<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><ORDER xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:noNamespaceSchemaLocation="http://formex.publications.europa.eu/schema/formex-04.cj-20080212.xd"><BIB.ORDER><REF.CASE FILE="ECRT11995NLA.0300064701.case.xml"><NO.CASE>T-6/95 R</NO.CASE></REF.CASE><NO.CELEX>61995B0006</NO.CELEX><NO.SEQ>0007.0001</NO.SEQ><PAGE.FIRST>649</PAGE.FIRST><PAGE.SEQ>1</PAGE.SEQ><PAGE.LAST>664</PAGE.LAST><PAGE.TOTAL>16</PAGE.TOTAL><AUTHOR>T</AUTHOR></BIB.ORDER><CURR.TITLE><LEFT>BESCHIKKING VAN <DATE ISO="19950315">15.3.1995</DATE> — ZAAK T-6/95 R</LEFT><RIGHT>CANTINE DEI COLLI BERICI / COMMISSIE</RIGHT></CURR.TITLE><TITLE><TI><P><HT TYPE="UC">Beschikking van de president van het Gerecht</HT></P><P><DATE ISO="19950315">15 maart 1995</DATE><NOTE NOTE.ID="E0001" NUMBERING="STAR"><P>Procestaal: Italiaans.</P></NOTE></P></TI></TITLE><ORDER.INIT><P>In zaak T-6/95 R,</P></ORDER.INIT><PARTIES><PLAINTIFS><P><HT TYPE="BOLD">Cantine dei colli Berici coop, arl,</HT> coöperatieve vereniging naar Italiaans recht, gevestigd te Lonigo (Italië), vertegenwoordigd door I. Cacciavillani, advocaat te Venetië, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. Lorang, advocaat aldaar, Rue Albert 1er 51,</P><PARTY.STATUS>verzoekster,</PARTY.STATUS></PLAINTIFS><AGAINST>tegen</AGAINST><DEFENDANTS><P><HT TYPE="BOLD">Commissie van de Europese Gemeenschappen,</HT> vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur E. de March als gemachtigde, bijgestaan door A. Dal Ferro, advocaat te Vicenza, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,</P><PARTY.STATUS>verweerster,</PARTY.STATUS></DEFENDANTS></PARTIES><SUBJECT><P>betreffende een verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van artikel 1, lid 1, van verordening (EG) nr. 3151/94 van de Commissie van <DATE ISO="19941221">21 december 1994</DATE><?PAGE NO="II-650"?> tot vaststelling van een verdere afwijking voor het wijnoogstjaar 1993/1994 inzake de levering door de producenten van de in het kader van de verplichte distillatie en de marktondersteuningsdistillatie te leveren hoeveelheden tafelwijn (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="332" DATE.PUB="1994" PAGE.FIRST="32">PB 1994, L 332, blz. 32</REF.DOC.OJ>),</P><P>geeft</P></SUBJECT><PREAMBLE.GEN><PREAMBLE.INIT><P>DE PRESIDENT VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG</P></PREAMBLE.INIT><PREAMBLE.FINAL><P>de navolgende</P></PREAMBLE.FINAL></PREAMBLE.GEN><CONTENTS.ORDER><GR.SEQ LEVEL="1"><TITLE><TI><P>Beschikking</P></TI></TITLE><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P>De feiten</P></TI></TITLE><NP><NO.P>1</NO.P><TXT>Bij op <DATE ISO="19950119">19 januari 1995</DATE> ter griffie van het Gerecht ingeschreven verzoekschrift heeft Cantine dei colli Berici coop, arl krachtens artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: <QUOT.START ID="QS0001" REF.END="QE0001" CODE="201E"/>EG-Verdrag<QUOT.END ID="QE0001" REF.START="QS0001" CODE="201D"/>) beroep ingesteld tot nietigverklaring van artikel 1, lid 1, van verordening (EG) nr. 3151/94 van de Commissie van <DATE ISO="19941221">21 december 1994</DATE> tot vaststelling van een verdere afwijking voor het wijnoogstjaar 1993/1994 inzake de levering door de producenten van de in het kader van de verplichte distillatie en de marktondersteuningsdistillatie te leveren hoeveelheden tafelwijn (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="332" DATE.PUB="1994" PAGE.FIRST="32">PB 1994, L 332, blz. 32</REF.DOC.OJ>; hierna: <QUOT.START ID="QS0002" REF.END="QE0002" CODE="201E"/>verordening nr. 3151/94<QUOT.END ID="QE0002" REF.START="QS0002" CODE="201D"/>), en van iedere andere, daarmee verbonden en/of daaraan ten grondslag liggende handeling, en daarbij met een beroep op artikel 184 van het Verdrag incidenteel de onwettigheid aangevoerd van artikel 39, lid 4, van verordening (EEG) nr. 822/87 van de Raad van <DATE ISO="19870316">16 maart 1987</DATE> houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="084" DATE.PUB="1987" PAGE.FIRST="1">PB 1987, L 84, blz. 1</REF.DOC.OJ>; hierna: <QUOT.START ID="QS0003" REF.END="QE0003" CODE="201E"/>verordening nr. 822/87<QUOT.END ID="QE0003" REF.START="QS0003" CODE="201D"/>) en van artikel 4, lid 2, vierde streepje, van verordening (EEG) nr. 441/88 van de Commissie van <DATE ISO="19880217">17 februari 1988</DATE> houdende uitvoeringsbepalingen voor de in artikel 39 van verordening (EEG) nr. 822/87 van de Raad bedoelde verplichte distillatie (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="045" DATE.PUB="1988" PAGE.FIRST="15">PB 1988, L 45, blz. 15</REF.DOC.OJ>; hierna: <QUOT.START ID="QS0004" REF.END="QE0004" CODE="201E"/>verordening nr. 441/88<QUOT.END ID="QE0004" REF.START="QS0004" CODE="201D"/>).</TXT></NP><?PAGE NO="II-651"?><NP><NO.P>2</NO.P><TXT>Bij op dezelfde dag ter griffie van het Gerecht ingeschreven afzonderlijke akte heeft verzoekster krachtens artikel 185 EG-Verdrag eveneens om opschorting verzocht van de tenuitvoerlegging van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 3151/94. Ter terechtzitting heeft verzoekster subsidiair verzocht het voorwerp van haar oorspronkelijke verzoek in kort geding in dier voege te wijzigen, dat zij enkel nog om opschorting van de tenuitvoerlegging van deze bepaling verzocht, voor zover daarbij de verlenging van de aan producenten met distillatieverplichting gestelde termijn om tafelwijn aan een distilleerderij te leveren, tot 140 dagen is beperkt.</TXT></NP><NP><NO.P>3</NO.P><TXT>De Commissie heeft op <DATE ISO="19950126">26 januari 1995</DATE> haar schriftelijke opmerkingen over het onderhavige verzoek in kort geding ingediend. Bij op <DATE ISO="19950208">8 februari 1995</DATE> ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft verweerster krachtens artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering een exceptie van niet-ontvankelijkheid van het beroep in de hoofdzaak opgeworpen.</TXT></NP><NP><NO.P>4</NO.P><TXT>In het kader van de procedure in kort geding zijn partijen op <DATE ISO="19950210">10 februari 1995</DATE> in hun mondelinge opmerkingen gehoord.</TXT></NP><NP><NO.P>5</NO.P><TXT>Het rechtskader en de belangrijkste feiten die ten grondslag liggen aan het onderhavige geding, en die blijken uit de door partijen ingediende memories en uit de mondelinge toelichtingen ter terechtzitting, kunnen worden samengevat als volgt.</TXT></NP><NP><NO.P>6</NO.P><TXT>De bepaling waarvan verzoekster de opschorting vordert, in de gerectificeerde versie van verordening nr. 3151/94 die is gepubliceerd in het <HT TYPE="ITALIC">Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen</HT> van <DATE ISO="19941230">30 december 1994</DATE> (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="341" DATE.PUB="1994" PAGE.FIRST="76">PB 1994, L 341, biz. 76</REF.DOC.OJ>), luidt als volgt:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START ID="QS0005" REF.END="QE0005" CODE="201E"/>Voor het wijnoogstjaar 1993/1994 mogen de producenten waarvoor de in artikel 39 van verordening (EEG) nr. 822/87 bedoelde verplichting tot distillatie geldt, in afwijking van het bepaalde in verordening (EG) nr. 343/94 en in artikel 12, lid 4, tweede alinea, en lid 5 van verordening (EEG) nr. 441/88, de tafelwijn nog aan een<?PAGE NO="II-652"?> distilleerderij leveren tot uiterlijk de 140e dag na <DATE ISO="19940911">11 september 1994</DATE>, op de volgende voorwaarden:</P><TBL NO.SEQ="001" COLS="2"><CORPUS><ROW><CELL COL="1">— aankoopprijs van de tafelwijn:</CELL><CELL COL="2">0,42 ECU/%/vol/hl,</CELL></ROW><ROW><CELL COL="1">— steun die aan de distilleerder kan worden toegekend:</CELL><CELL COL="2">geen,</CELL></ROW><ROW><CELL COL="1">— door het interventiebureau aan de distilleerder te betalen prijs voor de verplicht te</CELL><CELL COL="2">leveren ruwe alcohol: 0,75 E CU/% /vol/hl.<QUOT.END ID="QE0005" REF.START="QS0005" CODE="201D"/></CELL></ROW></CORPUS></TBL></QUOT.S></P></NP><NP><NO.P>7</NO.P><TXT>De voorwaarden waaronder de tafelwijnproducenten tot distillatie verplicht zijn, zijn in algemene bewoordingen vastgesteld in artikel 39 van verordening nr. 822/87. Artikel 39, lid 1, eerste alinea, daarvan bepaalt:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START ID="QS0006" REF.END="QE0006" CODE="201E"/>Wanneer voor een wijnoogstjaar de markt voor tafelwijn en wijn die tot tafelwijn kan worden verwerkt, een ernstig gebrek aan evenwicht vertoont, wordt tot verplichte distillatie van tafelwijn besloten.<QUOT.END ID="QE0006" REF.START="QS0006" CODE="201D"/></P></QUOT.S></P></NP><NP><NO.P>8</NO.P><TXT>Volgens artikel 1, lid 6, van verordening nr. 822/87, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1734/91 van de Raad van <DATE ISO="19910613">13 juni 1991</DATE> (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="163" DATE.PUB="1991" PAGE.FIRST="6">PB 1991, L 163, blz. 6</REF.DOC.OJ>), wordt onder wijnoogstjaar verstaan de periode die begint op 1 september en eindigt op 31 augustus van het daaropvolgende jaar.</TXT></NP><NP><NO.P>9</NO.P><TXT>Op <DATE ISO="19940215">15 februari 1994</DATE> heeft de Commissie verordening (EG) nr. 343/94 tot instelling van de in artikel 39 van verordening (EEG) nr. 822/87 van de Raad bedoelde verplichte distillatie en houdende afwijking van uitvoeringsbepalingen ter zake voor het wijnoogstjaar 1993/1994 (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="044" DATE.PUB="1994" PAGE.FIRST="9">PB 1994, L 44, biz. 9</REF.DOC.OJ>; hierna: <QUOT.START ID="QS0007" REF.END="QE0007" CODE="201E"/>verordening nr. 343/94<QUOT.END ID="QE0007" REF.START="QS0007" CODE="201D"/>), vastgesteld.</TXT></NP><?PAGE NO="II-653"?><NP><NO.P>10</NO.P><TXT>In artikel 1, lid 2, van verordening nr. 343/94 is de totale hoeveelheid te distilleren tafelwijn voor het wijnoogstjaar 1993/1994 voor de gehele Gemeenschap vastgesteld op <FT TYPE="NUMBER">18200000</FT> hl. Volgens artikel 1, lid 3, bedraagt de te distilleren hoeveelheid in gebied 4, <FT TYPE="NUMBER">12150000</FT> hl. Ingevolge artikel 4, lid 2, van verordening nr. 441/88, dat de in artikel 39, lid 3, van verordening nr. 822/87 bedoelde produktiegebieden afbakent, komt gebied 4 overeen met Italië. De te distilleren hoeveelheid wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 39, leden 4 en 5, van verordening nr. 822/87 over de verschillende tafelwijnproducenten van elk produktiegebied verdeeld. De door de producenten met distillatieverplichting te distilleren hoeveelheid is gelijk aan een nader te bepalen percentage van hun produktie van tafelwijn, dat resulteert uit een opklimmende schaal die wordt vastgesteld aan de hand van de opbrengst per hectare.</TXT></NP><NP><NO.P>11</NO.P><TXT>Artikel 12, lid 4, van verordening nr. 441/88 bepaalt:</TXT><P><QUOT.S LEVEL="1"><P><QUOT.START ID="QS0008" REF.END="QE0008" CODE="201E"/> De tafelwijn wordt uiterlijk geleverd:</P><LIST TYPE="DASH"><ITEM><P>op 31 juli bij levering aan een distilleerderij,</P></ITEM><ITEM><P>op 15 juli bij levering aan een bereider van distillatiewijn.</P></ITEM></LIST><P>De wijn kan nog tot vijftien dagen na bovengenoemde data worden geleverd. In dat geval wordt de aankoopprijs voor de betrokken hoeveelheden verlaagd met een bedrag dat met 50 % van de voor het betrokken wijnoogstjaar vastgestelde steun overeenkomt. De steun, alsmede de prijs voor de alcohol die uit de betrokken wijn wordt bereid en aan het interventiebureau wordt geleverd, worden met hetzelfde bedrag verlaagd.<QUOT.END ID="QE0008" REF.START="QS0008" CODE="201D"/></P></QUOT.S></P><P>Luidens artikel 12, lid 5, mogen de distillatiewerkzaamheden niet na het einde van het betrokken wijnoogstjaar, dat wil zeggen 31 augustus, worden verricht.</P></NP><?PAGE NO="II-654"?><NP><NO.P>12</NO.P><TXT>Op <DATE ISO="19940429">29 april 1994</DATE> heeft verzoekster, te zamen met 42 andere producenten in de regio Veneto, bij het Gerecht beroep ingesteld tot nietigverklaring van een aantal verordeningsbepalingen met betrekking tot de verplichte distillatie in de wijnbouwsector, waaronder artikel 1, lid 3, vierde streepje, van verordening nr. 343/94. Deze zaak, die ter griffie is ingeschreven onder nr. T-183/94, is nog hangende. Ook in deze zaak heeft de Commissie krachtens artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Op <DATE ISO="19940524">24 mei 1994</DATE> hebben verzoeksters verzocht om opschorting van de tenuitvoerlegging van de verordeningsbepalingen waartegen dit beroep tot nietigverklaring is gericht. Op <DATE ISO="19940525">25 mei 1994</DATE> hebben dezelfde verzoeksters van de nationale rechter (Tribunale amministrativo regionale del Lazio) een beschikking verkregen waarbij de opschorting is gelast van de tenuitvoerlegging van de nationale bepalingen inzake de verplichte distillatie voor het wijnoogstjaar 1993/1994. Hoewel de Consiglio di Stato op <DATE ISO="19940716">16 juli 1994</DATE> het door de Italiaanse autoriteiten tegen deze beschikking ingestelde hoger beroep heeft toegewezen, hebben verzoeksters intussen verklaard afstand te doen van hun verzoek in kort geding voor het Gerecht. Op <DATE ISO="19940711">11 juli 1994</DATE> heeft de president van het Gerecht de doorhaling van zaak T-183/94 R in het register gelast.</TXT></NP><NP><NO.P>13</NO.P><TXT>Bij verordening (EG) nr. 1960/94 van de Commissie van <DATE ISO="19940727">27 juli 1994</DATE> tot vaststelling van een afwijking voor het wijnoogstjaar 1993/1994 inzake de levering door de producenten van de in het kader van de verplichte distillatie en de marktondersteuningsdistillatie te leveren hoeveelheden tafelwijn (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="198" DATE.PUB="1994" PAGE.FIRST="96">PB 1994, L 198, biz. 96</REF.DOC.OJ>; hierna: <QUOT.START ID="QS0009" REF.END="QE0009" CODE="201E"/>verordening nr. 1960/94<QUOT.END ID="QE0009" REF.START="QS0009" CODE="201D"/>) is, in afwijking van artikel 12, lid 4, eerste streepje, van verordening nr. 441/88, de termijn voor levering van tafelwijn aan een distilleerderij een eerste maal verlengd tot uiterlijk <DATE ISO="19940827">27 augustus 1994</DATE>. Ingevolge artikel 12, lid 4, tweede alinea, van bedoelde verordening kon de tafelwijn nog tot vijftien dagen na deze datum, in casu dus tot 11 september, aan een distilleerderij worden geleverd. In dat geval werd de aankoopprijs verlaagd met een bedrag dat overeenkomt met 50 % van de voor de distillatie vastgestelde steun. Verzoekster is tegen deze verordening niet in rechte opgekomen.</TXT></NP><NP><NO.P>14</NO.P><TXT>Verordening nr. 3151/94, waarvan artikel 1 in de onderhavige procedure aan de orde is, is op <DATE ISO="19941221">21 december 1994</DATE> door de Commissie vastgesteld teneinde rekening<?PAGE NO="II-655"?> te houden met de moeilijkheden die eigen zijn aan bepaalde produktiegebieden, waar het niet mogelijk is gebleken om binnen de vastgestelde termijn aan de leveringsverplichtingen te voldoen. Bij deze verordening is de termijn voor levering van tafelwijn door producenten met distillatieverplichting opnieuw verlengd, evenals de termijn voor de distillatiewerkzaamheden waartoe is besloten voor het wijnoogstjaar 1993/1994, en zijn passende strafmaatregelen vastgesteld. Volgens verzoekster hebben de wijnbouwers van de regio Veneto ook bij de nationale rechter om opschorting van de toepassing van deze verordening verzocht.</TXT></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="2"><TITLE><TI><P>In rechte</P></TI></TITLE><NP><NO.P>15</NO.P><TXT>Ingevolge de artikelen 185 en 186 EG-Verdrag, juncto artikel 4 van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van <DATE ISO="19881024">24 oktober 1988</DATE> tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="319" DATE.PUB="1988" PAGE.FIRST="1">PB 1988, L 319, blz. 1</REF.DOC.OJ>), zoals gewijzigd bij besluit 93/350/Euratom, EGKS, EEG van de Raad van <DATE ISO="19930608">8 juni 1993</DATE> (<REF.DOC.OJ COLL="L" NO.OJ="144" DATE.PUB="1993" PAGE.FIRST="21">PB 1993, L 144, biz. 21</REF.DOC.OJ>), kan het Gerecht, indien het van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen, opschorting van de uitvoering van de bestreden handeling of de noodzakelijke voorlopige maatregelen gelasten.</TXT></NP><NP><NO.P>16</NO.P><TXT>Volgens artikel 104, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moeten de in de artikelen 185 en 186 van het Verdrag bedoelde verzoeken om voorlopige maatregelen een duidelijke omschrijving bevatten van de omstandigheden waaruit het spoedeisend karakter van de verzoeken blijkt, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de maatregel waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt. De gevraagde maatregelen dienen een voorlopig karakter te hebben, in die zin dat zij niet vooruit mogen lopen op de beslissing in de hoofdzaak (zie laatstelijk beschikking van de president van het Gerecht van <DATE ISO="19940715">15 juli 1994</DATE>, zaak <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="T-239/94 R" YEAR="1994" PAGE.ECR="II-703">T-239/94 R, EISA, Jurispr. 1994, blz. II-703, r. o. 9</REF.DOC.ECR>).</TXT></NP><?PAGE NO="II-656"?><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><P>Argumenten van partijen</P></TI></TITLE><NP><NO.P>17</NO.P><TXT>Verzoekster is van mening dat haar verzoek in kort geding ontvankelijk is, op grond dat de bestreden bepaling, hoewel vastgesteld in de vorm van een verordening, haar rechtstreeks en individueel raakt. Deze bepaling strekt tot vaststelling van een bijzondere afwijking van de bepalingen ter uitvoering van artikel 39 van verordening nr. 822/87, zoals neergelegd in artikel 12 van verordening nr. 441/88, en tot uitbreiding van de werking van de verordeningen waarbij voor het wijnoogstjaar 1993/1994 distillatie verplicht is gesteld. Aangezien verzoekster voor dit wijnoogstjaar distillatieplichtig is, wordt zij rechtstreeks en individueel geraakt door een bepaling die de uitvoering van die verplichting betreft. Voorts heeft de Commissie de bestreden bepaling juist vastgesteld om de situatie te regelen van de distillatieplichtige producenten, waaronder ook verzoekster, die beroep hebben ingesteld tegen de voor het wijnoogstjaar 1993/1994 opgelegde verplichting. Dit wordt volgens haar bevestigd door de verwijzing in de vijfde overweging van de considerans van verordening nr. 3151/94 naar redenen die eigen zijn aan bepaalde produktiegebieden, waar het niet mogelijk is gebleken om binnen de vastgestelde termijn aan de leveringsverplichtingen te voldoen.</TXT></NP><NP><NO.P>18</NO.P><TXT>In het kader van de wijziging van het voorwerp van haar verzoek in kort geding ter terechtzitting van <DATE ISO="19950210">10 februari 1995</DATE>, stelt verzoekster, dat de door haar verlangde opschorting van de tenuitvoerlegging moet worden opgevat als een verlenging, tot de uitspraak van het Gerecht in de hoofdzaak, van de termijn waarbinnen zij ingevolge de gemeenschapsbepalingen aan haar distillatieverplichtingen moet voldoen. De toewijzing van deze voorlopige maatregel beschut haar tegen de sancties die de Italiaanse autoriteiten in de tussentijd wegens niet-nakoming van de betrokken verplichtingen jegens haar zouden kunnen treffen, zodat het belang van deze maatregel voor haar evident is.</TXT></NP><NP><NO.P>19</NO.P><TXT>Aangaande de <QUOT.START ID="QS0010" REF.END="QE0010" CODE="201E"/>fumus boni juris<QUOT.END ID="QE0010" REF.START="QS0010" CODE="201D"/>, voert verzoekster hoofdzakelijk drie middelen aan tot staving van haar beroep tot nietigverklaring van de bestreden bepaling. In de eerste plaats is deze bepaling ongeldig, aangezien zij niet voldoet aan het wettelijke<?PAGE NO="II-657"?> vereiste, dat de verplichte distillatie ertoe dient te strekken het gebrek aan evenwicht voor het lopende wijnoogstjaar te corrigeren, zoals artikel 39, lid 1, van verordening nr. 822/87 voorschrijft. Nu de verlenging waarin deze bepaling voorziet, het mogelijk maakt, dat de distillatieverplichting voor het wijnoogstjaar 1993/1994 wordt nagekomen op een tijdstip waarop dit jaar reeds is afgesloten en het wijnoogstjaar 1994/1995 in volle gang is, kan deze maatregel niet worden beschouwd als een passend instrument tot sanering van de markt voor het wijnoogstjaar waarop de bepaling betrekking heeft. Derhalve is in de bestreden bepaling in strijd met de gemeenschapsregeling inzake de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt bepaald, dat de distillatieverplichting voor het wijnoogstjaar 1993/1994 in januari 1995 wordt uitgevoerd, aangezien deze maatregel zijn doel, namelijk het wegwerken van het overschot waarmee het aanbod de voor dat verkoopseizoen verwachte vraag overtreft, níet meer kan bereiken. In de tweede plaats is de betrokken distillatieverplichting, zoals zij is opgelegd, volgens verzoekster vastgesteld in strijd met het discriminatieverbod en het vertrouwensbeginsel. Haars inziens is sprake van een onbillijke verdeling van de door de betrokken producenten te distilleren hoeveelheden, en is de berekening die aan deze verdeling ten grondslag ligt, fout en onregelmatig, voor zover er een verschil van <FT TYPE="NUMBER">8239000</FT> hl bestond tussen het volume van de voor 1993 verwachte hoeveelheid tafelwijn en de daadwerkelijk opgeslagen hoeveelheid. De aan Italië toegewezen hoeveelheid was niet evenredig aan de totale hoeveelheid in de Gemeenschap te distilleren tafelwijn; doordat voorts in het kader van het wijnoogstjaar 1993/1994 hoeveelheden in aanmerking zijn genomen die door verschillende Italiaanse wijnbouwers, in strijd met de voorschriften, niet gedurende het wijnoogstjaar 1992/1993 zijn gedistilleerd, worden wijnbouwers die, zoals verzoekster, aan hun verplichtingen hebben voldaan, ernstig gediscrimineerd; ten slotte geven de ramingen op basis waarvan de door de Italiaanse producenten verplicht te distilleren hoeveelheden zijn berekend, een vertekend beeld, omdat er voor gebied 4 (Italië) geen passende methoden voorhanden zijn om de opbrengst per hectare te ramen en te meten. In de derde plaats is de betrokken regeling in strijd met het evenredigheidsbeginsel. De onwettigheid van de maatregel waarbij de distillatieverplichting wordt opgelegd — en die niet <QUOT.START ID="QS0011" REF.END="QE0011" CODE="201E"/>passend en noodzakelijk<QUOT.END ID="QE0011" REF.START="QS0011" CODE="201D"/> voorkomt ter bereiking van het oogmerk van sanering van de markt voor het wijnoogstjaar 1993/1994 — heeft volgens verzoekster de onwettigheid tot gevolg van de huidige maatregel tot verlenging van die communautaire verplichting.</TXT></NP><NP><NO.P>20</NO.P><TXT>Met betrekking tot de spoedeisendheid stelt verzoekster, dat zij, zo zij zich thans de totale hoeveelheid wijn zou moeten verschaffen die zij volgens de gemeenschapsregeling voor distillatie moet leveren, zeer hoge kosten zou riskeren, die het<?PAGE NO="II-658"?> voortbestaan zelf van haar wijnbouwbedrijf in gevaar zouden kunnen brengen. Haar wijn was van goede kwaliteit, zodat zij tijdens het wijnoogstjaar 1993/1994 haar gehele produktie op de markt heeft kunnen afzetten, en thans, om te kunnen voldoen aan de uit de betrokken regeling voortvloeiende verplichtingen, gedwongen zou zijn wijn van middelmatige kwaliteit te kopen van producenten met een overproduktie, zulks op een markt die wordt gekenmerkt door een voortdurende en ongewone prijsstijging. Ter terechtzitting van <DATE ISO="19950210">10 februari 1995</DATE> heeft verzoekster hieraan toegevoegd, dat zij, naast de moeilijkheden die voortspruiten uit de noodzaak om wijnaankopen ten bedrage van 6 miljard lire te financieren, onherstelbare schade zou lijden doordat zij, wegens de sanctie van artikel 22 van verordening nr. 441/88, geen aanspraak zou hebben op het voordeel van de gemeenschapsmaatregelen waarvoor zij voor het lopende wijnoogstjaar in aanmerking komt.</TXT></NP><NP><NO.P>21</NO.P><TXT>Wat de afweging betreft van de belangen die op het spel staan, is verzoekster van mening dat, ingeval het Gerecht de gevorderde opschorting toewijst, zodat zij in aanmerking komt voor een <QUOT.START ID="QS0012" REF.END="QE0012" CODE="201E"/>extra verlenging<QUOT.END ID="QE0012" REF.START="QS0012" CODE="201D"/> van de door verordening nr. 3151/94 gestelde termijn, het algemeen communautair belang en de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt hier niet onder lijden, omdat de thans geldende verlenging, zoals vastgesteld door de litigieuze bepaling, de termijn voor de uitvoering van de distillatieverplichting reeds tot in het nieuwe wijnoogstjaar laat duren. Voorts kan deze opschorting de betrokken marktvoorwaarden niet verstoren, aangezien de producenten van voor distillatie bestemde wijn hun produktie waarschijnlijk zullen vasthouden tot de datum van het arrest in de hoofdzaak, aangezien de kwaliteit ervan te laag is om hem normaal op de markt te kunnen afzetten. De opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden bepaling zou verzoekster daarentegen wel in staat stellen, zich alle middelen te verschaffen die nodig zijn om aan haar verplichtingen te voldoen, zodat zij zich niet genoopt zou zien wijn tegen abnormaal hoge prijzen te kopen.</TXT></NP><NP><NO.P>22</NO.P><TXT>Volgens de Commissie is het onderhavige verzoek in kort geding op het eerste gezicht niet-ontvankelijk, wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring in de hoofdzaak, waarmee dit verzoek verband houdt. De bestreden handeling is zowel formeel als materieel een verordening, waarin bepalingen van algemene strekking zijn neergelegd die van toepassing zijn op een in abstracto aangeduide groep ondernemers, in hun objectieve hoedanigheid van marktdeelnemers in de wijnproduktiesector.</TXT></NP><?PAGE NO="II-659"?><NP><NO.P>23</NO.P><TXT>Voorts zijn het beroep, en dus ook het verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden bepaling, niet-ontvankelijk wegens kennelijk ontbreken van procesbelang in hoofde van verzoekster. Verordening nr. 3151/94 heeft uitsluitend tot doel, de ondernemers die, net als verzoekster, vóór het verstrijken van de vastgestelde termijn op <DATE ISO="19940911">11 september 1994</DATE> niet tot distillatie zijn overgegaan, de mogelijkheid te bieden vóór <DATE ISO="19950129">29 januari 1995</DATE> alsnog aan hun verplichting te voldoen; hun wordt een gematigde sanctie opgelegd, doch zij ontsnappen aan de sancties die zijn voorzien in artikel 22 van verordening nr. 441/88 of de nationale bepalingen ter zake. Zou deze maatregel worden nietigverklaard, dan zou de uiterste datum voor de uitvoering van de distillatieverplichting <DATE ISO="19940827">27 augustus 1994</DATE> zijn, zoals is bepaald in verordening nr. 1960/94, waartegen verzoekster niet is opgekomen. De Commissie is voorts van mening dat, zo verzoekster niet de opschorting van de tenuitvoerlegging verlangt van de door verordening nr. 3151/94 vastgestelde termijn, maar de opschorting en de vaststelling van de onwettigheid van de distillatieverplichting zelf, haar verzoek hetzelfde voorwerp heeft als dat in de zaken T-183/94 en T-183/94 R en dus niet-ontvankelijk is, aangezien eerstgenoemde zaak nog hangende is voor het Gerecht.</TXT></NP><NP><NO.P>24</NO.P><TXT>Met betrekking tot de door verzoekster aangevoerde argumenten ten betoge dat de bestreden bepaling onwettig is, is de Commissie van mening, dat zij op het eerste gezicht ongegrond zijn. In de eerste plaats betwist zij, dat de verlenging van de termijn om tot de verplichte distillatie voor het wijnoogstjaar 1993/1994 over te gaan, tot gevolg heeft dat voor deze distillatie de wijn afkomstig van de oogst 1994/1995 worden gebruikt. Verordening nr. 3151/94 heeft integendeel tot doel, de voor het wijnoogstjaar 1993/1994 te distilleren hoeveelheden uit te putten door verwerking van het wijnoverschot van dat jaar. In de tweede plaats duidt het geconstateerde verschil tussen de verwachte hoeveelheden, waarop het voorlopig overzicht is gebaseerd, en de werkelijke hoeveelheden, niet op een rekenfout, maar gewoon op een afwijking die normaal is gezien het grote aantal factoren van diverse oorsprong dat in aanmerking moet worden genomen. De Commissie brengt dienaangaande in herinnering, dat het aan de Lid-Staten staat de juistheid van de betrokken gegevens na te gaan, wat verzoekster lijkt te erkennen. Voor zover de Italiaanse producenten op basis van een voorlopig overzicht dat gedeeltelijk onnauwkeurig is gebleken, te geringe hoeveelheden hebben gedistilleerd, dienen zij in het daaropvolgende jaar noodzakelijkerwijs de last van een extra distillatie op zich te nemen om het doel van de verplichte distillatie te bereiken, te weten een normale situatie op de markt handhaven of tot stand brengen. Wat in de derde plaats het beweerdelijk discriminatoire karakter van de betrokken regeling betreft, wijst de Commissie erop, dat de<?PAGE NO="II-660"?> aan Italië toegewezen hoeveelheid te distilleren wijn objectief wordt gerechtvaardigd door het feit, dat nagenoeg de totale Italiaanse wijnproduktie uit tafelwijn bestaat en het criterium van de opbrengst per hectare, dat wordt gehanteerd bij de verdeling van de te distilleren hoeveelheden tussen wijnbouwers uit hetzelfde gebied, eveneens op een beginsel van gelijkheid is gebaseerd. Met betrekking tot de discriminatie van de wijnbouwers die aan hun distillatieverplichtingen hebben voldaan ten opzichte van de producenten die in gebreke zijn gebleven, wijst de Commissie erop, dat voor deze laatsten uit hoofde van de toepasselijke nationale en communautaire bepalingen zware sancties gelden. Dat ten slotte de hoeveelheden wijn die, in strijd met de voorschriften, in de loop van het voorafgaande wijnoogstjaar niet zijn gedistilleerd, voor het daaropvolgende wijnoogstjaar worden meegerekend, is een absoluut vereiste om deze wijn uit de markt te nemen en te voorkomen, dat de wijnbouwers die wel aan hun distillatieverplichtingen hebben voldaan, de aan dit mechanisme verbonden voordelen in termen van verbetering van de markt worden ontzegd.</TXT></NP><NP><NO.P>25</NO.P><TXT>Aangaande de ernstige en onherstelbare schade stelt de Commissie, dat de eventueel door verzoekster geleden schade uitsluitend van financiële aard is en dat het bedrag daarvan moet worden nagegaan. Volgens de rechtspraak van het Hof kan financiële schade enkel als ernstig en onherstelbaar worden aangemerkt, wanneer blijkt dat geen volledige schadevergoeding kan worden verkregen wanneer het beroep in de hoofdzaak wordt toegewezen.</TXT></NP></GR.SEQ><GR.SEQ LEVEL="3"><TITLE><TI><P>Beoordeling door de rechter in kort geding</P></TI></TITLE><NP><NO.P>26</NO.P><TXT>Om te beginnen moet, gezien de door de Commissie aangevoerde argumenten ter zake van de niet-ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring, worden onderzocht of het onderhavige verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden bepaling ontvankelijk is. Volgens vaste rechtspraak immers <QUOT.START ID="QS0013" REF.END="QE0013" CODE="201E"/>moet weliswaar het probleem van de ontvankelijkheid van het beroep in de hoofdzaak in beginsel niet worden onderzocht in het kader van het kort geding, ten einde de grond van de zaak niet te prejudiciëren (...), maar (...) dient de rechter in kort geding, indien gesteld is dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, vast te stel<?PAGE NO="II-661"?> len dat op grond van bepaalde elementen voorshands met een zekere mate van waarschijnlijkheid tot de ontvankelijkheid van het beroep kan worden geconcludeerd<QUOT.END ID="QE0013" REF.START="QS0013" CODE="201D"/> (zie onder meer beschikkingen van de president van het Hof van <DATE ISO="19910627">27 juni 1991</DATE>, zaak <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-117/91 R" YEAR="1991" PAGE.ECR="I-3353">C- 117/91 R, Bosman, Jurispr. 1991, blz. I-3353</REF.DOC.ECR>, en <DATE ISO="19930709">9 juli 1993</DATE>, zaak <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-64/93 R" YEAR="1993" PAGE.ECR="I-3955">C-64/93 R, Donatab e. a., Jurispr. 1993, blz. I-3955</REF.DOC.ECR>, alsmede beschikking van de president van het Gerecht van <DATE ISO="19921215">15 december 1992</DATE>, zaak <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="T-96/92 R" YEAR="1992" PAGE.ECR="II-2579">T-96/92 R, CCE de la Société Générale des Grandes Sources e. a., Jurispr. 1992, blz. II-2579</REF.DOC.ECR>).</TXT></NP><NP><NO.P>27</NO.P><TXT>Dienaangaande zij opgemerkt, dat verzoekster in haar memories noch ter terechtzitting feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die afdoen aan de conclusie, dat het door haar ingediende verzoek in de hoofdzaak op het eerste gezicht kennelijk niet-ontvankelijk is.</TXT></NP><NP><NO.P>28</NO.P><TXT>Artikel 173 van het Verdrag en de rechtspraak met betrekking tot dat artikel verzetten zich namelijk in beginsel tegen beroepen van particulieren tegen handelingen van algemene strekking die de adressaten van de handelingen slechts raken in hun objectieve hoedanigheid van marktdeelnemers in de sector waarvoor de betrokken regeling geldt. De bestreden bepaling nu, is niet alleen vastgesteld in de vorm van een verordening, maar heeft op het eerste gezicht een algemene, abstracte inhoud en raakt verzoekster slechts in haar hoedanigheid van wijnbouwonderneming die deel uitmaakt van een groep marktdeelnemers die op basis van objectieve omstandigheden kan worden afgebakend, en dus <QUOT.START ID="QS0014" REF.END="QE0014" CODE="201E"/>op dezelfde voet als iedere andere marktdeelnemer die zich in een zelfde situatie bevindt<QUOT.END ID="QE0014" REF.START="QS0014" CODE="201D"/> (zie beschikking Gerecht van <DATE ISO="19931028">28 oktober 1993</DATE>, zaak <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="T-476/93" YEAR="1993" PAGE.ECR="II-1187">T-476/93, FRSEA en FNSEA, Jurispr. 1993, blz. II-1187, r. o. 24</REF.DOC.ECR>). Voorts zij herinnerd aan de vaste rechtspraak, dat <QUOT.START ID="QS0015" REF.END="QE0015" CODE="201E"/>een handeling (...) haar verordenend karakter niet (verliest) doordat het aantal — of zelfs de identiteit — van de rechtssubjecten op wie zij op een gegeven ogenblik van toepassing is, kan worden bepaald, zolang maar vaststaat, dat die toepassing plaats vindt op grond dat zich een in de handeling in overeenstemming met haar doel omschreven objectieve feitelijke of rechtstoestand voordoet<QUOT.END ID="QE0015" REF.START="QS0015" CODE="201D"/> (zie beschikking FRSEA en FNSEA, reeds aangehaald, r. o. 19). Ten slotte blijkt uit de rechtspraak, dat <QUOT.START ID="QS0016" REF.END="QE0016" CODE="201E"/>de omstandigheid dat een rechtsvoorschrift voor de verschillende betrokken rechtssubjecten in concreto tot uiteenlopende gevolgen kan leiden, niet afdoet aan<?PAGE NO="II-662"?> het regelgevend karakter van dat voorschrift, zolang van een objectief bepaalde situatie sprake is<QUOT.END ID="QE0016" REF.START="QS0016" CODE="201D"/> (zie arrest Gerecht van <DATE ISO="19950221">21 februari 1995</DATE>, zaak <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="T-472/93" YEAR="1995" PAGE.ECR="II-421">T-472/93, Campo Ebro e. a., Jurispr. 1995, blz. II-421, r. o. 36</REF.DOC.ECR>). In die omstandigheden kan de rechter in kort geding in casu niet tot de conclusie komen, dat de in geding zijnde bepaling op het eerste gezicht verzoekster individueel raakt en dat het door haar krachtens artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag ingestelde beroep tot nietigverklaring ontvankelijk is.</TXT></NP><NP><NO.P>29</NO.P><TXT>In dit verband dient nog te worden opgemerkt, dat verzoekster er evenmin in is geslaagd voor de rechter in kort geding het bewijs te leveren van haar belang bij een beroep tegen een bepaling waarbij haar een verlenging wordt toegekend van de haar door andere verordeningsbepalingen opgelegde termijn om aan de distillatieverplichting te voldoen, zodat deze bepaling voor haar niet bezwarend lijkt. Zou de tenuitvoerlegging van de bestreden bepaling worden opgeschort, dan zou namelijk de termijn van toepassing zijn die is vastgesteld in verordening nr. 1960/94, en die is verstreken op <DATE ISO="19940827">27 augustus 1994</DATE>.</TXT></NP><NP><NO.P>30</NO.P><TXT>Aangaande het door verzoeksters raadsman ter terechtzitting ingediende verzoek, strekkende tot wijziging van de omvang van de gevorderde opschorting van de tenuitvoerlegging, in dier voege dat zij enkel betrekking heeft op de precieze, door de bestreden verlengingsmaatregel voorgeschreven termijn, zij eveneens opgemerkt, dat dit verzoek hoe dan ook niet kan worden toegewezen. In de eerste plaats heeft een dergelijke wijziging, anders dan verzoekster stelt, niet tot gevolg dat het voorwerp van het oorspronkelijke verzoek in kort geding wordt beperkt, maar integendeel dat de strekking ervan wordt verruimd, aangezien verzoekster, uit hoofde van de gevraagde nieuwe maatregel, tot de uitspraak ten gronde in aanmerking zou blijven komen voor de verlenging die is toegekend door de bepaling waarvan oorspronkelijk de opschorting is gevorderd. In de tweede plaats moet worden vastgesteld, dat het aldus gewijzigde verzoek in tegenspraak is met verzoeksters betoog, voor zover zij zich beroept op de onwettigheid van de verlenging van de distillatieverplichting voor het wijnoogstjaar 1993/1994. Hoewel volgens verzoekster de onwettigheid van de bestreden bepaling in het bijzonder voortvloeit uit het feit, dat het tijdens het wijnoogstjaar 1993/1994 vastgestelde verstoorde evenwicht op de markt niet in 1995 kan worden gecorrigeerd, zou de door haar gevorderde opschorting van tenuitvoerlegging immers het beweerdelijk onwettige karakter van de betrokken bepaling nog versterken, aangezien zij de mogelijkheid zou creëren<?PAGE NO="II-663"?> om in de loop van een van de daaropvolgende wijnoogstjaren aan de betwiste distillatieverplichting te voldoen. Ten slotte zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak een gevraagde voorlopige maatregel in beginsel alleen dan ontvankelijk is, wanneer hij past in het kader van de definitieve uitspraak die het Gerecht kan doen krachtens artikel 173, juncto artikel 176 EG-Verdrag, hetgeen niet het geval is met een voorlopige maatregel strekkende tot handhaving van een maatregel tot verlenging, waartegen in de hoofdzaak beroep tot nietigverklaring is ingesteld (zie beschikkingen van de president van het Gerecht van <DATE ISO="19931214">14 december 1993</DATE>, zaak <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="T-543/93 R" YEAR="1993" PAGE.ECR="II-1409">T-543/93 R, Gestevisión Telecinco, Jurispr. 1993, biz. II-1409</REF.DOC.ECR>, en <DATE ISO="19941202">2 december 1994</DATE>, zaak<REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="T-322/94 R" YEAR="1994" PAGE.ECR="II-1159">T-322/94 R, Union Carbide, Jurispr. 1994, biz. II-1159</REF.DOC.ECR>).</TXT></NP><NP><NO.P>31</NO.P><TXT>Bovendien moet worden vastgesteld dat hoe dan ook niet is voldaan aan de voorwaarde inzake het bestaan van een risico van ernstige en onherstelbare schade. De door verzoekster gestelde schade is immers van zuiver financiële aard. Verzoekster, die de grootste wijnbouwcoöperatie in Italië zegt te zijn, heeft immers niets aangevoerd waaruit op het eerste gezicht zou blijken, dat de schade zo groot is, dat zij in haar bestaan wordt bedreigd, en dat de schade dus niet volledig zou kunnen worden vergoed indien het beroep in de hoofdzaak wordt toegewezen (zie beschikking van de president van het Hof van <DATE ISO="19901219">19 december 1990</DATE>, zaak <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="C-358/90 R" YEAR="1990" PAGE.ECR="I-4887">C-358/90 R, Compagnia italiana alcool, Jurispr. 1990, biz. I-4887</REF.DOC.ECR>, en beschikking van de president van het Gerecht van <DATE ISO="19940707">7 juli 1994</DATE>, zaak <REF.DOC.ECR EDITION="GEN" NO.CASE="T-185/94 R" YEAR="1994" PAGE.ECR="II-519">Tl 85/94 R, Geotronics, Jurispr. 1994, biz. II-519</REF.DOC.ECR>).</TXT></NP></GR.SEQ></GR.SEQ></GR.SEQ><JURISDICTION><INTRO><P>DE PRESIDENT VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG</P><P>beschikt:</P></INTRO><LIST TYPE="ARAB"><ITEM><NP><NO.P>1)</NO.P><TXT>Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.</TXT></NP></ITEM><?PAGE NO="II-664"?><ITEM><NP><NO.P>2)</NO.P><TXT>De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.</TXT></NP></ITEM></LIST></JURISDICTION></CONTENTS.ORDER><SIGNATURE.CASE><P>Luxemburg, <DATE ISO="19950315">15 maart 1995</DATE>.</P><SIGNATORY><P>De griffier</P><P>H. Jung</P></SIGNATORY><SIGNATORY><P>De president</P><P>J. L. Cruz Vilaça</P></SIGNATORY></SIGNATURE.CASE></ORDER>