Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum

Partijen

In zaak C‑381/07,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Conseil d’État (Frankrijk) bij beslissing van 4 juni 2007, ingekomen bij het Hof op 8 augustus 2007, in de procedure

Association nationale pour la protection des eaux et rivières – TOS

tegen

Ministère de l’Écologie, du Développement et de l’Aménagement durables,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, J.‑C. Bonichot, J. Makarczyk, P. Kūris (rapporteur) en L. Bay Larsen, rechters,

advocaat-generaal: J. Mazák,

griffier: B. Fülöp, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 26 juni 2008,

gelet op de opmerkingen van:

– de Association nationale pour la protection des eaux et rivières – TOS, vertegenwoordigd door P. Jeanson, vicepresident van deze vereniging,

– de Franse regering, vertegenwoordigd door G. de Bergues en A.‑L. During als gemachtigden,

– de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door I. M. Braguglia als gemachtigde, bijgestaan door P. Gentili, avvocato dello Stato,

– de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. de Grave als gemachtigde,

– de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door S. Pardo Quintillán en J.‑B. Laignelot als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest

1. Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 6 van richtlijn 2006/11/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2006 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd (PB L 64, blz. 52).

2. Dit verzoek is ingediend door de Conseil d’État in het kader van beroepen wegens bevoegdheidsoverschrijding die door de Association nationale pour la protection des eaux et rivières – TOS zijn ingesteld met het oog op de nietigverklaring van met name Décret n° 2006-881, du 17 juillet 2006, modifiant le décret n° 93-743 du 29 mars 1993 relatif à la nomenclature des opérations soumises à autorisation ou à déclaration en application de l’article 10 de la loi n° 92-3 du 3 janvier 1992 sur l’eau, et le décret n° 94-354 du 29 avril 1994 relatif aux zones de répartition des eaux (Frans decreet nr. 2006-881 van 17 juli 2006 tot wijziging van decreet nr. 93-743 van 29 maart 1993 betreffende de lijst van de verrichtingen waarvoor een vergunning of een aanmelding is vereist op basis van artikel 10 van wet nr. 92-3 van 3 januari 1992 op het water en tot wijziging van decreet nr. 94-354 van 29 april 1994 betreffende de gebieden voor de indeling van de wateren; JORF van 18 juli 2006, blz. 10786; hierna: „decreet nr. 2006-881”), en Décret n° 2006-942, du 27 juillet 2006, modifiant la nomenclature des installations classées (Frans decreet nr. 2006-942 van 27 juli 2006 tot wijziging van de lijst van de ingedeelde inrichtingen; JORF van 29 juli 2006, blz. 11336).

Toepasselijke bepalingen

Gemeenschapsregeling

3. In de punten 6 tot en met 8 van de considerans van richtlijn 2006/11, welke richtlijn overeenkomstig artikel 1, sub a, ervan met name van toepassing is op oppervlaktewateren in het binnenland, dat wil zeggen op, volgens artikel 2, sub a, „alle stilstaande of stromende, zoete oppervlaktewateren die zich op het grondgebied van één of meer lidstaten bevinden”, heet het:

„(6) Het is, ter waarborging van een doelmatige bescherming van het aquatisch milieu in de Gemeenschap, nodig een eerste lijst, lijst I genaamd, op te stellen van bepaalde afzonderlijke stoffen die in hoofdzaak moeten worden gekozen op basis van hun toxiciteit, persistentie en bioaccumulatie, met uitzondering van die stoffen welke biologisch onschadelijk zijn of die snel worden omgezet in biologisch onschadelijke stoffen, alsmede een tweede lijst, lijst II genaamd, van stoffen met een schadelijke werking op het water, die evenwel beperkt kan zijn tot een bepaald gebied en afhangt van de kenmerken van de ontvangende wateren en de plaats daarvan. Elke lozing van deze stoffen moet onderworpen zijn aan een voorafgaande vergunning, waarin de emissienormen worden vastgesteld.

(7) De verontreiniging door het lozen van de verschillende onder lijst I vallende gevaarlijke stoffen moet geheel worden beëindigd. [...]

(8) Het is noodzakelijk de verontreiniging van het water door de in lijst II genoemde stoffen te beperken. De lidstaten moeten te dien einde programma’s vaststellen die milieuhygiënische kwaliteitsnormen voor het water omvatten, welke zijn opgesteld met inachtneming van de richtlijnen van de Raad wanneer laatstgenoemde bestaan. De voor deze stoffen geldende emissienormen moeten worden berekend aan de hand van deze milieuhygiënische kwaliteitsnormen.”

4. Artikel 3 van richtlijn 2006/11 luidt:

„De lidstaten nemen alle passende maatregelen ter beëindiging van de verontreiniging van de in artikel 1 bedoelde wateren door de gevaarlijke stoffen die zijn begrepen onder de families en groepen van stoffen die worden genoemd in lijst I van bijlage I, hierna ‚onder lijst I vallende stoffen’ genoemd, en ter vermindering van de verontreiniging van genoemde wateren door de gevaarlijke stoffen die zijn begrepen onder de families en groepen van stoffen die worden genoemd in lijst II van bijlage I, hierna ‚onder lijst II vallende stoffen’ genoemd, overeenkomstig deze richtlijn.”

5. Artikel 6 van richtlijn 2006/11, waarvan de bewoordingen dezelfde zijn als die van – het bij deze richtlijn ingetrokken – artikel 7 van richtlijn 76/464/EEG van de Raad van 4 mei 1976 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd (PB L 129, blz. 23), bepaalt:

„1. Ter vermindering van de verontreiniging van de in artikel 1 bedoelde wateren door de ‚onder lijst II vallende stoffen’, stellen de lidstaten programma’s op; voor de uitvoering daarvan gebruiken zij met name de in de leden 2 en 3 vermelde middelen.

2. Voor iedere lozing die wordt verricht in de in artikel 1 bedoelde wateren en die één van de onder lijst II vallende stoffen kan bevatten, is een voorafgaande vergunning nodig, die door de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat wordt verleend en waarin de emissienormen voor de lozing worden vastgesteld. Deze worden berekend aan de hand van de milieuhygiënische kwaliteitsnormen, die overeenkomstig lid 3 worden vastgesteld.

3. De in lid 1 bedoelde programma’s bevatten milieuhygiënische kwaliteitsnormen voor het water, die worden opgesteld met inachtneming van de richtlijnen van de Raad wanneer laatstgenoemde bestaan.

[...]”

6. Lijst II van families en groepen van stoffen die worden genoemd in bijlage I van richtlijn 2006/11, bedoeld in de artikelen 3 en 6 van deze laatste richtlijn, vermeldt in punt 8 de stoffen die ongunstig inwerken op de zuurstofbalans, met name ammoniak en nitrieten.

7. Artikel 11 van richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327, blz. 1; hierna: „kaderrichtlijn water”), die van vóór richtlijn 2006/11 dateert, maar waarvan de bepalingen overeenkomstig artikel 22, lid 2, van eerstgenoemde richtlijn vanaf 22 december 2013 in de plaats zullen komen van die van richtlijn 2006/11, bepaalt:

„1. Elke lidstaat draagt er zorg voor dat voor elk stroomgebiedsdistrict of voor het op zijn grondgebied gelegen deel van een internationaal stroomgebiedsdistrict, een maatregelenprogramma wordt opgesteld waarin rekening is gehouden met de resultaten van de krachtens artikel 5 voorgeschreven analyses, teneinde de doelstellingen van artikel 4 te verwezenlijken. [...]

2. Elk maatregelenprogramma omvat de in lid 3 genoemde ‚basismaatregelen’ en, waar nodig, ‚aanvullende maatregelen’.

3. ‚Basismaatregelen’ zijn de minimumvereisten waaraan moet worden voldaan en omvatten:

[...]

g) voor lozingen door puntbronnen die verontreiniging kunnen veroorzaken, een vereiste inzake voorafgaande regulering, zoals een verbod op het in het water brengen van verontreinigende stoffen, of een voorafgaande toestemming, of registratie op basis van algemeen bindende regels, waarin emissiebeheersingsmaatregelen worden voorgeschreven voor de betrokken verontreinigende stoffen, met inbegrip van beheersingsmaatregelen zoals bepaald in de artikelen 10 en 16. [...]

[...]”

8. Artikel 22, lid 3, sub b, van de kaderrichtlijn water bevat de volgende overgangsbepaling:

„voor de toepassing van artikel 7 van richtlijn 76/464/EEG kunnen de lidstaten de beginselen van deze richtlijn toepassen voor de aanwijzing van verontreinigingsproblemen en de stoffen waardoor die veroorzaakt worden, de vaststelling van kwaliteitsnormen en het vaststellen van maatregelen”.

Nationale regeling

9. Onder de titel „Water en aquatische milieus” beogen de bepalingen van de Code de l’environnement (Frans milieuwetboek) inzake de afgifte van een vergunning voor of de melding van installaties, bouwwerken, werkzaamheden en activiteiten, volgens artikel L. 211-1 van die Code een evenwichtig en duurzaam beheer van de waterreserves teneinde onder meer te zorgen voor de bescherming van het water en de bestrijding van verontreiniging. Artikel L. 211-2 van de Code de l’environnement bepaalt met name dat de algemene regels inzake de bescherming van de kwaliteit en de verdeling van de oppervlaktewateren worden vastgesteld bij besluit van de Conseil d’État. Overeenkomstig dit artikel bepalen die algemene regels met name de kwaliteitsnormen en de maatregelen die noodzakelijk zijn om die kwaliteit te herstellen en te beschermen, de voorwaarden waaronder al dan niet rechtstreekse lozingen of afzettingen van stoffen en meer algemeen ieder feit dat de kwaliteit van het water en het aquatische milieu kan aantasten, kunnen worden verboden of gereglementeerd, evenals de voorwaarden waaronder de maatregelen kunnen worden voorgeschreven die noodzakelijk zijn om deze kwaliteit te beschermen. Ter aanvulling op die algemene regels worden volgens artikel L. 211-3 van bedoelde Code ook nationale of voor bepaalde gedeelten van het grondgebied bijzondere voorschriften vastgesteld bij besluit van de Conseil d’État.

10. Artikel L. 214-I van de Code de l’environnement luidt:

„De bepalingen van de artikelen L. 214-2 tot en met L. 214-6 gelden voor de inrichtingen die niet zijn opgenomen in de lijst van ingedeelde inrichtingen, bouwwerken, werkzaamheden en activiteiten verricht voor niet-huishoudelijke doeleinden door iedere openbare of particuliere natuurlijke of rechtspersoon, die leiden tot [...] al dan niet rechtstreekse, duurzame of tijdelijke – al dan niet verontreinigende – lozingen of afzettingen.”

11. Artikel L. 214-2, eerste alinea, van de Code de l’environnement bepaalt:

„De in artikel L. 214-1 bedoelde inrichtingen, bouwwerken, werkzaamheden en activiteiten worden opgenomen in een lijst die wordt vastgesteld bij besluit voorgelegd aan de Conseil d’État, na advies van het Comité national de l’eau; ter zake is een vergunning of aanmelding vereist, al naargelang van het gevaar dat zij opleveren en van de ernst van de gevolgen voor de waterreserve en de aquatische ecosystemen, met name rekening houdend met het bestaan van de ter bescherming van het water en de aquatische milieus ingevoerde zones en gebieden.”

12. In artikel L. 214-3 van de Code de l’environnement is bepaald:

„I. Er is een vergunning van de bevoegde autoriteit vereist voor de inrichtingen, bouwwerken, werkzaamheden en activiteiten die gevaar kunnen opleveren voor de gezondheid en de openbare veiligheid, schade kunnen toebrengen aan de vrije afvoer van wateren, de waterreserve kunnen verminderen, het overstromingsgevaar aanzienlijk kunnen doen toenemen, of de kwaliteit of de diversiteit van het aquatische milieu, met name van de vispopulaties, ernstig kunnen aantasten.

[...]

II. Er is een aanmelding vereist voor de inrichtingen, bouwwerken, werkzaamheden en activiteiten die geen dergelijke gevaren kunnen opleveren, maar toch de overeenkomstig de artikelen L. 211-2 en L. 211-3 vastgestelde voorschriften moeten naleven.

Binnen een bij besluit voorgelegd aan de Conseil d’État gestelde termijn kan de bevoegde autoriteit zich verzetten tegen de voorgenomen verrichting indien blijkt dat deze in strijd is met de bepalingen van het hoofdontwikkelings‑ en beheersplan water of met het ontwikkelings‑ en beheersplan water, of de in artikel L. 211-1 vermelde belangen zo ernstig aantast dat geen enkel voorschrift het mogelijk zou maken daaraan te verhelpen. De werkzaamheden kunnen niet worden aangevat vóór het verstrijken van die termijn.

Indien de eerbiediging van de in artikel L. 211-1 vermelde belangen niet wordt gewaarborgd door de uitvoering van de overeenkomstig de artikelen L. 211-2 en L. 211-3 vastgestelde voorschriften, kan de bevoegde autoriteit steeds bij besluit alle noodzakelijke bijzondere voorschriften opleggen.

[...]”

13. De artikelen R. 214-32 tot en met R. 214-40 van de Code de l’environnement bevatten de bepalingen die gelden voor de verrichtingen waarvoor een aanmelding is vereist. Volgens het eerste van die artikelen moet de aanmelding worden gericht tot de prefect van het betrokken departement of de betrokken departementen. Overeenkomstig artikel R. 214-33 van bedoelde Code zendt deze de aanmelder binnen vijftien dagen volgend op de ontvangst van de aanmelding, wanneer de aanmelding onvolledig is, een ontvangstbevestiging waarin de ontbrekende stukken of gegevens worden vermeld, of, wanneer de aanmelding volledig is, een bewijs van ontvangst van de aanmelding waarin ofwel de datum wordt vermeld waarop de voorgenomen verrichting, indien er geen bezwaar is, zal kunnen plaatsvinden, ofwel te kennen wordt gegeven dat er geen bezwaar is en die verrichting dus onverwijld kan plaatsvinden. Volgens dezelfde bepaling gaat dit ontvangstbewijs in voorkomend geval vergezeld van een afschrift van de toepasselijke algemene voorschriften. De aan de prefect toegekende termijn om deze in staat te stellen zich te verzetten tegen een verrichting waarvoor een aanmelding is vereist, bedraagt volgens artikel R. 214-35 van die Code twee maanden vanaf de ontvangst van een volledige aanmelding.

14. De betrokken inrichtingen, bouwwerken, werkzaamheden of activiteiten moeten volgens artikel R. 214-38 van de Code de l’environnement worden afgebakend, uitgevoerd en geëxploiteerd overeenkomstig het aanmeldingsdossier en, in voorkomend geval, de bijzondere voorschriften van de artikelen R. 214-35 en R. 214-39 van die Code. Dit laatste artikel bepaalt dat de aanmelder om wijziging van de voor een inrichting geldende voorschriften kan verzoeken aan de prefect, die bij besluit uitspraak doet, en dat de prefect deze wijziging ook kan voorschrijven op basis van artikel L. 214-33, II, derde alinea, van die Code. Bovendien heet het in artikel R. 214-40 van die Code dat iedere wijziging die de aanmelder aan het aangemelde project aanbrengt die de elementen van het dossier van de aanvankelijke aanmelding aanzienlijk wijzigt, vóór de uitvoering daarvan moet worden meegedeeld aan de prefect, die een nieuwe aanmelding kan eisen; deze aanmelding moet aan dezelfde vormvoorschriften voldoen als de aanvankelijke aanmelding.

15. Decreet nr. 2006-881, waarvan in het hoofdgeding de nietigverklaring wordt gevorderd, heeft de in artikel L. 214-2, lid 1, van de Code de l’environnement bedoelde lijst, die in artikel R. 214-1 van die Code staat met als opschrift „Lijst van de verrichtingen waarvoor uit hoofde van de artikelen L. 214-1 tot en met L. 214-3 van de Code de l’environnement een vergunning of een aanmelding is vereist” herzien. Volgens rubriek 3.2.7.0 van deze lijst, zoals gewijzigd, is thans voor de zoetwatervisteelt (hierna: „visteelt”) uit hoofde van het waterbeleid een aanmelding vereist, terwijl daarvoor vroeger een vergunning of een aanmelding was vereist naargelang deze tot een impactstudie of een impactnota aanleiding gaf.

16. Bovendien zijn overeenkomstig artikel L. 511-1 van de Code de l’environnement onderworpen aan de bepalingen van die Code inzake de ter bescherming van het milieu ingedeelde inrichtingen, de inrichtingen die gevaar of hinder kunnen veroorzaken met name voor de volksgezondheid, de openbare veiligheid en de volkshygiëne, voor de landbouw en voor de natuur‑ en milieubescherming. Die inrichtingen worden overeenkomstig artikel L. 511-2 van bedoelde Code gedefinieerd in de lijst van de ingedeelde inrichtingen, die daarvoor een vergunning van de prefect of een aanmelding vereist naargelang de ernst van het gevaar of de hinder die de exploitatie ervan kan opleveren.

17. Decreet nr. 2006-942, waarvan ook de nietigverklaring wordt gevorderd in het hoofdgeding, heeft die lijst gewi jzigd. Dit heeft als gevolg dat voor visteelt thans slechts een vergunning is vereist uit hoofde van het beleid van de ter bescherming van het milieu ingedeelde inrichtingen indien hun jaarlijkse productiecapaciteit meer dan 20 ton bedraagt.

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

18. De Assocation nationale pour la protection des eaux et rivières – TOS betoogt ter onderbouwing van haar beroepen tot nietigverklaring van de decreten nrs. 2006-881 en 2006-942 bij de Conseil d’État, dat deze decreten in strijd zijn met artikel 6 van richtlijn 2006/11.

19. Na erop te hebben gewezen dat lozingen van de visteelt ammoniak en nitrieten bevatten, welke stoffen onder lijst II vallen, en dat artikel 6 van richtlijn 2006/11 voor de lozingen die dergelijke stoffen kunnen bevatten, een voorafgaande vergunning vereist waarin de emissienormen worden vastgesteld, constateert de verwijzende rechter in zijn beslissing dat, met uitzondering van die waarvan de jaarlijkse productiecapaciteit meer dan twintig ton bedraagt, waarvoor een vergunning is vereist uit hoofde van de wetgeving inzake de ter bescherming van het milieu ingedeelde inrichtingen, de visteelt op zich slechts aan een aanmeldingsregeling is onderworpen.

20. De verwijzende rechter geeft echter te kennen dat bedoelde regeling, gelet op de aard van de visteeltinstallaties, welke als weinig vervuilend worden beschouwd, tot doel heeft, de administratieve procedures te vereenvoudigen en de controlemiddelen beter toe te wijzen. Hij merkt op dat de prefect in het kader van die regeling beschikt over een recht van verzet tegen de werkzaamheden, welke niet mogen worden aangevat voor het verstrijken van een termijn van twee maanden, en hij kan aan zijn niet-verzet technische voorschriften koppelen op basis waarvan de in artikel L. 211-1 van de Code de l’environnement vermelde belangen kunnen worden beschermd, met name door emissiegrenswaarden voor verontreinigende producten vast te stellen. De verwijzende rechter is van oordeel dat in die omstandigheden de vraag of artikel 6 van richtlijn 2006/11 aldus kan worden uitgelegd dat de lidstaten een dergelijke regeling kunnen invoeren, een ernstige moeilijkheid doet rijzen.

21. Daarop heeft de Conseil d’État de behandeling geschorst van het verzoek tot nietigverklaring gericht tegen decreet nr. 2006-881, voor zover dit decreet voor de visteelt een aanmelding vereist uit hoofde van het waterbeleid, en van het verzoek tot nietigverklaring van decreet nr. 2006-942, en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Kan artikel 6 van richtlijn 2006/11 [...] aldus worden uitgelegd dat de lidstaten, wanneer op basis van dit artikel programma’s ter vermindering van de waterverontreiniging zijn vastgesteld waarin milieuhygiënische kwaliteitsnormen zijn opgenomen, voor bepaalde inrichtingen die als weinig vervuilend worden beschouwd, een aanmeldingsregeling kunnen invoeren waarin naar deze normen wordt verwezen en die de bevoegde autoriteit het recht verleent om zich te verzetten tegen de aanvang van de exploitatie of om grenswaarden voor de lozing op te leggen die specifiek voor de betrokken inrichting gelden?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

22. Om de gestelde vraag te beantwoorden moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat richtlijn 2006/11 niet tot doel heeft, het opstarten van exploitaties die gevaarlijke stoffen in het aquatische milieu kunnen lozen, aan een bijzondere regeling – van vergunning of aanmelding – te onderwerpen naargelang de kenmerken van die exploitaties. Zij beoogt daarentegen, zoals met name uit de punten 6 en 8 van de considerans en uit artikel 3 blijkt, de verontreiniging van de binnen haar werkingssfeer vallende wateren door de onder lijst I vallende stoffen te beëindigen en de verontreiniging van die wateren door de onder lijst II vallende stoffen, zoals ammoniak en nitrieten, te verminderen. Richtlijn 2006/11 heeft dus niet tot doel de lidstaten de verplichting op te leggen om maatregelen vast te stellen die specifiek voor bepaalde exploitaties of inrichtingen als dusdanig gelden, maar zij verplicht hen om passende maatregelen te nemen om waterverontreiniging door lozingen die gevaarlijke stoffen kunnen bevatten, te beëindigen of te verminderen, naargelang de aard van deze stoffen.

23. Ter vermindering van de waterverontreiniging door de onder lijst II vallende stoffen, bepaalt artikel 6 van richtlijn 2006/11 met name dat de lidstaten programma’s vaststellen waarin milieuhygiënische kwaliteitsnormen voor het water worden opgenomen, die worden opgesteld met inachtneming van de richtlijnen van de Raad wanneer deze bestaan. Voor de uitvoering van die programma’s bepaalt artikel 6, lid 2, dat voor iedere lozing die wordt verricht in de in artikel 1 van die richtlijn bedoelde wateren en die één van die stoffen kan bevatten, een voorafgaande vergunning nodig is, die door de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat wordt verleend en waarin de emissienormen worden vastgesteld, berekend aan de hand van de milieuhygiënische kwaliteitsnormen.

24. In de tweede plaats moet worden benadrukt dat richtlijn 2006/11 geen enkele uitzondering op de regel van artikel 6, lid 2, bevat. Zo maakt deze bepaling om de in punt 22 van het onderhavige arrest uiteengezette redenen geen onderscheid naar de kenmerken van de inrichtingen waarvan de lozingen uitgaan, met name naargelang deze inrichtingen als zeer vervuilend of weinig vervuilend worden beschouwd. Zij maakt evenmin een onderscheid naar de omvang van de lozingen. Bijgevolg zou een aanmeldingsregeling als die welke de verwijzende rechter in de gestelde vraag heeft beschreven, slechts kunnen worden geacht door artikel 6 van richtlijn 2006/11 te zijn toegestaan indien zij de bevoegde autoriteit de verplichting zou opleggen om bij iedere lozing een beslissing te nemen die als een voorafgaande vergunning in de zin van dit artikel kan gelden.

25. Niet alleen moet de in artikel 6, lid 2, van richtlijn 2006/11 bedoelde vergunning voorafgaan aan iedere lozing die een van de onder lijst II vallende stoffen kan bevatten, maar zij moet de emissienormen vaststellen, die worden berekend aan de hand van de milieuhygiënische kwaliteitsnormen die zijn opgesteld in een door de lidstaat overeenkomstig artikel 6, leden 1 en 3, vastgesteld programma. Het Hof heeft overigens herhaaldelijk geoordeeld dat uit artikel 7, lid 2, van richtlijn 76/464, waarvan de bewoordingen overeenkwamen met die van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2006/11, volgde dat in de vergunningen emissienormen moesten zijn vermeld die voor iedere toegestane lozing golden en werden berekend aan de hand van de kwaliteitsdoelstellingen die vooraf waren vastgelegd in een programma ter bescherming van de betrokken waterbekkens en waterlopen, in de zin van artikel 7, lid 1 (zie met name arrest van 2 juni 2005, Commissie/Ierland, C‑282/02, Jurispr. blz. I‑4653, punt 68 en aangehaalde rechtspraak). Het Hof heeft met betrekking tot artikel 7, lid 2, ook gepreciseerd dat de in de voorafgaande vergunningen neergelegde emissienormen moeten worden berekend op basis van de in een dergelijk programma vastgestelde kwaliteitsdoelstellingen die het resultaat zijn van het onderzoek van de ontvangende wateren (zie arrest van 25 mei 2000, Commissie/Griekenland, C‑384/97, Jurispr. blz. I‑3823, punt 41).

26. Bijgevolg houdt een voorafgaande vergunning in de zin van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2006/11 in dat alle daartoe ingediende aanvragen van geval tot geval worden onderzocht, en zij kan niet stilzwijgend zijn (zie, met betrekking tot met name artikel 7 van richtlijn 76/464, arrest van 14 juni 2001, Commissie/België, C‑230/00, Jurispr. blz. I‑4591, punt 16).

27. In de eerste plaats is een voorafgaand en specifiek onderzoek van iedere voorgenomen lozing die onder lijst II vallende stoffen kan bevatten, immers noodzakelijk voor de uitvoering van de programma’s ter vermindering van de waterverontreiniging die de lidstaten opstellen overeenkomstig artikel 6, lid 1, van richtlijn 2006/11, volgens hetwelk de onderwerping van dergelijke lozingen aan een voorafgaande vergunning een van de middelen vormt om die programma’s uit te voeren. Bedoeld onderzoek is ook noodzakelijk om bij iedere toegestane lozing de emissienormen vast te stellen, die worden berekend aan de hand van de milieuhygiënische kwaliteitsnormen die in deze programma’s zijn opgenomen en tot doel hebben de lozingen die een of meer onder lijst II vallende substanties bevatten, te verminderen. Dat onderzoek vereist bovendien een beoordeling van de concrete toestand van de ontvangende wateren, waarmee rekening moet worden gehouden om de emissienormen te bepalen. In de tweede plaats kan een stilzwijgende vergunning niet stroken met het vereiste om in de voorafgaande vergunning emissienormen vast te stellen, die worden berekend volgens de hierboven beschreven modaliteiten.

28. Gelet op het voorgaande kan een aanmeldingsregeling als die in het hoofdgeding, waarin naar de in de programma’s ter vermindering van de waterverontreiniging opgenomen milieuhygiënische kwaliteitsnormen wordt verwezen en die de bevoegde autoriteit het recht verleent om zich te verzetten tegen het opstarten van de exploitatie of om grenswaarden voor de lozing op te leggen die specifiek voor de betrokken inrichting gelden, niet voldoen aan bovenvermelde vereisten van artikel 6 van richtlijn 2006/11, aangezien zij niet waarborgt dat alle lozingen die een onder lijst II vallende stof kunnen bevatten, vooraf aanleiding geven tot een specifiek onderzoek waarna emissienormen worden vastgesteld die specifiek voor die lozingen gelden, die worden berekend aan de hand van de toepasselijke milieuhygiënische kwaliteitsnormen en van de concrete toestand van de ontvangende wateren. Een dergelijke regeling legt de bevoegde autoriteit dus niet de verplichting op om een beslissing te nemen die als een voorafgaande vergunning in de zin van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2006/11 kan gelden.

29. Bovendien kunnen noch het bestaan van algemene regels inzake de bescherming van de kwaliteit van de oppervlaktewateren en van nationale of voor bepaalde gedeelten van het grondgebied geldende bijzondere voorschriften, zoals die van de artikelen L. 211-2 en L. 211-3 van de Code de l’environnement en de voorschriften voor de visteelt vastgesteld bij een besluit dat volgens de ter terechtzitting verstrekte gegevens op 1 april 2008 is genomen, zelfs indien daarbij sancties gelden, noch de mededeling aan de aanmelder van een afschrift van de toepasselijke algemene voorschriften, zoals die welke artikel R. 214-33 van die Code oplegt, opwegen tegen de omstandigheid dat er niet voor iedere afzonderlijke lozing emissienormen zijn vastgesteld, berekend aan de hand van de opgestelde milieuhygiënische kwaliteitsnormen en de concrete toestand van de ontvangende wateren.

30. Bijgevolg gaat, anders dan de Franse regering stelt, een aanmeldingsregeling als die in het hoofdgeding niet vergezeld van bepalingen waardoor die regeling in werkelijkheid kan worden aangemerkt als een vereenvoudigde vergunningsregeling die aan de vereisten van artikel 6 van richtlijn 2006/11 voldoet.

31. Uit al het voorgaande volgt dat, anders dan de Franse, de Italiaanse en de Nederlandse regering in hun schriftelijke of mondelinge opmerkingen hebben betoogd, een aanmeldingsregeling die een recht van verzet verleent, zelfs indien zij tot doel heeft de administratieve procedures te vereenvoudigen en de controlemiddelen beter toe te wijzen, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling, niet kan worden geacht gelijkwaardig te zijn aan de in artikel 6 van richtlijn 2006/11 neergelegde regeling van voorafgaande vergunning.

32. Het ter terechtzitting door de Nederlandse regering aangevoerde argument, dat ook door de Franse regering wordt gesteund, inzake de kaderrichtlijn water, kan daaraan niet afdoen.

33. Stellig kunnen de lidstaten reeds, uit hoofde van de overgangsbepaling van artikel 22, lid 3, sub b, van de kaderrichtlijn water, voor de toepassing van artikel 6 van richtlijn 2006/11 „de beginselen van [de kaderrichtlijn water] toepassen voor de aanwijzing van verontreinigingsproblemen en de stoffen waardoor die veroorzaakt worden, de vaststelling van kwaliteitsnormen en het vaststellen van maatregelen”. In het bijzonder kan, zoals de Commissie van de Europese Gemeenschappen ter terechtzitting in herinnering heeft gebracht, op basis van artikel 11, lid 3, sub g, van de kaderrichtlijn water voor lozingen door puntbronnen die verontreiniging kunnen veroorzaken, met name een regeling van registratie worden vastgesteld, en hoeft dus niet noodzakelijk een regeling van voorafgaande vergunning te worden ingevoerd.

34. Bedoelde registratieregeling is echter, zelfs als overgangsmaatregel, slechts denkbaar in het kader van de uitvoering van de kaderrichtlijn water. Deze regeling kan niet worden toegepast los van andere maatregelen waarin die richtlijn voorziet – waarvan het bestaan in de context van het hoofdgeding noch uit de verwijzingsbeslissing noch uit de opmerkingen van de Franse regering blijkt – en veronderstelt met name, zoals uit artikel 11 van die richtlijn volgt, dat vooraf stroomgebiedsdistricten worden aangewezen, dat voor elk daarvan analyses worden uitgevoerd en een maatregelenprogramma wordt opgesteld dat rekening houdt met de resultaten van die analyses, en dat emissiebeheersingsmaatregelen worden bepaald voor de betrokken verontreinigende stoffen.

35. Derhalve moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 6 van richtlijn 2006/11 niet aldus kan worden uitgelegd dat de lidstaten, wanneer op basis van dat artikel programma’s ter vermindering van de waterverontreiniging zijn vastgesteld waarin milieuhygiënische kwaliteitsnormen zijn opgenomen, voor bepaalde inrichtingen die als weinig vervuilend worden beschouwd, een aanmeldingsregeling kunnen invoeren waarin naar deze normen wordt verwezen en die de bevoegde autoriteit het recht verleent om zich te verzetten tegen de aanvang van de exploitatie of om grenswaarden voor de lozing op te leggen die specifiek voor de betrokken inrichting gelden.

Kosten

36. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Dictum

Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart voor recht:

Artikel 6 van richtlijn 2006/11/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2006 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd, kan niet aldus worden uitgelegd dat de lidstaten, wanneer op basis van dat artikel programma’s ter vermindering van de waterverontreiniging zijn vastgesteld waarin milieuhygiënische kwaliteitsnormen zijn opgenomen, voor bepaalde inrichtingen die als weinig vervuilend worden beschouwd, een aanmeldingsregeling kunnen invoeren waarin naar die normen wordt verwezen en die de bevoegde autoriteit het recht verleent om zich te verzetten tegen de aanvang van de exploitatie of om grenswaarden voor de lozing op te leggen die specifiek voor de betrokken inrichting gelden.