|
27.8.2011 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 221/8 |
BESLUIT VAN DE COMMISSIE
van 29 juni 2011
betreffende steunmaatregel SA.27106 (C 13/09 — ex N 614/08) die Frankrijk voornemens is ten uitvoer te leggen voor de havensector
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2011) 4391)
(Slechts de tekst in de Franse taal is authentiek)
(Voor de EER relevante tekst)
(2011/519/EU)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie („VWEU”), en met name artikel 108, lid 2, eerste alinea,
Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (1), en met name artikel 62, lid 1, onder a),
Na belanghebbenden overeenkomstig artikel 108, lid 2, eerste alinea, VWEU te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken (2), en gezien deze opmerkingen (3),
Overwegende hetgeen volgt:
1. PROCÉDURE
|
(1) |
Bij brief van 4 december 2008 hebben de Franse autoriteiten overeenkomstig artikel 108, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) een steunregeling aangemeld met betrekking tot belastingmaatregelen ter ondersteuning van de hervorming van de havensector als bepaald in wet nr. 2008-660 van 4 juli 2008 (4). De aanmelding werd geregistreerd onder nummer N 614/2008. |
|
(2) |
De aangemelde belastingregeling vormde een begeleidende maatregel bij de overdracht van de overslaguitrusting van de haven naar particuliere ondernemingen in het kader van de hervorming. Deze belastingregeling bestond uit twee delen: enerzijds een degressieve vermindering, met een maximale duur van vijf jaar, van de huurwaarde die als basis dient voor de berekening van de door de particuliere overnemers van deze overslaguitrusting verschuldigde lokale belastingen en anderzijds de mogelijkheid voor de lokale autoriteiten die de zeehavens beheren om aan de overslagbedrijven een vrijstelling van de bedrijfsbelasting te verlenen voor een maximale duur van zes jaar. |
|
(3) |
Bij brief van 11 december 2008 heeft de Commissie de Franse autoriteiten verzocht om aanvullende informatie, niet alleen over de aangemelde belastingregeling, maar eveneens over de procedure voor de overdracht van de specifiek voor de havenoverslag gebruikte machines, uitrusting en installaties door de grote zeehavens. Op verzoek van de Franse autoriteiten werd de antwoordtermijn verlengd tot 9 februari 2009. |
|
(4) |
Op 28 januari 2009 hebben de Franse autoriteiten en de diensten van de Commissie een vergadering gehouden. Bij brief van 10 februari 2009 hebben de Franse autoriteiten aanvullende informatie aan de Commissie verstrekt. |
|
(5) |
Bij brief van 9 april 2009 (D/2165) heeft de Commissie de Franse autoriteiten in kennis gesteld van haar besluit van 8 april 2009 tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure op grond van artikel 108, lid 2, VWEU. Dit besluit werd in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt (5). Zij heeft betrekking op enerzijds de aangemelde belastingregeling en anderzijds de overdrachtsprocedure betreffende de specifiek voor de havenoverslag gebruikte machines, uitrusting en installaties. Bij dit besluit verzocht de Commissie Frankrijk en de belanghebbenden hun opmerkingen binnen een welbepaalde termijn kenbaar te maken. |
|
(6) |
Op 11 mei 2009 (A/18191) heeft de Commissie de opmerkingen van de Franse autoriteiten ontvangen. Zij heeft binnen de vastgestelde termijn ook opmerkingen ontvangen van een belanghebbende, namelijk de European Sea Ports Organisation (hierna „ESPO” genoemd). De opmerkingen van ESPO werden bij brief van 16 juli 2009 (D/60307) doorgezonden naar de Franse autoriteiten die daarop bij brief van 27 augustus 2009 (A/28446) hebben gereageerd. |
|
(7) |
Op 30 november 2009 vond een bijeenkomst plaats tussen de Franse autoriteiten en de diensten van de Commissie. Bij brieven van 25 januari 2010 (A/3263) en 24 maart 2010 (A/5136) hebben de Franse autoriteiten aanvullende informatie aan de Commissie verstrekt. |
|
(8) |
In het kader van de in Frankrijk doorgevoerde hervorming van de bedrijfsbelasting heeft de Commissie bij brief van 9 juni 2010 (D/7519) de Franse autoriteiten om aanvullende informatie verzocht. Hierna vroeg de Commissie om verduidelijking over het effect van de opheffing van de bedrijfsbelasting op de aangemelde regeling en op de procedure. |
|
(9) |
Bij brief van 2 juli 2010 hebben de Franse autoriteiten verzocht om een verlenging van de toegestane antwoordtermijn. De Commissie heeft het antwoord van de Franse autoriteiten ontvangen bij brief van 4 augustus 2010 (A/11533). |
|
(10) |
Bij deze brief hebben de Franse autoriteiten de Commissie meegedeeld dat zij hun aanmelding intrekken wat betreft het fiscale onderdeel met betrekking tot de mogelijkheid voor de lokale overheden als beheerder van de zeehavens om de overslagbedrijven vrij te stellen van de bedrijfsbelasting voor een maximale duur van zes jaar. Deze maatregel voorzag immers in de mogelijkheid om bij de berekening van de bedrijfsbelasting geen rekening te houden met de huurwaarde van de specifiek voor de havenoverslag gebruikte machines, uitrusting en installaties, en dit onder bepaalde voorwaarden en van 2010 tot 2015. Gelet op de opheffing van de bedrijfsbelasting heeft deze mogelijkheid evenwel geen bestaansreden meer; zij werd overigens afgeschaft bij de begrotingswet voor 2010. |
|
(11) |
Wat betreft het fiscale gedeelte van de aanmelding dat betrekking heeft op de in de tijd beperkte degressieve vermindering van de huurwaarde die als basis dient voor de vaststelling van de lokale belastingen welke verschuldigd zijn door de particuliere overnemers van de machines, uitrusting en installaties van de grote zeehavens, hebben de Franse autoriteiten bij hun brief van 2 juli 2010 meegedeeld dat die vermindering eveneens geldt voor de door de ondernemingen te betalen grondcontributie die onderdeel is van de „economische territoriale bijdrage” (6), welke in de plaats komt van de bedrijfsbelasting. De Franse autoriteiten hebben de Commissie in dit verband meegedeeld welke de vier begunstigde ondernemingen van deze maatregel zijn (7) en het bedrag van het belastingvoordeel voor elk van hen aangegeven. |
|
(12) |
Uit de geactualiseerde cijfers inzake de toegekende belastingvoordelen bleek dat voor drie van de betrokken ondernemingen de belastingvrijstelling lager was dan het in Verordening (EG) nr. 1998/2006 van de Commissie van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun (8) vastgestelde plafond van tweehonderdduizend EUR over een periode van drie opeenvolgende belastingjaren. Dat was niet het geval voor de vierde onderneming. |
|
(13) |
In dit verband besloten de Franse autoriteiten, na verschillende contacten met de Commissie, het aan de ondernemingen in het kader van de in overweging 11 vermelde maatregel toegekende voordeel te beperken tot het in Verordening (EG) nr. 1998/2006 vastgestelde plafond, met inachtneming van de daarin opgenomen voorwaarden. |
|
(14) |
Bij brief van 20 januari 2011 hebben de Franse autoriteiten de Commissie in kennis gesteld van de goedkeuring van artikel 36 van wet nr. 2010-1658 van 29 december 2010 (gewijzigde begrotingswet voor 2010) (9), dat bepaalt dat de degressieve belastingvermindering in het kader van de havenhervorming slechts wordt toegekend binnen de grenzen van Verordening (EG) nr. 1998/2006. De Franse autoriteiten hebben de Commissie eveneens in kennis gesteld van de intrekking van hun aanmelding wat betreft dit laatste fiscale gedeelte van de havenhervorming. |
|
(15) |
De Commissie neemt akte van het feit dat de Franse autoriteiten de aanmelding wat betreft alle belastingregelingen hebben ingetrokken. Deze procedure heeft uitsluitend betrekking op de specifiek voor de havendiensten gebruikte machines, uitrusting en installaties die het voorwerp van het besluit van de Commissie van 8 april 2009 waren. Dit besluit heeft geen betrekking op de exploitatievoorwaarden van de specifiek voor de havendiensten gebruikte machines, uitrusting en installaties vóór of na de overdracht ervan. |
2. BESCHRIJVING VAN DE MAATREGEL
2.1. Achtergrond
|
(16) |
De betrokken maatregel maakt deel uit van de havenhervorming, welke vastgelegd is in de wet betreffende de havenhervorming (10). Deze hervorming is erop gericht de prestaties en het concurrentievermogen van de Franse zeehavens (Duinkerke, Le Havre, Nantes Saint Nazaire, La Rochelle, Bordeaux en Marseille) te verbeteren. |
|
(17) |
In dit verband heeft de wet betreffende de havenhervorming het volgende ten doel:
|
|
(18) |
De opdrachten van de grote zeehavens zullen worden toegespitst op hun openbare kerntaken (veiligheid, beveiliging en havenpolitie) en op taken die verband houden met de aanleg van het havengebied. De geïntegreerde terminalexploitanten daarentegen zullen verantwoordelijk zijn voor alle overslagactiviteiten, met het oog op een verbetering van de efficiëntie ervan. |
|
(19) |
De Franse autoriteiten hebben verduidelijkt dat de overdracht van de nog door de grote zeehavens verrichte havenoverslagactiviteiten aan particuliere exploitanten door middel van een procedure tot verkoop van de havenuitrusting moet worden gezien in het kader van deze vereenvoudiging en rationalisering van de havenoverslagactiviteiten. Zij gaven ook aan dat door deze hervorming het Franse systeem wordt afgestemd op het Europese model, waarbij de functies van de havenautoriteit enerzijds en die van de havenexploitant anderzijds duidelijk te onderscheiden zijn en deze laatste meestal een particuliere onderneming is. |
2.2. De procedure voor de overdracht van de uitrusting
|
(20) |
De grote zeehavens zetten de exploitatie van de specifiek voor de havenoverslagactiviteiten gebruikte machines, uitrusting en installaties (hierna de „overslaguitrusting”) stop en dragen deze over aan particuliere ondernemingen volgens de in artikel 9 van de wet betreffende de havenhervorming beschreven verkoopprocedure. |
|
(21) |
Volgens deze bepalingen (12) verloopt de procedure voor de verkoop van de overslaguitrusting en de overdracht van de daaraan verbonden zakelijke rechten in verschillende fasen:
|
|
(22) |
Volgens artikel 9 van de wet betreffende de havenhervorming wordt een onafhankelijke nationale commissie (namelijk de nationale commissie voor de beoordeling van de overdracht van overslaguitrusting, hierna de „CNECOP” genoemd) belast met het toezicht op het goede verloop en de doorzichtigheid van de procedure voor de overdracht van de overslaguitrusting (13). Haar taak is advies te verlenen over de waardebepaling van de goederen vóór deze worden verkocht. In dat verband moet zij rekening houden met het economisch evenwicht en de ontwikkelingsperspectieven van de activiteit. De CNECOP kan eveneens een beroep doen op een deskundige om de waarde van de goederen te bepalen. |
|
(23) |
De CNECOP brengt haar adviezen uit op basis van de ontwerpen van overdrachtsakte die verplicht opgenomen moet zijn in het dossier dat krachtens artikel 9 van de wet betreffende de havenhervorming door de directievoorzitters van de grote zeehavens moet worden verstrekt. Deze ontwerpen bevatten een beschrijving van de over te dragen uitrusting, de prijs en de financieringsvoorwaarden. |
|
(24) |
Geen enkele definitieve overdrachtsakte kan zonder voorafgaand advies van de CNECOP worden ondertekend. Het gaat om een eenvoudig (niet-bindend) advies dat op nationaal en lokaal niveau wordt bekendgemaakt. |
|
(25) |
Tot de leden van de CNECOP behoren een magistraat van de Rekenkamer, een vertegenwoordiger van de lagere overheden en een gekwalificeerde persoon met professionele ervaring op het gebied van havens. Tijdens de volledige duur van het mandaat, en tot vijf jaar na afloop van het mandaat, is de functie van lid van de CNECOP onverenigbaar met andere belangrijke functies in de directie of de raad van toezicht van de grote zeehavens of de overslagbedrijven die de openbare havenuitrusting willen verwerven. |
3. REDENEN VOOR DE INLEIDING VAN DE FORMELE ONDERZOEKPROCEDURE
|
(26) |
De Commissie heeft in haar besluit van 8 april 2009 aangegeven dat niet kon worden uitgesloten dat de overdracht van de overslaguitrusting in het kader van de onderhandse procedure steunelementen inhoudt. In dit verband stelt de Commissie vast dat het advies van de CNECOP niet bindend is, waardoor zij twijfels uitte over de vraag of de goederen tegen de marktprijs zouden worden verkocht. De Commissie stelde zich eveneens vragen bij de onafhankelijkheid van de leden van de CNECOP. |
|
(27) |
Wat betreft de verenigbaarheid van deze procedure van de overdracht van overslaguitrusting met de interne markt, was de Commissie van mening dat in dit stadium geen van de in artikel 107, leden 2 en 3, VWEU, vervatte uitzonderingen in dit geval van toepassing leken te zijn. |
|
(28) |
Derhalve heeft de Commissie besloten de formele onderzoekprocedure in te leiden om haar twijfels weg te nemen over de vraag of de procedure voor de overdracht van de overslaguitrusting staatssteun vormt en over de verenigbaarheid van deze maatregel met de interne markt. |
4. OPMERKINGEN VAN DE FRANSE AUTORITEITEN
|
(29) |
Wat de aard van het door de CNECOP uitgebrachte advies betreft, wijzen de Franse autoriteiten erop dat deze commissie is samengesteld uit vier onafhankelijke leden en dat de voorzitter een magistraat van de Rekenkamer is die door de eerste voorzitter ervan wordt benoemd. De CNECOP brengt advies uit over de door de directievoorzitters van de grote zeehavens ingediende dossiers betreffende de overdracht van openbare uitrusting. Deze dossiers omvatten een beschrijving van de gevolgde onderhandse procedure, de lijst van de over te dragen goederen, de ontwerp-overdrachtsakte waarin met name de voorgenomen verkoopprijs en de geplande exploitatievoorwaarden voor de terminal zijn aangegeven. |
|
(30) |
De Franse autoriteiten wijzen er tevens op dat de CNECOP, overeenkomstig artikel L. 3211-18 van de „code général de la propriété des personnes publiques”, met name tot taak heeft ervoor te zorgen dat openbare uitrusting „noch kosteloos, noch tegen een lagere prijs dan de marktwaarde” wordt verkocht, waardoor voldaan is aan de vereiste inzake de verkoop van openbare goederen tegen de marktprijs. |
|
(31) |
Zij voegen daaraan toe dat deze commissie een eenvoudig advies uitbrengt dat wordt bekendgemaakt om te voorkomen dat een overdracht tegen een lagere prijs dan de marktprijs zou plaatsvinden, en verbinden er zich in dat verband toe dat dit advies wordt bekendgemaakt in het publicatieblad van het ministerie van Ecologie, Energie, Duurzame Ontwikkeling en Ruimtelijke Ordening op de website van het ministerie, alsmede op lokaal niveau, via affichage, in alle grote zeehavens. De Franse autoriteiten verklaren dat zij bovendien aan elke directievoorzitter van een grote zeehaven - waarvan de directeur belast is met de verdediging van de havenbelangen - een brief zullen richten waarin de werkwijze van de CNECOP, alsook de voorschriften voor de overdracht van de openbare goederen, waaraan zij zich moeten houden, zijn uiteengezet. |
|
(32) |
De Franse autoriteiten voegen daaraan toe dat, overeenkomstig artikel L. 313-6 van de Franse „code des juridictions financières”, de directievoorzitters een boete kan worden opgelegd, die tot het dubbele kan bedragen van het bedrag van hun jaarlijks brutosalaris op het moment van de inbreuk, voor gelijk welk ongerechtvaardigd voordeel dat zij zichzelf of anderen hebben willen verlenen - ongeacht of het om een geldelijk voordeel of een voordeel in natura gaat - en dat nadeel berokkent aan de Schatkist, de lagere overheden of de betrokken instantie. |
|
(33) |
De Franse autoriteiten verbinden er zich bovendien toe, vóór de ondertekening van de overdrachtsakte, elke beslissing van een directievoorzitter van een grote zeehaven die afwijkt van het door de CNECOP uitgebrachte advies, bij de Europese Commissie te melden. |
|
(34) |
Wat de bekwaamheid en onafhankelijkheid van de CNECOP-leden betreft, verstrekken de Franse autoriteiten de Commissie de curricula vitae van de vier leden van de CNECOP, met inbegrip van dat van haar voorzitter, waarbij zij de kwalificaties van elk van deze leden specificeren in het licht van de bevoegdheden van de CNECOP. Volgens de Franse autoriteiten werden al deze leden voorgedragen op grond van hun kennis van de overdrachts- en privatiseringsprocedures of van hun ervaring in de havensector, zoals blijkt uit hun curriculum vitae. |
|
(35) |
In dit verband wijzen de Franse autoriteiten er met name op dat de onafhankelijkheid van de magistraten van de Rekenkamer ten opzichte van de wetgevende en rechterlijke macht wordt gegarandeerd door de grondwet van 4 oktober 1958 en wordt bevestigd door het besluit van de Conseil constitutionnel 2001-448 DC van 25 juli 2001 en dat de onafhankelijkheid van de parlementsleden ten opzichte van de uitvoerende macht wordt gegarandeerd door artikel 16 van de Verklaring van de rechten van de mens en de burger van 26 augustus 1789 - waarin het beginsel van de scheiding der machten is vastgelegd - die in de preambule van de grondwet van 4 oktober 1958 is opgenomen. |
|
(36) |
Daarenboven herinneren de Franse autoriteiten eraan dat, overeenkomstig artikel 6 van decreet nr. 2008-1032 van 9 oktober 2008, vastgesteld op grond van wet nr. 2008-660 (14), voor de leden van de CNECOP gedurende de volledige duur van hun mandaat en tot vijf jaar na afloop van hun mandaat, onverenigbaarheidsregels gelden die een extra garantie voor onafhankelijkheid van deze leden bieden. Hun mandaat is met name onverenigbaar met:
|
|
(37) |
Ten slotte wordt erop gewezen dat de expertisecapaciteit van de CNECOP kan worden versterkt aangezien artikel 7 van decreet nr. 2008-1032 van 9 oktober 2008 voorziet in de mogelijkheid een beroep te doen op een deskundige voor een meer precieze bepaling van de waarde van de goederen vóór deze aan de overslagbedrijven worden overgedragen. |
|
(38) |
Gelet op het voorgaande zijn de Franse autoriteiten van mening dat de overdrachtsprocedures waarin de wet betreffende de havenhervorming voorziet, voldoende garanties bieden om ervoor te zorgen dat de havenoverslaguitrusting en de daaraan verbonden zakelijke rechten tegen de marktprijs worden verkocht zonder dat daarbij sprake is van staatssteun. |
5. OPMERKINGEN VAN DE BELANGHEBBENDE EN REACTIE VAN DE FRANSE AUTORITEITEN OP DE OPMERKINGEN VAN DE BELANGHEBBENDE
|
(39) |
ESPO onderschrijft het standpunt van de Franse autoriteiten en wijst erop dat de betrokken hervorming - door invoering van het zogenaamde „landlord model” - bijdraagt tot de verbetering van het concurrentievermogen van de Franse havens en de algemene prestaties van de Europese havens. Dankzij de overdracht van de havenoverslagactiviteiten in de grote zeehavens naar particuliere exploitanten zal het bestuur van de grote Franse zeehavens immers worden gemoderniseerd doordat het wordt afgestemd op het in de Europese Unie en de wereld meest verbreide model. |
|
(40) |
Gelet op de complexiteit van een dergelijke hervorming en de sociale en financiële gevolgen ervan stelt ESPO dat ondersteuning door de betrokken lidstaat vaak de enige mogelijkheid is om een zo vérreikende hervorming voor alle betrokkenen aanvaardbaar te maken. |
|
(41) |
Hoewel ESPO niet nader wil ingaan op de vraag of de betrokken maatregelen al dan niet staatssteun vormen, stelt zij vast dat de voorwaarden voor de taxatie van de uitrusting zo zijn vastgesteld dat wordt gegarandeerd dat die tegen de marktprijs wordt verkocht. |
|
(42) |
De Franse autoriteiten nemen nota van de opmerkingen van ESPO. |
6. BEOORDELING VAN DE MAATREGEL
|
(43) |
Na de op grond van artikel 108, lid 2, VWEU, ingeleide formele onderzoekprocedure en rekening houdend met de in dit verband door de Franse autoriteiten en de belanghebbende aangevoerde argumenten, is de Commissie van mening dat de betrokken maatregel geen staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, vormt. |
|
(44) |
Volgens artikel 107, lid 1, VWEU, „zijn steunmaatregelen van de staten in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt”. |
|
(45) |
Om een nationale maatregel als staatssteun te kunnen aanmerken, moet aan elk van volgende voorwaarden zijn voldaan: 1) de maatregel in kwestie levert een voordeel op dat wordt gefinancierd met staatsmiddelen, 2) dit voordeel is selectief en 3) de desbetreffende maatregel vervalst de mededinging of dreigt deze te vervalsen en kan het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden (15). |
|
(46) |
Er zij allereerst op gewezen dat de betrokken openbare goederen, namelijk de havenoverslaguitrusting, tegen de marktprijs moeten worden verkocht om uit te sluiten dat er sprake zou zijn van een voordeel. |
|
(47) |
In dit verband merkt de Commissie op dat de havenoverslaguitrusting niet wordt verkocht in het kader van een open, doorzichtige, niet-discriminerende en onvoorwaardelijke procedure aangezien een dergelijke procedure pas wordt ingeleid wanneer de onderhandse onderhandelingen met de reeds aanwezige exploitanten niets opleveren of er geen exploitanten in de haven aanwezig zijn (zie overweging 21). |
|
(48) |
De Commissie constateert dat de voorgenomen procedure bij een onderhandse verkoop voorziet in de oprichting van een nationale commissie voor de taxatie van de over te dragen goederen, de CNECOP. De Commissie merkt op dat de CNECOP vóór de overdracht een openbaar advies moet uitbrengen betreffende de waarde van de te verkopen goederen. |
|
(49) |
In haar besluit van 8 april 2009 tot inleiding van de formele onderzoekprocedure gaf de Commissie aan dat, aangezien het advies van de CNECOP niet bindend is, niet kon worden uitgesloten dat de goederen tegen een lagere prijs dan de marktprijs zouden worden verkocht. |
|
(50) |
De Franse autoriteiten, die nota hebben genomen van de twijfels van de Commissie, hebben de Commissie bij brieven van 20 januari 2010 en 24 maart 2010 in kennis gesteld van de door de directeur van de transportdiensten aan alle directievoorzitters van de grote zeehavens gestuurde brieven van 16 maart 2009 en 18 januari 2010, waarin het onderhandelingskader voor de overdracht van de havenoverslaguitrusting werd verduidelijkt en de bij deze overdracht te eerbiedigen voorwaarden werden gepreciseerd. |
|
(51) |
Bij deze brieven werd de directievoorzitters van de grote zeehavens meegedeeld dat de CNECOP de grote zeehavens systematisch zou verzoeken de over te dragen goederen door een deskundige te laten taxeren. Ook wordt geëist dat een onafhankelijk expertisebureau, vóór de behandeling door de CNECOP, een onafhankelijke technische beoordeling van de marktwaarde van de havenuitrusting zou verrichten en dat deze beoordeling in het aan de CNECOP voor te leggen dossier moet zijn opgenomen. |
|
(52) |
Voorts werden de directievoorzitters van de grote zeehavens ervan in kennis gesteld dat, „zelfs indien het CNECOP-advies wettelijk gezien niet bindend is, het uitgesloten is dat het zou worden genegeerd”, en dat derhalve geen enkele overdrachtsakte die afwijkt van een door de CNECOP uitgebracht advies, kan worden ondertekend. In het geval van een negatief advies van de CNECOP moet derhalve hetzij „de onderhandeling worden hervat indien dit rekening houdend met de datum van behandeling door de CNECOP […] nog mogelijk is, en eventueel een nieuw dossier worden ingediend”, hetzij „de mislukking van de onderhandeling worden vastgesteld en een uitnodiging tot inschrijving worden bekendgemaakt”. |
|
(53) |
Voorts is aangegeven dat de regeringscommissarissen van de grote zeehavens zich stelselmatig zullen verzetten tegen alle beslissingen van de raad van toezicht van de haven die tegen een advies van de CNECOP zouden ingaan en worden de directievoorzitters van de grote zeehavens gewezen op de sancties die hun kunnen worden opgelegd indien zij bij de uitoefening van hun functies derden een onrechtmatig voordeel zouden verlenen. |
|
(54) |
Volgens de Commissie bieden deze aan de directievoorzitters van de grote zeehavens gerichte voorschriften betreffende de onontbeerlijke onafhankelijke waardeschatting van de over te dragen overslaguitrusting en betreffende het dwingende karakter van het advies van de CNECOP voldoende garanties dat de betrokken uitrustingen niet tegen een lagere prijs dan de marktwaarde zullen worden verkocht. |
|
(55) |
De Commissie merkt op dat een en ander nog wordt versterkt door het feit dat het CNECOP-advies zowel op nationaal niveau, door de nationale autoriteiten, als lokaal, door de betrokken havens, moet worden bekendgemaakt. Deze kennisgeving creëert de mogelijkheid om, indien nodig, verzet aan te tekenen tegen de voorwaarden voor de overdracht van de betrokken overslaguitrusting. |
|
(56) |
Wat betreft de onafhankelijkheid en de kwalificaties van de CNECOP-leden ten aanzien van de taxatie van de over te dragen goederen, hebben de Franse autoriteiten de curricula vitae van de vier leden, waaronder die van de voorzitter, aan de Commissie overgelegd. |
|
(57) |
Hierbij zij opgemerkt dat een van deze leden, die lid is van de Rekenkamer, door de eerste voorzitter van de Rekenkamer is voorgedragen als voorzitter van de CNECOP en dat deze concrete beroepservaring op maritiem gebied heeft. In dit verband herinneren de Franse autoriteiten eraan dat de onafhankelijkheid van de magistraten van de Rekenkamer ten opzichte van de wetgevende en de rechterlijke macht wordt gegarandeerd door de grondwet van 4 oktober 1958 en wordt bevestigd door het besluit van de Conseil constitutionnel 2001-448 DC van 25 juli 2001. |
|
(58) |
Ook het CNECOP-lid dat de territoriale lichamen vertegenwoordigt, heeft directe ervaring met zeehavens. In dit verband wijzen de Franse autoriteiten erop dat de onafhankelijkheid van de parlementsleden ten opzichte van de uitvoerende macht wordt gegarandeerd door artikel 16 van de Verklaring van de Rechten van de mens en de burger van 26 augustus 1789, waarin het beginsel van de scheiding der machten is vastgelegd en dat in de preambule van de grondwet van 4 oktober 1958 is opgenomen. |
|
(59) |
Wat de twee leden betreft die als deskundige personen zijn voorgedragen, blijkt duidelijk uit hun curriculum vitae dat één ervan vakkennis heeft op het gebied van havens en de andere kundig is op het gebied van de overdracht van openbare goederen. |
|
(60) |
De Franse autoriteiten hebben ook aangevoerd dat, overeenkomstig artikel 6 van decreet nr. 2008-1032 van 9 oktober 2008 (16), de leden van de CNECOP gedurende de volledige duur van hun mandaat en tot vijf jaar na afloop van hun mandaat, gehouden zijn aan onverenigbaarheidsregels (zie overweging 36). |
|
(61) |
De Commissie constateert dat deze onverenigbaarheidsregels in voorliggend geval een bijkomende garantie vormen voor de onafhankelijkheid van de CNECOP-leden. |
|
(62) |
Gelet op deze elementen en de bijzondere omstandigheden van dit geval, meent de Commissie dat, rekening houdend met de verplichting om een schatting van de marktwaarde van de uitrusting te laten verrichten door een onafhankelijk expertisebureau, op basis waarvan de deskundige en onafhankelijke CNECOP-leden een op te volgen advies zullen uitbrengen, in principe ervan kan worden uitgegaan dat de overdrachten op marktvoorwaarden zullen plaatsvinden. |
|
(63) |
Indien de in punt 6 (Beoordeling van de maatregel) vermelde voorwaarden en omstandigheden strikt in acht worden genomen, zijn er geen redenen om ervan uit te gaan dat de overdracht van de havenoverslaguitrusting in het kader van een onderhandse verkoop, een economisch voordeel verleent aan de kopers van deze uitrusting. Dit zou daarentegen niet het geval zijn bij eventuele individuele transacties waarbij de genoemde voorwaarden niet volledig zijn vervuld. |
7. CONCLUSIE
|
(64) |
In het licht van bovenstaande overwegingen
|
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
De maatregel betreffende de overdracht van havenoverslaguitrusting aan particuliere exploitanten die Frankrijk voornemens is ten uitvoer te leggen in het kader van de havenhervorming die bij wet nr. 2008-660 van 4 juli 2008 is vastgesteld, vormt geen steunmaatregel in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Deze maatregel mag dus ten uitvoer worden gelegd.
Artikel 2
Dit besluit is gericht tot de Franse Republiek.
Gedaan te Brussel, 29 juni 2011.
Voor de Commissie
Joaquín ALMUNIA
Vicevoorzitter
(1) PB L 1 van 3.1.1994, blz. 3.
(2) PB C 122 van 30.5.2009, blz. 16.
(3) Vanaf 1.12.2009 zijn de artikelen 87 en 88 VEG respectievelijk de artikelen 107 en 108 VWEU geworden. De bepalingen in beide verdragen zijn inhoudelijk identiek. In het kader van dit besluit moeten verwijzingen naar de artikelen 107 en 108 VWEU waar nodig worden begrepen als verwijzingen naar, respectievelijk, de artikelen 87 en 88 VEG.
(4) Journal Officiel de la République française (JORF) nr. 0156 van 5.7.2008.
(5) PB C 122 van 30.5.2009, blz. 16.
(6) Volgens wet nr. 2009-1673 van 30 december 2009 (begrotingswet voor 2010) (JORF nr. 0303 van 31.12.2009) wordt een economische territoriale bijdrage („contribution économique territoriale”) ingevoerd, bestaande uit een grondcontributie voor ondernemingen en een contributie over de toegevoegde waarde voor ondernemingen.
(7) Société d'Équipement du Terminal de Normandie (SETN), Générale de Manutention Portuaire (GMP), Compagnie Nouvelle de Manutention portuaire (CNMP) en STMC6.
(8) PB L 379 van 28.12.2006, blz. 5.
(9) Deze bepaling tot wijziging van artikel 1518 A bis van de algemene belastingwet betreffende de invoering van lokale belastingen is in werking getreden op 1 januari 2011 en is dus vanaf het eerste jaar van belastingvrijstelling van toepassing. De volgende alinea werd toegevoegd aan artikel 1518 A bis: „Deze vermindering wordt toegekend met inachtneming van Verordening (EG) nr. 1998/2006 van de Commissie van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun.”
(10) Wet nr. 2008-660 van 4 juli 2008 betreffende de havenhervorming (zie voetnoot 4).
(11) Na deze hervorming zullen de zeehavens in twee categorieën worden ingedeeld: de grote zeehavens (de vroegere „ports autonomes”) en de andere, „gedecentraliseerde” handelshavens, die onder de bevoegdheid van de lokale overheden ressorteren.
(12) „I. — Voor de verkoop van de in artikel 7 vermelde uitrusting en de overdracht van de daaraan verbonden zakelijke rechten geldt de volgende procedure: 1) Indien een of meer exploitanten reeds investeringen in de terminal hebben verricht of wanneer zij als regelmatige gebruiker van deze uitrusting een aanzienlijke hoeveelheid goederen aan deze terminal behandeld hebben, worden de overdrachtsonderhandelingen op hun verzoek met hen gevoerd; 2) Zijn er geen exploitanten als bedoeld in punt 1) of leveren de onderhandelingen binnen een periode van drie maanden na de goedkeuring van het strategisch plan of het in artikel 8 bedoelde besluit geen resultaat op, dan maakt de grote zeehaven een uitnodiging tot inschrijving bekend. Vervolgens onderhandelt zij vrij met de kandidaten, die in het kader van een doorzichtige en niet-discriminerende procedure worden geselecteerd. Na afloop van deze onderhandelingen kiest de grote zeehaven de exploitant waarmee een terminalovereenkomst wordt gesloten. In deze overeenkomst, die geldt als vergunning om de openbare ruimte te exploiteren, kunnen doelstellingen inzake het goederenverkeer zijn opgenomen; 3) Indien de in punt 2) vermelde uitnodiging tot inschrijving geen resultaten oplevert en voor zover het strategisch plan erin voorziet, vertrouwt de grote zeehaven de activiteit toe aan een dochteronderneming voor een periode van maximaal vijf jaar. Na deze periode wordt een nieuwe uitnodiging tot inschrijving gedaan. Levert dit niets op, dan zal de dochteronderneming de activiteit verder uitvoeren voor zover het strategisch plan daarin voorziet. De bovenbeschreven procedure wordt zo vaak als nodig, gedurende maximaal vijf jaar, herhaald totdat een uitnodiging tot inschrijving met succes kan worden afgerond.”
(13) De werkwijze van de CNECOP is vastgelegd in de artikelen 6 en 7 van het decreet nr. 2008-1032 van 9 oktober 2008 tot uitvoering van de wet betreffende de havenhervorming en houdende verscheidene bepalingen op het gebied van havens.
(14) JORF nr. 0237 van 10.10.2008.
(15) Zie bijvoorbeeld het arrest van het Hof van 10 januari 2006 in zaak C 222/04, Ministero dell'Economia e delle Finanze/Cassa di Risparmio di Firenze, Jurispr. 2006, blz. I-289, punt 129.
(16) Decreet nr. 2008-1032 van 9 oktober 2008, vastgesteld op grond van wet nr. 2008-660 van 4 juli 2008 betreffende de havenhervorming en houdende verscheidene bepalingen op het gebied van havens.