ISSN 1977-0758

doi:10.3000/19770758.L_2012.156.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 156

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

55e jaargang
16 juni 2012


Inhoud

 

I   Wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2012/17/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2012 tot wijziging van Richtlijn 89/666/EEG van de Raad en Richtlijnen 2005/56/EG en 2009/101/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de koppeling van centrale, handels- en vennootschapsregisters betreft ( 1 )

1

 

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) nr. 509/2012 van de Raad van 15 juni 2012 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië

10

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 510/2012 van de Commissie van 15 juni 2012 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1238/95 wat betreft het aan het Communautair Bureau voor plantenrassen te betalen aanvraagrecht

38

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 511/2012 van de Commissie van 15 juni 2012 inzake kennisgevingen met betrekking tot producenten- en brancheorganisaties en contractuele onderhandelingen en betrekkingen als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad in de sector melk en zuivelproducten

39

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 512/2012 van de Commissie van 15 juni 2012 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

41

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 513/2012 van de Commissie van 15 juni 2012 tot vaststelling van de invoerrechten in de sector granen van toepassing vanaf 16 juni 2012

43

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Wetgevingshandelingen

RICHTLIJNEN

16.6.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 156/1


RICHTLIJN 2012/17/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 13 juni 2012

tot wijziging van Richtlijn 89/666/EEG van de Raad en Richtlijnen 2005/56/EG en 2009/101/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de koppeling van centrale, handels- en vennootschapsregisters betreft

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 50,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Ondernemingen breiden zich in toenemende mate over nationale grenzen uit, daarbij gebruik makend van de door de interne markt geboden mogelijkheden. Bij grens-overschrijdende concerns, alsook bij veel herstructureringsoperaties, zoals fusies en splitsingen, zijn vennootschappen uit verschillende lidstaten betrokken. Daarom is er een toenemende vraag naar toegang tot informatie over vennootschappen in een grens-overschrijdende context. Officiële informatie over vennootschappen is echter niet altijd gemakkelijk op grensoverschrijdende basis verkrijgbaar.

(2)

De Elfde Richtlijn 89/666/EEG van de Raad van 21 december 1989 betreffende de openbaarmakingsplicht voor in een lidstaat opgerichte bijkantoren van vennootschappen die onder het recht van een andere staat vallen (3) bevat een lijst van akten en gegevens die vennootschappen in het register van hun bijkantoor openbaar moeten maken. Voor de registers geldt echter geen wettelijke verplichting om gegevens over buitenlandse bijkantoren uit te wisselen. Dit leidt tot rechtsonzekerheid voor derden, omdat haar bijkantoor werkzaam kan blijven ondanks de doorhaling van de vennootschap in het register.

(3)

Transacties zoals grensoverschrijdende fusies hebben de dagelijkse samenwerking tussen ondernemingsregisters tot een noodzaak gemaakt. Richtlijn 2005/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 betreffende grensoverschrijdende fusies van kapitaalvennootschappen (4) verplicht de registers tot grensoverschrijdende samenwerking. Het ontbreekt evenwel aan vaste communicatiekanalen die procedures kunnen versnellen, taalproblemen kunnen helpen oplossen en rechtszekerheid kunnen vergroten.

(4)

Richtlijn 2009/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 strekkende tot het coördineren van waarborgen, welke in de lidstaten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 54 van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in die vennootschappen als van derden, zulks teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken (5) zorgt er onder meer voor dat in een register opgeslagen akten en gegevens hetzij op papier, hetzij langs elektronische weg toegankelijk zijn. Burgers en ondernemingen dienen echter nog steeds het register per land te raadplegen, vooral omdat de huidige vrijwillige samenwerking tussen registers onvoldoende is gebleken.

(5)

In de mededeling van de Commissie getiteld „Naar een Single Market Act” wordt de koppeling van centrale, handels- en vennootschapsregisters genoemd als een noodzakelijke maatregel om een bedrijfsvriendelijker juridisch en fiscaal klimaat tot stand te brengen. De koppeling zou moeten bijdragen tot het bevorderen van het concurrentievermogen van het Europese bedrijfsleven door het verminderen van de administratieve lasten en het vergroten van de rechtszekerheid, hetgeen op zijn beurt zou moeten bijdragen tot het overwinnen van de wereldwijde economische en financiële crisis, dat een van de prioriteiten van de Europa 2020-agenda is. Het zou ook de grensoverschrijdende communicatie tussen registers verbeteren door gebruik te maken van innovaties op het gebied van informatie- en communicatietechnologie.

(6)

In de conclusies van de Raad van 25 mei 2010 over de koppeling van ondernemings-registers heeft de Raad bevestigd dat het beter toegankelijk maken van actuele en betrouwbare informatie over vennootschappen het vertrouwen in de markt kan vergroten, tot het herstel kan bijdragen en het concurrentievermogen van het Europese bedrijfsleven kan bevorderen.

(7)

Het Europees Parlement heeft in zijn resolutie van 7 september 2010 over de koppeling van ondernemingsregisters (6) benadrukt dat het project alleen van nut zal zijn voor de verdere integratie van de Europese Economische Ruimte als alle lidstaten aan het netwerk deelnemen.

(8)

Het meerjarenactieplan voor Europese e-justitie 2009-2013 (7) voorziet in de ontwikkeling van een Europees portaal voor e-justitie („het portaal”) als het centrale Europese elektronische toegangspunt voor juridische informatie, gerechtelijke autoriteiten en overheidsinstellingen, registers, databanken en andere diensten. De koppeling van centrale, handels- en vennootschapsregisters wordt daarin als belangrijk beschouwd.

(9)

De grensoverschrijdende toegang tot bedrijfsinformatie over vennootschappen en hun bijkantoren in andere lidstaten kan alleen worden verbeterd wanneer alle lidstaten zich toeleggen op het mogelijk maken dat elektronische communicatie tussen registers en het toesturen van informatie op een gestandaardiseerde wijze kan plaatsvinden, door middel van identieke inhoud en interoperabele technologieën, aan afzonderlijke gebruikers in de hele Unie. Voor deze interoperabiliteit van de registers moet zorg worden gedragen door de registers van de lidstaten („nationale registers”), die diensten verrichten welke interfaces met het Europees centraal platform („het platform”) vormen. Het platform moet een gecentraliseerde reeks IT-hulpmiddelen zijn, waarin diensten geïntegreerd zijn, en moet een gemeenschappelijke interface bieden. Die interface moet door alle nationale registers worden gebruikt. Het platform moet tevens diensten verstrekken die een interface vormen met het portaal dat als Europees elektronisch toegangspunt fungeert, en met de door lidstaten ingestelde facultatieve toegangspunten. Het platform dient enkel als een instrument voor de koppeling van registers te worden opgezet, en niet als een afzonderlijke entiteit met rechtspersoonlijkheid. Op basis van unieke identificatiecodes moet het platform in staat zijn om informatie uit de registers van elke lidstaat aan de bevoegde registers van andere lidstaten door te geven in een gestandaardiseerd berichtformaat (een elektronisch berichtenformulier dat wordt uitgewisseld tussen IT-systemen, zoals: xml) en in de relevante taalversie.

(10)

Met deze richtlijn wordt niet beoogd om een gecentraliseerde databank van registers op te zetten, waarin inhoudelijke informatie over vennootschappen wordt bewaard. Bij de implementatie van het systeem van gekoppelde centrale, handels- en vennootschaps-registers („het systeem van gekoppelde registers”) moet enkel de reeks gegevens die nodig zijn voor het correct functioneren van het centrale platform worden vastgesteld. Tot die gegevens behoren met name operationele gegevens, woordenboeken en verklarende woordenlijsten. Bij de vaststelling ervan moet tevens rekening worden gehouden met de noodzaak van een doeltreffende werking van het systeem van gekoppelde registers. Die gegevens moeten worden gebruikt om het platform in staat te stellen zijn functies uit te voeren, en mogen nooit rechtstreeks openbaar beschikbaar zijn. Bovendien mag het platform de inhoud van de in de nationale registers opgeslagen gegevens over vennoot-schappen noch de via het systeem van gekoppelde registers verstuurde informatie over vennootschappen wijzigen.

(11)

Aangezien deze richtlijn niet ten doel heeft de nationale systemen van centrale, handels- en vennootschapsregisters te harmoniseren, zijn de lidstaten niet verplicht hun interne registersystemen te veranderen, met name wat betreft het beheer en de opslag van gegevens, vergoedingen, en het gebruik en openbaarmaking van informatie voor nationale doeleinden.

(12)

In het kader van deze richtlijn zal het portaal via het platform zoekvragen verwerken, die door individuele gebruikers zijn ingevoerd met betrekking tot informatie over vennoot-schappen en hun bijkantoren in andere lidstaten, die in de nationale registers is opgeslagen. Dat maakt het mogelijk dat zoekresultaten op het portaal worden gepresenteerd, inclusief de toelichtingen in alle officiële talen van de Unie waarin de verstrekte informatie is opgenomen. Met het oog op een betere bescherming van derden in andere lidstaten, moet daarnaast op het portaal basisinformatie worden geplaatst over de juridische waarde van akten en gegevens die openbaar zijn gemaakt conform de wetten van de lidstaten die in overeenstemming met Richtlijn 2009/101/EG zijn vastgesteld.

(13)

De lidstaten moeten de mogelijkheid hebben om één of meer facultatieve toegangspunten in te stellen, wat het gebruik en de werking van het platform kan beïnvloeden. De Commissie moet derhalve in kennis worden gesteld van de instelling en van elke belangrijke wijziging in de werking ervan, en in het bijzonder van de sluiting ervan. Een dergelijke kennisgeving mag de bevoegdheden van de lidstaten met betrekking tot de instelling en de werking van facultatieve toegangspunten geenszins beperken.

(14)

Vennootschappen en hun bijkantoren in andere lidstaten dienen een unieke identificatie-code te hebben, waardoor zij in de Unie eenduidig kunnen worden geïdentificeerd. De identificatiecode is bedoeld om te worden gebruikt voor communicatie tussen registers via het systeem van gekoppelde registers. Vennootschappen en dochterondernemingen moeten derhalve niet verplicht worden de unieke identificatiecode te vermelden in de in de Richtlijnen 89/666/EEG en 2009/101/EG bedoelde brieven en orders van de vennootschap. Voor hun eigen communicatiedoelen moeten zij hun nationale registratienummer blijven gebruiken.

(15)

Het moet mogelijk zijn een duidelijk verband te leggen tussen het register van een vennootschap en de registers van haar bijkantoren in andere lidstaten, erin bestaande dat informatie wordt uitgewisseld over de opening en sluiting van elke ontbindings- en insolventieprocedures van de vennootschap, en over de doorhaling van de vennootschap in het register, indien die doorhaling rechtsgevolgen heeft in de lidstaat van het register van de vennootschap. Hoewel de lidstaten zelf moeten kunnen bepalen, welke procedures worden gevolgd voor de bijkantoren die op hun grondgebied zijn geregistreerd, moeten zij er op zijn minst voor zorgen dat de bijkantoren van een ontbonden vennootschap onverwijld, en, indien van toepassing, na de vereffeningsprocedure van het desbetreffende bijkantoor in het register worden doorgehaald. Deze verplichting dient niet van toepassing te zijn op bijkantoren van vennootschappen die in het register zijn doorgehaald maar die een wettelijke opvolger hebben, zoals in het geval van wijziging van de rechtsvorm van de vennootschap, fusie of splitsing, of een grensoverschrijdende overdracht van de statutaire zetel.

(16)

Deze richtlijn dient niet van toepassing te zijn op een bijkantoor dat is opgericht door een vennootschap die niet onder het recht van een lidstaat valt, als voorzien in artikel 7 van Richtlijn 89/666/EEG.

(17)

Richtlijn 2005/56/EG moet worden gewijzigd om te waarborgen dat de communicatie tussen registers via het systeem van gekoppelde registers plaatsvindt.

(18)

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat in het geval van een wijziging van geregistreerde informatie met betrekking tot vennootschappen, de informatie onverwijld wordt bijgewerkt. De bijgewerkte informatie moet normaliter binnen 21 dagen na ontvangst van de volledige documentatie met betrekking tot deze wijzigingen, met inbegrip van de wettigheidstoetsing op grond van het nationale recht, openbaar worden gemaakt. Die termijn moet aldus worden geïnterpreteerd dat de lidstaten redelijke inspanningen moeten leveren om de in deze richtlijn gestelde limietdatum te halen. Een en ander geldt niet voor de boekhoudbescheiden die de vennootschappen voor elk boekjaar moeten overleggen. Deze uitzondering wordt gerechtvaardigd door de overbelasting van de nationale registers tijdens de perioden van verslaglegging. Overeenkomstig de algemene juridische beginselen die alle lidstaten gemeen hebben, moet de termijn van 21 dagen worden opgeschort in geval van overmacht.

(19)

Indien de Commissie besluit de ontwikkeling en/of de exploitatie van het platform aan derden uit te besteden, moet dit geschieden overeenkomstig Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (8). Een passende mate van betrokkenheid van de lidstaten bij dit proces moet worden gewaarborgd door vaststelling van de technische specificaties voor de procedure voor het plaatsen van overheidsopdrachten bij uitvoeringshandelingen volgens de onderzoeksprocedure bedoeld in artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoerings-bevoegdheden door de Commissie controleren (9).

(20)

Indien de Commissie besluit de exploitatie van het platform aan derden uit te besteden, moet de continuïteit van de verrichting van diensten door het systeem van gekoppelde registers en een passend overheidstoezicht op de werking van het platform worden gewaarborgd. Gedetailleerde regels voor het operationeel beheer van het platform moeten worden vastgesteld bij uitvoeringshandelingen overeenkomstig de onderzoeksprocedure bedoeld in artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011. In ieder geval moet de betrokkenheid van de lidstaten bij de werking van het gehele systeem worden gewaarborgd door middel van een regelmatige dialoog tussen de Commissie en de vertegenwoordigers van de lidstaten over kwesties in verband met de werking van het systeem van gekoppelde registers en de toekomstige ontwikkeling ervan.

(21)

De koppeling van centrale, handels- en vennootschapsregisters vereist de coördinatie van nationale systemen die uiteenlopende technische kenmerken hebben. Daarom moeten er technische maatregelen en specificaties worden vastgesteld die recht doen aan verschillen tussen de registers. Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze richtlijn, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om deze technische en operationele kwesties aan te pakken. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met de in artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 bedoelde onderzoeksprocedure.

(22)

Deze richtlijn mag niet het recht van de lidstaten beperken om een vergoeding te vragen voor het verstrekken van informatie over vennootschappen via het systeem van gekoppelde registers, indien het nationale recht voorziet in een dergelijke vergoeding. Daarom moeten de technische maatregelen en specificaties voor het systeem van gekoppelde registers de mogelijkheid bieden om gedetailleerde bepalingen voor de betaling in te stellen. Voor wat dit betreft, met deze richtlijn mag in dat opzicht niet worden vooruitgelopen op een specifieke technische oplossing, omdat de gedetailleerde bepalingen van betaling moet worden bepaald in het stadium van de vaststelling van de uitvoeringshandelingen, waarbij rekening wordt gehouden van de ruim beschikbare faciliteiten voor elektronische betaling.

(23)

Het zou voor derde landen wenselijk kunnen zijn om in de toekomst aan het systeem van gekoppelde registers deel te kunnen nemen.

(24)

Een billijke oplossing voor de financiering van het systeem van gekoppelde registers houdt in dat zowel de Unie als haar lidstaten deelnemen in die financiering. De lidstaten moeten de financiële lasten van de aanpassing van hun nationale registers aan dat systeem zelf dragen, terwijl de centrale onderdelen — het platform en het portaal, dat als het Europese elektronische toegangspunt fungeert — uit een passend onderdeel van de algemene begroting van de Unie moeten worden gefinancierd. Teneinde de niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn aan te vullen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen met betrekking tot het in rekening brengen van een vergoeding voor het verkrijgen van informatie betreffende vennootschappen. Dit beïnvloedt niet de mogelijkheid voor de binnenlandse registers om een vergoeding in rekening te brengen, maar dat kan een aanvullende vergoeding omvatten voor de medefinanciering van het onderhoud en de werking van het platform. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.

(25)

Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (10) en Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoons-gegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (11), moeten worden toegepast op de verwerking van persoonsgegevens, met inbegrip van het elektronisch versturen van persoonsgegevens binnen de lidstaten. Iedere verwerking van persoonsgegevens door de registers van de lidstaten, door de Commissie, en in voorkomend geval door derden die bij de exploitatie van het platform betrokken zijn, dient te geschieden met inachtneming van die handelingen. De uitvoeringshandelingen die in verband met het systeem van gekoppelde registers moeten worden vastgesteld, moeten waar passend de naleving van die handelingen waarborgen, in het bijzonder middels vaststelling van de taken en opdrachten van de betrokken deelnemers, en van de organisatorische en technische regels die op hen van toepassing zijn.

(26)

Het systeem van gekoppelde registers vereist dat de lidstaten een aantal noodzakelijke aanpassingen aanbrengen, die met name bestaan in de ontwikkeling van een interface die elk register met het platform verbindt, zodat het systeem operationeel kan worden. Daarom bepaalt deze richtlijn dat de uitgestelde termijn voor omzetting en toepassing door de lidstaten van de bepalingen inzake de technische werking van dat systeem pas ingaat nadat de Commissie alle uitvoeringshandelingen heeft vastgesteld, die betrekking hebben op technische maatregelen en specificaties voor het systeem van gekoppelde registers. De termijn voor omzetting en toepassing van de bepalingen van de richtlijn betreffende de technische werking van het systeem van gekoppelde registers moet voldoende lang zijn om de lidstaten in staat te stellen de nodige juridische en technische aanpassingen door te voeren, zodat dat systeem binnen een redelijke tijd volledig operationeel is.

(27)

Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van de lidstaten en de Commissie van 28 september 2011 over toelichtende stukken (12) hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van dergelijke stukken gerechtvaardigd.

(28)

Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en de beginselen die zijn vervat in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in het bijzonder artikel 8 daarvan, waarin is bepaald dat iedereen recht heeft op bescherming van de hem of haar betreffende persoons-gegevens.

(29)

Daar de doelstellingen van deze richtlijn, met name betere grensoverschrijdende toegang tot bedrijfsinformatie, opslag van bijgewerkte gegevens in de registers van bijkantoren en totstandbrenging van duidelijke communicatiekanalen tussen registers bij grens-overschrijdende registratieprocedures, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve wegens de omvang en effecten ervan beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken.

(30)

De Richtlijnen 89/666/EEG, 2005/56/EG en 2009/101/EG moeten daarom dienovereen-komstig worden gewijzigd.

(31)

De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is geraadpleegd overeenkomstig artikel 28, lid 2, van Verordening (EG) nr. 45/2001 en heeft op 6 mei 2011 (13) advies uitgebracht,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Richtlijn 89/666/EEG

Richtlijn 89/666/EEG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Aan artikel 1 worden de volgende leden toegevoegd:

„3.   De in artikel 2, lid 1, bedoelde akten en gegevens worden voor het publiek beschikbaar gesteld via het systeem van gekoppelde centrale, handels- en vennoot-schapsregisters dat is ingesteld overeenkomstig artikel 4 bis, lid 2, van Richtlijn 2009/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 strekkende tot het coördineren van de waarborgen, welke in de lidstaten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 54 van het Verdrag om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden, zulks teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken (14) („het systeem van gekoppelde registers”). Artikel 3 ter en artikel 3 quater, lid 1, van die richtlijn zijn van overeenkomstige toepassing.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat bijkantoren een unieke identificatiecode krijgen waardoor zij eenduidig kunnen worden geïdentificeerd in de communicatie tussen registers via het systeem van gekoppelde registers. Die unieke identificatiecode omvat ten minste elementen die het mogelijk maken om de lidstaat van het register, het nationale register van oorsprong en het nummer van het bijkantoor in dat register te bepalen, en, indien nodig, kenmerken om identificatiefouten te vermijden.

2)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 5 bis

1.   Het register van de vennootschap stelt, via het systeem van gekoppelde registers, onverwijld de informatie ter beschikking aangaande de opening en sluiting van ontbindings- of insolventieprocedures met betrekking tot de vennootschap, en over de doorhaling van de vennootschap in het register, indien zij rechtsgevolgen heeft in de lidstaat van het register van de vennootschap.

2.   Het register van het bijkantoor draagt middels het systeem van gekoppelde registers zorg voor de onverwijlde ontvangst van de in informatie als bedoeld in lid 1.

3.   De in de leden 1 en 2 bedoelde uitwisseling van informatie geschiedt kosteloos voor de registers.

4.   De lidstaten stellen de procedure vast die moet worden gevolgd na de ontvangst van de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie. Dergelijke procedure zorgt ervoor dat daar waar een vennootschap is ontbonden of anderszins in het register is doorgehaald, onverwijld op gelijke wijze uit het register worden verwijderd.

5.   De tweede zin van lid 4 geldt niet voor bijkantoren van vennootschappen die in het register zijn doorgehaald als gevolg van een wijziging van de rechtsvorm van de betreffende vennootschap, een fusie of splitsing, of een grensoverschrijdende overdracht van de statutaire zetel.”.

3)

De volgende afdeling wordt ingevoegd:

„AFDELING III bis

GEGEVENSBESCHERMING

Artikel 11 bis

Op de verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze richtlijn is het bepaalde in Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (15) van toepassing.

Artikel 2

Wijzigingen van Richtlijn 2005/56/EG

Richtlijn 2005/56/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 13 wordt vervangen door:

„Artikel 13

Registratie

Het recht van elk van de lidstaten waaronder de fuserende vennootschappen ressorteerden, bepaalt overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn 2009/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 strekkende tot het coördineren van de waarborgen, welke in de lidstaten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 54 van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden, zulks teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken (16) op welke wijze de voltooiing van de grensoverschrijdende fusie op het grondgebied van de betrokken lidstaat wordt bekendgemaakt in het openbare register waar elke vennootschap haar akten dient neer te leggen.

Het register waar de uit de grensoverschrijdende fusie ontstane vennootschap wordt ingeschreven, stelt het register waar elk van de vennootschappen haar akten diende neer te leggen, onverwijld via het overeenkomstig Richtlijn 2009/101/EG, artikel 4 bis, lid 2, ingestelde systeem van gekoppelde centrale, handels- en vennootschapsregisters, in kennis van het feit dat de fusie van kracht is geworden. De voormalige inschrijving, indien van toepassing, mag niet eerder dan bij ontvangst van deze kennisgeving worden verwijderd.

2)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 17 bis

Gegevensbescherming

Op de verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze richtlijn is Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoons-gegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (17) van toepassing.

Artikel 3

Wijzigingen van Richtlijn 2009/101/EG

Richtlijn 2009/101/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 2 bis

1.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat wijzigingen in de in artikel 2 bedoelde akten en gegevens worden opgenomen in het bevoegde register als bedoeld in artikel 3, lid 1, eerste alinea,, en in overeenstemming met artikel 3, leden 3 en 5, openbaar worden gemaakt, normaliter binnen 21 dagen na ontvangst van de volledige documentatie betreffende deze wijzigingen, met inbegrip van de overeenkomstig het nationale recht eventueel vereiste wettigheidstoetsing voor opname in het dossier.

2.   Lid 1 is niet van toepassing op de in artikel 2, onder f), bedoelde boekhoud-bescheiden.”.

2)

In artikel 3, lid 1, wordt de volgende alinea toegevoegd:

„De lidstaten zien erop toe dat vennootschappen een unieke identificatiecode krijgen waardoor zij eenduidig kunnen worden geïdentificeerd wanneer registers met elkaar communiceren via het systeem van koppeling van centrale, handels- en vennootschaps-registers dat is ingesteld overeenkomstig artikel 4 bis, lid 2 („het systeem van gekoppelde registers”). Die unieke identificatiecode bevat ten minste elementen die het mogelijk maken om de lidstaat van het register, het nationale register van oorsprong en het nummer van de vennootschap in dat register te bepalen en, indien nodig, kenmerken om identificatie-fouten te vermijden.”.

3)

De volgende artikelen worden ingevoegd:

„Artikel 3 bis

1.   De lidstaten dragen er zorg voor dat er bijgewerkte informatie beschikbaar is, waarin de bepalingen van nationaal recht worden toegelicht volgens dewelke derde partijen in overeenstemming met artikel 3, leden 5, 6 en 7, kunnen vertrouwen op gegevens en elk type akte als bedoeld in artikel 2.

2.   De lidstaten verstrekken de gegevens die vereist zijn voor publicatie op de Europese e-Justitie portaalsite („het portaal”) overeenkomstig de voorschriften en technische eisen van het portaal.

3.   De Commissie publiceert deze gegevens in alle officiële talen van de Unie op het portaal.

Artikel 3 ter

1.   Elektronische kopieën van de in artikel 2 bedoelde akten en gegevens worden eveneens voor het publiek beschikbaar gesteld via het systeem van gekoppelde registers.

2.   De lidstaten dragen er zorg voor dat de akten en gegevens als bedoeld in artikel 2 via het systeem van gekoppelde registers beschikbaar zijn in een gestandaardiseerd berichtformaat en dat zij via elektronische weg toegankelijk zijn. De lidstaten dragen er eveneens zorg voor dat de hand wordt gehouden aan minimale veiligheidsnormen voor het doorzenden van gegevens.

3.   De Commissie biedt in alle officiële talen van de Unie een zoekdienst aan om via het portaal met betrekking tot in de lidstaten geregistreerde vennootschappen het volgende beschikbaar te stellen:

a)

de in artikel 2 bedoelde akten en gegevens;

b)

de toelichtingen, in alle officiële talen van de Unie, die de gegevens en de typen akten opsomt.

Artikel 3 quater

1.   De vergoeding die in rekening wordt gebracht voor het via het systeem van gekoppelde registers verkrijgen van de in artikel 2 bedoelde akten en gegevens, mag de daaraan verbonden administratiekosten niet overschrijden.

2.   De lidstaten dragen er zorg voor dat de volgende gegevens kosteloos beschikbaar zijn via het systeem van gekoppelde registers:

a)

de naam en de rechtsvorm van de onderneming;

b)

de statutaire zetel van de vennootschap en de lidstaat waar deze is geregistreerd, alsmede;

c)

het registratienummer van de vennootschap.

De lidstaten kunnen er voor kiezen om naast deze gegevens andere akten en gegevens kosteloos ter beschikking te stellen.

Artikel 3 quinquies

1.   Het register van de vennootschap stelt via het systeem van gekoppelde registers onverwijld de informatie ter beschikking aangaande de opening en sluiting van ontbindings- of insolventieprocedures met betrekking tot de vennootschap, en over de doorhaling van de vennootschap in het register, indien zij rechtsgevolgen heeft in de lidstaat van het register van de vennootschap.

2.   Het register van het bijkantoor zorgt er via het systeem van gekoppelde registers voor dat de in lid 1 bedoelde gegevens zonder vertraging worden ontvangen.

3.   De in de leden 1 en 2 bedoelde uitwisseling van informatie is kosteloos voor de registers.”.

4)

De volgende artikelen worden ingevoegd:

„Artikel 4 bis

1.   Er wordt een Europees centraal platform („het platform”) ingesteld.

2.   Het systeem van gekoppelde registers bestaat uit:

de registers van de lidstaten,

het platform,

het portaal, dat als Europees elektronisch toegangspunt fungeert.

3.   De lidstaten dragen er zorg voor dat hun registers via het platform binnen het systeem van gekoppelde registers interoperabel zijn.

4.   De lidstaten kunnen facultatieve toegangspunten tot het systeem van koppeling van registers opzetten. Zij stellen de Commissie onverwijld in kennis van de instelling ervan, en van elke belangrijke wijziging in de werking ervan.

5.   Toegang tot de gegevens van het systeem van gekoppelde registers wordt gewaar-borgd via het portaal en de facultatief door de lidstaten ingestelde toegangspunten.

6.   De instelling van het systeem van gekoppelde registers laat bestaande bilaterale overeenkomsten tussen lidstaten inzake de uitwisseling van gegevens over vennoot-schappen onverlet.

Artikel 4 ter

1.   De Commissie besluit om het platform zelf te ontwikkelen en/of te exploiteren, of het door derden te laten ontwikkelen en/of exploiteren.

Indien de Commissie besluit het platform door derden te laten ontwikkelen en/of exploiteren, wordt de derde aangewezen, en de met de derde gesloten overeenkomst door de Commissie gehandhaafd overeenkomstig Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (18).

2.   Indien de Commissie besluit om het platform door een derde te laten ontwikkelen, stelt zij middels uitvoeringshandelingen de technische specificaties vast ten behoeve van de procedure voor het plaatsen van overheidsopdrachten en de duur van de met de derde te sluiten overeenkomst.

3.   Indien de Commissie besluit het platform door derden te laten exploiteren, stelt zij middels uitvoeringshandelingen gedetailleerde voorschriften voor het operationele beheer van het platform vast.

Het operationele beheer van het platform omvat met name:

het toezicht op de werking van het platform,

de beveiliging en bescherming van de gegevens die met behulp van het platform worden doorgegeven en uitgewisseld,

de coördinatie van de betrekkingen tussen de registers van de lidstaten en derden.

De Commissie oefent toezicht uit op de werking van het platform.

4.   De in de leden 2 en 3 bedoelde uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 4 sexies, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 4 quater

De Commissie stelt middels uitvoeringshandelingen het volgende vast:

a)

de technische specificatie ter bepaling van de methoden van communicatie langs elektronische weg voor het systeem van gekoppelde registers;

b)

de technische specificatie van de communicatieprotocollen;

c)

de technische maatregelen ter waarborging van minimumbeveiligingsnormen inzake informatietechnologie voor het overbrengen en doorgeven van gegevens binnen het systeem van gekoppelde registers;

d)

de technische specificatie ter bepaling van de methoden voor de uitwisseling van informatie tussen het register van de vennootschap en het register van het bijkantoor als bedoeld in artikel 3 quinquies van deze richtlijn en in artikel 5 bis van Elfde Richtlijn 89/666/EEG van de Raad van 21 december 1989 betreffende de openbaar-makingsplicht voor in een lidstaat opgerichte bijkantoren van vennootschappen die onder het recht van een andere staat vallen (19);

e)

de gedetailleerde lijst van gegevens die worden verzonden voor de gegevens-uitwisseling tussen de registers, als bedoeld in artikel 3 quinquies van deze richtlijn, artikel 5 bis van Richtlijn 89/666/EEG, en artikel 13 van Richtlijn 2005/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 betreffende grens-overschrijdende fusies van kapitaalvennootschappen (20);

f)

de technische specificatie ter bepaling van de structuur van het gestandaardiseerd berichtformaat voor de gegevensuitwisseling tussen de registers, het platform en het portaal;

g)

de technische specificatie ter bepaling van de reeks gegevens die nodig zijn om het platform zijn taken te laten vervullen alsook ter bepaling van de methode voor de opslag, het gebruik en de bescherming van die gegevens;

h)

de technische specificatie ter bepaling van de structuur en het gebruik van de unieke identificatiecode voor de communicatie tussen registers;

i)

de specificatie ter bepaling van de methoden voor de exploitatie van het systeem van gekoppelde registers met betrekking tot het doorgeven en uitwisselen van informatie en ter bepaling van de door het platform te verlenen diensten inzake informatie-technologie, om er zorg voor te dragen dat de berichten in de relevante taalversie worden verzonden;

j)

de geharmoniseerde criteria voor de door het portaal te verlenen zoekdienst;

k)

de gedetailleerde bepalingen inzake betaling, waarbij wordt rekening gehouden met de beschikbare betalingsmogelijkheden, zoals betaling on-line;

l)

de details van de toelichtingen die de gegevens en de typen akten als bedoeld in artikel 2 opsommen;

m)

de technische voorwaarden inzake de beschikbaarheid van de door het systeem van gekoppelde registers te verlenen diensten;

n)

de procedure en de technische vereisten voor de verbinding van de facultatieve toegangspunten met het platform.

Die uitvoeringshandelingen wordt vastgesteld volgens de in artikel 4 sexies, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

De Commissie stelt die uitvoeringshandelingen uiterlijk op 7 juli 2015 vast.

Artikel 4 quinquies

1.   De instelling en toekomstige ontwikkeling van het platform en de uit deze richtlijn voortvloeiende aanpassingen van het portaal worden gefinancierd uit de algemene begroting van de Unie.

2.   Het onderhoud en de werking van het platform worden gefinancierd uit de algemene begroting van de Unie, en kunnen mede worden gefinancierd uit vergoedingen voor de toegang tot het systeem van gekoppelde registers, die aan individuele gebruikers in rekening worden gebracht. Dit lid laat vergoedingen op nationaal niveau onverlet.

3.   Door middel van gedelegeerde handelingen en overeenkomstig artikel 13 bis kan de Commissie besluiten of ter medefinanciering van het platform vergoedingen in rekening zullen worden gebracht en zo ja, welk bedrag bij de individuele gebruikers in rekening zal worden gebracht in overeenstemming met lid 2.

4.   Eventueel overeenkomstig lid 2 in rekening gebrachte vergoedingen laten de eventueel door lidstaten aangerekende vergoedingen voor verkrijging van akten en gegevens als bedoeld in artikel 3 quater, lid 1, onverlet.

5.   Eventueel overeenkomstig lid 2 in rekening gebrachte vergoedingen worden niet in rekening gebracht voor het verkrijgen van de in artikel 3 quater, lid 2, onder a), b) en c), bedoelde gegevens.

6.   Elke lidstaat draagt de kosten voor het aanpassen van zijn nationale registers en van de uit deze richtlijn voortvloeiende kosten voor het onderhoud en de werking van die registers.

Artikel 4 sexies

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoerings-bevoegdheden door de Commissie controleren (21).

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

5)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 7 bis

Op de verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze richtlijn is Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoons-gegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (22) van toepassing.

6)

Het volgende hoofdstuk wordt ingevoegd:

„HOOFDSTUK 4 BIS

GEDELEGEERDE HANDELINGEN

Artikel 13 bis

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De bevoegdheid tot vaststelling van de in artikel 4 quinquies, lid 3, bedoelde gedelegeerde handelingen wordt aan de Commissie verleend voor onbepaalde tijd.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 4 quinquies, lid 3, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Dit besluit wordt van kracht op de dag volgend op de publicatie van dit besluit in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een latere datum die in dit besluit wordt vermeld. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdige kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.   Een overeenkomstig artikel 4 quinquies, lid 3, vastgestelde gedelegeerde handeling, treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving ervan aan het Europees Parlement en de Raad geen bezwaar heeft gemaakt of indien het Europees Parlement en de Raad voor het verstrijken van deze termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met drie maanden verlengd.”.

Artikel 4

Verslag en regelmatige dialoog

1.   Uiterlijk vijf jaar na de in artikel 5, lid 2, bedoelde uiterste datum voor toepassing van de bepalingen maakt de Commissie een verslag over de werking van het systeem van gekoppelde registers openbaar, waarin met name de technische exploitatie en de financiële aspecten ervan worden onderzocht.

2.   Dit verslag gaat indien nodig vergezeld van voorstellen tot wijziging van deze richtlijn.

3.   De Commissie en de vertegenwoordigers van de lidstaten komen regelmatig in een passend forum bijeen om de onder deze richtlijn vallende aangelegenheden te bespreken.

Artikel 5

Omzetting

1.   De lidstaten stellen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast, maken deze bekend en passen ze toe, om uiterlijk op 7 juli 2014 aan deze richtlijn te voldoen.

2.   Niettegenstaande lid 1, stellen de lidstaten uiterlijk twee jaar na de vaststelling van de uitvoeringshandelingen als bedoeld in artikel 4 quater van Richtlijn 2009/101/EG de bepalingen vast die nodig zijn om te voldoen aan de hierna volgende bepalingen, maken deze bekend en passen deze toe:

artikel 1, leden 3 en 4, en artikel 5 bis van Richtlijn 89/666/EEG,

artikel 13 van Richtlijn 2005/56/EG,

artikel 3, lid 1, tweede alinea, artikel 3 ter, artikel 3 quater, artikel 3 quinquies en artikel 4 bis, leden 3, 4 en 5, van Richtlijn 2009/101/EG.

De uiterste datum voor toepassing van de in dit lid bedoelde bepalingen wordt door de Commissie bij de vaststelling van de uitvoeringshandelingen bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

3.   Wanneer de lidstaten de in lid 1 bedoelde bepalingen vaststellen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor zodanige verwijzingen worden vastgesteld door de lidstaten.

4.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 6

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 7

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 13 juni 2012.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

N. WAMMEN


(1)  PB C 248 van 25.8.2011, blz. 118.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 14 februari 2012 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 10 mei 2012.

(3)  PB L 395 van 30.12.1989, blz. 36.

(4)  PB L 310 van 25.11.2005, blz. 1.

(5)  PB L 258 van 1.10.2009, blz. 11.

Noot: De titel van Richtlijn 2009/101/EG is gewijzigd in verband met de hernummering van de artikelen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, overeenkomstig artikel 5 van het Verdrag van Lissabon; oorspronkelijk werd hier artikel 48, tweede alinea, genoemd.

(6)  PB C 308 E van 20.10.2011, blz. 1.

(7)  PB C 75 van 31.3.2009, blz. 1.

(8)  PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

(9)  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

(10)  PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.

(11)  PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.

(12)  PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.

(13)  PB C 220 van 26.7.2011, blz. 1.

(14)  PB L 258 van 1.10.2009, blz. 11.

Noot: de titel van Richtlijn 2009/101/EG is gewijzigd in verband met de hernummering van de artikelen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, overeenkomstig artikel 5 van het Verdrag van Lissabon; oorspronkelijk werd hier artikel 48, tweede alinea, genoemd.”.

(15)  PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.”.

(16)  PB L 258 van 1.10.2009, blz. 11.

Noot: de titel van Richtlijn 2009/101/EG is gewijzigd in verband met de hernummering van de artikelen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, overeenkomstig artikel 5 van het Verdrag van Lissabon; oorspronkelijk werd hier artikel 48 genoemd.”.

(17)  PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.”.

(18)  PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

(19)  PB L 395 van 30.12.1989, blz. 36.

(20)  PB L 310 van 25.11.2005, blz. 1.

(21)  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.”.

(22)  PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.”.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

16.6.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 156/10


VERORDENING (EU) Nr. 509/2012 VAN DE RAAD

van 15 juni 2012

tot wijziging van Verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 215,

Gezien Besluit 2011/782/GBVB van de Raad van 1 december 2011 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië (1),

Gezien het gezamenlijke voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 18 januari 2012 stelde de Raad Verordening (EU) nr. 36/2012 (2) met het oog op de tenuitvoerlegging van het merendeel van de maatregelen bepaald in Besluit 2011/782/GBVB.

(2)

Omdat de brute repressie en de schendingen van de mensenrechten door de Syrische regering bleven voortduren, werd bij Besluit 2012/206/GBVB van de Raad (3) tot wijziging van Besluit 2011/782/GBVB, aanvullende maatregelen vastgesteld, namelijk een verbod op of een voorafgaande vergunningplicht voor de verkoop, levering, overdracht of uitvoer van goederen of technologie die voor binnenlandse repressie zouden kunnen worden gebruikt, en een verbod op de uitvoer van luxegoederen naar Syrië.

(3)

Deze maatregelen vallen onder het toepassingsgebied van het Verdrag en derhalve is regelgeving op het niveau van de Unie noodzakelijk voor de tenuitvoerlegging ervan, met name om te garanderen dat zij door de marktdeelnemers in alle lidstaten uniform worden toegepast.

(4)

Verordening (EU) nr. 36/2012 moet daarom worden gewijzigd om deze maatregelen ten uitvoer te leggen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EU) nr. 36/2012 wordt als volgt gewijzigd:

1)

De volgende artikelen worden ingevoegd:

„Artikel 2 bis

1.   Er geldt een verbod op:

a)

de directe of indirecte verkoop, levering, overdracht aan of uitvoer naar personen, entiteiten of lichamen in Syrië of voor gebruik in Syrië van de in bijlage IA opgenomen apparatuur, goederen of technologie die zouden kunnen worden gebruikt voor binnenlandse repressie dan wel voor de vervaardiging of het onderhoud van producten die voor binnenlandse repressie zouden kunnen worden gebruikt, ongeacht of die apparatuur, goederen of technologie van oorsprong zijn uit de Unie;

b)

het bewust en opzettelijk deelnemen aan activiteiten die tot doel of tot gevolg hebben dat de onder a) bedoelde verbodsbepalingen worden omzeild.

2.   In afwijking van lid 1 kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, als genoemd op de websites die in bijlage III worden vermeld, op door hen passend geachte voorwaarden toestemming verlenen voor een transactie in verband met apparatuur, goederen of technologie opgenomen in bijlage IA, op voorwaarde dat de apparatuur, goederen of technologie bestemd zijn voor voedselvoorziening, landbouw, medische zorg of andere humanitaire doeleinden.

Artikel 2 ter

1.   Een voorafgaande vergunning is vereist voor het direct of indirect verkopen, leveren, overdragen of exporteren van de apparatuur, goederen of technologie die voor binnenlandse repressie zouden kunnen worden gebruikt, als genoemd in bijlage IX, al dan niet van oorsprong uit de Unie, ten behoeve van een Syrische persoon, entiteit of lichaam of bestemd voor gebruik in Syrië.

2.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaten, als genoemd op de websites die in bijlage III worden vermeld, verlenen geen toestemming voor het verkopen, leveren, overdragen of exporteren van de apparatuur, goederen of technologie opgenomen in bijlage IX, indien zij redelijke gronden hebben om aan te nemen dat de apparatuur, goederen of technologie die het voorwerp zijn van de verkoop, levering, overdracht of export worden gebruikt of zou kunnen worden gebruikt voor binnenlandse repressie of voor de vervaardiging of het onderhoud van producten die voor binnenlandse repressie zouden kunnen worden gebruikt.

3.   De op grond van dit artikel voor de uitvoer vereiste vergunning wordt overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik (4) afgegeven door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de exporteur is gevestigd. De vergunning is in de gehele Unie geldig

2)

Artikel 3 wordt vervangen door:

„Artikel 3

1.   Er geldt een verbod op:

a)

het direct of indirect verlenen van technische bijstand in verband met goederen en technologie die op de gemeenschappelijke lijst van militaire goederen van de Europese Unie (5) (hierna „gemeenschappelijke lijst van militaire goederen” genoemd) zijn opgenomen, of in verband met het leveren, vervaardigen, onderhouden en gebruiken van op die lijst opgenomen goederen, aan personen, entiteiten of lichamen in Syrië of voor gebruik in Syrië;

b)

het direct of indirect verlenen van technische bijstand of tussenhandeldiensten in verband met in de bijlagen I en IA opgenomen apparatuur, goederen of technologie die voor binnenlandse repressie zouden kunnen worden gebruikt, aan personen, entiteiten of lichamen in Syrië of voor gebruik in Syrië;

c)

het direct of indirect verlenen van financiering of financiële bijstand in verband met goederen en technologie die op de gemeenschappelijke lijst van militaire goederen of in bijlage I zijn opgenomen, met inbegrip van in het bijzonder subsidies, leningen en exportkredietverzekering, voor de verkoop, levering, overdracht of uitvoer van deze goederen, of voor de verlening van daarmee verband houdende technische bijstand, aan personen, entiteiten of lichamen in Syrië of voor gebruik in Syrië;

d)

het bewust en opzettelijk deelnemen aan activiteiten die tot doel of tot gevolg hebben dat de onder a) tot en met c) bedoelde verbodsbepalingen worden omzeild.

2.   In afwijking van het bepaalde in lid 1 zijn de daarin opgenomen verbodsbepalingen niet van toepassing op de verlening van technische bijstand, financiering en financiële bijstand in verband met:

technische bijstand die alleen is bedoeld voor steun aan de Troepenmacht van de Verenigde Naties voor het toezicht op het troepenscheidingsakkoord (UNDOF),

niet-dodelijke militaire apparatuur, alsmede apparatuur die kan worden gebruikt voor binnenlandse repressie, die uitsluitend is bedoeld voor humanitair of beschermend gebruik, of voor programma’s voor institutionele opbouw van de VN en de Unie, of voor crisisbeheersingsoperaties van de Unie en de VN, of

andere voertuigen dan gevechtsvoertuigen die zijn uitgerust met materiaal dat bescherming biedt tegen kogels en die uitsluitend bestemd zijn voor de bescherming van personeel van de EU en haar lidstaten in Syrië,

mits dergelijke verlening van bijstand vooraf is goedgekeurd door de bevoegde autoriteit van een lidstaat, als genoemd op de websites die zijn vermeld in bijlage III.

3.   In afwijking van lid 1, onder b), kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, als genoemd op de websites die in bijlage III worden vermeld, op door hen passend geachte voorwaarden toestemming verlenen voor technische bijstand of tussenhandelsdiensten in verband met apparatuur, goederen of technologie opgenomen in bijlage IA, op voorwaarde dat de apparatuur, goederen of technologie bestemd zijn voor voedselvoorziening, landbouw, medische zorg of andere humanitaire doeleinden.

De betrokken lidstaat zal de andere lidstaten en de Commissie op de hoogte brengen van elke op grond van de eerste alinea verleende toestemming, binnen vier weken nadat de toestemming is verleend.

4.   Een voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit van de lidstaat in kwestie, als genoemd op de websites die in bijlage III worden vermeld, is vereist voor de verstrekking van het volgende:

a)

technische bijstand of tussenhandeldiensten in verband met apparatuur, goederen of technologie genoemd in bijlage IX en in verband met de levering, de vervaardiging, het onderhoud of het gebruik van deze apparatuur, goederen of technologie, direct of indirect, aan personen, entiteiten of lichamen in Syrië of voor gebruik in Syrië;

b)

financiering of financiële bijstand in verband met goederen en technologie genoemd in bijlage IX, met inbegrip van subsidies, leningen en exportkredietverzekering, voor de verkoop, levering, overdracht of uitvoer van dergelijke goederen of technologie, of voor de verlening van daarmee verband houdende technische bijstand, aan personen, entiteiten of lichamen in Syrië of bestemd voor gebruik in Syrië.

De bevoegde autoriteiten van de lidstaten verlenen geen toestemming voor de transacties bedoeld in de eerste alinea indien zij redelijke gronden hebben om aan te nemen dat die transacties bedoeld zijn of kunnen zijn om bij te dragen aan binnenlandse repressie dan wel voor de vervaardiging of het onderhoud van producten die voor binnenlandse repressie zouden kunnen worden gebruikt.

3)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 11 ter

1.   Er geldt een verbod op:

a)

de directe of indirecte verkoop, levering, overdracht aan of uitvoer naar Syrië van de in bijlage X opgenomen luxegoederen;

b)

de bewuste en opzettelijke deelneming aan activiteiten die ertoe strekken of die tot gevolg hebben, direct of indirect, dat de onder a) bedoelde verbodsbepaling wordt omzeild.

2.   In afwijking van lid 1, onder a), geldt het verbod niet voor niet-commerciële goederen voor persoonlijk gebruik die deel uitmaken van de bagage van reizigers.”.

Artikel 2

De tekst in bijlage I bij deze verordening wordt als bijlage IA toegevoegd aan Verordening (EU) nr. 36/2012.

Artikel 3

De tekst in bijlage II bij deze verordening wordt als bijlage IX toegevoegd aan Verordening (EU) nr. 36/2012.

Artikel 4

De tekst in bijlage III bij deze verordening wordt als bijlage X toegevoegd aan Verordening (EU) nr. 36/2012.

Artikel 5

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Luxemburg, 15 juni 2012.

Voor de Raad

De voorzitter

M. LIDEGAARD


(1)  PB L 319 van 2.12.2011, blz. 56.

(2)  PB L 16 van 19.1.2012, blz. 1.

(3)  PB L 110 van 24.4.2012, blz. 36

(4)  PB L 134 van 29.5.2009, blz. 1”.

(5)  PB C 86 van 18.3.2011, blz. 1.”.


BIJLAGE I

„BIJLAGE Ia

LIJST VAN APPARATUUR, GOEDEREN EN TECHNOLOGIE ALS BEDOELD IN ARTIKEL 2 bis

DEEL I

Inleiding

1.

Dit deel omvat goederen, programmatuur en technologie opgenomen in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 428/2009 (1).

2.

Tenzij anders is aangegeven, verwijzen de referentienummers in de kolom „Nummer” hierna naar het nummer in de controlelijst en verwijst de kolom „Beschrijving” hierna naar de beschrijvingen van producten voor tweeërlei gebruik in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 428/2009.

3.

De definitie van termen tussen ‧enkele aanhalingstekens‧ wordt gegeven in een technische aantekening bij de betrokken post.

4.

De definitie van termen tussen „dubbele aanhalingstekens” kan worden gevonden in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 428/2009.

Algemene aantekeningen

1.

De doelstelling van de controle op de uitvoer van de goederen, vermeld in deze bijlage, mag niet worden omzeild door de uitvoer van niet aan vergunningsplicht onderworpen goederen (met inbegrip van fabrieken) die een of meer aan vergunningsplicht onderworpen onderdelen bevatten, als deze onderdelen het voornaamste element van de goederen vormen en gemakkelijk kunnen worden verwijderd of voor andere doeleinden worden aangewend.

Aantekening:

Bij de beoordeling van de vraag of het aan vergunningsplicht onderworpen onderdeel/de aan vergunningsplicht onderworpen onderdelen als voornaamste element dient/dienen te worden aangemerkt, dienen factoren als hoeveelheid, waarde en technologische knowhow alsmede andere bijzondere omstandigheden op grond waarvan het aan vergunningsplicht onderworpen onderdeel/de aan vergunningsplicht onderworpen onderdelen als voornaamste element van de geleverde goederen kan/kunnen worden aangemerkt, een rol te spelen.

2.

Met goederen worden in deze bijlage zowel nieuwe als gebruikte goederen bedoeld.

Algemene technologienoot (ATN)

(Te lezen in samenhang met sectie B van dit deel)

1.

De verkoop, levering, overdracht of uitvoer van „technologie” die „noodzakelijk” is voor de „ontwikkeling”, de „productie” of het „gebruik” van goederen waarvan de verkoop, levering, overdracht of uitvoer in de secties A, B, C en D van dit deel aan een vergunningsplicht is onderworpen, is op grond van de bepalingen van sectie E aan een vergunningsplicht onderworpen.

2.

„Technologie” die „noodzakelijk” is voor de „ontwikkeling”, de „productie” of het „gebruik” van aan een vergunningsplicht onderworpen goederen, is ook aan een vergunningsplicht onderworpen als deze technologie wordt toegepast op niet aan een vergunningsplicht onderworpen goederen.

3.

De vergunningsplicht geldt niet voor de minimaal noodzakelijke „technologie” voor installatie, bediening, onderhoud (controle) en reparatie van goederen die niet aan een vergunningsplicht zijn onderworpen of waarvan de uitvoer op grond van deze verordening is toegestaan.

4.

De vergunningsplicht voor de overdracht van „technologie” is niet van toepassing op informatie die „voor iedereen beschikbaar” is, op „fundamenteel wetenschappelijk onderzoek” en op de voor octrooiaanvragen noodzakelijke minimuminformatie.

A.   APPARATUUR

Nummer

Omschrijving

I.B.1A004

Beschermings- en detectieapparatuur en onderdelen daarvan die niet onder de lijst militaire goederen vallen, als hieronder:

a)

gasmaskers, filterbussen en decontaminatieapparatuur daarvoor die zijn ontworpen of aangepast met het oog op bescherming tegen één of meer van de onderstaande stoffen, alsmede speciaal daarvoor ontworpen onderdelen:

1.

biologische stoffen „aangepast voor gebruik in oorlogssituaties”;

2.

radioactief materiaal „aangepast voor gebruik in oorlogssituaties”;

3.

stoffen voor chemische oorlogvoering, of

4.

„stoffen voor oproerbeheersing”, met inbegrip van:

a)

α-broombenzeenacetonitril (broombenzylcyanide) (CA) (CAS 5798-79-8);

b)

[(2-chloorfenyl) methyleen] propaandinitril, (o-chloorbenzylideenmalononitril) (CS) (CAS 2698-41-1);

c)

2-chloor-1-fenylethanon, fenylacylchloride (ω-chlooracetofenon) (CN) (CAS 532-27-4);

d)

dibenz-(b,f)-1,4-oxazefine (CR) (CAS 257-07-8);

e)

10-chloor-5,10-dihydrophenarsazine, (phenarsazinechloride), (adamsiet), (DM) (CAS578-94-9);

f)

N-nonanoylmorfoline, (MPA) (CAS 5299-64-9);

b)

beschermingspakken, -handschoenen en -schoenen die speciaal zijn ontworpen of aangepast met het oog op bescherming tegen één of meer van de onderstaande stoffen:

1.

biologische agentia „aangepast voor gebruik in oorlogssituaties”;

2.

radioactief materiaal „aangepast voor gebruik in oorlogssituaties”, of

3.

stoffen voor chemische oorlogvoering;

c)

detectieapparatuur, speciaal ontworpen of aangepast voor de detectie of identificatie van de volgende stoffen of middelen, en speciaal ontworpen onderdelen daarvoor:

1.

biologische agentia „aangepast voor gebruik in oorlogssituaties”;

2.

radioactief materiaal „aangepast voor gebruik in oorlogssituaties”, of

3.

stoffen voor chemische oorlogvoering;

d)

elektronische apparatuur die ontworpen is voor de automatische opsporing van resten van „springstoffen” dan wel het vaststellen van hun aanwezigheid, waarbij ‧sporendetectie‧ technieken worden gebruikt (bv. akoestische oppervlaktegolven, ionenmobiliteitspectrometrie, massaspectrometrie).

Technische aantekening:

onder ‧sporendetectie‧ wordt verstaan het vermogen om minder dan 1 ppm gas of 1 mg vaste of vloeibare stof te detecteren.

Aantekening 1:

1A004.d. is niet van toepassing op speciaal voor laboratoria ontworpen controleapparatuur.

Aantekening 2:

1A004.d. is niet van toepassing op doorloopveiligheidspoorten zonder lichamelijk contact.

Aantekening:

1A004 is niet van toepassing op:

a)

individuele dosismeters voor stralingscontrole;

b)

uitrusting die door haar ontwerp of functie beperkt is tot bescherming tegen risico’s die eigen zijn aan woonwijken en civiele industriesectoren, zoals:

1.

mijnbouw;

2.

steengroeven;

3.

landbouw;

4.

farmaceutische industrie;

5.

geneeskunde;

6.

diergeneeskunde;

7.

milieu;

8.

afvalbeheer,

9.

voedingsindustrie.

Technische aantekeningen:

1A004 omvat uitrusting en bestanddelen die zijn geïdentificeerd, met succes zijn getoetst aan nationale normen of waarvan op een andere manier de doeltreffendheid is bewezen, wat betreft de detectie van of de bescherming tegen radioactief materiaal „aangepast voor gebruik in oorlogssituaties”, biologische agentia „aangepast voor gebruik in oorlogssituaties”, stoffen voor chemische oorlogvoering, ‧simulanten‧ of „stoffen voor oproerbeheersing”, zelfs wanneer die uitrusting of bestanddelen gebruikt worden in civiele industriesectoren, zoals mijnbouw, steengroeven, landbouw, de farmaceutische, medische, diergeneeskundige, milieu-, afvalbeheer- en voedingsindustrie.

‧Simulanten‧ zijn stoffen of materialen die bij opleiding, onderzoek, tests of evaluaties worden gebruikt in de plaats van toxische (chemische of biologische) stoffen.

I.B.9A012

„Onbemande luchtvaartuigen”, aanverwante systemen, apparatuur en onderdelen, als hieronder:

a)

onbemande luchtvaartuigen met een of meer van de volgende kenmerken:

1.

een autonoom vluchtcontrole- en navigatievermogen (bv. een automatische piloot met een traagheidsnavigatiesysteem), of

2.

vermogen tot vluchtcontrole buiten het directe-zichtbereik met gebruikmaking van een menselijke operator (bv. controle op afstand via televisie);

b)

aanverwante systemen, apparatuur en onderdelen, als hieronder:

1.

apparatuur die speciaal is ontworpen voor controle op afstand van de onder 9A012.a vermelde onbemande luchtvaartuigen;

2.

andere dan onder 7A van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 428/2009 vermelde systemen voor navigatie, standregeling, geleiding of besturing, die speciaal zijn ontworpen om de onder 9A012.a vermelde onbemande luchtvaartuigen uit te rusten met een autonoom vluchtcontrole- of navigatievermogen;

3.

apparatuur en onderdelen die speciaal zijn ontworpen om een bemand luchtvaartuig te converteren in een onbemand luchtvaartuig als vermeld onder 9A012.a;

4.

atmosferische zuiger- of rotatiemotoren met interne verbranding, speciaal ontworpen of aangepast voor de voortstuwing van „onbemande luchtvaartuigen” op een hoogte van meer dan 50 000 voet (15 240 m).

I.B.9A350

Spuit- of vernevelsystemen, speciaal ontworpen of aangepast voor bevestiging aan vliegtuigen, „lichter-dan-luchttoestellen” of onbemande luchtvaartuigen, en speciaal daarvoor ontworpen onderdelen, als hieronder:

 

complete spuit- of vernevelsystemen die, vertrekkend van een vloeibare suspensie, initiële druppels met een ‧VMD‧ van minder dan 50 μm bij een doorstroomsnelheid van meer dan twee liter per minuut kunnen voortbrengen;

 

spuitbomen of reeksen aërosolproducerende eenheden die, vertrekkend van een vloeibare suspensie, initiële druppels met een ‧VMD‧ van minder dan 50 μm bij een doorstroomsnelheid van meer dan twee liter per minuut kunnen voortbrengen;

 

aërosolproducerende eenheden speciaal ontworpen om te worden bevestigd aan systemen bedoeld in 9A350.a. en 9A350.b.

Aantekening:

Aërosolproducerende eenheden zijn voorzieningen die speciaal zijn ontworpen of aangepast om aan vliegtuigen te worden bevestigd, zoals spuitdoppen, verstuivers met roterende trommel en soortgelijke voorzieningen.

Aantekening:

9A350 is niet van toepassing op spuit- of vernevelsystemen en onderdelen daarvan waarvan is aangetoond dat ze geen biologische agentia in de vorm van infectieuze aërosolen kunnen voortbrengen.

1.

de druppelgrootte voor spuitsystemen of spuitdoppen speciaal ontworpen voor gebruik op vliegtuigen, „lichter-dan-luchttoestellen” of onbemande luchtvaartuigen moet worden gemeten met een van de volgende methoden:

a)

Doppler-lasermethode;

b)

voorwaartse-laserdiffractiemethode;

2.

in 9A350 wordt onder ‧VMD‧ verstaan „Volume Median Diameter” (volume mediane diameter); voor op water gebaseerde systemen is deze gelijk aan de „Mass Median Diameter” (MMD) (massa mediane diameter).

B.   TEST- EN PRODUCTIEAPPARATUUR

Nummer

Omschrijving

I.B.2B350

Chemische productieapparatuur en onderdelen daarvan, als hieronder:

a)

reactorvaten of reactors, met of zonder roerwerk, met een totaal inwendig (geometrisch) volume van meer dan 0,1 m3 (100 liter) en minder dan 20 m3 (20 000 liter), waarvan alle oppervlakken die in direct contact komen met de chemicaliën die worden verwerkt of zijn opgeslagen, gemaakt zijn van een of meer van de volgende materialen:

1.

‧legeringen‧ met meer dan 25 gewichtspercenten nikkel en meer dan 20 gewichtspercenten chroom;

2.

fluorpolymeren (polymere of elastomere materialen die meer dan 35 gewichtspercenten fluor bevatten);

3.

glas, met inbegrip van verglaasde of geëmailleerde lagen of glasbekleding („lining”);

4.

nikkel of ‧legeringen‧ die meer dan 40 gewichtspercenten nikkel bevatten;

5.

tantaal of ‧legeringen‧ ervan;

6.

titaan of ‧legeringen‧ ervan;

7.

zirkonium of ‧legeringen‧ ervan, of

8.

niobium (columbium) of ‧legeringen‧ ervan;

b)

roerwerken voor gebruik in reactorvaten of reactors als aangegeven in 2B350.a, en voor gebruik in dergelijke roerwerken ontworpen schoepen, bladen en assen, waarvan alle oppervlakken die in direct contact komen met de chemicaliën die worden verwerkt of zijn opgeslagen, gemaakt zijn van een of meer van de volgende materialen:

1.

‧legeringen‧ met meer dan 25 gewichtspercenten nikkel en meer dan 20 gewichtspercenten chroom;

2.

fluorpolymeren (polymere of elastomere materialen die meer dan 35 gewichtspercenten fluor bevatten);

3.

glas, met inbegrip van verglaasde of geëmailleerde lagen of glasbekleding („lining”);

4.

nikkel of ‧legeringen‧ die meer dan 40 gewichtspercenten nikkel bevatten;

5.

tantaal of ‧legeringen‧ ervan;

6.

titaan of ‧legeringen‧ ervan;

7.

zirkonium of ‧legeringen‧ ervan, of

8.

niobium (columbium) of ‧legeringen‧ ervan;

c)

opslagtanks en vaten met een totaal inwendig (geometrisch) volume van meer dan 0,1 m3 (100 l), waarvan alle oppervlakken die in direct contact komen met de chemicaliën die worden verwerkt of zijn opgeslagen, gemaakt zijn van een of meer van de volgende materialen:

1.

‧legeringen‧ met meer dan 25 gewichtspercenten nikkel en meer dan 20 gewichtspercenten chroom;

2.

fluorpolymeren (polymere of elastomere materialen die meer dan 35 gewichtspercenten fluor bevatten);

3.

glas, met inbegrip van verglaasde of geëmailleerde lagen of glasbekleding („lining”);

4.

nikkel of ‧legeringen‧ die meer dan 40 gewichtspercenten nikkel bevatten;

5.

tantaal of ‧legeringen‧ ervan;

6.

titaan of ‧legeringen‧ ervan;

7.

zirkonium of ‧legeringen‧ ervan, of

8.

niobium (columbium) of ‧legeringen‧ ervan;

d)

warmtewisselaars of condensors met een warmte-uitwisseloppervlak van meer dan 0,15 m2 en minder dan 20 m2, en voor gebruik in dergelijke warmtewisselaars of condensors ontworpen buizen, platen, spoelen of blokken (kernen), waarvan alle oppervlakken die in direct contact komen met de chemicaliën die worden verwerkt, gemaakt zijn van een of meer van de volgende materialen:

1.

‧legeringen‧ met meer dan 25 gewichtspercenten nikkel en meer dan 20 gewichtspercenten chroom;

2.

fluorpolymeren (polymere of elastomere materialen die meer dan 35 gewichtspercenten fluor bevatten);

3.

glas, met inbegrip van verglaasde of geëmailleerde lagen of glasbekleding („lining”);

4.

grafiet of „koolstofgrafiet”;

5.

nikkel of ‧legeringen‧ die meer dan 40 gewichtspercenten nikkel bevatten;

6.

tantaal of ‧legeringen‧ ervan;

7.

titaan of ‧legeringen‧ ervan;

8.

zirkonium of ‧legeringen‧ ervan;

9.

siliciumcarbide;

10.

titaancarbide; of

11.

niobium (columbium) of ‧legeringen‧ ervan;

e)

distillatiekolommen of absorptiekolommen met een inwendige diameter van meer dan 0,1 m, en voor gebruik in dergelijke distillatiekolommen of absorptiekolommen ontworpen vloeistofverdelers, dampverdelers of vloeistofcollectoren, waarvan alle oppervlakken die in direct contact komen met de chemicaliën die worden verwerkt, gemaakt zijn van een of meer van de volgende materialen:

1.

‧legeringen‧ met meer dan 25 gewichtspercenten nikkel en meer dan 20 gewichtspercenten chroom;

2.

fluorpolymeren (polymere of elastomere materialen die meer dan 35 gewichtspercenten fluor bevatten);

3.

glas, met inbegrip van verglaasde of geëmailleerde lagen of glasbekleding („lining”);

4.

grafiet of ‧koolstofgrafiet‧;

5.

nikkel of ‧legeringen‧ die meer dan 40 gewichtspercenten nikkel bevatten;

6.

tantaal of ‧legeringen‧ ervan;

7.

titaan of ‧legeringen‧ ervan;

8.

zirkonium of ‧legeringen‧ ervan, of

9.

niobium (columbium) of ‧legeringen‧ ervan;

f)

op afstand bedienbare vulapparatuur waarvan alle oppervlakken die in direct contact komen met de chemicaliën die worden verwerkt, gemaakt zijn van een of meer van de volgende materialen:

1.

‧legeringen‧ met meer dan 25 gewichtspercenten nikkel en meer dan 20 gewichtspercenten chroom, of

2.

nikkel of ‧legeringen‧ die meer dan 40 gewichtspercenten nikkel bevatten;

g)

kleppen met een ‧nominale afmeting‧ van meer dan 10 mm en de voor die kleppen ontworpen omhulsels (klephuizen) of voorgevormde binnenbekledingen, waarvan alle oppervlakken die in direct contact komen met de chemicaliën die worden verwerkt of zijn opgeslagen, gemaakt zijn van een of meer van de volgende materialen:

1.

‧legeringen‧ met meer dan 25 gewichtspercenten nikkel en meer dan 20 gewichtspercenten chroom;

2.

fluorpolymeren (polymere of elastomere materialen die meer dan 35 gewichtspercenten fluor bevatten);

3.

glas, met inbegrip van verglaasde of geëmailleerde lagen of glasbekleding („lining”);

4.

nikkel of ‧legeringen‧ die meer dan 40 gewichtspercenten nikkel bevatten;

5.

tantaal of ‧legeringen‧ ervan;

6.

titaan of ‧legeringen‧ ervan;

7.

zirkonium of ‧legeringen‧ ervan;

8.

niobium (columbium) of ‧legeringen‧ ervan, of

9.

onderstaand keramisch materiaal:

a)

siliciumcarbide met een zuiverheidsgraad van 80 gewichtspercenten of meer;

b)

aluminiumoxide (alumina) met een zuiverheidsgraad van 99,9 gewichtspercenten of meer;

c)

zirkoniumoxide (zirconia);

Technische aantekening:

onder ‧nominale afmeting‧ wordt verstaan de kleinste diameter van de inlaat- en uitlaatopeningen.

h)

meerwandige buizen met een lektestaansluiting, waarvan alle oppervlakken die in direct contact komen met de chemicaliën die worden verwerkt of zijn opgeslagen, gemaakt zijn van een of meer van de volgende materialen:

1.

‧legeringen‧ met meer dan 25 gewichtspercenten nikkel en meer dan 20 gewichtspercenten chroom;

2.

fluorpolymeren (polymere of elastomere materialen die meer dan 35 gewichtspercenten fluor bevatten);

3.

glas, met inbegrip van verglaasde of geëmailleerde lagen of glasbekleding („lining”);

4.

grafiet of ‧koolstofgrafiet‧;

5.

nikkel of ‧legeringen‧ die meer dan 40 gewichtspercenten nikkel bevatten;

6.

tantaal of ‧legeringen‧ ervan;

7.

titaan of ‧legeringen‧ ervan;

8.

zirkonium of ‧legeringen‧ ervan, of

9.

niobium (columbium) of ‧legeringen‧ ervan;

i)

pompen met meervoudige afdichting en pompen zonder afdichting, met door de fabrikant opgegeven maximale pompsnelheid van meer dan 0,6 m3 per uur, of vacuümpompen met door de fabrikant opgegeven maximale pompsnelheid van meer dan 5 m3 per uur bij standaardtemperatuur (273 K (0 °C)) en druk (101,3 kPa), en voor gebruik in dergelijke pompen ontworpen omhulsels (pomphuizen), voorgevormde binnenbekledingen, schoepen, vleugelraderen of straalpompverdeelstukken, waarvan alle oppervlakken die in direct contact komen met de chemicaliën die worden verwerkt, gemaakt zijn van een of meer van de volgende materialen:

1.

‧legeringen‧ met meer dan 25 gewichtspercenten nikkel en meer dan 20 gewichtspercenten chroom;

2.

keramische materialen;

3.

ferrosilicium (ijzerlegeringen met een hoog siliciumgehalte);

4.

fluorpolymeren (polymere of elastomere materialen die meer dan 35 gewichtspercenten fluor bevatten);

5.

glas, met inbegrip van verglaasde of geëmailleerde lagen of glasbekleding („lining”);

6.

grafiet of ‧koolstofgrafiet‧;

7.

nikkel of ‧legeringen‧ die meer dan 40 gewichtspercenten nikkel bevatten;

8.

tantaal of ‧legeringen‧ ervan;

9.

titaan of ‧legeringen‧ ervan;

10.

zirkonium of ‧legeringen‧ ervan, of

11.

niobium (columbium) of ‧legeringen‧ ervan;

j)

verbrandingsovens ontworpen om chemicaliën bedoeld in 1C350 te vernietigen, met speciaal ontworpen afvaltoevoersystemen en speciale transportfaciliteiten en een gemiddelde verbrandingskamertemperatuur van meer dan 1 273 K (1 000 °C), waarvan alle oppervlakken van het afvaltoevoersysteem die in direct contact komen met de afvalproducten, gemaakt zijn van of bekleed zijn met een of meer van de volgende materialen:

1.

‧legeringen‧ met meer dan 25 gewichtspercenten nikkel en meer dan 20 gewichtspercenten chroom;

2.

keramische materialen, of

3.

nikkel of ‧legeringen‧ die meer dan 40 gewichtspercenten nikkel bevatten.

1.

‧koolstofgrafiet‧ is een composiet bestaande uit amorf koolstof en grafiet, met 8 of meer gewichtspercenten grafiet.

2.

Voor de hierboven opgesomde materialen wordt onder ‧legeringen‧ — voor zover de term niet vergezeld gaat van een specifieke concentratie van een chemisch element — verstaan, legeringen waarin het geïdentificeerde metaal in een hoger gewichtspercent dan enig ander element aanwezig is.

I.B.2B351

Andere dan in 1A004 bedoelde controleapparatuur voor giftige gassen en de speciaal daarvoor ontworpen detectieonderdelen ervan, als hieronder, en detectoren; sensoren; en vervangbare sensorpatronen daarvoor:

a)

geschikt om in continubedrijf chemische strijdgassen of chemische stoffen als bedoeld in 1C350 waar te nemen bij concentraties van minder dan 0,3 milligram per m3 lucht, of

b)

geschikt om cholinesteraseremmende werking waar te nemen.

I.B.2B352

Uitrusting, geschikt voor het manipuleren van biologische stoffen, als hieronder:

a)

complete installaties met fysische inperking van de klassen P3 en P4;

Technische aantekening:

P3- en P4- (BL3, BL4, L3, L4) inperkingsniveaus zijn gespecificeerd in de WHO Laboratory Biosafety Manual (3e editie, Genève 2004).

b)

fermentoren, geschikt voor het kweken van pathogene „micro-organismen” of virussen of de productie van „toxinen”, zonder aërosolvorming, met een totale capaciteit van 20 liter of meer;

Technische aantekening:

Fermentoren omvatten bioreactoren, chemostaten en continustroomsystemen.

c)

centrifuges, geschikt voor continu scheiden zonder aërosolvorming, met alle volgende kenmerken:

1.

een doorstroomsnelheid van meer dan 100 liter per uur;

2.

met componenten gemaakt van gepolijst roestvrij staal of titaan;

3.

met een of meer koppelingen binnen het met stoom steriliseerbare compartiment, alsmede

4.

geschikt voor in-situ-stoomsterilisatie in afgesloten toestand;

Technische aantekening:

Met centrifuges worden ook bedoeld decanteerflessen.

d)

dwars- (tangentiële) stroomfiltratieapparatuur en onderdelen, als hieronder:

1.

dwars- (tangentiële) stroomfiltratieapparatuur geschikt voor het scheiden van pathogene micro-organismen, virussen, toxines of celculturen zonder aërosolvorming, met alle volgende kenmerken:

a)

een totaal filteroppervlak van 1 m2 of meer; alsmede

b)

met een van de volgende kenmerken:

1.

in-situ gesteriliseerd of gedesinfecteerd kunnen worden, of

2.

filteronderdelen zijn wegwerpbaar of slechts voor eenmalig gebruik.

Technische aantekening:

In 2B352.d.1.b. slaat gesteriliseerd op het verwijderen van alle levensvatbare bacteriën uit de apparatuur door middel van fysieke (bv. stoom) of chemische agentia. Gedesinfecteerd betekent dat iedere mogelijke bacteriële infectiviteit in de apparatuur door middel van chemische agentia met een kiemdodende werking volledig is uitgeschakeld. Desinfectie en sterilisatie zijn te onderscheiden van reiniging, waarmee schoonmaakprocédés worden bedoeld die het bacteriële gehalte van de apparatuur verminderen zonder de bacteriële infectiviteit of levensvatbaarheid noodzakelijkerwijze volledig uit te schakelen.

2.

onderdelen van dwars- (tangentiële) stroomfiltratieapparatuur (bv. modules, elementen, cassettes, patronen, eenheden of platen) met een filteroppervlak van 0,2 m2 of meer voor ieder onderdeel en bedoeld voor gebruik in de in 2B352 vermelde dwars- (tangentiële) stroomfiltratieapparatuur.

Aantekening:

In 2B352.d wordt niet bedoeld apparatuur voor omgekeerde osmose, zoals gespecificeerd door de fabrikant.

e)

vriesdroogapparatuur, geschikt voor stoomsterilisatie en met een condensorcapaciteit van meer dan 10 kg ijs per 24 uur en minder dan 1 000 kg ijs per 24 uur;

f)

beschermings- of insluitingsmiddelen, als hieronder:

1.

pakken van het type waarbij het lichaam geheel of half wordt omsloten, of van een externe luchttoevoer afhankelijke getuide, onder positieve druk werkende afzuigkappen

Aantekening:

Pakken die zijn ontworpen om met onafhankelijke ademhalingsapparatuur te worden gedragen, vallen niet onder 2B352.f.1.

2.

biologische veiligheidskasten van klasse III of isolerende systemen met soortgelijke werkingsnormen;

Aantekening:

De isolerende systemen in 2B352.f.2 omvatten flexibele isolatoren, droge kasten, anaërobe kamers, handschoenkasten en afzuigkappen met laminaire stroming.(gesloten met verticale stroming).

g)

aërosol-inhalatiekamers ontworpen voor immuniteitsonderzoek met „micro-organismen”, virussen of „toxinen” met een capaciteit van 1 m3 of meer.

C.   MATERIALEN

Nummer

Omschrijving

I.B.1C350

Chemische stoffen, geschikt voor het vervaardigen van toxische stoffen, als hieronder, en „chemische mengsels” die een of meer van deze stoffen bevatten:

Aantekening:

ZIE OOK DE LIJST MILITAIRE GOEDEREN EN 1C450.

1.

thiodiglycol (111-48-8);

2.

fosforoxychloride (10025-87-3);

3.

dimethylmethylfosfonaat (756-79-6);

4.

ZIE LIJST VAN MILITAIRE GOEDEREN VOOR

Methylfosfonyldifluoride (676-99-3);

5.

methylfosfonyldichloride (676-97-1);

6.

dimethylfosfiet (DMP) (868-85-9);

7.

fosfortrichloride (7719-12-2);

8.

trimethylfosfiet (TMP) (121-45-9);

9.

thionylchloride (7719-09-7);

10.

3-Hydroxy1-methylpiperidine (3554-74-3);

11.

N,N-Diisopropylaminoethylchloride (96-79-7);

12.

N,N-Diisopropyl-(beta)-aminoethaanthiol (5842-07-9);

13.

chinuclidine-3-ol (1619-34-7);

14.

kaliumfluoride (7789-23-3);

15.

2-chloorethanol (107-07-3);

16.

dimethylamine (124-40-3);

17.

diethylethylfosfonaat (78-38-6);

18.

diethyl-N, N-dimethylfosforamidaat (2404-03-7);

19.

diethylfosfiet (762-04-9);

20.

dimethylamine hydrochloride (506-59-2);

21.

dichloorethylfosfine (1498-40-4);

22.

ethylfosfonyldichloride (1066-50-8);

23.

ZIE LIJST VAN MILITAIRE GOEDEREN VOOR

Ethylfosfonyldifluoride (753-98-0);

24.

waterstoffluoride (7664-39-3);

25.

methylbenzilaat (76-89-1);

26.

dichloormethylfosfine (676-83-5);

27.

N,N-Diisopropyl-(beta)-aminoethanol (96-80-0);

28.

pinacolylalcohol (464-07-3);

29.

ZIE LIJST VAN MILITAIRE GOEDEREN VOOR

O-Ethyl-2-diisopropylaminoethyl-methylfosfoniet (QL) (57856-11-8);

30.

triethylfosfiet (122-52-1);

31.

arseentrichloride (7784-34-1);

32.

benzilzuur (76-93-7);

33.

diethylmethylfosfoniet (15715-41-0);

34.

dimethylethylfosfonaat (6163-75-3);

35.

difluorethylfosfine (430-78-4);

36.

difluormethylfosfine (753-59-3);

37.

chinuclidine-3-on (3731-38-2);

38.

fosforpentachloride (10026-13-8);

39.

pinacolon (75-97-8);

40.

kaliumcyanide (151-50-8);

41.

kaliumbifluoride (7789-29-9);

42.

ammoniumbifluoride (1341-49-7);

43.

natriumfluoride (7681-49-4);

44.

natriumbifluoride (1333-83-1);

45.

natriumcyanide (143-33-9);

46.

triethanolamine (102-71-6);

47.

fosforpentasulfide (1314-80-3);

48.

diisopropylamine (108-18-9);

49.

diethylaminoethanol (100-37-8);

50.

natriumsulfide (1313-82-2);

51.

zwavelmonochloride (10025-67-9);

52.

zwaveldichloride (10545-99-0);

53.

triethanolamine hydrochloride (637-39-8);

54.

N,N-diisopropyl-(Beta)-aminoethylchloride hydrochloride (4261-68-1);

55.

methylfosfonzuur (993-13-5);

56.

diethylethylfosfonaat (683-08-9);

57.

N,N-dymethylaminofosforyldichloride (677-43-0);

58.

tri-isopropylfosfiet (116-17-6);

59.

ethyldiethanolamine (139-87-7);

60.

O,O-diethylfosforothioaat (2465-65-8);

61.

O,O-diethylfosforodithioaat (298-06-6);

62.

natriumhexafluorosilicaat (16893-85-9);

63.

methylfosfonthiodichloride (676-98-2).

Aantekening 1:

Voor uitvoer naar „Staten die geen partij zijn bij het Verdrag inzake chemische wapens” worden in 1C350 niet bedoeld „chemische mengsels” die een of meer van de in de punten 1C350.1, .3, .5, .11, .12, .13, .17, .18, .21, .22, .26, .27, .28, .31, .32, .33, .34, .35, .36, .54, .55, .56, .57 en .63 vermelde chemische stoffen bevatten en waarin geen van de afzonderlijk vermelde stoffen meer dan 10 gewichtspercent van het mengsel vertegenwoordigt.

Aantekening 2:

In 1C350 worden niet bedoeld „chemische mengsels” die een of meer van de in de punten 1C350.2, .6, .7, .8, .9, .10, .14, .15, .16, .19, .20, .24, .25, .30, .37, .38, .39, .40, .41, .42, .43, .44, .45, .46, .47, .48, .49, .50, .51, .52, .53, .58, .59, .60, .61 en .62 vermelde chemische stoffen bevatten en waarin geen van de afzonderlijk vermelde stoffen meer dan 30 gewichtspercent van het mengsel vertegenwoordigt.

Aantekening 3:

In 1C350 worden niet bedoeld producten waarvan is vastgesteld dat het gaat om verpakte consumptiegoederen voor de detailhandelsverkoop voor persoonlijk gebruik of verpakte consumptiegoederen voor individueel gebruik.

I.B.1C351

Humane pathogenen, zoönosen en „toxinen”, als hieronder:

a)

virussen, natuurlijk, versterkt of gemodificeerd, in de vorm van geïsoleerde levende culturen of als materiaal met inbegrip van levend materiaal dat opzettelijk met dergelijke culturen is geïnoculeerd of besmet, als hieronder:

1.

Andesvirus;

2.

Chaparevirus;

3.

Chikungunyavirus;

4.

Choclovirus;

5.

Haemorragische-Krim-Kongokoortsvirus (CCHF-virus);

6.

Denguevirus;

7.

Dobrava-Belgradevirus;

8.

Eastern equine encefalitisvirus;

9.

Ebolavirus;

10.

Guanaritovirus;

11.

Hantaanvirus;

12.

Hendravirus (Equine-morbillivirus);

13.

Japanse-encefalitisvirus;

14.

Juninvirus;

15.

Kyasanur Forest-virus;

16.

Laguna Negra-virus;

17.

Lassavirus;

18.

Louping ill-virus;

19.

Lujovirus;

20.

Lymfocytaire-choriomeningitisvirus;

21.

Machupovirus;

22.

Marburgvirus;

23.

Apenpokkenvirus;

24.

Murray Valley-encefalitisvirus;

25.

Nipah-virus;

26.

Omsk hemorragische-koortsvirus;

27.

Oropouche-virus;

28.

Powassan-virus;

29.

Rift Valleyvirus;

30.

Rocio-virus;

31.

Sabiavirus;

32.

Seoulvirus;

33.

Sin nombre virus;

34.

Saint-Louis-encefalitisvirus;

35.

tekenencephalitisvirus (RSSE-virus);

36.

variolavirus;

37.

venezuelan equine encefalitisvirus;

38.

western equine encefalitisvirus;

39.

gele-koortsvirus;

b)

rickettsiën, natuurlijk, versterkt of gemodificeerd, in de vorm van „geïsoleerde levende culturen” of als materiaal met inbegrip van levend materiaal dat opzettelijk met dergelijke culturen is geïnoculeerd of besmet, als hieronder:

1.

coxiella burnetii;

2.

Bartonella quintana (Rochalimaea quintana, Rickettsia quintana);

3.

Rickettsia prowasecki;

4.

Rickettsia rickettsii;

c)

bacteriën, natuurlijk, versterkt of gemodificeerd, in de vorm van geïsoleerde levende culturen of als materiaal met inbegrip van levend materiaal dat opzettelijk met dergelijke culturen is geïnoculeerd of besmet, als hieronder:

1.

bacillus anthracis;

2.

brucella abortus;

3.

brucella melitensis;

4.

brucella suis;

5.

chlamydia psittaci;

6.

chlostridium botulinum;

7.

francisella tularensis;

8.

burkholderia mallei (Pseudomonas mallei);

9.

burkholderia pseudomallei (Pseudomonas pseudomallei);

10.

salmonella typhi;

11.

shigella dysenteriae;

12.

vibrio cholerae;

13.

yersinia pestis;

14.

clostridium perfringens epsilontoxine-producerende types;

15.

enterohemorragische Escherichia coli serotype O157 en andere verotoxine-producerende serotypes.

d)

„toxinen”, als hieronder, alsmede „sub-eenheden van toxinen” daarvan:

1.

botulinumtoxinen;

2.

clostridium perfringens toxinen;

3.

conotoxine;

4.

ricine;

5.

saxitoxine;

6.

shigatoxine;

7.

staphylococcus aureus toxinen;

8.

tetrodotoxine;

9.

verotoxine en shiga-achtige ribosoominactiverende proteïnen;

10.

microcystine (Cyanginosine);

11.

aflatoxinen;

12.

abrine;

13.

choleratoxine;

14.

diacetoxyscirpenol;

15.

T-2-toxine;

16.

HT-2-toxine;

17.

modeccine;

18.

volkensine;

19.

viscum album lectine 1 (Viscumine);

Aantekening:

1C351.d. is niet van toepassing op botulinum toxinen of conotoxinen als product dat aan alle navolgende criteria voldoet:

1.

het gaat om farmaceutische formules, ontwikkeld om aan de mens te worden toegediend bij de behandeling van een aandoening;

2.

zij zijn voorverpakt om als geneesmiddelen te worden verhandeld;

3.

een overheidsinstantie heeft een vergunning afgegeven om ze als geneesmiddel in de handel te brengen.

e)

schimmels, natuurlijk, versterkt of gemodificeerd, in de vorm van „geïsoleerde levende culturen” of als materiaal met inbegrip van levend materiaal dat opzettelijk met dergelijke culturen is geïnoculeerd of besmet, als hieronder:

1.

Coccidioides immitis;

2.

Coccidioides posadasii.

Aantekening:

1C351 is niet van toepassing op „vaccins” of „immunotoxinen”.

I.B.1C352

Dierpathogenen, als hieronder:

a)

virussen, natuurlijk, versterkt of gemodificeerd, in de vorm van geïsoleerde levende culturen of als materiaal met inbegrip van levend materiaal dat opzettelijk met dergelijke culturen is geïnoculeerd of besmet, als hieronder:

1.

Afrikaanse-varkenspestvirus;

2.

aviaire influenzavirus, hetzij:

a)

niet-gekarakteriseerd, of

b)

omschreven in bijlage I(2) bij Richtlijn 2005/94/EG (2) met een hoge pathogeniteitsindex, als hieronder:

1.

type A-virussen met een IVPI (intraveneuze pathogeniteitsindex) bij zes weken oude kuikens van meer dan 1,2, of

2.

type A-virussen van het subtype H5 of H7, met een genoomsequentie die codeert voor meerdere basische aminozuren aan de breukzijde van de hemaglutininemolecule en die overeenkomt met de sequentie die ook bij andere HPAI-virussen is vastgesteld, waaruit kan worden afgeleid dat de hemaglutininemolecule kan worden gesplitst door een algemene protease van de gastheer;

3.

bluetonguevirus;

4.

mond- en klauwzeervirus;

5.

geitenpokkenvirus;

6.

virus van de ziekte van Aujeszky;

7.

klassiekevarkenspestvirus;

8.

lyssavirus;

9.

virus van de ziekte van Newcastle (pseudovogelpestvirus);

10.

virus van de ziekte van kleine herkauwers;

11.

porcien enterovirus type 9 (vesiculaire-varkensziektevirus);

12.

runderpestvirus;

13.

schapenpokkenvirus;

14.

virus van de Teschenerziekte;

15.

vesiculaire-stomatitisvirus;

16.

virus van nodulaire dermatose;

17.

Afrikaanse-paardenpestvirus.

b)

mycoplasma’s, natuurlijk, versterkt of gemodificeerd, in de vorm van „geïsoleerde levende culturen” of als materiaal met inbegrip van levend materiaal dat opzettelijk met dergelijke culturen is geïnoculeerd of besmet, als hieronder:

1.

mycoplasma mycoides subtype mycoides SC (kleine kolonie);

2.

mycoplasma capricolum subtype capripneumoniae.

Aantekening:

1C352 is niet van toepassing op „vaccins”.

I.B.1C353

Genetische elementen en genetisch gemodificeerde organismen, als hieronder:

a)

genetisch gemodificeerde organismen, of genetische elementen die de nucleïnezuursequenties bevatten die de pathogeniteit bepalen van de organismen, bedoeld in 1C351.a, 1C351.b, 1C351.c, 1C351.e, 1C352 of 1C354;

b)

genetisch gemodificeerde organismen, of genetische elementen die nucleïnezuursequenties bevatten die coderen voor een van de „toxinen” bedoeld in 1C351.d of „sub-eenheden van toxinen” daarvan.

1.

Genetische elementen omvatten, onder andere, chromosomen, genomen, plasmiden, transposons en vectoren, al dan niet genetisch gemodificeerd.

2.

Onder nucleïnezuursequenties die de pathogeniteit bepalen van de micro-organismen bedoeld in 1C351.a, 1C351.b, 1C351.c, 1C351.e, 1 C352 of 1C354 wordt verstaan een voor het gespecificeerd micro-organisme specifieke sequentie

a)

die op zichzelf of via de door transcriptie of translatie ontstane producten een aanzienlijk gevaar voor de gezondheid van mensen, dieren of planten oplevert, of

b)

waarvan bekend is dat zij het vermogen versterkt van een specifiek micro-organisme, of enig organisme waarin dat micro-organisme kan worden ingebracht of anderszins geïntegreerd, om ernstige schade te berokkenen aan de gezondheid van mensen, dieren of planten.

Aantekening:

1C353 is niet van toepassing op nucleïnezuursequenties die de pathogeniteit bepalen van enterohemorragische Escherichia coli serotype O157 en andere verotoxine-producerende stammen dan die welke coderen voor verotoxine of subeenheden daarvan.

I.B.1C354

Plantpathogenen, als hieronder:

a)

virussen, natuurlijk, versterkt of gemodificeerd, in de vorm van geïsoleerde levende culturen of als materiaal met inbegrip van levend materiaal dat opzettelijk met dergelijke culturen is geïnoculeerd of besmet, als hieronder:

1.

Potato Andean latent tymovirus;

2.

Potato spindle tuber viroid;

b)

bacteriën, natuurlijk, versterkt of gemodificeerd, in de vorm van „geïsoleerde levende culturen” of als materiaal dat opzettelijk met dergelijke culturen is geïnoculeerd of besmet, als hieronder:

1.

Xanthomonas albilineans;

2.

Xanthomonas campestris pv. citri., met inbegrip van stammen, aangeduid als Xanthomonas campestris pv. citri types A, B, C, D, E of anderszins ingedeeld als Xanthomonas citri, Xanthomonas campestris pv. aurantifolia of Xanthomonas campestris pv. citrumelo;

3.

Xanthomonas oryzae pv. Oryzae (Pseudomonas campestris pv. Oryzae);

4.

Clavibacter michiganensis subsp. Sepedonicus (Corynebacterium michiganensis subsp. Sepedonicum of Corynebacterium Sepedonicum);

5.

Ralstonia solanacearum Rassen 2 en 3 (Pseudomonas solanacearum Rassen 2 en 3 of Burkholderia solanacearum Rassen 2 en 3);

c)

schimmels, natuurlijk, versterkt of gemodificeerd, in de vorm van „geïsoleerde levende culturen” of als materiaal dat opzettelijk met dergelijke culturen is geïnoculeerd of besmet, als hieronder:

1.

Colletotrichum coffeanum var. virulans (colletotrichum kahawae);

2.

Cochliobolus miyabeanus (Helminthosporium oryzae);

3.

Microcyclus ulei (syn. Dothidella ulei);

4.

Puccinia graminis (syn. Puccinia graminis f. sp. tritici);

5.

Puccinia striiformis (syn. Puccinia glumarum);

6.

Magnaporthe grisea (Pyricularia grisea/Pyricularia oryzae).

I.B.1C450

Giftige chemische stoffen en voorlopers van giftige chemische stoffen, als hieronder, en „chemische mengsels” die een of meer van deze stoffen bevatten:

Aantekening:

ZIE OOK 1C350, 1C351.d EN DE LIJST MILITAIRE GOEDEREN.

a)

Giftige chemische stoffen, als hieronder:

1.

amiton: O,O-diethyl-S-[2-(diëthylamino)ethyl]fosforothioaat (78-53-5) en de overeenkomstige gealkyleerde of geprotoneerde zouten;

2.

PFIB: 1,1,3,3,3-pentafluor-2-(trifluormethyl)-1-propeen (382-21-8);

3.

ZIE LIJST VAN MILITAIRE GOEDEREN VOOR

BZ: 3-quinuclidinylbenzilaat (6581-06-2);

4.

fosgeen: carbonyldichloride (75-44-5);

5.

chloorcyaan (506-77-4);

6.

cyaanwaterstof (74-90-8);

7.

chloorpicrine: trichloornitromethaan (76-06-2);

Aantekening 1:

Voor uitvoer naar „staten die geen partij zijn bij het Verdrag inzake chemische wapens” worden in 1C450 niet bedoeld „chemische mengsels” die een of meer van de in de punten 1C450.a.1 en .a.2 vermelde chemische stoffen bevatten en waarin geen van de afzonderlijk vermelde stoffen meer dan 1 gewichtspercent van het mengsel vertegenwoordigt.

Aantekening 2:

In 1C450 worden niet bedoeld „chemische mengsels” die een of meer van de in de punten 1C450.a.4,.a.5., .a.6 en .a.7 vermelde chemische stoffen bevatten en waarin geen van de afzonderlijk vermelde stoffen meer dan 30 gewichtspercent van het mengsel vertegenwoordigt.

Aantekening 3:

In 1C450 worden niet bedoeld producten waarvan is vastgesteld dat het gaat om verpakte consumptiegoederen voor de detailhandelverkoop voor persoonlijk gebruik of verpakte consumptiegoederen voor individueel gebruik.

b)

Voorlopers van giftige chemische stoffen, als hieronder:

1.

chemische stoffen, andere dan die welke zijn opgenomen in de Lijst van militaire goederen of in 1C350, die een fosforatoom bevatten met daaraan gebonden een methyl-, ethyl-of (normale of iso-)propylgroep maar geen andere koolstofatomen;

Aantekening:

1C450.b.1. is niet van toepassing op Fonofos: O-ethyl-S-fenylethyl-fosfonthiolthionaat (944-22-9);

2.

andere N,N-dialkyl-[methyl-, ethyl- of (normaal of iso) propyl]fosforamidodihalogeniden dan N,N-dimethylaminofosforyldichloride

Aantekening:

Zie 1C350.57 voor N,N-dimethylaminofosforyldichloride.

3.

andere dialkyl-[methyl-, ethyl- of (normaal of iso) propyl]-N,N-dialkyl-[methyl-, ethyl- of (normaal of iso) propyl]fosforamidaten dan diethyl-N,N-dimethylfosforamidaat, dat genoemd wordt in 1C350;

4.

andere N,N-dialkyl-[methyl-, ethyl- of (normaal of iso) propyl]aminoethyl-2-chloriden en overeenkomstige geprotoneerde zouten dan N,N-diisopropyl-(beta)-aminoethylchloride of N,N-diisopropyl-(beta)-amionoethylchloride — hydrochloride, die genoemd worden in 1C350;

5.

andere N,N-dialkyl-[methyl-, ethyl- of (normaal of iso) propyl]aminoethaan-2-olen en overeenkomstige geprotoneerde zouten dan N,N-diisopropyl-(beta)-aminoethanol (96-80-0), en N,N-diethylaminoethanol (100-37-8) die genoemd worden in 1C350;

Aantekening:

In 1C450.b.5. worden niet bedoeld:

a)

N,N-dimethylaminoethanol (108-01-0) en overeenkomstige geprotoneerde zouten;

b)

geprotoneerde zouten van N,N-diethylaminoethanol (100-37-8);

6.

andere N,N-dialkyl-[methyl-, ethyl- of (normaal of iso) propyl]aminoethaan-2-thiolen en overeenkomstige geprotoneerde zouten dan N,N-diisopropyl-(beta)-aminoethaanthiol, dat genoemd wordt in 1C350;

7.

Zie 1C350 voor ethyldiethanolamine (139-87-7);

8.

methyldiethanolamine (105-59-9). Noot 1:Voor uitvoer naar „Staten die geen partij zijn bij het Verdrag inzake chemische wapens” worden in 1C450 niet bedoeld „chemische mengsels” die een of meer van de in de punten 1C450.b.1, .b.2, .b.3, .b.4, .b.5 en .b.6 vermelde chemische stoffen bevatten en waarin geen van de afzonderlijk vermelde stoffen meer dan 10 gewichtspercent van het mengsel vertegenwoordigt.

Aantekening 1:

Voor uitvoer naar „staten die geen partij zijn bij het Verdrag inzake chemische wapens” worden in 1C450 niet bedoeld „chemische mengsels” die een of meer van de in de punten 1C450.b.1, .b.2,.b.3, .b.4, .b.5 en .b.6 vermelde chemische stoffen bevatten en waarin geen van de afzonderlijk vermelde stoffen meer dan 10 gewichtspercent van het mengsel vertegenwoordigt.

Aantekening 2:

In 1C450 worden niet bedoeld „chemische mengsels” die een of meer van de in punt 1C450.b.8. vermelde chemische stoffen bevatten en waarin geen van de afzonderlijk vermelde stoffen meer dan 30 gewichtspercent van het mengsel vertegenwoordigt.

Aantekening 3:

In 1C450 worden niet bedoeld producten waarvan is vastgesteld dat het gaat om verpakte consumptiegoederen voor de detailhandelverkoop voor persoonlijk gebruik of verpakte consumptiegoederen voor individueel gebruik.

D.   PROGRAMMATUUR

Nummer

Omschrijving

I.B.1D003

„Programmatuur”, speciaal ontworpen of aangepast om apparatuur de mogelijkheid te bieden de functies uit te oefenen van apparatuur bedoeld in 1A004.c. of 1A004.d.

I.B.2D351

Andere „programmatuur” dan die als bedoeld in 1D003, speciaal ontworpen voor het „gebruik” van apparatuur, bedoeld in 2B351.

I.B.9D001

„Programmatuur” die speciaal ontworpen of gewijzigd is voor de „ontwikkeling” van apparatuur of „technologie”, bedoeld in 9A012.

I.B.9D002

„Programmatuur” die speciaal ontworpen of gewijzigd is voor de „productie” van apparatuur, bedoeld in 9A012.

E.   TECHNOLOGIE

Nummer

Omschrijving

I.B.1E001

„Technologie” overeenkomstig de algemene technologienoot voor de „ontwikkeling” of „productie” van apparatuur of materialen, bedoeld in 1A004, 1C350 tot 1C354 of 1C450.

I.B.2E001

„Technologie” volgens de algemene technologienoot voor de „ontwikkeling” van apparatuur of „programmatuur”, bedoeld in 2B350, 2B351, 2B352 of 2D351.

I.B.2E002

„Technologie” overeenkomstig de algemene technologienoot voor de „productie” van apparatuur, bedoeld in 2B350, 2B351 of 2B352.

I.B.2E301

„Technologie” volgens de algemene technologienoot voor het „gebruik” van goederen, bedoeld in 2B350 t/m 2B352.

I.B.9E001

„Technologie” overeenkomstig de algemene technologienoot voor de „ontwikkeling” van apparatuur of „programmatuur”, bedoeld in 9A012 of 9A350.

I.B.9E002

„Technologie” volgens de algemene technologienoot voor de „productie” van apparatuur, bedoeld in 9A350.

I.B.9E101

„Technologie” volgens de algemene technologienoot voor de „productie” van „onbemande luchtvaartuigen”, bedoeld in 9A012.

Technische aantekening:

In 9E101.b. wordt onder ‧onbemande luchtvaartuigen‧ verstaan onbemande luchtvaartuigen met een actieradius van meer dan 300 km.

I.B.9E102

„Technologie” volgens de algemene technologienoot voor het „gebruik” van ‧onbemande luchtvaartuigen‧, bedoeld in 9A012.

Technische aantekening:

In 9E101.b. wordt onder ‧onbemande luchtvaartuigen‧ verstaan onbemande luchtvaartuigen met een actieradius van meer dan 300 km.

DEEL 2

Inleiding

1.

Tenzij anders is aangegeven, verwijzen de referentienummers in de kolom „Beschrijving” hierna naar de beschrijvingen van producten voor tweeërlei gebruik in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 428/2009.

2.

Een referentienummer in de kolom „Verwant item in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 428/2009” hierna houdt in dat de kenmerken van het in de kolom „Beschrijving” beschreven artikel buiten de parameters in de zin van de beschrijving van de desbetreffende post vallen.

3.

De definitie van termen tussen ‧enkele aanhalingstekens‧ wordt gegeven in een technische aantekening bij de betrokken post.

4.

De definitie van termen tussen „dubbele aanhalingstekens” kan worden gevonden in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 428/2009.

Algemene aantekeningen

1.

De doelstelling van de controle op de uitvoer van de goederen, vermeld in deze bijlage, mag niet worden omzeild door de uitvoer van niet aan vergunningsplicht onderworpen goederen (met inbegrip van fabrieken) die een of meer aan vergunningsplicht onderworpen onderdelen bevatten, als deze onderdelen het voornaamste element van de goederen vormen en gemakkelijk kunnen worden verwijderd of voor andere doeleinden worden aangewend.

Aantekening:

Bij de beoordeling van de vraag of het aan vergunningsplicht onderworpen onderdeel/de aan vergunningsplicht onderworpen onderdelen als voornaamste element dient/dienen te worden aangemerkt, dienen factoren als hoeveelheid, waarde en technologische knowhow alsmede andere bijzondere omstandigheden op grond waarvan het aan vergunningsplicht onderworpen onderdeel/de aan vergunningsplicht onderworpen onderdelen als voornaamste element van de geleverde goederen kan/kunnen worden aangemerkt, een rol te spelen.

2.

Met goederen worden in deze bijlage zowel nieuwe als gebruikte goederen bedoeld.

Algemene technologienoot (ATN)

(Te lezen in samenhang met sectie B van dit deel)

1.

De verkoop, levering, overdracht of uitvoer van „technologie” die „noodzakelijk” is voor de „ontwikkeling”, de „productie” of het „gebruik” van goederen waarvan de verkoop, levering, overdracht of uitvoer in I.C.A van dit deel aan een vergunningsplicht is onderworpen, is op grond van de bepalingen van sectie I.C.B van dit deel aan een vergunningsplicht onderworpen.

2.

„Technologie” die „noodzakelijk” is voor de „ontwikkeling”, de „productie” of het „gebruik” van aan een vergunningsplicht onderworpen goederen, is ook aan een vergunningsplicht onderworpen als deze technologie wordt toegepast op niet aan een vergunningsplicht onderworpen goederen.

3.

De vergunningsplicht geldt niet voor de minimaal noodzakelijke „technologie” voor installatie, bediening, onderhoud en (controle) reparatie van goederen die niet worden gecontroleerd of waarvan de uitvoer op grond van deze verordening is toegestaan.

4.

De vergunningsplicht voor de overdracht van „technologie” is niet van toepassing op informatie die „voor iedereen beschikbaar” is, op „fundamenteel wetenschappelijk onderzoek” en op de voor octrooiaanvragen noodzakelijke minimuminformatie.

I.C.A.   GOEDEREN

(Materialen en chemicaliën)

Nummer

Omschrijving

Verwant item in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 428/2009

I.C.A.001

Chemicaliën in een concentratie van 95 % of meer, als hieronder:

1.

ethyleendichloride, (CAS 107-06-2)

 

I.C.A.002

Chemicaliën in een concentratie van 95 % of meer, als hieronder:

1.

nitromethaan (CAS 75-52-5)

2.

picrinezuur (CAS 88-89-1)

 

I.C.A.003

Chemicaliën in een concentratie van 95 % of meer, als hieronder:

1.

aluminumchloride(CAS 7446-70-0)

2.

arseen (CAS 7440-38-2)

3.

arseentrioxide(CAS 1327-53-3)

4.

bis(2-chloorethyl)ethylaminehydrochloride, (CAS 3590-07-6)

5.

bis(2-chloorethyl)methylaminehydrochloride, (CAS CAS 55-86-7)

6.

tris(2-chloorethyl)aminehydrochloride, (CAS 817-09-4)

 

I.C.B.   TECHNOLOGIE

B.001

‧Technologie‧ die noodzakelijk is voor de „ontwikkeling”, de „productie” of het „gebruik” van goederen vallende onder sectie I.C.A.

Technische opmerking:

De term ‧technologie‧ omvat ook „programmatuur”.

 


(1)  Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik (PB L 134 van 29.5.2009, blz. 1).

(2)  Richtlijn 2005/94/EG van de Raad van 20 december 2005 betreffende communautaire maatregelen ter bestrijding van aviaire influenza (PB L 10 van 14.1.2006, blz. 16).


BIJLAGE II

„BIJLAGE IX

LIJST VAN APPARATUUR, GOEDEREN EN TECHNOLOGIE BEDOELD IN ARTIKEL 2 TER

Inleiding

1.

Tenzij anders is aangegeven, verwijzen de referentienummers in de kolom „Beschrijving” hierna naar de beschrijvingen van producten voor tweeërlei gebruik in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 428/2009.

2.

Een referentienummer in de kolom „Verwant item in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 428/2009” hierna houdt in dat de kenmerken van het in de kolom „Beschrijving” beschreven artikel buiten de parameters in de zin van de beschrijving van de desbetreffende post vallen.

3.

De definitie van termen tussen „enkele aanhalingstekens” wordt gegeven in een technische aantekening bij de betrokken post.

4.

De definitie van termen tussen „dubbele aanhalingstekens” kan worden gevonden in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 428/2009.

Algemene aantekeningen

1.

De doelstelling van de controle op de uitvoer van de goederen, vermeld in deze bijlage, mag niet worden omzeild door de uitvoer van niet aan vergunningsplicht onderworpen goederen (met inbegrip van fabrieken) die een of meer aan vergunningsplicht onderworpen onderdelen bevatten, als deze onderdelen het voornaamste element van de goederen vormen en gemakkelijk kunnen worden verwijderd of voor andere doeleinden worden aangewend.

Aantekening:

Bij de beoordeling van de vraag of het aan vergunningsplicht onderworpen onderdeel/de aan vergunningsplicht onderworpen onderdelen als voornaamste element dient/dienen te worden aangemerkt, dienen factoren als hoeveelheid, waarde en technologische knowhow alsmede andere bijzondere omstandigheden op grond waarvan het aan vergunningsplicht onderworpen onderdeel/de aan vergunningsplicht onderworpen onderdelen als voornaamste element van de geleverde goederen kan/kunnen worden aangemerkt, een rol te spelen.

2.

Met goederen worden in deze bijlage zowel nieuwe als gebruikte goederen bedoeld.

Algemene technologienoot (ATN)

(Te lezen in samenhang met sectie B van deze bijlage)

1.

De verkoop, levering, overdracht of uitvoer van „technologie” die „noodzakelijk” is voor de „ontwikkeling”, de „productie” of het „gebruik” van goederen waarvan de verkoop, levering, overdracht of uitvoer in sectie IX.A van deze bijlage aan een vergunningsplicht is onderworpen, is op grond van de bepalingen van sectie B aan een vergunningsplicht onderworpen.

2.

„Technologie” die „noodzakelijk” is voor de „ontwikkeling”, de „productie” of het „gebruik” van aan een vergunningsplicht onderworpen goederen, is ook aan een vergunningsplicht onderworpen als deze technologie wordt toegepast op niet aan een vergunningsplicht onderworpen goederen.

3.

De vergunningsplicht geldt niet voor de minimaal noodzakelijke „technologie” voor installatie, bediening, onderhoud en (controle) reparatie van goederen die niet worden gecontroleerd of waarvan de uitvoer op grond van deze verordening is toegestaan.

4.

De vergunningsplicht voor de overdracht van „technologie” is niet van toepassing op informatie die „voor iedereen beschikbaar” is, op „fundamenteel wetenschappelijk onderzoek” en op de voor octrooiaanvragen noodzakelijke minimuminformatie.

IX.A.   GOEDEREN

IX.A1.   Materialen, chemicaliën, „micro-organismen” en „toxines”

Nummer

Omschrijving

Verwant item in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 428/2009

IX.A1.001

Chemicaliën in een concentratie van 95 % of meer, als hieronder:

 

tributylfosfiet, (CAS 102-85-2)

 

methylisocyanaat, (CAS 624-83-9)

 

chinaldine, (CAS 91-63-4)

 

2-broomchloorethaan (CAS 107-04-0)

 

IX.A1.002

Chemicaliën in een concentratie van 95 % of meer, als hieronder:

 

benzil, (CAS 134-81-6)

 

diethylamine, (CAS 109-89-7)

 

diethylether, (CAS 60-29-7)

 

dimethylether, (CAS 115-10-6)

 

dimethylaminoethanol, (CAS 108-01-0)

 

IX.A1.003

Chemicaliën in een concentratie van 95 % of meer, als hieronder:

 

2-methoxyethanol, (CAS 109-86-4)

 

butyrylcholinesterase (BCHE)

 

diëthyleentriamine, (CAS 111-40-0)

 

dichloormethaan, (CAS 75-09-3)

 

dimethylanaline, (CAS 121-69-7)

 

ethylbromide (CAS 74-96-4);

 

ethylchloride, (CAS 75-00-3)

 

ethylamine, (CAS 75-04-7)

 

hexamine, (CAS 100-97-0)

 

isopropylbromide, (CAS 75-26-3)

 

isopropylether, (CAS 108-20-3)

 

methylamine, (CAS 74-89-5)

 

methylbromide (CAS 74-83-9);

 

monoisopropylamine, (CAS 75-31-0)

 

obidoximchloride (CAS 114-90-9)

 

kaliumbromide, (CAS 7758-02-3)

 

pyridine, (CAS 110-86-1)

 

pyridostigminebromide, (CAS 101-26-8)

 

natrium bromide, (CAS 7647-15-6)

 

natriummetaal, (CAS 7440-23-5)

 

tributylamine, (CAS 102-82-9)

 

triethylamine, (CAS 121-44-8)

 

trimethylamine, (CAS 75-50-3)

 


IX.A2.   Materiaalbewerking

Nummer

Omschrijving

Verwant item in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 428/2009

IX.A2.001

Op de vloer gemonteerde zuurkasten (inloopmodel) met een nominale breedte van ten minste 2,5 m.

 

IX.A2.002

Luchtzuiverende en verse lucht aanvoerende gelaatsbedekkende ademhalingsmaskers andere dan bedoeld in 1A004 of 2B352f1.

1A004.a

IX.A2.003

Biologische veiligheidskasten van klasse II of isolerende systemen met soortgelijke werkingsnormen.

2B352.f.2

IX.A2.004

Niet-continumengers met een rotorvermogen van ten minste 4 liter, die kunnen worden gebruikt met biologische materialen.

 

IX.A2.005

Fermentoren, geschikt voor het kweken van pathogene „micro-organismen” of virussen of de productie van „toxinen”, zonder aërosolvorming, met een totale capaciteit van 5 liter of meer, maar minder dan 20 liter.

Technische aantekening:

Fermentoren omvatten bioreactoren, chemostaten en continustroomsystemen.

2B352.b

IX.A2.007

Ruimten onder gecontroleerde atmosfeer, klassiek of met luchtstroom, en onafhankelijke HEPA- of ULPA-filtereenheden die kunnen worden gebruikt voor P3- en P4- (BSL3, BSL4, L3, L4) inperkingsinstallaties.

2B352.a

IX.A2.008

Chemische productieapparatuur en onderdelen daarvan, andere dan bedoeld in 2B350 of A2.009, als hieronder:

a)

reactorvaten of reactors, met of zonder roerwerk, met een totaal inwendig (geometrisch) volume van meer dan 0,1 m3 (100 liter) en minder dan 20 m3 (20 000 liter), waarvan alle oppervlakken die in direct contact komen met de vloeistoffen die worden verwerkt of zijn opgeslagen, gemaakt zijn van de volgende materialen:

1.

roestvrij staal met een chroomgehalte van 10,5 % of meer en een koolstofgehalte van 1,2 % of minder;

b)

roerwerken voor gebruik in reactorvaten of reactors als aangegeven in 2B350.a, waarvan alle oppervlakken die in direct contact komen met de vloeistoffen die worden verwerkt of zijn opgeslagen, gemaakt zijn van een of meer van de volgende materialen:

1.

roestvrij staal met een chroomgehalte van 10,5 % of meer en een koolstofgehalte van 1,2 % of minder;

c)

opslagtanks en vaten met een totaal inwendig (geometrisch) volume van meer dan 0,1 m3 (100 liter), waarvan alle oppervlakken die in direct contact komen met de vloeistoffen die worden verwerkt of zijn opgeslagen, gemaakt zijn van de volgende materialen:

1.

roestvrij staal met een chroomgehalte van 10,5 % of meer en een koolstofgehalte van 1,2 % of minder;

d)

warmtewisselaars of condensors met een warmte-uitwisseloppervlak van meer dan 0,05 m2 en minder dan 30 m2, en voor gebruik in dergelijke warmtewisselaars of condensors ontworpen buizen, platen, spoelen of blokken (kernen), waarvan alle oppervlakken welke in direct contact komen met de vloeistoffen die worden verwerkt, gemaakt zijn van:

1.

roestvrij staal met een chroomgehalte van 10,5 % of meer en een koolstofgehalte van 1,2 % of minder;

Technische aantekening:

De voor pakkingen, afsluitringen en andere afdichtingen gebruikte materialen zijn niet bepalend voor de vraag of voor de warmtewisselaar een vergunningsplicht geldt.

e)

distillatiekolommen of absorptiekolommen met een inwendige diameter van meer dan 0,1 m, waarvan alle oppervlakken die in direct contact komen met de vloeistoffen die worden verwerkt, gemaakt zijn van een of meer van de volgende materialen:

1.

roestvrij staal met een chroomgehalte van 10,5 % of meer en een koolstofgehalte van 1,2 % of minder;

f)

kleppen met een „nominale afmeting” van meer dan 10 mm en de voor die kleppen ontworpen omhulsels (klephuizen), waarvan alle oppervlakken die in direct contact komen met de vloeistoffen die worden verwerkt of zijn opgeslagen, gemaakt zijn van een of meer van de volgende materialen:

1.

roestvrij staal met een chroomgehalte van 10,5 % of meer en een koolstofgehalte van 1,2 % of minder;

1.

De voor pakkingen, afsluitringen en andere afdichtingen gebruikte materialen zijn niet bepalend voor de vraag of voor de klep een vergunningsplicht geldt.

2.

Onder „nominale afmeting” wordt verstaan de kleinste diameter van de inlaat- en uitlaatopeningen.

g)

pompen met meervoudige afdichting en pompen zonder afdichting, met door de fabrikant opgegeven maximale pompsnelheid van meer dan 0,6 m3 per uur, waarvan alle oppervlakken die in direct contact komen met de chemicaliën die worden verwerkt, gemaakt zijn van het volgende materiaal:

1.

roestvrij staal met een chroomgehalte van 10,5 % of meer en een koolstofgehalte 1,2 % of minder;

h)

vacuümpompen met door de fabrikant opgegeven maximale pompsnelheid van meer dan 1 m3 per uur bij standaardtemperatuur (273 K (0 °C)) en druk (101,3 kPa), en voor gebruik in dergelijke pompen ontworpen omhulsels (pomphuizen), voorgevormde binnenbekledingen, schoepen, vleugelraderen of straalpompverdeelstukken, waarvan alle oppervlakken die in direct contact komen met de chemicaliën die worden verwerkt, gemaakt zijn van een of meer van de volgende materialen

1.

„legeringen” met meer dan 25 gewichtspercenten nikkel en meer dan 20 gewichtspercenten chroom;

2.

keramische materialen;

3.

„ferrosilicium”;

4.

fluorpolymeren (polymere of elastomere materialen die meer dan 35 gewichtspercenten fluor bevatten);

5.

glas, met inbegrip van verglaasde of geëmailleerde lagen of glasbekleding („lining”);

6.

grafiet of „koolstofgrafiet”;

7.

nikkel of „legeringen” die meer dan 40 gewichtspercenten nikkel bevatten;

8.

roestvrij staal met 20 gewichtspercenten nikkel en 19 of meer gewichtspercenten chroom;

9.

tantaal of „legeringen” ervan;

10.

titaan of „legeringen” ervan;

11.

zirkonium of „legeringen” ervan, of

12.

niobium (columbium) of „legeringen” ervan;

1.

De voor membranen, pakkingen, afsluitringen en andere afdichtingen gebruikte materialen zijn niet bepalend voor de vraag of voor de pomp een vergunningsplicht geldt,

2.

„koolstofgrafiet” is een composiet bestaande uit amorf koolstof en grafiet, met 8 of meer gewichtspercenten grafiet.

3.

„Ferrosilicium” is een ijzerlegering met 8 of meer gewichtspercenten silicium.

Voor de hierboven opgesomde materialen wordt onder „legeringen” — voor zover de term niet vergezeld gaat van een specifieke concentratie van een chemisch element — verstaan, legeringen waarin het geïdentificeerde metaal in een hoger gewichtspercent dan enig ander element aanwezig is.

2B350.a-e

2B350.g

2B350.i

IX.A2.009

Chemische productieapparatuur en onderdelen daarvan, andere dan bedoeld in 2B350 of A2.008, als hieronder:

 

reactorvaten of reactors, met of zonder roerwerk, met een totaal inwendig (geometrisch) volume van meer dan 0,1 m3 (100 liter) en minder dan 20 m3 (20 000 liter), waarvan alle oppervlakken die in direct contact komen met de vloeistoffen die worden verwerkt of zijn opgeslagen, gemaakt zijn van de volgende materialen:

roestvrij staal met 20 gewichtspercenten nikkel en 19 of meer gewichtspercenten chroom;

 

roerwerken voor gebruik in reactorvaten of reactors als aangegeven in I.2A.029.a, waarvan alle oppervlakken die in direct contact komen met de vloeistoffen die worden verwerkt of zijn opgeslagen, gemaakt zijn van de volgende materialen:

roestvrij staal met 20 gewichtspercenten nikkel en 19 of meer gewichtspercenten chroom;

 

opslagtanks en vaten met een totaal inwendig (geometrisch) volume van meer dan 0,1 m3 (100 liter), waarvan alle oppervlakken die in direct contact komen met de vloeistoffen die worden verwerkt of zijn opgeslagen, gemaakt zijn van de volgende materialen:

roestvrij staal met 20 gewichtspercenten nikkel en 19 of meer gewichtspercenten chroom;

 

warmtewisselaars of condensors met een warmte-uitwisseloppervlak van meer dan 0,05 m2 en minder dan 30 m2, en voor gebruik in dergelijke warmtewisselaars of condensors ontworpen buizen, platen, spoelen of blokken (kernen), waarvan alle oppervlakken welke in direct contact komen met de vloeistoffen die worden verwerkt, gemaakt zijn van:

roestvrij staal met 20 gewichtspercenten nikkel en 19 of meer gewichtspercenten chroom;

Technische aantekening:

De voor pakkingen, afsluitringen en andere afdichtingen gebruikte materialen zijn niet bepalend voor de vraag of voor de warmtewisselaar een vergunningsplicht geldt.

 

distillatiekolommen of absorptiekolommen met een inwendige diameter van meer dan 0,1 m, en vloeistofverdelers, stoomverdelers of systemen voor de opvang van vloeistoffen, waarvan alle oppervlakken die in direct contact komen met de chemicaliën die worden verwerkt, gemaakt zijn van het volgende materiaal:

roestvrij staal met 20 gewichtspercenten nikkel en 19 of meer gewichtspercenten chroom;

 

kleppen met een nominale diameter van meer dan 10 mm en de voor die kleppen ontworpen omhulsels (klephuizen), speciaal voor die kleppen ontworpen kogels of kegels, waarvan alle oppervlakken die in direct contact komen met de chemicaliën die worden verwerkt of zijn opgeslagen, gemaakt zijn van het volgende materiaal:

roestvrij staal met 20 gewichtspercenten nikkel en 19 of meer gewichtspercenten chroom;

Technische noot:

Onder „nominale afmeting” wordt verstaan de kleinste diameter van de inlaat- en uitlaatopeningen.

pompen met meervoudige afdichting en pompen zonder afdichting, met door de fabrikant opgegeven maximale pompsnelheid van meer dan 0,6 m3 per uur, bij standaardtemperatuur (273 K (0 °C)) en druk (101,3 kPa) en voor gebruik in dergelijke pompen ontworpen omhulsels (pomphuizen), voorgevormde binnenbekledingen, schoepen, vleugelraderen of straalpompverdeelstukken, waarvan alle oppervlakken die in direct contact komen met de chemicaliën die worden verwerkt, gemaakt zijn van een van de volgende materialen:

 

keramische materialen;

 

ferrosilicium (een ijzerlegering met 8 of meer gewichtspercenten silicium);

 

roestvrij staal met 20 gewichtspercenten nikkel en 19 of meer gewichtspercenten chroom;

Technische aantekeningen:

De voor membranen, pakkingen, afsluitringen en andere afdichtingen gebruikte materialen zijn niet bepalend voor de vraag of voor de pomp een vergunningsplicht geldt.

Voor de hierboven opgesomde materialen wordt onder „legeringen” — voor zover de term niet vergezeld gaat van een specifieke concentratie van een chemisch element — verstaan, legeringen waarin het geïdentificeerde metaal in een hoger gewichtspercent dan enig ander element aanwezig is.

 

B.   TECHNOLOGIE

Nummer

Omschrijving

Verwant item in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 428/2009

IX.B.001

„Technologie” die noodzakelijk is voor de „ontwikkeling”, de „productie” of het „gebruik” van goederen vallende onder sectie IX.A hierboven.

Technische opmerking:

De term „technologie” omvat ook „programmatuur”.

 


BIJLAGE III

„BIJLAGE X

LIJST VAN DE IN ARTIKEL 11 TER BEDOELDE LUXEGOEDEREN

1.   Volbloedpaarden

GN-codes: 0101 21 00

2.   Kaviaar en kaviaarsurrogaten; in het geval van kaviaarsurrogaten als de verkoopprijs hoger ligt dan 20 EUR per 100 g

GN-codes: ex 1604 31 00, ex 1604 32 00

3.   Truffels

GN-codes: 2003 90 10

4.   Wijnen (inclusief mousserende wijnen) met een verkoopprijs hoger dan 70 EUR per liter, alcohol en gedistilleerde dranken met een verkoopprijs hoger dan 50 EUR per liter

GN-codes: ex 2204 21 tot ex 2204 29, ex 2208, ex 2205

5.   Sigaren en cigarillos met een verkoopprijs hoger dan 10 EUR per stuk

GN-codes: ex 2402 10 00

6.   Parfums en reukwaters met een verkoopprijs hoger dan 70 EUR per 50 ml en cosmetica, met inbegrip van schoonheids- en make-upproducten met een verkoopprijs hoger dan 70 EUR per stuk

GN-codes: ex 3303 00 10, ex 3303 00 90, ex 3304, ex 3307, ex 3401

7.   Lederwaren, zadelwerk, reisartikelen, handtassen en dergelijke artikelen met een verkoopprijs van meer dan 200 EUR per stuk

GN-codes: ex 4201 00 00, ex 4202, ex 4205 00 90

8.   Kleding, kledingtoebehoren en schoenen (ongeacht het materiaal) met een verkoopprijs van meer dan 600 EUR per stuk

GN-codes: ex 4203, ex 4303, ex ex 61, ex ex 62, ex 6401, ex 6402, ex 6403, ex 6404, ex 6405, ex 6504, ex 6605 00, ex 6506 99, ex 6601 91 00, ex 6601 99, ex 6602 00 00

9.   Parels, edel- en halfedelstenen, artikelen van parels, juwelen, goud- en zilverwerk

GN-codes: 7101, 7102, 7103, 7104 20, 7104 90, 7105, 7106, 7107, 7108, 7109, 7110, 7111, 7113, 7114, 7115, 7116

10.   Niet in omloop zijnde munten en bankbiljetten

GN-codes: ex 4907 00, 7118 10, ex 7118 90

11.   Bestek van edelmetaal of van metaal geplateerd met edelmetaal

GN-codes: ex 7114, ex 7115, ex 8214, ex 8215, ex 9307

12.   Servies van porselein, steen of aardewerk of fijne keramiek met een verkoopprijs van meer dan 500 EUR per stuk

GN-codes: ex 6911 10 00, ex 6912 00 30, ex 6912 00 50

13.   Loodkristallen glaswerk met een verkoopprijs van meer dan 200 EUR per stuk

GN-codes: ex 7009 91 00, ex 7009 92 00, ex 7010, ex 7013 22, ex 7013 33, ex 7013 41, ex 7013 91, ex 7018 10, ex 7018 90, ex 7020 00 80, ex 9405 10 50, ex 9405 20 50, ex 9405 50, ex 9405 91

14.   Luxevoertuigen voor het vervoer van personen over land, lucht of water, alsook accessoires daarvoor; in het geval van nieuwe voertuigen als de verkoopprijs hoger ligt dan 25 000 EUR; in het geval van tweedehands voertuigen als de verkoopprijs hoger ligt dan 15 000 EUR

GN-codes: ex 8603, ex 8605 00 00, ex 8702, ex 8703, ex 8711, ex 8712 00, ex 8716 10, ex 8716 40 00, ex 8716 80 00, ex 8716 90, ex 8801 00, ex 8802 11 00, ex 8802 12 00, ex 8802 20 00, ex 8802 30 00, ex 8802 40 00, ex 8805 10, ex 8901 10, ex 8903

15.   Klokken en horloges en onderdelen daarvan met een verkoopprijs van meer dan 500 EUR per stuk

GN-codes: ex 9101, ex 9102, ex 9103, ex 9104, ex 9105, ex 9108, ex 9109, ex 9110, ex 9111, ex 9112, ex 9113, ex 9114

16.   Kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten

GN-codes: 97

17.   Artikelen en uitrusting om te skiën, te golfen en watersporten te beoefenen, met een verkoopprijs hoger dan 500 EUR per stuk

GN-codes: ex 4015 19 00, ex 4015 90 00, ex 6112 20 00, ex 6112 31, ex 6112 39, ex 6112 41, ex 6112 49, ex 6113 00, ex 6114, ex 6210 20 00, ex 6210 30 00, ex 6210 40 00, ex 6210 50 00, ex 6211 11 00, ex 6211 12 00, ex 6211 20, ex 6211 32 90, ex 6211 33 90, ex 6211 39 00, ex 6211 42 90, ex 6211 43 90, ex 6211 49 00, ex 6402 12, ex 6403 12 00, ex 6404 11 00, ex 6404 19 90, ex 9004 90, ex 9020, ex 9506 11, ex 9506 12, ex 9506 19 00, ex 9506 21 00, ex 9506 29 00, ex 9506 31 00, ex 9506 32 00, ex 9506 39, ex 9507

18.   Artikelen en uitrusting voor biljart, automatische bowling, casinospelen en spelen die met munten of bankbiljetten in werking worden gesteld, met een verkoopprijs hoger dan 500 EUR per stuk

GN-codes: ex 9504 20, ex 9504 30, ex 9504 40 00, ex 9504 90 80”.


16.6.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 156/38


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 510/2012 VAN DE COMMISSIE

van 15 juni 2012

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1238/95 wat betreft het aan het Communautair Bureau voor plantenrassen te betalen aanvraagrecht

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht (1), en met name artikel 113,

Na overleg met de raad van bestuur van het Communautair Bureau voor plantenrassen,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 1238/95 van de Commissie van 31 mei 1995 houdende toepassingsbepalingen van Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad met betrekking tot de aan het Communautair Bureau voor plantenrassen te betalen rechten (2) bepaalt de aan het Communautair Bureau voor plantenrassen („het Bureau”) te betalen rechten en de hoogte van die rechten.

(2)

De reserve van het Bureau heeft het niveau overschreden dat nodig is om zijn begroting sluitend te houden en de continuïteit van zijn werkzaamheden te waarborgen. Daarom moet het aanvraagrecht worden verlaagd.

(3)

Verordening (EG) nr. 1238/95 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor kwekersrechten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Artikel 7, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1238/95 wordt vervangen door:

„1.   Degene die een communautair kwekersrecht aanvraagt, hierna „de aanvrager” genoemd, betaalt een aanvraagrecht van 650 EUR voor de behandeling van de aanvraag als bedoeld in artikel 113, lid 2, onder a), van de basisverordening.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing vanaf 1 januari 2013.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 15 juni 2012.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 227 van 1.9.1994, blz. 1.

(2)  PB L 121 van 1.6.1995, blz. 31.


16.6.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 156/39


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 511/2012 VAN DE COMMISSIE

van 15 juni 2012

inzake kennisgevingen met betrekking tot producenten- en brancheorganisaties en contractuele onderhandelingen en betrekkingen als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad in de sector melk en zuivelproducten

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten ("Integrale-GMO-verordening") (1), en met name artikel 126 sexies, lid 2, onder b) en c), en artikel 185 septies, lid 6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Deel II, titel II, hoofdstuk II, sectie II bis, van Verordening (EG) nr. 1234/2007, ingevoegd bij Verordening (EU) nr. 261/2012 van het Europees Parlement en de Raad (2), bevat voorschriften inzake producentenorganisaties en brancheorganisaties in de sector melk en zuivelproducten.

(2)

In de artikelen 126 bis en 126 ter van Verordening (EG) nr. 1234/2007 zijn voorschriften vastgesteld met betrekking tot de erkenning van producentenorganisaties en hun unies en van brancheorganisaties. Op grond van deze artikelen dienen de lidstaten de Commissie in kennis te stellen van de besluiten tot toekenning, weigering of intrekking van erkenning. Teneinde de verslagen aan de Raad en het Europees Parlement krachtens artikel 184, lid 9, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 op te stellen, is informatie nodig over het aantal erkende instanties, hun omvang uitgedrukt in volume rauwe melk dat wordt geproduceerd door hun producerende leden en, indien van toepassing, de redenen tot weigering of intrekking van de erkenning.

(3)

In artikel 126 quater van Verordening (EG) nr. 1234/2007 zijn voorschriften vastgesteld inzake de onderhandelingen over contracten voor de levering van rauwe melk. Op grond van dat artikel dienen de producentenorganisaties en de lidstaten kennisgevingen te doen.

(4)

In artikel 126 quinquies van Verordening (EG) nr. 1234/2007 is bepaald dat de lidstaten de Commissie in kennis moeten stellen van de voorschriften die zij hebben vastgesteld voor de regulering van het aanbod van kaas met een beschermde oorsprongsbenaming of beschermde geografische aanduiding.

(5)

Krachtens artikel 185 septies van Verordening (EG) nr. 1234/2007 stellen lidstaten die besluiten dat voor elke levering van rauwe melk op hun grondgebied door een landbouwer aan een verwerker van rauwe melk een schriftelijk contract tussen de partijen moet worden gesloten, en/of besluiten dat een eerste koper een landbouwer voor een contract betreffende de levering van rauwe melk een schriftelijk voorstel moet doen, de Commissie in kennis van de voorschriften die zij hebben vastgesteld met betrekking tot de contractuele betrekkingen.

(6)

Er dienen uniforme regels te worden vastgesteld inzake de inhoud van deze kennisgevingen en de uiterste datum waarop deze moeten worden ingediend.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Overeenkomstig artikel 126 bis, lid 4, onder d), en artikel 126 ter, lid 3, onder e), van Verordening (EG) nr. 1234/2007 stellen de lidstaten de Commissie met betrekking tot besluiten die zijn genomen gedurende het vorige kalenderjaar uiterlijk op 31 maart van elk jaar in kennis van:

(a)

het aantal producentenorganisaties, unies van erkende producentenorganisaties, hierna "unies"genoemd, en brancheorganisaties waaraan zij erkenning hebben verleend en, indien van toepassing, de jaarlijkse hoeveelheid afzetbare door producentenorganisaties en unies geproduceerde rauwe melk;

(b)

het aantal door producentenorganisaties, unies en brancheorganisaties ingediende erkenningsverzoeken dat zij hebben geweigerd en een samenvatting van de redenen voor deze weigering;

(c)

het aantal door producentenorganisaties, unies en brancheorganisaties ingediende erkenningsverzoeken dat zij hebben ingetrokken en een samenvatting van de redenen voor deze intrekking.

2.   Indien een kennisgeving zoals bedoeld in lid 1, onder a), betrekking heeft op een grensoverschrijdende producentenorganisatie of unie, vermeldt de kennisgeving, indien van toepassing, de jaarlijkse hoeveelheid afzetbare door de leden geproduceerde rauwe melk per lidstaat.

Artikel 2

1.   De in artikel 126 quater, lid 2, onder f), van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde kennisgevingen met betrekking tot het volume rauwe melk dat onder contractuele onderhandelingen valt, worden gericht aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat of lidstaten

(a)

waar de rauwe melk wordt geproduceerd en,

(b)

indien verschillend, waar de levering aan een verwerker of inzamelaar plaatsvindt.

2.   Een in lid 1 bedoelde kennisgeving wordt gedaan vóór de aanvang van de onderhandelingen en vermeldt het door de producentenorganisatie of unie geschatte productievolume waarover zal worden onderhandeld en de verwachte leveringsperiode van het volume rauwe melk.

3.   Uiterlijk op 31 januari van elk jaar deelt elke producentenorganisatie of unie, behalve de in lid 1 bedoelde informatie, per producerende lidstaat ook het volume rauwe melk mee dat daadwerkelijk is geleverd in het kader van de contracten waarover door de producentenorganisatie in het vorige kalenderjaar werd onderhandeld.

Artikel 3

1.   Overeenkomstig artikel 126 quater, lid 8, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 stellen de lidstaten de Commissie uiterlijk op 15 maart van elk jaar in kennis van:

(a)

het totale volume rauwe melk, per producerende lidstaat, dat is geleverd op hun grondgebied in het kader van contracten waarover door de erkende producentenorganisaties en unies in het vorige kalenderjaar werd onderhandeld overeenkomstig artikel 126 quater, lid 2, onder f), van Verordening (EG) nr. 1234/2007 en waarvan de bevoegde autoriteiten in kennis werden gesteld op grond van artikel 2, lid 3, van deze verordening;

(b)

het aantal gevallen waarin de nationale mededingingsautoriteiten overeenkomstig artikel 126 quater, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 hebben besloten dat de onderhandelingen moeten worden heropend of dat niet mag worden onderhandeld, en een korte samenvatting van deze besluiten.

2.   Indien de kennisgevingen die zijn ontvangen overeenkomstig artikel 2, lid 1, van deze verordening, betrekking hebben op onderhandelingen over meer dan een lidstaat, delen de lidstaten, voor de toepassing van artikel 126 quater, lid 6, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1234/2007, de Commissie onverwijld de informatie mee die zij nodig heeft om te beoordelen of de mededinging wordt uitgesloten of dat de kmo's die rauwe melk verwerken, ernstig worden benadeeld.

Artikel 4

1.   De kennisgevingen krachtens artikel 126 quinquies, lid 7, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bevatten de voorschriften die zijn vastgesteld door de lidstaten voor de regulering van het aanbod van kaas met een beschermde oorsprongsbenaming of beschermde geografische aanduiding, alsook een samenvattende nota met vermelding van:

(a)

de naam van de kaas;

(b)

de naam en de soort van de organisatie die de regulering van het aanbod heeft aangevraagd;

(c)

de middelen die zijn gekozen voor de regulering van het aanbod;

(d)

de datum van inwerkingtreding van de voorschriften;

(e)

de periode waarin de voorschriften van toepassing zijn.

2.   De lidstaten delen de Commissie vóór het einde van de in lid 1, onder e), bedoelde periode mee wanneer zij voorschriften intrekken.

Artikel 5

De in artikel 185 septies, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde kennisgevingen bevatten de voorschriften die door de lidstaten zijn vastgesteld met betrekking tot de in artikel 185 septies, lid 1, van die verordening bedoelde contracten, alsook een samenvattende nota waarin is aangegeven:

(a)

of de lidstaat besloten heeft dat voor de leveringen van rauwe melk door een landbouwer aan een verwerker een schriftelijk contract tussen de partijen moet worden gesloten en, indien dit het geval is, welk leveringsstadium of welke leveringsstadia onder dit contract vallen indien de rauwe melk door één of meer inzamelaars wordt geleverd, en de minimale looptijd van schriftelijke contracten;

(b)

of de lidstaat heeft bepaald dat een eerste koper van rauwe melk een landbouwer voor een dergelijk contract een schriftelijk voorstel dient te doen en, in voorkomend geval, de minimale looptijd van het contract die in het voorstel moet worden vermeld.

Artikel 6

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 15 juni 2012.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 94 van 30.3.2012, blz. 38.


16.6.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 156/41


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 512/2012 VAN DE COMMISSIE

van 15 juni 2012

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 15 juni 2012.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MK

45,6

TR

43,1

ZZ

44,4

0707 00 05

MK

19,0

TR

119,1

ZZ

69,1

0709 93 10

TR

99,0

ZZ

99,0

0805 50 10

AR

74,0

BO

105,1

TR

92,4

ZA

101,4

ZZ

93,2

0808 10 80

AR

114,0

BR

92,7

CH

68,9

CL

97,5

NZ

131,4

US

160,1

UY

61,9

ZA

104,5

ZZ

103,9

0809 10 00

IL

705,0

TR

223,1

ZZ

464,1

0809 29 00

TR

448,5

ZZ

448,5

0809 40 05

ZA

249,8

ZZ

249,8


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


16.6.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 156/43


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 513/2012 VAN DE COMMISSIE

van 15 juni 2012

tot vaststelling van de invoerrechten in de sector granen van toepassing vanaf 16 juni 2012

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Verordening (EU) nr. 642/2010 van de Commissie van 20 juli 2010 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad ten aanzien van de invoerrechten in de sector granen (2), en met name artikel 2, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 136, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 is bepaald dat het invoerrecht voor de producten van de GN-codes 1001 19 00, 1001 11 00, ex 1001 91 20 (zachte tarwe, zaaigoed), ex 1001 99 00 (zachte tarwe van hoge kwaliteit, andere dan zaaigoed), 1002 10 00, 1002 90 00, 1005 10 90, 1005 90 00, 1007 10 90 en 1007 90 00, gelijk is aan de interventieprijs voor deze producten bij de invoer, verhoogd met 55 % en verminderd met de cif-invoerprijs voor de betrokken zending. Dit invoerrecht mag echter niet hoger zijn dan het recht van het gemeenschappelijk douanetarief.

(2)

In artikel 136, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 is bepaald dat voor de berekening van het in lid 1 van dat artikel bedoelde invoerrecht regelmatig representatieve cif-invoerprijzen voor de betrokken producten worden vastgesteld.

(3)

Overeenkomstig artikel 2, lid 2, van Verordening (EG) nr. 642/2010 is de prijs die in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van het invoerrecht voor de producten van de GN-codes 1001 19 00, 1001 11 00, ex 1001 91 20 (zachte tarwe, zaaigoed), ex 1001 99 00 (zachte tarwe van hoge kwaliteit, andere dan zaaigoed), 1002 10 00, 1002 90 00, 1005 10 90, 1005 90 00, 1007 10 90 en 1007 90 00, de dagelijkse representatieve cif-invoerprijs die wordt bepaald volgens de methode van artikel 5 van die verordening.

(4)

Er dienen invoerrechten te worden vastgesteld voor de periode vanaf 16 juni 2012, die van toepassing zullen zijn tot er nogmaals nieuwe invoerrechten worden vastgesteld en in werking treden.

(5)

Omdat ervoor moet worden gezorgd dat deze maatregel zo snel mogelijk na de terbeschikkingstelling van de geactualiseerde gegevens van toepassing wordt, moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde invoerrechten in de sector granen die van toepassing zijn vanaf 16 juni 2012, worden in bijlage I bij de onderhavige verordening vastgesteld op basis van de in bijlage II vermelde elementen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 15 juni 2012.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)  PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)  PB L 187 van 21.7.2010, blz. 5.


BIJLAGE I

Vanaf 16 juni 2012 geldende invoerrechten voor de in artikel 136, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde producten

GN-code

Omschrijving

Invoerrecht (1)

(EUR/t)

1001 19 00

1001 11 00

HARDE TARWE van hoge kwaliteit

0,00

van gemiddelde kwaliteit

0,00

van lage kwaliteit

0,00

ex 1001 91 20

ZACHTE TARWE, zaaigoed

0,00

ex 1001 99 00

ZACHTE TARWE van hoge kwaliteit, andere dan zaaigoed

0,00

1002 10 00

1002 90 00

ROGGE

0,00

1005 10 90

MAÏS, zaaigoed, ander dan hybriden

0,00

1005 90 00

MAÏS, andere dan zaaigoed (2)

0,00

1007 10 90

1007 90 00

GRAANSORGHO, andere dan hybriden bestemd voor zaaidoeleinden

0,00


(1)  Krachtens artikel 2, lid 4, van Verordening (EU) nr. 642/2010 komt de importeur in aanmerking voor een verlaging van de invoerrechten met:

3 EUR per ton, indien de loshaven aan de Middellandse Zee (voorbij de Straat van Gibraltar) of de Zwarte Zee ligt en het product via de Atlantische Oceaan of het Suezkanaal wordt aangevoerd,

2 EUR per ton, als de loshaven in Denemarken, Estland, Ierland, Letland, Litouwen, Polen, Finland, Zweden, het Verenigd Koninkrijk of aan de Atlantische kust van het Iberisch Schiereiland ligt en het product via de Atlantische Oceaan wordt aangevoerd.

(2)  De importeur komt in aanmerking voor een forfaitaire verlaging van het invoerrecht met 24 EUR per ton als aan de in artikel 3, van Verordening (EU) nr. 642/2010 vastgestelde voorwaarden is voldaan.


BIJLAGE II

Elementen voor de berekening van de in bijlage I vastgestelde rechten

1.6.2012-14.6.2012

1.

Gemiddelden over de in artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) nr. 642/2010 bedoelde referentieperiode:

(EUR/t)

 

Zachte tarwe (1)

Maïs

Harde tarwe van hoge kwaliteit

Harde tarwe tarwe van gemiddelde kwaliteit (2)

Harde tarwe van lage kwaliteit (3)

Beurs

Minnéapolis

Chicago

Notering

237,71

183,97

Fob-prijs VSA

235,68

225,68

205,68

Golfpremie

24,85

Grote-Merenpremie

50,93

2.

Gemiddelden over de in artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) nr. 642/2010 bedoelde referentieperiode:

Vrachtkosten: Golf van Mexico-Rotterdam:

17,08 EUR/t

Vrachtkosten: Grote Meren-Rotterdam:

51,92 EUR/t


(1)  Premie van 14 EUR per ton inbegrepen (artikel 5, lid 3, van Verordening (EU) nr. 642/2010).

(2)  Korting van 10 EUR per ton (artikel 5, lid 3, van Verordening (EU) nr. 642/2010).

(3)  Korting van 30 EUR per ton (artikel 5, lid 3, van Verordening (EU) nr. 642/2010).