10.12.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 362/19


Beroep ingesteld op 7 oktober 2011 — Chivas/BHIM — Glencairn Scotch Whisky (CHIVALRY)

(Zaak T-530/11)

2011/C 362/29

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Chivas Holdings (IP) Ltd (Renfrewshire, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordiger: A. Carboni, solicitor)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij voor de kamer van beroep: Glencairn Scotch Whisky Co. Ltd (Glasgow, Verenigd Koninkrijk)

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

de beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 14 juli 2011 in zaak R 2334/2010-1 te vernietigen en de zaak terug te verwijzen naar het BHIM voor een nieuwe uitspraak;

verweerder en interveniënten te verwijzen in hun eigen kosten en in verzoeksters kosten van de onderhavige procedure en van de procedure voor de kamer van beroep.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekster

Betrokken gemeenschapsmerk: het woordmerk „CHIVALRY” voor waren en diensten van de klassen 33, 35 en 41 — gemeenschapsmerkaanvraag nr. 6616593

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: de andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Oppositiemerk of -teken: inschrijving nr. 1293610 in het Verenigd Koninkrijk van het beeldmerk „CHIVALRY” voor waren van klasse 33; inschrijving nr. 2468527 in het Verenigd Koninkrijk van het beeldmerk „CHIVALRY SPECIAL RESERVE SCOTCH WHISKY” voor waren van klasse 33; niet-ingeschreven woordmerk „CHIVALRY” dat in het Verenigd Koninkrijk in het economisch verkeer wordt gebruikt voor „Whisky”

Beslissing van de oppositieafdeling: gedeeltelijke toewijzing van de oppositie

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van de artikelen 8, lid 1, sub b, 76, lid 1, en 75 van verordening nr. 207/2009, aangezien de kamer van beroep: (i) de feiten kennelijk onjuist heeft beoordeeld, wat de kenmerken van het relevante publiek betreft, en deze beoordeling niet heeft gemotiveerd; (ii) subsidiair, ten aanzien van het vorige middel, heeft geoordeeld dat de relevante consument „bijzonder merkbewust een merkgetrouw is” en daarbij ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat dergelijke kenmerken de aandacht van de relevante consument verhogen en het gevaar voor verwarring bijgevolg verminderen; (iii) de in de rechtspraak van het Hof van Justitie ontwikkelde wezenlijke richtsnoeren niet aanmerking heeft genomen; (iv) ten onrechte het woord „CHIVALRY” als het visueel dominerende bestanddeel van het oudere merk heeft geïdentificeerd en ten onrechte heeft geconcludeerd dat de andere beeld- en woordbestanddelen van ondergeschikt belang waren; (v) ten onrechte heeft geoordeeld dat de auditieve vergelijking van de merken op dezelfde manier kon worden verricht als de visuele vergelijking; (vi) het gevaar voor verwarring onjuist heeft beoordeeld.