Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Partijen

In zaak 224/87,

J . Koutchoumoff, ambtenaar bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Brussel, 52, avenue de la Renaissance, vertegenwoordigd door M . Slusny en vervolgens door D . Lagasse en P . Delvaux, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij E . Arendt, advocaat aldaar, 4, avenue Marie-Thérèse,

verzoeker,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J . Griesmar als gemachtigde, bijgestaan door B . Cambier, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, Centre Wagner, Plateau du Kirchberg,

verweerster,

betreffende een beroep tot :

- nietigverklaring van de afwijzing van het verzoek om disciplinaire maatregelen te nemen tegen verzoekers afdelingshoofd;

- veroordeling van de Commissie om verzoeker de in artikel 24 Ambtenarenstatuut bedoelde bescherming te verlenen;

- toekenning van vergoeding voor de door de houding van de Commissie veroorzaakte schade;

- veroordeling van de Commissie tot betaling van 6 050 ecu als schadevergoeding en verwijzing van de Commissie in de kosten van het geding,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE ( Derde kamer ),

samengesteld als volgt : F . Grévisse, kamerpresident, J . C . Moitinho de Almeida en M . Zuleeg, rechters,

advocaat-generaal : G . Tesauro

griffier : J . A . Pompe, adjunct-griffier

gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 19 oktober 1988,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 30 november 1988,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest

1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 20 juli 1987, heeft J . Koutchoumoff, assistent bij Directoraat-generaal XIII "Strategie voor de informatie - en telecommunicatietechnologieën" van de Commissie, verzocht om nietigverklaring van het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van zijn op 22 december 1986 ingeschreven klacht van 27 november 1986, waarin hij om disciplinaire maatregelen tegen zijn hiërarchieke meerdere, Chr . Wilkinson, had gevraagd . Voorts verzoekt hij het Hof te verklaren dat hij recht heeft op de bescherming bedoeld in artikel 24 Ambtenarenstatuut, en de Commissie te veroordelen tot betaling van 6 050 ecu als schadevergoeding .

2 Koutchoumoff, die op 2 juni 1986 bij zijn hiërarchieke meerdere, Chr . Wilkinson, was geroepen, stelt dat deze laatste tegen hem geweld heeft gebruikt en dat hij daaraan slechts is kunnen ontsnappen door in zijn auto te vluchten .

3 Bij nota van 4 juni 1986 verzocht Koutchoumoff "het tot aanstelling bevoegd gezag de zaak aan de Tuchtraad voor te leggen ". Toen de administratie daarop niet reageerde, diende hij op 27 november daaraanvolgend bij de Commissie een klacht in, waarin hij de inhoud van zijn nota van 4 juni 1986 herhaalde . Ook op deze klacht reageerde de Commissie niet . Tegen dit stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing komt verzoeker op bij het Hof; tevens vordert hij schadevergoeding .

4 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, de gemeenschapsregeling en de bij het Hof ingediende opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .

De ontvankelijkheid van het verzoekschrift

5 De Commissie werpt drie excepties van niet-ontvankelijkheid op tegen het verzoekschrift .

6 Zij betoogt allereerst, dat het door Koutchoumoff bestreden stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van de klacht van 27 november 1986 slechts de bevestiging is van de stilzwijgende afwijzing van diens oorspronkelijk verzoek van 4 juni 1986 waarin hij om disciplinaire maatregelen tegen Wilkinson had verzocht, en dus geen voor bestrijding vatbare handeling is .

7 Opgemerkt zij evenwel, dat ingevolge de artikelen 90 en 91 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen een ambtenaar slechts beroep bij het Hof van Justitie tegen een hem betreffend besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag kan instellen, wanneer hij zich van tevoren tot dit gezag heeft gewend met een klacht en op deze klacht een uitdrukkelijk of stilzwijgend besluit tot afwijzing is genomen . In het systeem van het Statuut moet de ambtenaar dus een klacht indienen tegen het door hem bestreden besluit en bij het Hof beroep instellen tegen het besluit waarbij die klacht wordt afgewezen . In die omstandigheden is het beroep ontvankelijk ongeacht of het slechts tegen het oorspronkelijk bestreden besluit, tegen het besluit tot afwijzing van de klacht dan wel tegen beide handelingen te zamen is gericht ( arrest van 19 januari 1984, zaak 260/80, Andersen, Jurispr . 1984, blz . 177, met name r.o . 3 en 4 ), op voorwaarde evenwel dat de klacht is ingediend en het beroep is ingesteld binnen de in de artikelen 90 en 91 van het Statuut gestelde termijnen, hetgeen in casu het geval is . Bijgevolg moet de eerste exceptie van de Commissie worden verworpen .

8 Voorts betoogt de Commissie, dat Koutchoumoff in zijn administratieve beroepen nooit heeft verzocht om toepassing in zijn voordeel van artikel 24 van het Statuut, en evenmin schadevergoeding heeft gevorderd .

9 Aangaande het eerste punt blijkt uit de processtukken, dat verzoeker, door om disciplinaire maatregelen tegen Wilkinson te verzoeken, aanspraak heeft willen maken op de in artikel 24 van het Statuut bedoelde bescherming .

10 Met betrekking tot het tweede punt is het vaste rechtspraak van het Hof, dat een ambtenaar voor het Hof alleen maar conclusies kan indienen die hetzelfde voorwerp hebben als de conclusies van zijn klacht, en alleen maar bezwaren kan doen gelden die op dezelfde grond berusten als de in die klacht geformuleerde bezwaren . Voor het Hof kunnen ter nadere precisering van die bezwaren middelen en argumenten worden aangevoerd die niet in de klacht waren vermeld, doch er wel nauw bij aansluiten ( arrest van 20 mei 1987, zaak 242/85, Geist, Jurispr . 1987, blz . 2181 ). Daaruit volgt dat de artikelen 90 en 91 Ambtenarenstatuut weliswaar tot doel hebben een minnelijke schikking van het geschil tussen een ambtenaar en zijn administratie mogelijk te maken, doch niet beogen de omvang van een beroep in rechte nauwkeurig en definitief af te bakenen, zolang de grond of het voorwerp van de klacht in dat stadium maar geen wijziging ondergaat ( arrest van 7 mei 1986, zaak 52/85, Rihoux, Jurispr . 1986, blz . 1555 ). Dat is met name het geval, wanneer, zoals in casu, verzoeker in zijn klacht de intrekking van een jegens hem genomen besluit heeft gevorderd, daar een dergelijk verzoek om intrekking in de gegeven omstandigheden een verzoek om vergoeding van de eventueel door het betrokken besluit veroorzaakte schade kan impliceren . De exceptie van niet-ontvankelijkheid die de Commissie in dit verband tegen Koutchoumoffs beroep opwerpt, moet dus eveneens worden verworpen .

11 Ten slotte betoogt de Commissie, dat verzoeker in de loop van de procedure heeft verzocht om vergoeding van andere schade dan die welke in zijn verzoekschrift is vermeld . De verschillende soorten schade houden evenwel alle verband met de weigering van de Commissie om hem de op grond van artikel 24 van het Statuut gevorderde bescherming te verlenen . Bijgevolg is het voorwerp van het beroep bij het Hof niet gewijzigd .

12 De Commissie stelt evenwel terecht, dat het niet aan het Hof staat de administratie te gelasten Koutchoumoff de bescherming te verlenen waarop deze recht meent te hebben . De daartoe strekkende conclusies moeten derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard .

De vordering tot nietigverklaring van de weigering van de Commissie om Koutchoumoff de in artikel 24 van het Statuut bedoelde bescherming te verlenen .

13 Koutchoumoff betoogt, dat de Commissie de zorgplicht heeft geschonden doordat zij niet heeft getracht de gebeurtenissen van 2 juni 1986 op te helderen, en dat zij artikel 24 van het Statuut heeft geschonden door tegen Wilkinson geen disciplinaire maatregelen te treffen wegens de gestelde agressie tegen verzoeker .

14 Allereerst zij opgemerkt, dat de krachtens artikel 24 van het Statuut op de instellingen rustende verplichting om de ambtenaar te beschermen tegen bedreigingen, grove beledigingen, beschimpingen, smaad of vergrijpen waaraan zij kunnen blootstaan, daaronder begrepen aanvallen uitgaande van andere ambtenaren, slechts geldt voor zover de betrokken feiten bewezen zijn .

15 Al heeft het Hof geoordeeld ( arrest van 14 juni 1979, zaak 18/78, V ., Jurispr . 1979, blz . 2093 ) dat de administratie, wanneer zij geconfronteerd wordt met een incident dat zich niet verdraagt met de orde en de veiligheid in dienst, met de nodige energie moet optreden ten einde de feiten te achterhalen en er, met kennis van zaken, passende consequenties moet aan verbinden, toch is de administratie niet verplicht maatregelen van instructie te treffen op de enkele basis van verklaringen van een personeelslid .

16 Het staat immers aan de ambtenaar die aanspraak maakt op de bescherming bedoeld in artikel 24 van het Statuut, om - op zijn minst - een begin van bewijs te leveren van de aanvallen waarvan hij naar zijn zeggen het slachtoffer is geweest . Pas wanneer dat is gebeurd, moet de Commissie passende maatregelen treffen, en met name een onderzoek gelasten om - in samenwerking met de indiener van de klacht - de feiten te achterhalen die aanleiding hebben gegeven tot de klacht .

17 Blijkens de processtukken hebben Koutchoumoff en Wilkinson sterk uiteenlopende versies van de gebeurtenissen van 2 juni 1986 gegeven . Wilkinson zegt, dat hij enkel heeft getracht Koutchoumoff het ontvangstbewijs van zijn beoordelingsrapport te laten ondertekenen en dat hij, toen Koutchoumoff aanvoerde dat hij naar de medische dienst moest gaan, hem is gevolgd om na te gaan of hij niet probeerde op die manier aan de overhandiging van zijn beoordelingsrapport te ontsnappen . Voorts heeft Koutchoumoff zijn verhaal nooit met precieze gegevens gestaafd, zelfs niet tijdens het onderhoud dat hij op 12 mei 1987 met de directeur personeelszaken heeft gehad; tijdens dat onderhoud weigerde hij zelfs de namen van getuigen op te geven, onder het voorwendsel dat op hen pressie zou kunnen worden uitgeoefend .

18 Het is juist, dat verzoeker het Hof in de loop van de schriftelijke procedure heeft voorgesteld twee getuigen te horen; ter terechtzitting zouden dan nog meer getuigen kunnen worden gehoord .

19 Zonder dat uitspraak behoeft te worden gedaan over de rechtmatigheid van die verzoeken om getuigen te horen, dient erop te worden gewezen, dat het Hof slechts dient te beoordelen of de weigering van de Commissie om de in artikel 24 bedoelde bescherming te verlenen de toets van dat artikel kan doorstaan, en dat het zich niet in de plaats van de Commissie kan stellen en laatstgenoemde niet kan gelasten de bescherming te verlenen .

20 De rechtmatigheid van de weigering van de Commissie om maatregelen op grond van artikel 24 te treffen, moet dus worden beoordeeld op basis van de gegevens waarover deze beschikte toen zij het bestreden besluit nam .

21 Vaststaat dat verzoeker op dat tijdstip kennelijk in gebreke was gebleven zijn verklaringen met bewijzen te staven .

22 In die omstandigheden kan het Hof, zonder dat de voorgestelde getuigen behoeven te worden gehoord, slechts vaststellen, dat de Commissie in de omstandigheden van het onderhavige geval op goede gronden kon oordelen dat de door Koutchoumoff gestelde feiten niet genoegzaam waren bewezen en bijgevolg kon weigeren om ten voordele van betrokkene enige maatregel op grond van artikel 24 van het Statuut te treffen .

23 Uit het voorgaande volgt, dat de Commissie geen fout heeft begaan waaruit voor Koutchoumoff een recht op schadevergoeding kan ontstaan en dat diens vorderingen tot nietigverklaring en schadevergoeding moeten worden verworpen .

Beslissing inzake de kosten

Kosten

24 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Volgens artikel 70 van dat Reglement blijven echter de kosten door de instellingen ter zake van beroepen van personeelsleden der Gemeenschappen gemaakt, te haren laste .

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE ( Derde kamer ),

rechtdoende :

1 ) Verwerpt het beroep .

2 ) Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen .