Brussel, 13.6.2025

COM(2025) 313 final

2025/0166(NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende het namens de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt betreffende een wijziging van bijlage II (Technische voorschriften, normen, keuring en certificatie) en bijlage IV (Energie) bij de EER-overeenkomst

(Energie-efficiëntierichtlijn)

(Voor de EER relevante tekst)


TOELICHTING

1.Onderwerp van het voorstel

Dit voorstel betreft het besluit tot vaststelling van het namens de Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt in verband met de beoogde vaststelling van het besluit van het Gemengd Comité van de EER tot wijziging van bijlage II (Technische voorschriften, normen, keuring en certificatie) en bijlage IV (Energie) bij de EER-overeenkomst

2.Achtergrond van het voorstel

2.1.De EER-overeenkomst

De Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (hierna “de EER-overeenkomst” genoemd) waarborgt gelijke rechten en verplichtingen binnen de interne markt voor burgers en marktdeelnemers in de EER. De EER-overeenkomst voorziet in de opname van EU-wetgeving met betrekking tot de vier vrijheden in de 30 EER-staten, bestaande uit de EU-lidstaten, Noorwegen, IJsland en Liechtenstein. Daarnaast heeft de EER-overeenkomst betrekking op samenwerking op andere belangrijke gebieden, zoals onderzoek en ontwikkeling, onderwijs, sociaal beleid, milieu, consumentenbescherming, toerisme en cultuur, gezamenlijk aangeduid als “flankerend en horizontaal” beleid. De EER-overeenkomst is op 1 januari 1994 in werking getreden. De Europese Unie is samen met haar lidstaten partij bij de EER-overeenkomst.

2.2.Het Gemengd Comité van de EER

Het Gemengd Comité van de EER is verantwoordelijk voor het beheer van de EER-overeenkomst. Het is een forum voor het uitwisselen van standpunten in verband met de werking van de EER-overeenkomst. Zijn besluiten worden bij consensus genomen en zijn bindend voor de partijen. Het Secretariaat-generaal van de Europese Commissie is verantwoordelijk voor de coördinatie van EER-aangelegenheden aan EU-zijde. 

2.3.De beoogde handeling van het Gemengd Comité van de EER

Het Gemengd Comité van de EER zal naar verwachting het besluit van het Gemengd Comité van de EER tot wijziging van bijlage II (Technische voorschriften, normen, keuring en certificatie) en bijlage IV (Energie) bij de EER-overeenkomst (hierna “de beoogde handeling” genoemd) vaststellen.

Het doel van de beoogde handeling is Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van de Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG 1 en Richtlijn (EU) 2018/2002 houdende wijziging van Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie 2 in de EER-overeenkomst op te nemen.

De beoogde handeling zal voor de partijen bindend zijn overeenkomstig de artikelen 103 en 104 van de EER-overeenkomst.

3.Namens de Unie in te nemen standpunt

De Commissie legt het bijgaande ontwerpbesluit van het Gemengd Comité van de EER voor aan de Raad met het oog op vaststelling van het standpunt van de Unie. Dit standpunt dient na vaststelling zo spoedig mogelijk in het Gemengd Comité van de EER te worden uiteengezet.

Het bijgaande ontwerpbesluit van het Gemengd Comité van de EER voorziet in aanpassingen voor de EER-EVA-staten zoals uiteengezet in de overwegingen en de tekst met wijzigingen in het ontwerpbesluit van het Gemengd Comité in de bijlage, hetgeen verder gaat dan wat als louter technische aanpassingen kan worden beschouwd in de zin van Verordening (EG) nr. 2894/94 van de Raad 3 . Het standpunt van de Unie moet derhalve door de Raad worden vastgesteld.

4.Rechtsgrondslag

4.1.Procedurele rechtsgrondslag

4.1.1.Beginselen

Artikel 218, lid 9, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voorziet in de vaststelling van besluiten tot bepaling van de “standpunten die namens de Unie worden ingenomen in een krachtens een overeenkomst opgericht lichaam, wanneer dit lichaam handelingen met rechtsgevolgen vaststelt, met uitzondering van handelingen tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de overeenkomst”.

Het begrip “handelingen met rechtsgevolgen” omvat tevens handelingen die rechtsgevolgen hebben uit hoofde van de op het betrokken lichaam toepasselijke volkenrechtelijke bepalingen. Onder dit begrip vallen tevens instrumenten die volkenrechtelijk niet bindend zijn, maar die “beslissende invloed [kunnen hebben] op de inhoud van de regelgeving die de wetgever van de Unie vaststelt” 4 .

4.1.2.Toepassing op het onderhavige geval

Het Gemengd Comité van de EER is een lichaam dat is opgericht krachtens een overeenkomst, namelijk de EER-overeenkomst.. De door het Gemengd Comité van de EER vast te stellen handeling is een handeling met rechtsgevolgen. De beoogde handeling zal overeenkomstig de artikelen 103 en 104 van de EER-overeenkomst volkenrechtelijk bindend zijn.

De beoogde handeling strekt niet tot aanvulling of wijziging van het institutionele kader van de EER-overeenkomst. De procedurele rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 218, lid 9, VWEU, in samenhang met artikel 1, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2894/94 van de Raad.

4.2.Materiële rechtsgrondslag

4.2.1.Beginselen

De materiële rechtsgrondslag voor een overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU, in samenhang met artikel 1, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2894/94 van de Raad, vast te stellen besluit wordt in de eerste plaats bepaald door de materiële rechtsgrondslag van de in de EER-overeenkomst op te nemen EU-rechtshandelingen.

Wanneer de beoogde handeling een tweeledige doelstelling heeft of bestaat uit twee componenten waarvan er een kan worden gezien als hoofddoelstelling of overwegende component terwijl de andere doelstelling of andere component slechts ondergeschikt is, moet het overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU te nemen besluit op één materiële rechtsgrondslag worden gebaseerd, namelijk die welke vereist is gelet op de hoofddoelstelling of de overwegende component.

4.2.2.Toepassing op het onderhavige geval

Aangezien bij het besluit van het Gemengd Comité Richtlijn 2012/27/EU en Richtlijn (EU) 2018/2002 in de EER-overeenkomst worden opgenomen, is het passend dit besluit van de Raad op dezelfde materiële rechtsgrondslag te baseren als de opgenomen handeling. De materiële rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit is derhalve artikel 194, lid 2, VWEU.

4.3.Conclusie

De rechtsgrondslag voor het voorgestelde besluit moet artikel 194, lid 2, VWEU zijn, in samenhang met artikel 218, lid 9, VWEU en artikel 1, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2894/94 van de Raad.

5.Bekendmaking van de beoogde handeling

Aangezien bij het besluit van het Gemengd Comité van de EER bijlage II (Technische voorschriften, normen, keuring en certificatie) en bijlage IV (Energie) bij de EER-overeenkomst worden gewijzigd, is het passend het besluit na de vaststelling ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie bekend te maken.

2025/0166 (NLE)

Voorstel voor een

BESLUIT VAN DE RAAD

betreffende het namens de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt betreffende een wijziging van bijlage II (Technische voorschriften, normen, keuring en certificatie) en bijlage IV (Energie) bij de EER-overeenkomst

(Energie-efficiëntierichtlijn)


(Voor de EER relevante tekst)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 194, lid 2, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien Verordening (EG) nr. 2894/94 van de Raad van 28 november 1994 houdende bepaalde wijzen van toepassing van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte 5 , en met name artikel 1, lid 3,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)De Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte 6 (hierna “de EER-overeenkomst” genoemd) is op 1 januari 1994 in werking getreden.

(2)Overeenkomstig artikel 98 van de EER-overeenkomst kan het Gemengd Comité van de EER besluiten om onder meer bijlage II (Technische voorschriften, normen, keuring en certificatie) en bijlage IV (Energie) bij de EER-overeenkomst te wijzigen.

(3)Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van de Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG 7 en Richtlijn (EU) 2018/2002 houdende wijziging van Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie 8 moeten in de EER-overeenkomst worden opgenomen.

(4)Verscheidene bepalingen van Richtlijn 2012/27/EU, zoals gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2018/2002, vereisen wezenlijke aanpassingen die de specifieke kenmerken van de EER-overeenkomst en van de EVA-staten weerspiegelen.

(5)Aangezien de kerndoelen van de Unie inzake energie-efficiëntie voor 2020 en 2030 niet van toepassing zijn op de EVA-staten, mogen de artikelen 3, lid 1, punt a), en artikel 3, lid 5, van Richtlijn 2012/27/EU en artikel 1, lid 1, van Richtlijn 2012/27/EU, zoals gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2018/2002, niet van toepassing zijn op de EVA-staten. De EVA-staten hebben echter op vrijwillige wijze hun nationale indicatieve streefcijfers voor energie-efficiëntie vastgesteld, zoals uiteengezet in de verklaring van de EVA-staten die aan het besluit van het Gemengd Comité van de EER is gehecht.

(6)Artikel 5 van Richtlijn 2012/27/EU, zoals gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2018/2002, verwijst naar de minimumeisen inzake energieprestaties waaraan moet worden voldaan op basis van artikel 4 van Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen. Het is passend IJsland toe te staan te voldoen aan zijn verplichtingen inzake minimumeisen inzake energieprestaties in gebouwen van de centrale overheid op basis van zijn nationale wetgeving, aangezien IJsland een afwijking heeft met betrekking tot de opname van Richtlijn 2010/31/EU.

(7)Het is ook passend artikel 20, lid 5, van Richtlijn 2012/27/EU, zoals gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2018/2002, dienovereenkomstig aan te passen, met name door de verwijzing naar artikel 5, lid 1, te vervangen door een meer algemene verwijzing naar artikel 5, teneinde rekening te houden met de aanpassingen die in het kader van laatstgenoemde bepalingen zijn aangebracht.

(8)Nieuwe energiebesparingen die IJsland overeenkomstig artikel 7, lid 1, moet realiseren, moeten worden vastgesteld op een niveau dat de specifieke kenmerken van de IJslandse energiemarkt en energiemix weerspiegelt.

(9)Aangezien het IJslandse energiesysteem geïsoleerd is, bijna fossielvrij is, met een hoge mate van voorzieningszekerheid en energieonafhankelijkheid, en in grote mate afhankelijk is van hernieuwbare geothermische energie met bijzondere kenmerken, is het passend IJsland een afwijking toe te staan van bepaalde in de artikelen 9 bis, 9 ter en 9 quater vastgestelde meetvoorschriften.

(10)Aangezien IJsland geen aardgasinfrastructuur heeft en vrijgesteld is van Richtlijn 2009/73/EG betreffende de interne markt voor aardgas, moeten de artikelen 9 en 10 wat betreft meting van aardgas en factureringsinformatie niet van toepassing zijn op IJsland.

(11)Aangezien Richtlijn 2004/8/EG inzake de bevordering van warmtekrachtkoppeling op basis van de vraag naar nuttige warmte binnen de interne energiemarkt niet van toepassing is op geothermische warmtekrachtkoppeling in IJsland, moeten de artikelen 14 en 15 van Richtlijn 2012/27/EU, zoals gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2018/2002, die verband houden met Richtlijn 2004/8/EG, niet van toepassing te zijn op IJsland.

(12)Bijlage II (Technische voorschriften, normen, keuring en certificatie) en bijlage IV (Energie) bij de EER-overeenkomst moeten derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(13)Het standpunt van de Unie in het Gemengd Comité van de EER dient derhalve te worden gebaseerd op het hieraan gehechte ontwerp-besluit,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het namens de Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt over de voorgestelde wijziging van bijlage II (Technische voorschriften, normen, keuring en certificatie) en bijlage IV (Energie) bij de EER-overeenkomst wordt gebaseerd op het aan dit besluit gehechte ontwerpbesluit van het Gemengd Comité van de EER.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel,

   Voor de Raad

   De voorzitter

(1)    Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van de Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1).
(2)    Richtlijn (EU) 2018/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 houdende wijziging van Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 210).
(3)    Verordening (EG) nr. 2894/94 van de Raad van 28 november 1994 houdende bepaalde wijzen van toepassing van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (PB L 305 van 30.11.1994, blz. 6).
(4)    Arrest van het Hof van Justitie van 7 oktober 2014, Duitsland/Raad, C-399/12, ECLI:EU:C:2014:2258, punten 61-64.
(5)     PB L 305 van 30.11.1994, blz. 6.
(6)     PB L 1 van 3.1.1994, blz. 3.
(7)    Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van de Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1).
(8)    Richtlijn (EU) 2018/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 houdende wijziging van Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 210).