alle
bekende producenten en de gegevens die naar aanleiding daarvan werden
ontvangen, voor het huidige onderzoek gebruikt. 4.2. Productie in de Unie en
steekproef van producenten in de Unie (54) Aangezien geen opmerkingen
zijn ontvangen, worden de overwegingen 117 tot en met 119 van de voorlopige
verordening bevestigd. 5. SCHADE 5.1. Verbruik in de Unie (55) Enkele gebruikers stelden dat
de gegevens voor 2009 niet in de schadeanalyse hadden moeten worden meegenomen,
omdat de financiële crisis van dat jaar verstorende effecten had, met name op
het verbruik in de Unie. Maar zelfs als de gegevens voor dat jaar niet waren
meegenomen, dan nog zouden de verbruikscijfers een stijgende trend hebben laten
zien (+5 %), wat duidt op een verbeterende markt. Bovendien worden de
negatieve effecten van de financiële crisis in overweging 120 van de voorlopige
verordening expliciet genoemd, maar wordt desalniettemin geconcludeerd dat de
marktsituatie was verbeterd. Aangezien geen andere opmerkingen zijn ontvangen,
wordt overweging 120 van de voorlopige verordening bevestigd. 5.2. Invoer in de Unie uit het
betrokken land (56) De voor KEI Industries
vastgestelde subsidiemarge ligt onder de de-minimisdrempel van artikel 14,
lid 5, van de basisverordening (zie overweging 49). Vandaar dat deze
producent-exporteur wordt geacht tijdens het OT geen voordeel te hebben
verkregen uit subsidieregelingen in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), ii),
en artikel 3, lid 2, van de basisverordening. Bijgevolg werd de omvang van de
invoer afkomstig van die onderneming niet opgenomen in de totale omvang van de
invoer met subsidiëring uit India. Eén producent-exporteur, de Venus Group,
merkte op dat bepaalde transacties bij vergissing dubbel waren geteld. De
Commissie was het hiermee eens en bracht de invoer in verband met die
transacties in mindering op de totale omvang van de invoer met subsidiëring uit
India. De omvang, het marktaandeel en de gemiddelde prijs van de invoer met
subsidiëring werden dienovereenkomstig gecorrigeerd. (57) Omvang en marktaandeel van de
invoer met subsidiëring: || 2009 || 2010 || 2011 || OT Volume (Mt) || 11 620 || 20 038 || 25 326 || 24 415 Index (2009=100) || 100 || 172 || 218 || 210 Marktaandeel || 8,8% || 10,7% || 12,9% || 12,4% Index (2009=100) || 100 || 121 || 146 || 140 Bron: Eurostat en antwoorden op de vragenlijst (58) Omdat KEI tijdens het OT maar
beperkte hoeveelheden van het betrokken product uitvoerde en bovengenoemde
transacties van de Venus-groep maar op de invoer van een beperkte hoeveelheid
van het betrokken product betrekking hadden, heeft de aftrek van de betreffende
invoerhoeveelheden geen gevolgen voor de in de overwegingen 123 en 124 van de
basisverordening beschreven trends. Deze overwegingen van de voorlopige
verordening worden bijgevolg bevestigd. (59) Gemiddelde prijs van de invoer
met subsidiëring: || 2009 || 2010 || 2011 || OT Gemiddelde prijs (euro/MT) || 2 419 || 2 856 || 3 311 || 3 259 Index (2009=100) || 100 || 118 || 137 || 135 Bron: Eurostat en antwoorden op de vragenlijst (60) Zoals
hierboven uiteengezet, voerde KEI tijdens het OT maar beperkte hoeveelheden uit
en had de verwijdering van bepaalde transacties van de Venus Group maar
beperkte gevolgen voor de totale omvang van de invoer van het betrokken
product. Het niet meenemen van de invoer afkomstig van KEI en van de invoer in
verband met bovengenoemde transacties van de Venus Group heeft derhalve geen
significante gevolgen voor de gemiddelde prijs van de invoer met subsidiëring
uit India en evenmin voor de marge van de prijsonderbieding. De opnieuw
berekende prijsonderbiedingsmarge is 11,7 %. Voor het overige worden de
conclusies die zijn getrokken uit de in de overwegingen 128 tot en met 130 van
de voorlopige verordening beschreven bevindingen bevestigd. (61) In antwoord op de mededeling
van de definitieve bevindingen voerde de Indiase overheid aan dat de Commissie
de prorata reductie van invoer met subsidie alleen had toegepast op de
importvolumes van medewerkende producenten-exporteurs teneinde rekening te
houden met de de-minimisbevindingen betreffende KEI en de correcties
betreffende dubbel getelde transacties van de Venus Group. Deze bewering is
gebaseerd om een misverstand. De Commissie heeft de prorata-reductie toegepast
op het gehele invoervolume, ook van niet-medewerkende importeurs. Dit argument
moet daarom worden verworpen. 5.3. Economische situatie van de
bedrijfstak van de unie (62) Sommige
partijen merkten op dat de resultaten van de bedrijfstak van de Unie gezien de
wereldwijde economische crisis toch redelijk positief waren en dat behalve de
schade-indicator "marktaandeel" geen enkele indicator op het bestaan
van schade wees. (63) Eén partij merkte op dat de
gemiddelde verkoopprijs van de bedrijfstak van de Unie in de
beoordelingsperiode veel meer was gestegen dan de productiekosten,
respectievelijk 34 % en 13 %. In dit verband wordt opgemerkt dat in
het begin van de beoordelingsperiode, in 2009, de bedrijfstak van de Unie onder
de kostprijs verkocht en de bedrijfstak er pas vanaf 2011 in slaagde om boven
de kostprijs te verkopen. (64) Uit het onderzoek is gebleken
dat sommige schade-indicatoren, zoals productieomvang en bezettingsgraad,
weliswaar een positieve trend voor de beoordelingsperiode laten zien, of een
stabiele trend, zoals werkgelegenheid, maar dat een aantal andere, die verband
houden met de financiële situatie van de bedrijfstak, namelijk winstgevendheid,
kasstroom, investeringen en rendement van investeringen, voor die periode geen
bevredigende trend tonen. De indicator betreffende investeringen verbeterde in
2010, maar viel in 2011 en in het OT weer beneden het peil van 2009. Het is
juist dat het rendement van investeringen verbeterde in 2009-2011 en 6,7 %
bereikte, maar het daalde weer tot 0,8 % in het OT. Ook de indicatoren
betreffende winstgevendheid en kasstroom verbeterden tot 2011 maar
verslechterden weer in het OT. Geconcludeerd kan dus worden dat de bedrijfstak
van de Unie na 2009 verbetering vertoonde, maar dat dit herstel daarna vertraagd
werd door de invoer met subsidiëring vanuit India. (65) Op verzoek van een
belanghebbende partij wordt bevestigd dat de in overweging 153 van de
voorlopige verordening genoemde voorraadniveaus betrekking hebben op de
activiteiten van de in de steekproef opgenomen ondernemingen in de Unie. (66) De bedrijfstak van de Unie
stelde dat de in het voorlopige stadium vastgestelde streefwinstmarge van
5 % te laag was. Deze stelling werd onvoldoende onderbouwd. In overweging
148 van de voorlopige verordening wordt aangegeven waarom voor deze winstmarge
is gekozen. Uit het onderzoek is niet gebleken van enige reden om deze
winstmarge te veranderen. Vandaar dat de winstmarge van 5 % voor de
definitieve bevindingen wordt gehandhaafd. (67) Eén producent-exporteur stelde
dat de moeilijkheden van de bedrijfstak van de Unie grotendeels het gevolg
waren van structurele problemen. De streefwinstmarge van 5 % zou daarom
niet realistisch zijn. (68) De Commissie roept in
herinnering dat volgens de jurisprudentie[8]
de instellingen een winstmarge moeten vaststellen die de bedrijfstak van de
Unie onder normale concurrentievoorwaarden, zonder invoer met subsidiëring, in
redelijkheid mag verwachten. Het uitvoeren van een dergelijke analyse bleek in
onderhavige zaak om de volgende redenen onmogelijk. Alleen voor de periode na
2007 is voldoende informatie beschikbaar voor het berekenen van de winstmarges
voor het betrokken product. In 2007 was de winstmarge 3,7 %; vanaf 2008
was de winstmarge negatief als gevolg van de financiële en economische crisis.
In de klacht wordt aangevoerd, en het onderzoek heeft dit bevestigd, dat de
invoer met subsidiëring in 2007 begon: de omvang van de invoer steeg dat jaar
van 17 727 ton naar 24 811,3 ton. Vandaar dat de instellingen de
streefwinstmarges hebben vastgesteld op basis van de werkelijke winsten in
sectoren van de staalindustrie die geen schade door invoer met dumping of
subsidiëring hebben geleden[9]. 5.4. Conclusie over schade (69) De Commissie concludeert
derhalve dat de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade heeft geleden
tijdens het OT. 6. OORZAKELIJK VERBAND 6.1. Gevolgen van invoer met
subsidiëring (70) Eén producent-exporteur voerde
aan dat in de voorlopige verordening voorbij werd gegaan aan het feit dat de
bedrijfstak van de Unie sinds 2009 kon profiteren van een stijging van het
verbruik en dat de Commissie er niet van uit kon gaan dat de bedrijfstak zijn
marktaandeel voor eeuwig zou handhaven. (71) Als reactie op deze argumenten
wordt opgemerkt dat uit het onderzoek naar voren is gekomen dat het
marktaandeel van de invoer met subsidiëring uit India sneller groeide dan het
verbruik in de Unie. De omvang van de invoer met subsidiëring uit India steeg
met 110 %, terwijl het verbruik in de Unie in dezelfde periode met
50 % steeg. Bovendien bleek uit het onderzoek ook dat de gemiddelde
Indiase prijs constant onder de gemiddelde prijs van de bedrijfstak van de Unie
in dezelfde periode lag, en dat de gemiddelde prijs van de bedrijfstak van de
Unie met 11,7 % onderboden werd gedurende het OT. Het resultaat was dat de
bedrijfstak van de Unie inderdaad in zekere mate van de toegenomen consumptie
profiteerde, en zijn verkoopvolume met 40 % kon opvoeren, maar zijn
marktaandeel niet kon handhaven, zoals te verwachten zou zijn geweest bij een
positieve ontwikkeling van de markt en gezien de beschikbare
productiecapaciteit. 6.2. Gevolgen van andere factoren 6.2.1. Invoer zonder subsidiëring (72) Enkele belanghebbende partijen
stelden dat het effect van de invoer zonder subsidiëring opnieuw beoordeeld zou
moeten worden in het licht van het feit dat KEI Industries een
de-minimissubsidiemarge werd toegekend en het feit dat bepaalde dubbeltellingen
betreffende transacties van de Venus Group uit de analyse waren verwijderd. Zij
voerden verder aan dat de prijzen van de invoer zonder subsidiëring lager waren
dan de prijzen van de invoer met subsidiëring. (73) De tabel hieronder laat de
ontwikkeling van het volume van de uitvoer zonder subsidiëring en van de
prijzen in de beoordelingsperiode zien. Dit volume vertegenwoordigde ongeveer
een derde van de uitvoer van India gedurende het OT en volgde dezelfde trend
als de invoer met subsidiëring. || 2009 || 2010 || 2011 || OT Volume (Mt) || 5 227 || 9 015 || 11 394 || 10 938 Volume (Index) || 100 || 172 || 218 || 210 Gemiddelde prijs || 2 268 || 2 678 || 3 105 || 3 056 Gemiddelde prijs (Index) || 100 || 118 || 137 || 135 Bron: Antwoorden op vragenlijst en Eurostat (74) Het is dus juist dat de
prijzen van invoer zonder subsidiëring lager waren dan de prijzen van invoer
met subsidiëring. Het volume van de invoer zonder subsidiëring bedraagt echter
slechts een derde van het volume van de invoer met subsidiëring. De schade
veroorzaakt door invoer zonder subsidiëring verbreekt daarom niet het
oorzakelijk verband tussen de invoer met subsidiëring vanuit India en de aanmerkelijke
schade die de bedrijfstak van de Unie gedurende het OT heeft geleden. 6.2.2. Invoer uit derde landen (75) Een producent-exporteur in
India en de Indiase overheid herhaalden de stelling dat de Volksrepubliek China
in het onderzoek had moeten worden meegenomen en dat de gevolgen van de invoer
uit de VRC voor de markt en de bedrijfstak van de Unie waren onderschat. (76) Zoals opgemerkt in overweging
170 van de voorlopige verordening is er noch in de inleidingsfase noch in de
definitieve fase van het onderzoek enig bewijs van subsidiëring gevonden dat de
inleiding van een antisubsidieprocedure met betrekking tot invoer van oorsprong
uit de VRC gerechtvaardigd zou hebben. De stelling dat het
onderzoek tot de VRC had moeten worden uitgebreid, is derhalve ongegrond en
wordt verworpen. (77) Dat neemt niet weg dat de
invoer uit de VRC in de beoordelingsperiode een stijgende trend vertoonde en
aan het einde van het OT een marktaandeel van 8,3 % vertegenwoordigde,
zoals vermeld in punt 168 van de voorlopige verordening. Verder waren de
prijzen van de invoer uit de VRC lager dan de prijzen van de bedrijfstak van de
Unie en ook van de prijzen van de Indiase producenten-exporteurs op de markt
van de Unie. Vandaar dat nader werd onderzocht of de invoer uit de VRC aan de
door de bedrijfstak van de Unie geleden schade had kunnen bijdragen en zo het
oorzakelijk verband tussen die schade en de invoer met subsidiëring uit India
had verbroken. (78) De informatie die in de
voorlopige fase van het onderzoek beschikbaar was, duidt er echter op dat de
invoer uit de VRC uit een andere productmix bestond en tot andere
productcategorieën behoorde dan de producten van de bedrijfstak van de Unie of
de producten van oorsprong uit India die op de markt van de Unie werden
verkocht. (79) Na publicatie van de
voorlopige maatregel ontving de Commissie verschillende opmerkingen die wezen
op de mogelijkheid dat Chinese laaggeprijsde invoer gedurende het OT het
oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping uit India en de door de
bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade had kunnen verbreken. (80) Uit een analyse van de
invoerstatistieken voor de producten die onder de betreffende twee GN-codes
vallen, is naar voren gekomen dat 29% van de invoer uit China was bedoeld voor
het lagere marktsegment (producten die vallen onder GN-code
7223 00 99). Dit verklaart deels
waarom de prijzen van de invoer uit de VRC gemiddeld lager waren dan die van de
bedrijfstak van de Unie en van de producenten-exporteurs in India. De statistieken voor producten die onder de GN-code
7223 00 99 vallen, laten ook zien dat de afnemers van Chinese
producenten waren geconcentreerd in het Verenigd Koninkrijk, waar de
bedrijfstak van de Unie nauwelijks was vertegenwoordigd. Volume (Mt) || 2009 || 2010 || 2011 || OT 7223 00 19 || 2 974 || 3 286 || 3 436 || 2 995 7223 00 99 || 765 || 1 458 || 1 472 || 1 320 Bron: Eurostat (81) Wat de producten onder GN-code
7223 00 19 betreft, bleek uit een analyse op PCN-basis dat zowel de
bedrijfstak van de Unie als de producenten-exporteurs in India vooral in het
hogere marktsegment actief waren, waar de prijzen soms wel vier keer hoger
waren dan in het lagere marktsegment, voor producten uit dezelfde GN-categorie[10]. Uit het onderzoek bleek ook
dat prijsverschillen in het algemeen verband hielden met verschillen in
productsoort en nikkelgehalte. Verder bleek dat Chinese exporteurs op de markt
van de Unie hoofdzakelijk productsoorten van lagere kwaliteit verkochten, die
vallen onder bovengenoemde GN-code. De productmix is dus een bepalende factor
bij het beoordelen van de invoer vanuit China. (82) Wat het prijspeil van de
invoer vanuit de Volksrepubliek China betreft, zij erop gewezen dat van 2009
tot het OT de gemiddelde prijs van de Chinese invoer hoger lag dan die van de
gesubsidieerde Indiase producenten-exporteurs, zoals blijkt uit de volgende
tabel die de gemiddelde prijs weergeeft van onder GN-code 7223 00 19
vallende Indiase uitvoer met subsidiëring. Gemiddelde prijs (euro/MT) || 2009 || 2010 || 2011 || OT || OT+1 7332 00 19 || 2 974 || 3 286 || 3 436 || 2 995 || 3 093 Bron: Eurostat (83) Tijdens het OT daalde de
gemiddelde prijs van de invoer uit China voor het eerst onder die van de
Indiase invoerprijs voor invoer met subsidiëring. Deze waarneming bleek echter
van tijdelijke aard te zijn aangezien het Chinese prijspeil in het jaar na het
OT weer steeg en hoger was dan de Indiase prijzen. (84) Voorts bleek uit een
vergelijking van de omvang van de invoer uit India en die uit de VRC dat over
de gehele beoordelingsperiode en met name in het OT de invoer uit de VRC veel lager
was dan die uit India. De omvang van de invoer uit de VRC bedroeg minder dan de
helft van die uit India. (85) Op basis van het bovenstaande
wordt bevestigd dat in het OT een significant deel van de invoer uit de VRC
verschilde van de productmix van de bedrijfstak van de Unie en dat van directe
concurrentie met de door de bedrijfstak van de Unie geproduceerde en verkochte
producten maar beperkt sprake was. (86) De invoer vanuit de VRC kan
dus de situatie van de bedrijfstak van de Unie niet zodanig beïnvloed hebben
dat daardoor het oorzakelijk verband tussen de invoer met subsidiëring vanuit
India en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade werd verbroken.
Overweging 168 bij de voorlopige verordening wordt derhalve bevestigd. 6.2.3. Concurrentie van andere
producenten in de Unie (87) Een partij voerde aan dat de
zwakke financiële prestaties van de producenten van de Unie te wijten zouden
kunnen zijn aan concurrentie van andere producenten in de Unie die zich niet
bij de klacht hadden aangesloten en geen steun hadden uitgesproken bij de
inleiding van het onderzoek. (88) Het marktaandeel van andere
producenten in de Unie ontwikkelde zich als volgt: || 2009 || 2010 || 2011 || OT Volume (Mt) || 34 926 || 55 740 || 55 124 || 55 124 Index (2009 = 100) || 100 || 160 || 158 || 158 Marktaandeel van andere producenten in de Unie || 26.6% || 29.8% || 28.1% || 27.9% Bron: Klacht (89) De producenten in de Unie die
geen klacht hadden ingediend en niet uitdrukkelijk hun steun hadden
uitgesproken voor het onderzoek, vertegenwoordigden 44 % van het totale
verkoopvolume van de Unie dat in overweging 139 van de voorlopige verordening
wordt vermeld. Hun verkoopvolume steeg in de beoordelingsperiode met 58 %:
van naar schatting 34 926 ton in 2009 tot 55 124 ton aan het einde
van het OT. Vergeleken met de groei van de invoer met subsidiëring uit India in
dezelfde periode (+110 %), is deze groei echter relatief bescheiden.
Bovendien bleef het marktaandeel van deze producenten gedurende de
beoordelingsperiode vrij stabiel en duidt niets erop dat hun prijzen lager
waren die van de in de steekproef opgenomen producenten. Bijgevolg wordt
geconcludeerd dat hun afzet op de markt van de Unie niet bijdroeg aan de door
de bedrijfstak van de Unie geleden schade. 6.3. Conclusie inzake oorzakelijk
verband (90) Aangezien geen opmerkingen
zijn ontvangen, worden de overwegingen 176 tot en met 179 van de voorlopige
verordening bevestigd. 7. BELANG VAN DE UNIE 7.1. Algemene overwegingen (91) Aangezien geen opmerkingen
zijn ontvangen, wordt overweging 180 van de voorlopige verordening bevestigd. 7.2. Belang van de bedrijfstak van
de Unie (92) Aangezien geen opmerkingen
zijn ontvangen, worden de overwegingen 181 tot en met 188 van de voorlopige
verordening bevestigd. 7.3. Belang van gebruikers (93) Na de instelling van voorlopige
maatregelen lieten zeven gebruikers en één vereniging van gebruikers weten hun
medewerking aan het onderzoek te willen verlenen. Naar aanleiding van hun
verzoek stuurde de Commissie hen in april 2013 een vragenlijst. Deze
vragenlijst werd echter slechts door slechts twee gebruikers volledig ingevuld
teruggestuurd. Alle medewerkende gebruikers samen vertegenwoordigden in het OT
12 % van de totale invoer uit India en 2,5 % van het totale verbruik
in de Unie. Op basis van de nieuwe gegevens uit de ingevulde vragenlijsten en
de bevindingen van een controlebezoek aan twee gebruikers voor het verifiëren
van de verstrekte gegevens, werden de economische gevolgen van de maatregelen
voor gebruikers opnieuw beoordeeld. (94) De gebruikers stelden dat het
winstgevendheidspercentage van 9 % dat in overweging 191 van de voorlopige
verordening wordt genoemd, te hoog was en niet representatief voor de
verwerkende ondernemingen. Na ontvangst van de antwoorden op een aanvullende
vragenlijst werd de gemiddelde winstgevendheid van alle medewerkende gebruikers
opnieuw berekend en vastgesteld op 2 % van de omzet. (95) Ook bleek dat de medewerkende
gebruikers gemiddeld 44 % van hun aankopen van het betrokken product uit
India betrokken en dat voor twee van hen India de enige voorzieningsbron was.
De omzet van het product waarin het betrokken product werd opgenomen, bedroeg
in het OT gemiddeld 14 % van de totale omzet van de medewerkende
gebruikers. (96) Uitgaande van het
worst-casescenario voor de markt van de Unie, namelijk dat eventuele
prijsstijgingen niet aan de distributieketen kunnen worden doorberekend en de
gebruikers dezelfde hoeveelheden uit India blijven betrekken als voorheen, zou
de instelling van het recht voor gebruikers tot gevolg hebben dat de
winstgevendheid van activiteiten waarvoor het betrokken product wordt gebruikt,
met gemiddeld 0,25 procentpunten afneemt tot 1,75 %. (97) De Commissie erkent dat de
gevolgen op individueel niveau groter zijn voor gebruikers die hun volledige
invoer uit India betrekken. Dit betreft echter een relatief klein aantal (twee
van de medewerkende gebruikers). Verder kan krachtens artikel 21 van de
basisverordening om terugbetaling van de rechten worden verzocht als aan alle
voorwaarden voor een dergelijke terugbetaling is voldaan. Daarvoor is wel de
medewerking van de Indiase producent vereist. (98) Enkele gebruikers gaven
opnieuw uiting aan de zorg dat compenserende maatregelen gevolgen zouden hebben
voor bepaalde typen draad die niet in Europa worden geproduceerd, namelijk
typen van de zogeheten "serie 200", zoals beschreven in overweging
194 van de voorlopige verordening. Volgens die gebruikers zouden die typen
draad niet in de Unie worden geproduceerd omdat er in de Unie maar een beperkte
vraag naar bestaat en het heel specifieke productieprocessen betreft. (99) Uit het onderzoek is echter
gebleken dat dergelijke typen draad van roestvrij staal wel degelijk door de
bedrijfstak van de Unie worden geproduceerd en een beperkt aandeel van de markt
van de Unie vertegenwoordigen. Daarnaast zijn er voor gebruikers alternatieve
voorzieningsbronnen in landen waartegen geen antidumping- of
antisubsidiemaatregelen zijn ingesteld. Bovendien zal voor twee
producenten-exporteurs in India een compenserend recht van 0 % gelden,
waardoor de maatregelen geen aanzienlijke gevolgen zullen hebben voor
leveringen van die producenten-exporteurs. Verder kunnen voor dezelfde
doeleinden ook andere typen draad van roestvrij staal worden gebruikt. Vandaar
dat het instellen van de maatregelen geen aanzienlijke negatieve gevolgen kan
hebben voor de markt van de Unie en deze gebruikers. Dit argument wordt
derhalve afgewezen. (100) Enkele gebruikers wezen erop
dat voor de levering van het soortgelijk product door producenten in de Unie
een langere leveringstijd geldt dan voor de levering van het betrokken product
door producenten-exporteurs in India. Aangezien handelaren een voorraad van de
producten kunnen aanleggen, doet dit geen afbreuk aan het feitelijk bewijs voor
de negatieve gevolgen van de invoer met subsidiëring uit India. Dit argument
wordt derhalve afgewezen. (101) Gelet op het bovenstaande en
ondanks het feit dat sommige gebruikers vermoedelijk meer negatieve gevolgen
van de maatregelen tegen de invoer uit India zullen ondervinden dan andere,
wordt aangenomen dat de markt van de Unie per saldo profijt zal hebben van de
instelling van de maatregelen. Het is met name te verwachten dat het herstel
van eerlijke concurrentievoorwaarden op de markt van de Unie de bedrijfstak van
de Unie in staat zal stellen om de prijzen aan te passen aan de
productiekosten; productie en werkgelegenheid in stand te houden; het verloren
marktaandeel te heroveren en te profiteren van meer schaalvoordelen. Het zou de
bedrijfstak in staat stellen om redelijke winstmarges te behalen die het
mogelijk maken om op de middellange en lange termijn efficiënt te functioneren.
Tegelijkertijd zal ook de algehele financiële situatie van de bedrijfstak
worden verbeterd. Verder is uit het onderzoek gebleken dat de maatregelen in
het algemeen maar beperkte negatieve gevolgen voor gebruikers en niet-verbonden
importeurs zullen hebben. Derhalve wordt geconcludeerd dat de voordelen van de
maatregelen de negatieve gevolgen voor gebruikers van het betrokken product op
de markt van de Unie compenseren. 7.4. Belang van niet-verbonden
importeurs (102) Aangezien geen opmerkingen zijn
ontvangen, worden de overwegingen 197 tot en met 199 van de voorlopige
verordening bevestigd. 7.5. Conclusie inzake het belang
van de Unie (103) Gezien het bovenstaande worden
de conclusies in de overwegingen 200 en 201 van de voorlopige verordening
bevestigd. 8. DEFINITIEVE COMPENSERENDE
MAATREGELEN 8.1. Schademarge (104) Aangezien geen opmerkingen zijn
ontvangen, worden de overwegingen 203 tot en met 206 van de voorlopige verordening
bevestigd. 8.2. Conclusie over de schademarge (105) Omdat de definitieve
subsidiemarge voor KEI Industries onder de de-minimisdrempel ligt (zie
overweging 49), is voor deze onderneming geen individuele schademarge berekend.
(106) De in de voorlopige verordening
gebruikte berekeningsmethode wordt bevestigd. 8.3. Definitieve maatregelen (107) Gelet op het bovenstaande moet
overeenkomstig artikel 15, lid 1, van de basisverordening een
definitief compenserend recht worden ingesteld dat hoog genoeg is om de door de
invoer met subsidiëring veroorzaakte schade op te heffen, maar dat het niveau
van de vastgestelde subsidiemarge niet mag overschrijden. (108) Daarom zijn de compenserende
rechten vastgesteld door de schademarges en de subsidiemarges met elkaar te
vergelijken. Bijgevolg worden de volgende compenserende rechten voorgesteld: Onderneming || Subsidiemarge || Schademarge || Compenserend recht Raajratna Metal Industries || 3,7% || 17,2% || 3,7% Venus Group || 3,0% || 23,4% || 3,0% Viraj Profiles Vpl. Ltd. || 0,9% || n.v.t. || 0,0% KEI Industries Limited || 0,7% || n.v.t. || 0,0% Niet in de steekproef opgenomen medewerkende ondernemingen || 3,4% || 19,3% || 3,4% Alle andere ondernemingen || 3,7% || 23,4% || 3,7% (109) De in dit werkdocument vermelde
compenserende rechten voor individuele ondernemingen zijn vastgesteld op basis
van de bevindingen van het onderhavige onderzoek. Zij weerspiegelen daarom de
situatie die bij dat onderzoek voor die ondernemingen werd geconstateerd. Deze
rechten gelden (in tegenstelling tot het voor het gehele land geldende recht
dat van toepassing is op "alle andere ondernemingen") uitsluitend
voor de invoer van producten van oorsprong uit India die vervaardigd zijn door
de vermelde specifieke juridische entiteiten. Deze rechten zijn niet van
toepassing op ingevoerde producten die zijn vervaardigd door andere, niet
specifiek in het dispositief van dit werkdocument genoemde ondernemingen, ook
al gaat het hierbij om entiteiten die verbonden zijn met de specifiek genoemde
ondernemingen. Op die producten is het recht van toepassing dat geldt voor
"alle andere ondernemingen". (110) Verzoeken in verband met de
toepassing van individuele compenserende rechten voor bepaalde ondernemingen
(bv. na een naamswijziging van de entiteit of na de oprichting van nieuwe
productie- of verkoopmaatschappijen) dienen onverwijld aan de Commissie te
worden gericht[11],
onder opgave van alle relevante gegevens, met name indien de naamswijziging of
de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen verband houdt met
wijzigingen in de activiteiten van de onderneming op het gebied van de
productie en de verkoop in binnen- en buitenland. Indien het verzoek
gerechtvaardigd is, zal de verordening tot instelling van de definitieve
compenserende rechten dienovereenkomstig worden gewijzigd door bijwerking van
de lijst van ondernemingen die voor een individueel recht in aanmerking komen. 8.4. Definitieve inning van de
voorlopige rechten (111) Wegens de hoogte van de
vastgestelde subsidiemarges en de ernst van de schade die de bedrijfstak van de
Unie heeft geleden, wordt het noodzakelijk geacht de bedragen die als zekerheid
zijn gesteld voor het bij de voorlopige verordening ingestelde voorlopige
compenserende recht, definitief te innen tot het bedrag van de ingestelde
definitieve rechten. HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING
VASTGESTELD: Artikel 1 1. Een definitief compenserend
recht wordt ingesteld op draad van roestvrij staal bevattende: - 2,5 of meer gewichtspercenten nikkel, met
uitzondering van draad dat 28 of meer doch niet meer dan 31 gewichtspercenten
nikkel en 20 of meer doch niet meer dan 22 gewichtspercenten chroom bevat; - minder dan 2,5 gewichtspercenten nikkel, met
uitzondering van draad dat 13 of meer doch niet meer dan 25 gewichtspercenten
chroom en 3,5 of meer doch niet meer dan 6 gewichtspercenten aluminium bevat; momenteel ingedeeld onder de GN-codes 7223 00
19 en 7223 00 99 en van oorsprong uit India. 2. Het definitieve compenserende
recht, dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór
inklaring, voor het in lid 1 omschreven product dat door onderstaande
ondernemingen is geproduceerd, is als volgt: Onderneming || Recht (%) || Aanvullende Taric-code Raajratna Metal Industries, Ahmedabad, Gujarat || 3,7 || B775 Venus Wire Industries Pvt. Ltd, Mumbai, Maharashtra || 3,0 || B776 Precision Metals, Mumbai, Maharashtra || 3,0 || B777 Hindustan Inox Ltd., Mumbai, Maharashtra || 3,0 || B778 Sieves Manufacturer India Pvt. Ltd., Mumbai, Maharashtra || 3,0 || B779 Viraj Profiles Vpl. Ltd., Thane, Maharashtra || 0,0 || B780 Kei Industries Limited, New Delhi || 0,0 || B925 In de bijlage opgenomen ondernemingen || 3,4 || B781 Alle andere ondernemingen || 3,7 || B999 3. Tenzij anders vermeld, zijn
de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing. Artikel 2 De bedragen die overeenkomstig Verordening
(EU) nr. 419/2013 als zekerheid zijn gesteld voor de voorlopige compenserende
rechten die zijn ingesteld op draad van roestvrij staal bevattende: - 2,5 of meer gewichtspercenten nikkel, met
uitzondering van draad dat 28 of meer doch niet meer dan 31 gewichtspercenten
nikkel en 20 of meer doch niet meer dan 22 gewichtspercenten chroom bevat; - minder dan 2,5 gewichtspercenten nikkel, met
uitzondering van draad dat 13 of meer doch niet meer dan 25 gewichtspercenten
chroom en 3,5 of meer doch niet meer dan 6 gewichtspercenten aluminium bevat; momenteel ingedeeld onder de GN-codes 7223 00
19 en 7223 00 99 en van oorsprong uit India, worden definitief geïnd. De bedragen die als
zekerheid zijn gesteld en die het definitieve bedrag van het compenserend recht
overschrijden, worden vrijgegeven. Artikel 3 Deze verordening treedt in werking op de dag
na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al
haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, Voor
de Raad De
voorzitter BIJLAGE: Niet
in de steekproef opgenomen medewerkende producenten-exporteurs in India Aanvullende Taric-code B781 Naam van de onderneming || Plaats Bekaert Mukand Wire Industries || Lonand, Tal. Khandala, Satara District, Maharastra Bhansali Bright Bars Pvt. Ltd. || Mumbai, Maharashtra Bhansali Stainless Wire || Mumbai, Maharashtra Chandan Steel || Mumbai, Maharashtra Drawmet Wires || Bhiwadi, Rajastan Garg Inox Ltd || Bahadurgarh, Haryana Jyoti Steel Industries Ltd. || Mumbai, Maharashtra Macro Bars and Wires Pvt. || Mumbai, Maharashtra Mukand Ltd. || Thane Nevatia Steel & Alloys Pvt. Ltd. || Mumbai, Maharashtra Panchmahal Steel Ltd. || Dist. Panchmahals, Gujarat [1] PB L 188 van 18.7.2009, blz. 93. [2] PB L 126 van 8.5.2013, blz. 19. [3] PB L 126 van 8.5.2013, blz. 1. [4] PB C 240 van 10.8.2012, blz. 6. [5] Zaak C-595/11 Steinel [2013], nog niet gepubliceerd,
punt 44. [6] Zaak T- 170/94 Shanghai Bicycles, Jurispr. 1997, II-1383, paragraaf 63 en 64. [7] PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51. [8] Zaak T-210/95 European Fertilizer Manufacturer's
Association (EFMA) vs. Raad, Jurispr. 1999 II-3291, punt 60. [9] Verordening (EU) nr. 383/2009 van de Raad van
5 mei 2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot
definitieve inning van het voorlopige recht op bepaalde voor- en naspandraad en
voor- en naspanstrengen van niet-gelegeerd staal (PSC-draad en -strengen) van
oorsprong uit de Volksrepubliek China, PB L 118 van 13.5.2009, blz. 1;
Verordening (EU) nr. 1071/2012 van de Commissie van 14 november 2012 tot
instelling van een voorlopig antidumpingrecht op gegoten hulpstukken (fittings)
voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong
uit de Volksrepubliek China en Thailand, PB L 318 van 15.11.2012, blz. 10;
Verordening (EU) nr. 845/2012 van de Commissie van 18 september 2012 tot
instelling van een voorlopig antidumpingrecht op bepaalde organisch beklede
staalproducten van oorsprong uit de Volksrepubliek China, PB L 252 van
19.9.2012, blz. 33. [10] Zowel de bedrijfstak van de Unie als de producenten-exporteurs
in India zijn echter ook in het lagere marktsegment actief, zij het in mindere
mate. [11] Europese Commissie, Directoraat-generaal Handel,
Directoraat H, 1049 Brussel, België.