<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><ORDER xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://formex.publications.europa.eu/schema/formex-04.cj-20080212.xd"><BIB.ORDER><REF.CASE FILE="ECRT11997NLA.1100211301.case.xml"><NO.CASE>T-85/97</NO.CASE></REF.CASE><NO.CELEX>61997B0085</NO.CELEX><NO.SEQ>0006.0001</NO.SEQ><PAGE.FIRST>2114</PAGE.FIRST><PAGE.SEQ>1</PAGE.SEQ><PAGE.LAST>2123</PAGE.LAST><PAGE.TOTAL>10</PAGE.TOTAL><AUTHOR>T</AUTHOR></BIB.ORDER><CURR.TITLE><LEFT>BESCHIKKING VAN <DATE ISO="19971120">20.11.1997</DATE> — ZAAK T-85/97</LEFT><RIGHT>HORECAWALLONIE / COMMISSIE</RIGHT></CURR.TITLE><TITLE><TI><P><HT TYPE="UC">Beschikking van het Gerecht</HT> (Tweede kamer — uitgebreid)</P><P><DATE ISO="19971120">20 november 1997</DATE><NOTE NOTE.ID="E0001" NUMBERING="STAR"><P>Procestaal: Frans.</P></NOTE></P></TI></TITLE><ORDER.INIT><P>In zaak T-85/97,</P></ORDER.INIT><PARTIES><PLAINTIFS><P><HT TYPE="BOLD">Interprovinciale des fédérations d'hôteliers, restaurateurs, cafetiers et entreprises assimilées de Wallonie ASBL (Féd. Horeca-Wallonie),</HT> vereniging naar Belgisch recht, gevestigd te Namen (België), vertegenwoordigd door G. Bounéou, advocaat te Luxemburg, en J. Materne en A. Bernard, advocaten te Luik, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van G. Bounéou, advocaat aldaar, Avenue du Bois 15,</P><PARTY.STATUS>verzoekster,</PARTY.STATUS></PLAINTIFS><AGAINST>tegen</AGAINST><DEFENDANTS><P><HT TYPE="BOLD">Commissie van de Europese Gemeenschappen,</HT> vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur G. Rozet als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,</P><PARTY.STATUS>verweerster,</PARTY.STATUS></DEFENDANTS></PARTIES><?PAGE NO="II-2115"?><SUBJECT><P>betreffende, primair, een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie om geen bezwaar te maken tegen de uitvoering, door het Waalse Gewest, van een ontwerpdecreet inzake het sociaal toerisme, ter kennis van het Koninkrijk België gebracht bij brief SG(96) D/8253 van <DATE ISO="19960924">24 september 1996</DATE>,</P><P>geeft</P></SUBJECT><PREAMBLE.GEN><PREAMBLE.INIT><P>HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer — uitgebreid),</P><P>samengesteld als volgt: A. Kalogeropoulos, kamerpresident, C. P. Briët, C. W. Bellamy, A. Potocki en J. Pirrung, rechters,</P><P>griffier: H. Jung</P></PREAMBLE.INIT><PREAMBLE.FINAL><P>de navolgende</P></PREAMBLE.FINAL></PREAMBLE.GEN><CONTENTS.ORDER><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><P>Beschikking</P></TI></TITLE><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P>De feiten</P></TI></TITLE><NP><NO.P>1</NO.P><TXT>Verzoekster, de Interprovinciale des fédérations d'hôteliers, restaurateurs, cafetiers et entreprises assimilées de Wallonie ASBL, is een vereniging zonder winstoogmerk naar Belgisch recht, Bij haar aangesloten zijn de in punt 2.01 van haar statuten genoemde beroepsverenigingen van hotel-, restaurant- en caféhouders en van daarmee vergelijkbare ondernemingen, alsmede de natuurlijke of rechtspersonen die belangstelling hebben voor haar statutaire doel, in het geografisch gebied van de Frans- en Duitstalige culturele gemeenschappen van België.</TXT></NP><?PAGE NO="II-2116"?><NP><NO.P>2</NO.P><TXT>Bij schrijven van <DATE ISO="19950407">7 april 1995</DATE> deed verzoekster de Commissie een afschrift toekomen van een brief die zij op <DATE ISO="19950403">3 april 1995</DATE> had geschreven aan de minister-president van het Waalse Gewest, waarin zij met name bezwaar maakte tegen de subsidieregeling ten behoeve van de centra voor sociaal toerisme, voorzien in het ontwerpdecreet van de Waalse executieve inzake het sociaal toerisme (hierna: <QUOT.START ID="QS0001" REF.END="QE0001" CODE="201E"/>ontwerpdecreet<QUOT.END ID="QE0001" REF.START="QS0001" CODE="201D"/>), dat in de plaats moest komen van het koninklijk besluit van <DATE ISO="19510123">23 januari 1951</DATE> inzake de verlening van subsidies ter bevordering van de arbeidersvakanties en het volkstoerisme, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van <DATE ISO="19560302">2 maart 1956</DATE>.</TXT></NP><NP><NO.P>3</NO.P><TXT>Bij schrijven van <DATE ISO="19950621">21 juni 1995</DATE> bevestigde de Commissie de ontvangst van verzoeksters brief van <DATE ISO="19950407">7 april 1995</DATE> en deelde zij haar mee, dat het directoraat-generaal Concurrentie met de Belgische autoriteiten contact zou opnemen teneinde alle informatie te verkrijgen die de Commissie nodig had om de verenigbaarheid van het ontwerpdecreet met de gemeenschappelijke markt te kunnen beoordelen, en dat het haar van de voortgang van de zaak op de hoogte zou houden.</TXT></NP><NP><NO.P>4</NO.P><TXT>Bij nota van de permanente vertegenwoordiging van het Koninkrijk België van <DATE ISO="19951004">4 oktober 1995</DATE> werd het ontwerpdecreet officieel ter kennis van de Commissie gebracht. Aanvullende informatie werd door de Belgische autoriteiten verstrekt tijdens een bijeenkomst op <DATE ISO="19960130">30 januari 1996</DATE> en bij nota's die op <DATE ISO="19960322">22 maart</DATE> en <DATE ISO="19960612">12 juni 1996</DATE> bij de Commissie binnenkwamen.</TXT></NP><NP><NO.P>5</NO.P><TXT>In haar besluit dat was vervat in de tot de minister van Buitenlandse zaken van het Koninkrijk België gerichte brief SG(96) D/8253 van <DATE ISO="19960924">24 september 1996</DATE>, stelde de Commissie ter afsluiting van de in artikel 93, lid 3, EG-Verdrag bedoelde vooronderzoeksfase vast, dat <QUOT.START ID="QS0002" REF.END="QE0002" CODE="201E"/>de steunmaatregelen die zijn voorzien in het ontwerpdecreet van het Waalse Gewest, onder de in artikel 92, lid 3, sub c, EG-Verdrag bedoelde uitzondering vallen, daar zij bijdragen tot de ontwikkeling van een bedrijvigheid die een zeker belang voor de Gemeenschap heeft, en de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt niet zodanig veranderen, dat het gemeenschappelijk belang erdoor wordt geschaad<QUOT.END ID="QE0002" REF.START="QS0002" CODE="201D"/>.</TXT></NP><NP><NO.P>6</NO.P><TXT>Dit besluit werd verzoekster bij brief van <DATE ISO="19970130">30 januari 1997</DATE> meegedeeld.</TXT></NP><?PAGE NO="II-2117"?><NP><NO.P>7</NO.P><TXT>Bij schrijven van <DATE ISO="19970312">12 maart 1997</DATE> verzochten verzoeksters advocaten de Commissie, te bevestigen dat <QUOT.START ID="QS0003" REF.END="QE0003" CODE="201E"/>de [in haar brief van <DATE ISO="19960924">24 september 1996</DATE>], met name op de bladzijden 3 en 4, vermelde cijfers uitsluitend van het Waalse Gewest afkomstig waren<QUOT.END ID="QE0003" REF.START="QS0003" CODE="201D"/>, teneinde hun cliënte in staat te stellen <QUOT.START ID="QS0004" REF.END="QE0004" CODE="201E"/>[de documentatie van de Commissie], waarop een voor haar zo belangrijk besluit gebaseerd was, op objectiviteit te toetsen<QUOT.END ID="QE0004" REF.START="QS0004" CODE="201D"/>. Zij verzochten de Commissie, <QUOT.START ID="QS0005" REF.END="QE0005" CODE="201E"/>op zeer korte termijn te reageren<QUOT.END ID="QE0005" REF.START="QS0005" CODE="201D"/>, waarbij zij erop wezen dat de in artikel 173, vijfde alinea, van het Verdrag bedoelde beroepstermijn <QUOT.START ID="QS0006" REF.END="QE0006" CODE="201E"/>op <DATE ISO="19970131">31 januari 1997</DATE> [was] gaan lopen<QUOT.END ID="QE0006" REF.START="QS0006" CODE="201D"/>.</TXT></NP><NP><NO.P>8</NO.P><TXT>De Commissie antwoordde verzoeksters advocaten bij schrijven van <DATE ISO="19970324">24 maart 1997</DATE> en bevestigde, dat de in het besluit van <DATE ISO="19960924">24 september 1996</DATE> vermelde cijfers haar door de Belgische autoriteiten waren meegedeeld. Zij preciseerde:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START ID="QS0007" REF.END="QE0007" CODE="201E"/>Deze informatie is de Commissie verstrekt in het kader van de samenwerking waartoe de Lid-Staten verplicht zijn ingevolge artikel 5 EG-Verdrag, waarin is bepaald dat de Lid-Staten de Commissie de vervulling van haar taak moeten vergemakkelijken. Wanneer de Commissie van de bevoegde autoriteiten van de betrokken Lid-Staat gedetailleerde en geloofwaardige gegevens ontvangt, die niet in tegenspraak zijn met de door de klagers verstrekte informatie, is er voor haar geen reden om de oprechtheid van die autoriteiten en de correctheid van de betrokken Lid-Staat in twijfel te trekken.<QUOT.END ID="QE0007" REF.START="QS0007" CODE="201D"/></P></QUOT.S></P></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P>Procedure en conclusies van partijen</P></TI></TITLE><NP><NO.P>9</NO.P><TXT>Bij verzoekschrift van <DATE ISO="19970403">3 april 1997</DATE>, ingeschreven ter griffie op dezelfde dag, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld, Zij concludeert dat het het Gerecht behage:</TXT><P><LIST TYPE="DASH"><ITEM><P>primair, het besluit van de Commissie, vervat in de brief van <DATE ISO="19960924">24 september 1996</DATE> aan het Koninkrijk België, nietig te verklaren en de Commissie te verwijzen in de kosten van het geding;</P></ITEM><?PAGE NO="II-2118"?><ITEM><P>subsidiair, <QUOT.START ID="QS0008" REF.END="QE0008" CODE="201E"/>te verklaren dat het ontwerpdecreet, dat de Commissie in genoemd besluit ten onrechte als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt heeft aangemerkt, dit enkel zou kunnen zijn indien was voldaan aan de in de voorlaatste alinea van de motivering geformuleerde voorwaarde<QUOT.END ID="QE0008" REF.START="QS0008" CODE="201D"/>, namelijk <QUOT.START ID="QS0009" REF.END="QE0009" CODE="201E"/>voor zover het zou bepalen, dat de erkende verenigingen die zich bezighouden met sociaal toerisme en die zich richten tot een klantenkring waarvoor dat toerisme niet bedoeld is (en die niet valt onder de in de statuten gegeven definitie van de personen waarop de vereniging zonder winstoogmerk zich overeenkomstig haar statutaire doel moet richten), in het kader van hun bijkomende commerciële activiteiten (evenals elke andere vereniging zonder winstoogmerk) prijzen moeten toepassen die niet lager mogen zijn dan die welke de gemiddelde in de particuliere sector werkzame hotel- en restauranthouder van een vergelijkbare categorie voor hetzelfde type diensten in rekening brengt<QUOT.END ID="QE0009" REF.START="QS0009" CODE="201D"/>.</P></ITEM></LIST></P></NP><NP><NO.P>10</NO.P><TXT>Daar in het verzoekschrift de door artikel 44, lid 1, sub b, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht verlangde aanduiding van de verwerende partij ontbreekt, heeft verzoeksters advocaat op <DATE ISO="19970403">3 april 1997</DATE> in een faxbericht aan de griffie gepreciseerd, dat het beroep tegen de Commissie gericht is.</TXT></NP><NP><NO.P>11</NO.P><TXT>Bij op <DATE ISO="19970505">5 mei 1997</DATE> ter griffie neergelegde memorie heeft verweerster het Gerecht overeenkomstig artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering verzocht,</TXT><P><LIST TYPE="DASH"><ITEM><P>het beroep niet-ontvankelijk verklaren;</P></ITEM><ITEM><P>verzoekster in de kosten te verwijzen.</P></ITEM></LIST></P></NP><NP><NO.P>12</NO.P><TXT>In haar op <DATE ISO="19970611">11 juni 1997</DATE> ter griffie neergelegde opmerkingen betreffende dit verzoek heeft verzoekster geconcludeerd tot ontvankelijkverklaring van het beroep.</TXT></NP></GR.SEQ><?PAGE NO="II-2119"?><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P>De ontvankelijkheid</P></TI></TITLE><NP><NO.P>13</NO.P><TXT>Ingevolge artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering dient een partij die verzoekt, dat het Gerecht uitspraak doet over de niet-ontvankelijkheid van het beroep zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan, daartoe een afzonderlijke akte te nemen. Het Gerecht kan zonder mondelinge behandeling bij met redenen omklede beschikking op het verzoek beslissen. Het Gerecht acht zich in casu voldoende voorgelicht door het dossier, zodat de procedure niet behoeft te worden voortgezet.</TXT></NP><NP><NO.P>14</NO.P><TXT>Verweerster voert tot staving van haar exceptie van niet-ontvankelijkheid drie middelen aan. Het eerste is ontleend aan termijnoverschrijding, het tweede aan schending van de vormvoorschriften van artikel 19, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG en van artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, en het derde, dat enkel betrekking heeft op het subsidiair gevorderde, aan onbevoegdheid van het Gerecht om bevelen te geven. Om te beginnen moet het eerste middel worden onderzocht.</TXT></NP><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><P>Argumenten van partijen</P></TI></TITLE><NP><NO.P>15</NO.P><TXT>De Commissie betoogt, dat het beroep niet binnen de in artikel 173, vijfde alinea, van het Verdrag bedoelde termijn van twee maanden is ingesteld. Aangezien verzoekster, zoals haar advocaten in hun brief van <DATE ISO="19970312">12 maart 1997</DATE> aan de Commissie hebben verklaard, op <DATE ISO="19970131">31 januari 1997</DATE> kennis kreeg van het bestreden besluit, dat niet tot haar gericht was, verstreek die termijn van twee maanden op <DATE ISO="19970331">31 maart</DATE> daaraanvolgend. Rekening houdend evenwel met de extra termijn wegens afstand ingevolge artikel 102, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, die voor Belgische verzoekers twee dagen bedraagt, verstreek de beroepstermijn in casu op <DATE ISO="19970402">2 april 1997</DATE> om middernacht. Het verzoekschrift, gedagtekend <DATE ISO="19970403">3 april 1997</DATE>, werd echter pas op die dag ter griffie van het Gerecht neergelegd en ingeschreven.</TXT></NP><?PAGE NO="II-2120"?><NP><NO.P>16</NO.P><TXT>De termijn wegens afstand is volgens de Commissie louter een verlenging van de in het Verdrag vastgestelde beroepstermijn, zodat de bijzondere bepaling van artikel 101, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, volgens welke een termijn waarvan de laatste dag een zaterdag, een zondag of een wettelijk erkende feestdag is, aan het einde van de daaropvolgende werkdag verstrijkt, slechts moet worden toegepast aan het einde van de volledige termijn (in het Verdrag vastgestelde termijn, verlengd met de termijn wegens afstand), en niet een eerste keer aan het einde van de in het Verdrag bepaalde beroepstermijn en vervolgens eventueel nog een keer nadat de termijn wegens afstand daar is bijgeteld.</TXT></NP><NP><NO.P>17</NO.P><TXT>Verzoekster, die met zoveel woorden erkent dat zij op <DATE ISO="19970131">31 januari 1997</DATE> kennis kreeg van het bestreden besluit, ontkent dat de beroepstermijn is overschreden. Haars inziens liep de termijn van twee maanden op <DATE ISO="19970331">31 maart 1997</DATE> om middernacht af. Daar die dag een wettelijk erkende feestdag (paasmaandag) was, verstreek de termijn ingevolge artikel 101, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering echter pas op <DATE ISO="19970401">1 april 1997</DATE>. Telt men daar de twee dagen voor de afstand bij, dan komt men uit op <DATE ISO="19970403">3 april 1997</DATE> om middernacht, zodat het beroep ontvankelijk is.</TXT></NP><NP><NO.P>18</NO.P><TXT>Volgens verzoekster volgt uit zowel de geest als de letter van de thans in geding zijnde bepalingen van het Reglement voor de procesvoering, dat de procestermijn en de termijn wegens afstand als twee afzonderlijke termijnen moeten worden beschouwd, die beide — in voorkomend geval cumulatief — in aanmerking komen voor toepassing van de regel, dat wanneer de laatste dag van de termijn een zaterdag, een zondag of een wettelijk erkende feestdag is, de termijn op de daaropvolgende werkdag verstrijkt.</TXT></NP><NP><NO.P>19</NO.P><TXT>Aangezien de termijn wegens afstand in beginsel bedoeld is om de verzoeker in staat te stellen, zijn verzoekschrift via de post ter griffie te doen bezorgen — waartoe een feestdag hem niet de gelegenheid biedt — mag de verlenging van de beroepstermijn wegens afstand niet worden bekort met een dag die niet voor die postbezorging kan worden gebruikt.</TXT></NP><NP><NO.P>20</NO.P><TXT>Indien het Reglement voor de procesvoering niet in een verlenging van de termijnen uit hoofde van afstand voorzag, zou de laatste dag waarop het beroep kon worden ingesteld, in casu dinsdag <DATE ISO="19970401">1 april 1997</DATE> zijn geweest. De invoering van een extra termijn van twee dagen wegens afstand mag dit voordeel niet tenietdoen, maar dient daarbovenop aan verzoekster ten goede te komen.</TXT></NP><?PAGE NO="II-2121"?><NP><NO.P>21</NO.P><TXT>Verzoekster merkt tot slot op, dat artikel 101, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, bepalende dat de termijn waarvan de laatste dag een zaterdag, een zondag of een wettelijk erkende feestdag is, aan het einde van de daaropvolgende werkdag verstrijkt, van toepassing is op alle in lid 1 van dat artikel bedoelde termijnen, dat wil zeggen op alle procestermijnen <QUOT.START ID="QS0010" REF.END="QE0010" CODE="201E"/>voorzien in (...) dit reglement<QUOT.END ID="QE0010" REF.START="QS0010" CODE="201D"/>. De procestermijnen wegens afstand nu zijn voorzien in genoemd Reglement, namelijk in artikel 102, lid 2, ervan, zodat ook op die termijnen de regel van artikel 101, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering kan worden toegepast.</TXT></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><P>Beoordeling door bet Gerecht</P></TI></TITLE><NP><NO.P>22</NO.P><TXT>Ingevolge artikel 173, vijfde alinea, van het Verdrag moet het beroep worden ingesteld binnen twee maanden te rekenen, al naar het geval, vanaf de dag van bekendmaking van de handeling, vanaf de dag van kennisgeving aan de verzoeker of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag waarop de verzoeker van de handeling kennis heeft gekregen.</TXT></NP><NP><NO.P>23</NO.P><TXT>Blijkens artikel 101, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt bij de berekening van die termijn van twee maanden de dag waarop de gebeurtenis plaatsvindt die de termijn doet ingaan, niet meegeteld, en loopt die termijn af aan het einde van de dag die in de laatste maand dezelfde cijferaanduiding heeft als de dag waarop genoemde gebeurtenis heeft plaatsgevonden. Artikel 101, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt: <QUOT.START ID="QS0011" REF.END="QE0011" CODE="201E"/>De termijn waarvan de laatste dag een zaterdag, een zondag of een wettelijk erkende feestdag is, verstrijkt aan het einde van de daaropvolgende werkdag.<QUOT.END ID="QE0011" REF.START="QS0011" CODE="201D"/></TXT></NP><NP><NO.P>24</NO.P><TXT>Een aanvulling op deze bepaling vormt artikel 102, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, bepalende dat de termijnen wegens afstand, vastgesteld bij besluit van het Hof en bekendgemaakt in het <HT TYPE="ITALIC">Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen,</HT> bij het Gerecht van toepassing zijn. In's Hofs besluit betreffende de termijnen wegens afstand, dat als bijlage II bij zijn Reglement voor de procesvoering is gevoegd, is bepaald, dat de beroepstermijnen, uit hoofde van afstand, voor het Koninkrijk België met twee dagen worden verlengd.</TXT></NP><?PAGE NO="II-2122"?><NP><NO.P>25</NO.P><TXT>Gelijk het Hof opmerkte in zijn beschikking van <DATE ISO="19910515">15 mei 1991</DATE> (zaak C-122/90, Emsland-Stärke, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, r. o. 9), is het met artikel 101, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht overeenkomende artikel 80, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering, dat uitsluitend ziet op het geval waarin de laatste dag van een termijn een zaterdag, een zondag of een wettelijk erkende feestdag is, slechts van toepassing ingeval de volledige termijn, de termijn wegens afstand daaronder begrepen, afloopt op een zaterdag, een zondag of een wettelijke erkende feestdag (zie ook arrest Gerecht van <DATE ISO="19950406">6 april 1995</DATE>, gevoegde zaken <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="T-80/89+T-81/89+T-83/89+T-87/89+T-88/89+T-90/89+T-93/89+T-95/89+T-97/89+T-99/89+T-100/89+T-101/89+T-103/89+T-105/89+T-107/89+T-112/89" YEAR="1995" PAGE.ECR="II-729">T-80/89, T-81/89, T-83/89, T-87/89, T-88/89, T-90/89, T-93/89, T-95/89, T-97/89, T-99/89, T-100/89, T-101/89, T-103/89, T-105/89, T-107/89 en T-112/89, BASF e. a., Jurispr. 1995, blz. II-729, r. o. 62</REF.DOC.ECR>).</TXT></NP><NP><NO.P>26</NO.P><TXT>De termijn wegens afstand moet immers niet worden beschouwd als een afzonderlijke termijn naast de procestermijn, doch louter als een verlenging van die termijn, zoals blijkt uit genoemd besluit van het Hof betreffende de termijnen wegens afstand, waarin met zoveel woorden is bepaald, dat <QUOT.START ID="QS0012" REF.END="QE0012" CODE="201E"/>de termijnen, uit hoofde van afstand, [worden] verlengd als volgt (...)<QUOT.END ID="QE0012" REF.START="QS0012" CODE="201D"/>.</TXT></NP><NP><NO.P>27</NO.P><TXT>In casu betekent dit, dat de termijn voor het instellen van beroep, in aanmerking genomen de termijn wegens afstand van twee dagen waarover verzoekster beschikte, op <DATE ISO="19970402">2 april 1997</DATE> om middernacht verstreek.</TXT></NP><NP><NO.P>28</NO.P><TXT>Daar verzoekster geen toeval of overmacht aangetoond of ook maar gesteld heeft, kan in casu ook niet op grond van artikel 42, tweede alinea, van 's Hofs Statuut, dat ingevolge artikel 46 daarvan van toepassing is op de procedure voor het Gerecht, van de geldende termijn worden afgeweken.</TXT></NP><NP><NO.P>29</NO.P><TXT>Uit het voorgaande volgt, dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, zonder dat behoeft te worden beslist op de overige middelen die verweerster tot staving van haar exceptie van niet-ontvankelijkheid heeft aangevoerd.</TXT></NP></GR.SEQ></GR.SEQ><?PAGE NO="II-2123"?><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P>Kosten</P></TI></TITLE><NP><NO.P>30</NO.P><TXT>Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dit is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de conclusies van verweerster in de kosten te worden verwezen.</TXT></NP></GR.SEQ></GR.SEQ><JURISDICTION><INTRO><P>HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer — uitgebreid)</P><P>beschikt:</P></INTRO><LIST TYPE="ARAB"><ITEM><NP><NO.P>1)</NO.P><TXT>Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.</TXT></NP></ITEM><ITEM><NP><NO.P>2)</NO.P><TXT>Verzoekster wordt in de kosten verwezen.</TXT></NP></ITEM></LIST></JURISDICTION></CONTENTS.ORDER><SIGNATURE.CASE><P>Luxemburg, <DATE ISO="19971120">20 november 1997</DATE>.</P><SIGNATORY><P>De griffier</P><P>H. Jung</P></SIGNATORY><SIGNATORY><P>De president van de Tweede kamer</P><P>A. Kalogeropoulos</P></SIGNATORY></SIGNATURE.CASE></ORDER>