Conclusie van de advocaat generaal

Conclusie van de advocaat generaal

++++

Mijnheer de President,

mijne heren Rechters,

1 . J . J . Geist, ingenieur gespecialiseerd in kernenergie, trad op 1 april 1962 in dienst van de Commissie . In 1976 staakte hij uit eigen beweging zijn beroepswerkzaamheden en hij werd per 1 augustus 1984 op eigen verzoek op pensioen gesteld .

2 . Zijn beroep strekt tot nietigverklaring van twee besluiten van de Commissie, handelend in haar hoedanigheid van tot aanstelling bevoegd gezag, namelijk

- het besluit van 27 juli 1984, waarbij hem op basis van artikel 78, derde alinea, Ambtenarenstatuut een invaliditeitspensioen werd toegekend, terwijl zulks, volgens hem, op basis van de tweede alinea van dat artikel had moeten gebeuren;

- het besluit van 10 augustus 1984, waarbij de datum waarvanaf verzoekers recht op bezoldiging is hersteld overeenkomstig het advies van de invaliditeitscommissie op 1 juni 1983 is bepaald, terwijl volgens betrokkene medische stukken betreffende de periode van 1 februari tot 31 mei 1983 niet aan deze commissie waren voorgelegd .

3 . Verzoeker betoogt ook dat de invaliditeitscommissie onregelmatig was samengesteld . Dit punt zal ik eerst behandelen .

I - De samenstelling van de invaliditeitscommissie

4 . Dit middel lijkt mij niet ontvankelijk . De Commissie voert terecht aan, dat de rechtsgrond van dit bezwaar geen verband houdt met de gronden waarop de klacht is gebaseerd . Het Hof heeft zijn rechtspraak betreffende de band die er moet bestaan tussen de inhoud van een klacht in de zin van artikel 91 Ambtenarenstatuut en die van het beroep, nog bevestigd en gepreciseerd in zijn arrest Rihoux . ( 1 ) Hieruit blijkt dat de bij het Hof ingediende conclusies "hetzelfde voorwerp ( moeten ) hebben als de conclusies van ( de ) klacht, en ( dat daarin ) alleen maar bezwaren ( mogen voorkomen ) ... die op dezelfde grond berusten als de in die klacht geformuleerde bezwaren . Voor het Hof kunnen ter nadere precisering van die bezwaren middelen en argumenten worden aangevoerd die niet in de klacht waren vermeld, doch er nauw bij aansluiten ".

5 . De conclusies van verzoekers beroep wijzigen het voorwerp van zijn klacht hoegenaamd niet, doch de beweerde onwettige samenstelling van de invaliditeitscommissie is een nieuw bezwaar, dat niet in zijn klacht voorkwam .

II - Het besluit van 27 juli 1984

6 . Er zij aan herinnerd dat, volgens artikel 78 Ambtenarenstatuut, een ambtenaar met een blijvende volledige invaliditeit waardoor het hem niet mogelijk is werkzaamheden te verrichten die met een ambt van zijn loopbaan overeenkomen, recht heeft op een invaliditeitspensioen ( eerste alinea ), dat evenveel bedraagt als het pensioen waarop hij recht zou hebben gehad, indien hij tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd in dienst zou zijn gebleven ( derde alinea ).

7 . Verzoeker is op pensioen gesteld met toekenning van een overeenkomstig artikel 78, derde alinea, berekend invaliditeitspensioen . Wegens zijn anciƫnniteit bedraagt dit pensioen evenwel 70% van zijn laatste basissalaris . Dit is volgens het Statuut het maximumpensioen, of het nu een gewoon ouderdomspensioen betreft of een invaliditeitspensioen wegens beroepsziekte .

8 . Ter terechtzitting is de vraag opgeworpen of verzoeker dan nog een procesbelang heeft? Volgens verzoeker bestaat zijn procesbelang hierin, dat hij, wanneer de invaliditeitscommissie zou erkennen dat zijn invaliditeit door een beroepsziekte is veroorzaakt, na een procedure ad hoc - die ten tijde van de mondelinge behandeling nog niet was ingeleid - het in artikel 73, tweede alinea, sub b, Ambtenarenstatuut bedoelde kapitaal zou kunnen ontvangen . Deze procedure, die is neergelegd in de artikelen 16 en volgende van de in uitvoering van artikel 73 Ambtenarenstatuut vastgestelde Regeling voor de verzekering van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen tegen ongevallen en beroepsziekten ( hierna : de Regeling ), zou dan nagenoeg enkel nog een formeel karakter hebben .

9 . Dit op de proceseconomie gebaseerde argument berust op een verkeerde beoordeling van de samenhang die er tussen de artikelen 73 en 78 kan bestaan . Beide bepalingen doelen weliswaar op hetzelfde begrip "beroepsziekte", doch waar de eerste gericht is op het dekken van de risico' s die de uitoefening van werkzaamheden meebrengt en recht geeft op uitkeringen en schadevergoeding wanneer in het kader van de uitoefening van deze werkzaamheden schade wordt geleden, betreft de tweede bepaling enkel de vaststelling van een arbeidsongeschiktheid en een recht op pensioen . In dit laatste geval is de beroepsziekte enkel van belang omdat het pensioen, dat hoe dan ook in beginsel verschuldigd is, dan wordt verhoogd . Waar de beroepsziekte een gewone toepassingsmodaliteit van artikel 78 is, is zij een constitutief bestanddeel voor de toepassing van artikel 73 .

10 . Dit heeft het Hof reeds vastgesteld in zaak B . ( 2 ), waarin het overwoog : "Vergelijkt men de artikelen 73 ( vergoeding bij beroepsziekte ) en 78 ( invaliditeitspensioen ), dan blijkt ... dat het in deze twee bepalingen om verschillende en van elkaar onafhankelijke uitkeringen gaat, die echter wel kunnen worden gecumuleerd ". Verwijzend naar artikel 25 van de Regeling, dat bepaalt : "De vaststelling van een blijvende algehele of gedeeltelijke invaliditeit met toepassing van artikel 73 van het Statuut en van deze Regeling prejudicieert niet de toepassing van het bepaalde in artikel 78 van het Statuut, en omgekeerd", heeft het Hof daaruit geconcludeerd, "dat het gaat om twee verschillende procedures, die tot verschillende, onderling onafhankelijke besluiten kunnen leiden ".

11 . Dat de beoordeling van een invaliditeitscommissie ( artikel 78 ) enige invloed heeft op die van de medische commissie ( artikel 73 ) of omgekeerd, kan weliswaar niet worden uitgesloten, doch mag niet worden vermoed en kan evenmin enig juridisch gevolg hebben, daar beide procedures juridisch los staan van elkaar . Het staat derhalve aan verzoeker om, gelet op de door hem aangevoerde morele en materiƫle belangen, de procedure voor de toepassing van artikel 73 in te leiden . De poging om op grond van artikel 78 een recht af te dwingen dat enkel krachtens een andere bepaling geldend kan worden gemaakt, is veeleer een geval van procesverwarring dan een van proceseconomie .

12 . Mitsdien ben ik van mening dat verzoeker geen procesbelang heeft bij het bestrijden van het pensioenbesluit . Deze vraag is ter terechtzitting behandeld . Welnu, het ontbreken van procesbelang is mijns inziens een niet-ontvankelijkheidsexceptie van openbare orde, die overeenkomstig artikel 92, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering in iedere stand van het geding ambtshalve kan worden opgeworpen .

13 . Subsidiair, voor het geval het Hof zou oordelen dat verzoeker toch procesbelang heeft, behandel ik de vraag of de invaliditeitscommissie verplicht of in staat was na te gaan, of de aandoeningen die volgens haar tot de invaliditeit hebben geleid van beroepsmatige oorsprong waren . In dit verband dienen de respectieve bevoegdheden van de invaliditeitscommissie en het tot aanstelling bevoegd gezag in herinnering te worden gebracht .

14 . Zoals in mijn conclusie in zaak 214/85 ( 3 ), herhaal ik onder verwijzing naar het arrest Rienzi ( 4 ), dat de invaliditeitscommissie, weliswaar als enige bevoegd is om het bestaan, de ernst en de gevolgen van een invaliditeit te beoordelen met het oog op het leggen van de band tussen de invaliditeit en een ongeval en/of een ziekte, doch geen uitspraak kan doen over de beroepsmatige oorsprong van deze laatste, omdat zulks tot de uitsluitende bevoegdheid van het tot aanstelling bevoegd gezag behoort .

15 . Volgens het arrest K . is het tot aanstelling bevoegd gezag "in de procedure inzake pensionering wegens invaliditeit niet gehouden, de oorzaak van de invaliditeit ambtshalve te laten onderzoeken en vast te stellen", en "staat het aan de ambtenaar, om toepassing van artikel 78, tweede alinea, van het Statuut te verzoeken ". ( 5 )

16 . Verzoeker geeft toe dat hij daar aanvankelijk niet uitdrukkelijk om heeft verzocht, en gelet op de reeds aangehaalde rechtspraak van het Hof kan hij de administratie niet met een beroep op de zorgplicht verplichten systematisch aanvullende inlichtingen in te winnen om eventuele leemtes in de bij haar ingediende verzoekschriften op te vullen .

17 . Verzoeker wil met betrekking tot de gevolgen van zijn klacht van 20 november 1984 een argument ontlenen aan het aangehaalde arrest K . Net als hij, had K . immers een klacht ingediend waarin hij verzocht om vaststelling van zijn pensioen overeenkomstig artikel 78, tweede alinea, Ambtenarenstatuut . De Raad wees deze klacht af doch het Hof verklaarde die afwijzing nietig, omdat de Raad de oorzaak van de invaliditeit had moeten vaststellen "ten einde hem in voorkomend geval het gevraagde pensioen toe te kennen ". ( 6 )

18 . Verzoeker heeft inderdaad in zijn klacht gevraagd dat de invaliditeitscommissie opnieuw zou samenkomen om uit te maken of zijn invaliditeit "te wijten was aan een beroepsziekte of aan een andere, nader te bepalen oorzaak" en hij heeft daarbij uitdrukkelijk gezinspeeld op de toepassing van artikel 78, tweede alinea . Anders dan in de aangehaalde zaak, kon dit verzoek er evenwel niet toe strekken een maximaal pensioen te verkrijgen, daar het tot aanstelling bevoegd gezag hem dit al had toegekend . Hier stuiten wij weer op het begrip ontbreken van procesbelang . Ik concludeer dan ook subsidiair dat verzoeker geen gegronde reden heeft om de nietigverklaring van het besluit van 27 juli 1984 te verlangen .

19 . Deze conclusie wordt niet op losse schroeven gezet door het feit dat de invaliditeitscommissie Pincherle, een personeelslid van verweerster, heeft gehoord . Deze handelwijze moet weliswaar worden betreurd en getuigt niet onmiddellijk van respect voor het evenwicht tussen de rechten van de partijen dat uit de samenstelling van de invaliditeitscommissie blijkt . Het Hof aanvaardt wel dat een uit artsen bestaande commissie, "wanneer zij zulks geraden mocht achten, in gemeen overleg het advies van een andere arts ( inwint ) en ( dat ) de aard der te beoordelen laesies kan meebrengen dat men zich voor dat advies tot een specialist heeft te wenden ". ( 7 ) Deze rechtspraak geldt evenwel niet voor het inwinnen van andere dan medische adviezen . Wanneer, zoals in casu, juridisch advies werd ingewonnen, en zulks bovendien bij een personeelslid van het tot aanstelling bevoegd gezag, diende verzoeker op zijn minst te worden uitgenodigd om, eventueel bijgestaan of vertegenwoordigd door zijn advocaat, die hoorzitting bij te wonen . Deze grief kan evenwel niet slagen, daar geen inbreuk is gemaakt op de rechten die verzoeker aan artikel 78 kon ontlenen .

III - Het besluit van 10 augustus 1984

20 . Dit besluit is genomen conform het advies van de invaliditeitscommissie, volgens welke de na de bijeenkomst van de laatste invaliditeitscommissie van 31 januari 1983 overgelegde attesten geldig waren en "de arbeidsongeschiktheid van de heer Geist vanaf 1 juni 1983 en tot heden" - dat wil zeggen tot 19 juli 1984 - aantoonden .

21 . Er zij aan herinnerd dat verzoeker

- krachtens artikel 59, lid 1, tweede en derde alinea, Ambtenarenstatuut verplicht was, en

- volgens artikel 9 van bijlage II bij het Statuut de mogelijkheid had,

om het tot aanstelling bevoegd gezag en de invaliditeitscommissie de medische attesten over te leggen die zijn afwezigheid gedurende de litigieuze periode rechtvaardigden . Verzoeker beweert niet dat hij van die mogelijkheid gebruik heeft gemaakt . Evenmin legt hij een copie over van de medische attesten die hij ter rechtvaardiging van zijn afwezigheid gedurende de litigieuze periode aan het tot aanstelling bevoegd gezag zou hebben toegestuurd .

22 . Ten slotte heeft verzoeker aangevoerd dat de datum met ingang waarvan zijn recht op bezoldiging is hersteld - 1 juni 1983 - in geen medisch attest steun vindt . Dit is niet juist, daar in het attest van dokter Olmechette van 7 juni 1983 werd verklaard dat verzoeker "van 1 juni 1983 tot 31 augustus 1983" niet in staat was zijn beroepswerkzaamheden te verrichten .

23 . Het besluit van 10 augustus 1984 lijkt derhalve niet onregelmatig te zijn genomen .

24 . Mitsdien geef ik het Hof in overweging het beroep te verwerpen, en over de kosten te beslissen overeenkomstig artikel 69, paragraaf 2, juncto artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering .

(*) Vertaald uit het Frans .

( 1 ) Arrest van 7 mei 1986, zaak 52/85, Rihoux en anderen, Jurispr . 1986, blz . 1555, zie met name de rechtspraak aangehaald in de rechtsoverwegingen 12 en 13 .

( 2 ) Arrest van 15 januari 1981, zaak 731/79, B ., Jurispr . 1981, blz . 107, met name r.o . 9 .

( 3 ) Conclusie van 4 februari 1987 in zaak 214/85, Gherardi Dandolo, Jurispr . 1987, blz . 0000 .

( 4 ) Arrest van 21 januari 1987, zaak 76/84, Jurispr . 1987, blz . 0000 .

( 5 ) Arrest van 12 januari 1983, zaak 257/81, K ., Jurispr . 1983, blz . 1, r.o . 12 .

( 6 ) Arrest van 12 januari 1983, zaak 257/81, K ., reeds aangehaald, r.o . 15, onderstreping van mij .

( 7 ) Arrest van 29 november 1984, zaak 265/83, Suss, Jurispr . 1984, blz . 4029, r.o . 12 .