13.8.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 238/29


Beroep ingesteld op 10 juni 2011 — Schwenk Zement/Commissie

(Zaak T-306/11)

2011/C 238/51

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Schwenk Zement KG (Ulm, Duitsland) (vertegenwoordiger: M. Raible, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

de beschikking van de Commissie C(2011) 2367 def. van 30 maart 2011 (zaak COMP/39520 — cement en aanverwante producten) nietig verklaren;

de Commissie overeenkomstig artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht veroordelen om de kosten van verzoekster te dragen.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vijf middelen aan.

1)

Eerste middel: Onevenredigheid van de vorm van de beschikking

De bestreden beschikking schendt het evenredigheidsbeginsel omdat de beschikking de eerste tegen verzoekster gerichte onderzoekshandeling is en verzoekster bereid was om inlichtingen te verschaffen.

Het klopt dat verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad (1) geen hiërarchie vaststelt tussen een eenvoudig verzoek om inlichtingen en een bevel tot inlichtingen. Dit doet echter niet eraan af dat het evenredigheidsbeginsel bij de keuze van de onderzoekshandeling moet worden nageleefd.

Een verzoek om inlichtingen overeenkomstig artikel 18, lid 2, van verordening nr. 1/2003 is in vergelijking tot het bevel tot inlichtingen overeenkomstig artikel 18, lid 3, van verordening nr. 1/2003 een milder middel dat bij een onderneming die bereid is om inlichtingen te verstrekken even efficiënt is.

2)

Tweede middel: Schending van artikel 18, lid 3, van verordening nr. 1/2003

De bestreden beschikking voldoet niet aan de voorwaarden van de rechtsgrondslag van artikel 18, lid 3, van verordening nr. 1/2003.

De Commissie noemt geen concreet feit dat aan verzoekster wordt verweten en de informatie die met het verzoek om inlichtingen wordt gevorderd houdt geenszins verband met het beweerde feit dat ten laste wordt gelegd.

Het verzoek om inlichtingen is daarom niet noodzakelijk in het onderzoek van Commissie. Aan de hand van de gevraagde informatie kan niet worden bewezen dat het kartelrecht is geschonden.

3)

Derde middel: Onevenredigheid van de gestelde termijn

De termijn van twee weken om vraag 11 te beantwoorden was voor verzoekster niet voldoende.

De Commissie heeft de termijn om vraag 11 te beantwoorden in de bestreden beschikking zonder motivering ten opzichte van de termijn van de ontwerpbeschikking verkort van twee maanden naar twee weken.

Het was voor verzoekster onmogelijk om binnen de termijn van twee weken tijdig te antwoorden. Toch heeft de Commissie categorisch geweigerd de termijn te verlengen.

In het licht van de omvang van de gevorderde informatie, de verwikkelingen bij het verzamelen van de informatie en de individuele situatie van verzoekster, was een langere termijn absoluut noodzakelijk.

4)

Vierde middel: Onvoldoende motivering van de bestreden beschikking

De bestreden beschikking is niet regelmatig gemotiveerd.

Uit de bestreden beschikking kan niet worden afgeleid welk feit verzoekster wordt verweten. Evenmin kan eruit worden afgeleid wat het verband is tussen de gevraagde informatie en het beweerde verweten feit.

Bovendien is zowel de voor de beantwoording van vraag 11 gestelde termijn, als de verkorting van de termijn uit de ontwerpbeschikking van twee maanden naar twee weken niet voldoende gemotiveerd.

5)

Vijfde middel: Schending van de rechten van de verdediging van verzoekster

Op grond van de tijdsdruk die de Commissie heeft veroorzaakt zijn verzoeksters rechten van verweer, in het bijzonder haar bescherming tegen eventuele zelfbeschuldiging, geschonden.


(1)  Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB L 1, blz. 1).