Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum

Partijen

In zaak F-104/09,

betreffende een beroep ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, dat van toepassing is op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan,

Diego Canga Fano, ambtenaar van de Raad van de Europese Unie, wonende te Brussel (België), vertegenwoordigd door S. Rodrigues en C. Bernard-Glanz, advocaten,

verzoeker,

tegen

Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door M. Bauer en K. Zieleśkiewicz als gemachtigden,

verweerder,

wijst

HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: S. Gervasoni, kamerpresident, H. Kreppel en M. I. Rofes i Pujol (rapporteur), rechters,

griffier: R. Schiano, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 14 september 2010,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest

1. Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht bij fax van 21 december 2009 (de neerlegging van het origineel heeft op 23 december daaraanvolgend plaatsgevonden), heeft D. Canga Fano het onderhavige beroep ingesteld strekkende tot nietigverklaring van het besluit om hem in het kader van de bevorderingsronde 2009 niet naar de rang AD 13 te bevorderen en veroordeling van de Raad van de Europese Unie om hem 200 000 EUR te betalen ter vergoeding van de immateriële en de loopbaanschade die hij stelt te hebben geleden.

Toepasselijke bepalingen

2. Artikel 45, lid 1, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) luidt:

„Bevordering wordt bij besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag toegekend overeenkomstig artikel 6, lid 2, [van het Statuut] en leidt tot benoeming van de betrokken ambtenaar in de eerstvolgende hogere rang van de functiegroep waartoe hij behoort. Bevordering geschiedt uitsluitend bij selectie onder de ambtenaren die een diensttijd van ten minste twee jaar in hun rang hebben volbracht, op grond van een vergelijkend onderzoek van de verdiensten van de ambtenaren die voor bevordering in aanmerking komen. Bij dit vergelijkend onderzoek van de verdiensten houdt het tot aanstelling bevoegd gezag rekening met de beoordelingsrapporten van de ambtenaren, het gebruik, in de uitoefening van hun ambt, van andere talen dan de taal waarvoor zij overeenkomstig artikel 28, [sub] f, [van het Statuut] van een grondige kennis blijk hebben gegeven, en zo nodig met de door hen gedragen verantwoordelijkheden.”

Feiten van het geding

3. Blijkens het dossier is verzoeker op 1 september 1991 als ambtenaar van de rang A 7 in dienst getreden bij het secretariaat-generaal van de Raad (hierna: „SGR”). Hij is voor het laatst op 1 juni 2001 bevorderd naar de rang A 4 (thans AD 12). Sinds 1 april 1994 werkt hij bij de juridische dienst van de Raad. Tussen 1 oktober 1999 en 30 september 2003 was hij echter in het belang van de dienst gedetacheerd bij het kabinet van mevrouw de Palacio, lid van de Commissie van de Europese Gemeenschappen. Na afloop van die detachering is hij opnieuw tewerkgesteld bij de juridische dienst in het team „Buitenlandse betrekkingen” en vervolgens, vanaf 1 oktober 2007, in het team 1B „Coreper I”. Sinds 1 juni 2008 is hij in het belang van de dienst gedetacheerd bij het kabinet van de heer Tajani, lid van de Commissie, waar hij het ambt van adjunct-hoofd van het kabinet vervult.

4. Bij mededeling aan het personeel nr. 50/09 van 5 maart 2009 heeft het SGR de ambtenaren op de hoogte gesteld van de gegevens die ter beschikking van de adviserende bevorderingscommissies voor de bevorderingsronde 2009 waren gesteld alsmede van de maatregelen die waren genomen ter uitvoering van de bepalingen van artikel 45 van het Statuut. Bijlage 2 bij die mededeling preciseerde voor elke rang het aantal mogelijke bevorderingen in 2009 en bijlage 3 bevatte de lijst van voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren. Zo waren er volgens bijlage 2 19 ambten van de rang AD 13 voor administrateurs die in allround functies waren tewerkgesteld, terwijl 91 ambtenaren van de rang AD 12 die in dergelijke functies waren tewerkgesteld voorkwamen op de lijst van bijlage 3, waarop verzoeker volgens de diensttijd in de rang de 20e plaats innam.

5. Volgens mededeling aan het personeel nr. 50/09 beschikten de adviserende bevorderingscommissies onder meer over de beoordelingsrapporten die over elke voor bevordering in aanmerking komende ambtenaar waren opgesteld sinds zijn aanstelling in de rang AD 12 tot en met het laatste beschikbare rapport, namelijk dat over het tijdvak van 1 juli 2006 tot en met 31 december 2007 (hierna: „beoordelingsrapport 2006-2007”).

6. Bij mededeling aan het personeel nr. 54/09 van 10 maart 2009 had het SGR statistieken gevoegd over het beoordelingsjaar 2006-2007, waaronder tabel 2.1, die statistieken bevat die volgens de rang van de ambtenaren zijn opgesteld (hierna: „tabel 2.1”), en tabel 3.1, die statistieken bevat per directoraat-generaal/directoraat/grote afdeling (hierna: „tabel 3.1”). Blijkens mededeling aan het personeel nr. 54/09 waren die statistieken eveneens aan de adviserende bevorderingscommissies gezonden.

7. Na afloop van haar werkzaamheden heeft de adviserende bevorderingscommissie voor de functiegroep AD (ambtenaren die in een ambt van administrateur zijn tewerkgesteld) het tot aanstelling bevoegd gezag (hierna: „TABG”) een lijst voorgelegd — betreffende administrateurs die in allround functies waren tewerkgesteld — met daarop de namen van de negentien ambtenaren die werden voorgedragen voor bevordering naar de rang AD 13 (hierna: „lijst van naar de rang AD 13 bevorderde ambtenaren”), waarvan tien met minder diensttijd in de rang dan verzoeker, die niet op die lijst voorkwam.

8. Bij mededeling aan het personeel nr. 94/09 van 27 april 2009 heeft het TABG de ambtenaren op de hoogte gesteld van zijn besluit om het advies van de adviserende bevorderingscommissie te volgen en de 19 voorgedragen ambtenaren te bevorderen naar de rang AD 13.

9. Bij schrijven van 27 mei 2009 is verzoeker onder verwijzing naar artikel 90, lid 1, van het Statuut opgekomen tegen het besluit om hem niet te bevorderen, zoals gebleken uit mededeling aan het personeel nr. 94/09.

10. Bij besluit van 24 september 2009, waarvan verzoeker de volgende dag kennis is gegeven, heeft het TABG het schrijven van 27 mei 2009 aangemerkt als klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut en deze afgewezen.

Conclusies van partijen

11. Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:

– het onderhavige beroep ontvankelijk te verklaren;

– het besluit van het TABG om verzoeker niet op te nemen op de lijst van naar de rang AD 13 bevorderde ambtenaren, zoals dit volgt uit de mededeling aan het personeel nr. 94/09, nietig te verklaren;

– voor zover nodig, het besluit van het TABG tot afwijzing van zijn klacht nietig te verklaren;

– de Raad te veroordelen tot betaling aan verzoeker:

– van een ex aequo et bono vastgesteld bedrag van 150 000 EUR ter vergoeding van zijn immateriële schade, vermeerderd met vertragingsrente tegen het wettelijke tarief vanaf de datum waarop het bedrag opeisbaar wordt;

– van een ex aequo et bono vastgesteld bedrag van 50 000 EUR ter vergoeding van zijn loopbaanschade, vermeerderd met vertragingsrente tegen het wettelijke tarief vanaf de datum waarop het bedrag opeisbaar wordt;

– de Raad te verwijzen in de kosten.

12. De Raad concludeert dat het het Gerecht behage:

– het beroep te verwerpen;

– de verzoekende partij te verwijzen in alle kosten.

Procesverloop

13. Verzoeker heeft het Gerecht verzocht om de Raad bij wege van maatregel tot organisatie van de procesgang als bedoeld in de artikelen 55 en 56 van het Reglement voor de procesvoering te vragen om overlegging van de beoordelingsrapporten van de 19 naar de rang AD 13 bevorderde ambtenaren. Het Gerecht heeft dit verzoek ten dele ingewilligd.

14. Derhalve is de Raad in eerste instantie bij brief van de griffie van het Gerecht van 15 juni 2010 verzocht om schriftelijke vragen te beantwoorden en om de geanonimiseerde beoordelingsrapporten over te leggen van de tien ambtenaren met minder diensttijd in rang dan verzoeker en wier naam voorkwam op de lijst van naar de rang AD 13 bevorderde ambtenaren (hierna: „tien betrokken ambtenaren”).

15. Bij op 6 juli 2010 ter griffie van het Gerecht binnengekomen fax (de neerlegging van het origineel heeft op 12 juli daaraanvolgend plaatsgevonden) heeft de Raad die vragen beantwoord en de geanonimiseerde beoordelingsrapporten overgelegd van de tien betrokken ambtenaren over het tijdvak van hun aanstelling in de rang AD 12 tot en met hun beoordeling over het tijdvak van 1 juli 2006 tot en met 31 december 2007. De Raad heeft het Gerecht eveneens een beknopte tabel overgelegd met informatie volgende uit de laatste twee beoordelingsrapporten van verzoeker en van elk van de tien betrokken ambtenaren, die werden aangegeven met de letters A tot en met J. Die tabel bevat voor elk van die beoordelingsrapporten een omschrijving van de functies en/of het niveau van de gedragen verantwoordelijkheden, een fragment van de algemene beoordelingen en het gemiddelde van de specifieke beoordelingen. De tabel geeft eveneens aan welke talen in de uitoefening van de functie zijn gebruikt (hierna: „beknopte tabel”).

16. In tweede instantie zijn partijen in het rapport ter voorbereiding van de terechtzitting dat hun bij schrijven van de griffie van het Gerecht van 23 juli 2010 is toegezonden, verzocht om het Gerecht vóór de terechtzitting opmerkingen te doen toekomen ter onderbouwing van hun stelling, gelet op de stukken die de Raad in antwoord op de maatregelen tot organisatie van de procesgang had overgelegd. Verzoeker heeft aan dit verzoek voldaan bij op 31 augustus 2010 ter griffie van het Gerecht binnengekomen fax (de neerlegging van het origineel heeft op 2 september daaraanvolgend plaatsgevonden), terwijl de opmerkingen van de Raad ter griffie van het Gerecht zijn binnengekomen bij fax van 1 september 2010 (de neerlegging van het origineel heeft op 6 september daaraanvolgend plaatsgevonden).

17. In zijn antwoord heeft verzoeker zich erover beklaagd dat op grond van de kopieën die van de verschillende beoordelingsrapporten waren overgelegd niet in alle gevallen duidelijk onderscheid kon worden gemaakt tussen het punt dat was toegekend voor het onderdeel „Prestaties” en dat voor het onderdeel „Snelheid bij de uitvoering van de taken”.

18. Vóór de terechtzitting heeft de president van de Eerste kamer verzoekers vertegenwoordiger gevraagd of hij het eens was met de gemiddelden van de specifieke beoordelingen in de beknopte tabel, welke de punten inhielden — betreffende de in het vorige punt genoemde twee onderdelen — die aan elk van de tien betrokken ambtenaren waren gegeven, dan wel of hij inzage in die kopieën in een leesbaarder versie wenste.

19. Verzoekers vertegenwoordiger heeft ermee ingestemd om die gemiddelden als correct te beschouwen en heeft ervan afgezien om nieuwe inzage te krijgen in de bladzijden van de beoordelingsrapporten die een niet erg leesbaar gegeven bevatten.

Voorwerp van het beroep

20. Afgezien van de nietigverklaring van het besluit om hem niet op te nemen op de lijst van naar de rang AD 13 bevorderde ambtenaren, vraagt verzoeker om nietigverklaring van het besluit van het TABG van 24 september 2009 tot afwijzing van de vorderingen opgenomen in zijn schrijven van 27 mei 2009, dat het TABG heeft aangemerkt als klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut (hierna: „besluit van 24 september 2009”).

21. Dienaangaande zij eraan herinnerd dat een vordering tot nietigverklaring die formeel is gericht tegen de afwijzing van een klacht, tot gevolg heeft dat bij het Gerecht beroep wordt ingesteld tegen de handeling waartegen de klacht was ingediend, indien die vordering als zodanig geen zelfstandige inhoud heeft (arrest Gerecht van 29 september 2009, Kerstens/Commissie, F-102/07, punt 31, en aldaar aangehaalde rechtspraak).

22. Daar de tegen het besluit van 24 september 2009 gerichte vordering als zodanig geen zelfstandige inhoud heeft, moet in casu worden vastgesteld dat het beroep moet worden geacht te zijn gericht tegen het besluit van het TABG om verzoeker niet op te nemen op de lijst van naar de rang AD 13 bevorderde ambtenaren, zoals dit besluit volgt uit mededeling aan het personeel nr. 94/09 (hierna: „bestreden besluit”).

Vordering tot nietigverklaring

23. Tot staving van zijn vordering tot nietigverklaring voert verzoeker twee middelen aan. Het eerste is ontleend aan schending van artikel 45, lid 1, van het Statuut, daar het TABG talrijke kennelijke beoordelingsfouten heeft gemaakt. Het tweede middel is ontleend aan misbruik van bevoegdheid en van procedure.

Eerste middel: schending van artikel 45, lid 1, van het Statuut

Argumenten van partijen

24. Volgens verzoeker heeft het TABG bij de vergelijking van de beoordelingsrapporten een kennelijke beoordelingsfout gemaakt. Aangezien tien van de negentien bevorderde ambtenaren minder diensttijd in de rang hadden dan hij en het TABG slechts subsidiair rekening mag houden met de leeftijd van de kandidaten en met hun diensttijd in de rang of dienst, moesten die tien ambtenaren, om te worden bevorderd, noodzakelijkerwijs verdienstelijker zijn dan hij. Er bestaat echter een hele reeks aanwijzingen dat het niet erg waarschijnlijk is dat tien personen met minder diensttijd in de rang dan de zijne, over grotere verdiensten beschikten.

25. De beoordelingsrapporten die sinds zijn aanstelling in de rang AD 12 tot en met zijn beoordeling over het tijdvak van 1 juli 2006 tot en met 31 december 2007 over hem zijn opgesteld zijn bijzonder lovend, en in het laatste rapport wordt expliciet aangegeven dat hij „bevordering naar een hogere rang verdient”. Het is dus „kennelijk niet normaal” dat hij sinds 2001 niet meer is bevorderd. In zijn beoordelingsrapport 2006-2007 heeft hij voor de specifieke beoordelingen een gemiddelde van 2 gekregen, hetgeen aanzienlijk beter is dan het gemiddelde van de ambtenaren van de rang AD 12 van het SGR en van de ambtenaren van de juridische dienst. Ten slotte blijken zijn verdiensten uit het feit dat hij zijn taak als voorzitter van de jury van de vergelijkende onderzoeken EPSO/AD/46/06 en EPSO/AD/47/06, bestemd voor de aanwerving van Roemeense en Bulgaarse juristen van de rang AD 5, uitstekend heeft verricht en uit het feit dat hij vijf talen spreekt.

26. Verzoeker verwijt het TABG eveneens dat het een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt, door geen rekening te houden met zijn taalkundige capaciteiten. Afgezien van het vereiste minimum, namelijk Engels en Frans, spreekt hij immers drie andere talen. Bij het onderzoek van zijn verdiensten had rekening moeten worden gehouden met deze extra kwaliteiten.

27. Ten slotte heeft het TABG een kennelijke beoordelingsfout gemaakt, daar het bij de gedragen verantwoordelijkheden geen rekening heeft gehouden met het feit dat hij voorzitter is geweest van de jury van voormelde vergelijkende onderzoeken EPSO/AD/46/06 en EPSO/AD/47/06, waarvan de aankondiging in juni 2006 en de lijst van geschikte kandidaten in december 2007 zijn bekendgemaakt. Het voorzitterschap van deze vergelijkende onderzoeken met veel deelnemers, dat voor hem een extra werklast heeft meegebracht naast zijn werkzaamheden bij de juridische dienst, was een belangrijke, moeilijke en veeleisende taak, die hij tot een goed einde heeft weten te voeren. De kwaliteit van zijn werk bij de juridische dienst is op geen enkele wijze negatief beïnvloed. Het feit dat hij deze niet-onbeduidende taak heeft vervuld vormt een belangrijke troef, die een wezenlijke invloed had moeten hebben op de beoordeling van zijn verdiensten.

28. De Raad is van mening dat dit middel ongegrond moet worden verklaard.

Beoordeling door het Gerecht

29. Om te beginnen zij eraan herinnerd dat het TABG bij de beoordeling van de verdiensten op grond van artikel 45, lid 1, van het Statuut met name rekening houdt met de rapporten die over de ambtenaren zijn uitgebracht, het gebruik, in de uitoefening van hun ambt, van andere talen dan de taal waarvoor zij van een grondige kennis blijk hebben gegeven, en zo nodig met de verantwoordelijkheden die de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren hebben gedragen.

30. Het Gerecht heeft geoordeeld dat op een gebied waarop de administratie over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt, de uitdrukkelijke vermelding van die criteria in artikel 45 van het Statuut het bijzondere belang weergeeft dat de wetgever aan de inachtneming ervan hecht (arrest Gerecht van 31 januari 2008, Buendía Sierra/Commissie, F-97/05, punt 62). De bijzondere vermelding, in artikel 45, lid 1, van het Statuut, van de door de ambtenaar gedragen verantwoordelijkheden lijkt des te meer betekenis te hebben, daar het Gerecht van eerste aanleg in zijn arrest van 12 juli 2001, Schochaert/Raad (T-131/00, punt 43), het feit dat het niveau van de verantwoordelijkheden die de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren hebben gedragen als doorslaggevend criterium was beschouwd, in strijd heeft geacht met de bepalingen van artikel 45, lid 1, van het Statuut, in de vóór 1 mei 2004 geldende versie (arrest Gerecht van 5 mei 2010, Boillez e.a./Raad, F-53/08, punt 49).

31. Bovendien heeft het Gerecht geoordeeld dat de vanaf 1 mei 2004 geldende bepalingen van artikel 45, lid 1, van het Statuut met betrekking tot de voor bevordering in aanmerking te nemen elementen duidelijker zijn dan de bepalingen van dat artikel in de vóór die datum geldende versie, aangezien zij niet alleen naar de beoordelingsrapporten verwijzen, maar ook naar het gebruik van andere talen dan de taal waarvoor de betrokken ambtenaren van een grondige kennis blijk hebben gegeven en zo nodig met de door hen gedragen verantwoordelijkheden. Voorts heeft het Gerecht geoordeeld dat het TABG de verdiensten van de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren thans in beginsel in het licht van die drie elementen beoordeelt, zodat de term „verdiensten” in artikel 45, lid 1, van het Statuut dus een andere en in wezen ruimere strekking heeft dan dezelfde term in de vóór 1 mei 2004 geldende versie van dat artikel (arrest Gerecht van 7 november 2007, Hinderyckx/Raad, F-57/06, punt 45). Volgens het Gerecht betekent de uitdrukking „zo nodig” eenvoudigweg dat functionarissen van eenzelfde rang in beginsel weliswaar worden geacht om werkzaamheden met gelijkwaardige verantwoordelijkheden uit te oefenen, doch dat deze omstandigheid, wanneer dit niet concreet het geval is, in aanmerking moet worden genomen bij de bevorderingsprocedure (zie in die zin arrest Bouillez e.a./Raad, reeds aangehaald, punt 56).

32. Bij gelijke verdiensten van de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren op basis van de drie in artikel 45, lid 1, van het Statuut uitdrukkelijk genoemde elementen kan het TABG subsidiair rekening houden met andere elementen, zoals de leeftijd van de kandidaten en de diensttijd in de rang of de dienst (arrest Bouillez e.a./Raad, reeds aangehaald, punt 50).

33. Ten slotte moet eraan worden herinnerd dat het TABG bij de beoordeling van de verdiensten van de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren op grond van de vaste rechtspraak over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt en dat de controle van de rechter van de Unie zich moet beperken tot de vraag of de administratie, gelet op de wegen en middelen die haar tot haar beoordeling hebben kunnen brengen, binnen aanvaardbare grenzen is gebleven en haar vrijheid niet kennelijk onjuist heeft gebruikt. De rechter kan zijn beoordeling van de bekwaamheden en de verdiensten van de kandidaten dus niet in de plaats van die van het TABG stellen (arrest Gerecht van eerste aanleg van 15 september 2005, Casini/Commissie, T-132/03, punt 52).

34. De aldus aan de administratie toegekende ruime beoordelingsbevoegdheid wordt echter begrensd door het vereiste dat de vergelijking van de verdiensten van de kandidaten met zorg en onpartijdig moet geschieden, in het belang van de dienst en overeenkomstig het beginsel van gelijke behandeling. In de praktijk moet deze vergelijking op voet van gelijkheid en op basis van vergelijkbare informatie en inlichtingen plaatsvinden (arrest Casini/Commissie, reeds aangehaald, punt 53).

35. In het licht van deze beginselen moet worden onderzocht of het bestreden besluit een kennelijke beoordelingsfout bevat. In dit verband preciseert het Gerecht dat er, zonder verlies van de nuttige werking die aan de beoordelingsmarge van het TABG moet worden toegekend, sprake is van een kennelijke fout wanneer deze gemakkelijk herkenbaar is en duidelijk aan het licht kan worden gebracht, criteria waarvan de wetgever bevorderingsbesluiten afhankelijk heeft willen stellen.

36. Uit de stukken van het dossier blijkt dat het bij de Raad toegepaste bevorderingsstelsel het TABG een ruime beoordelingsmarge geeft bij de vergelijking van de verdiensten van de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren.

37. In casu had de adviserende bevorderingscommissie voor de functiegroep AD voor de uitbrenging van haar advies waarop het TABG zich heeft gebaseerd, onder meer de beschikking over de beoordelingsrapporten die over elke voor bevordering in aanmerking komende ambtenaar waren opgesteld sinds zijn aanstelling in de rang AD 12 tot en met zijn beoordeling over het tijdvak van 1 juli 2006 tot en met 31 december 2007, het loopbaanverloop, samenvattende overzichten van verlof wegens ziekte of ongeval betreffende de laatste drie jaren en de tabellen 2.1 en 3.1.

38. Ofschoon het juist is dat verzoeker in zijn uiteenzetting ter onderbouwing van dit eerste middel verwijst naar de negentien naar de rang AD 13 bevorderde ambtenaren en hij het Gerecht verzoekt om overlegging van hun beoordelingsrapporten te vragen, blijkt uit het dossier dat hij in feite de vergelijking door het TABG van zijn verdiensten met die van de tien betrokken ambtenaren betwist.

39. In de punten 25, 32 en 33 van het verzoekschrift beklemtoont verzoeker immers dat de beoordeling van de verdiensten het belangrijkste criterium voor elke bevordering is en dat het TABG bij gelijke verdiensten slechts subsidiair rekening mag houden met de leeftijd van de kandidaten en met hun diensttijd in de rang of dienst. Aangezien tien van de negentien bevorderde ambtenaren minder diensttijd in de rang AD 12 hadden dan hij, was de kans dat zij over grotere verdiensten beschikten zijns inziens dus zeer klein.

40. Bovendien heeft verzoeker op geen enkel moment van de procedure, noch in de schriftelijke opmerkingen die met het oog op het antwoord van de Raad op de maatregelen tot organisatie van de procesgang vóór de terechtzitting zijn overgelegd noch ter terechtzitting, geklaagd over het feit dat het Gerecht die maatregelen had beperkt tot de beoordelingsrapporten van de tien betrokken ambtenaren en heeft hij evenmin verwezen naar de negen ambtenaren met meer diensttijd in de rang AD 12 dan hij, voor wie het Gerecht niet om overlegging van de beoordelingsrapporten had gevraagd.

41. Het eerste, aan schending van artikel 45, lid 1, van het Statuut ontleende middel moet derhalve aldus worden opgevat dat het TABG beoordelingsfouten heeft gemaakt bij de vergelijking van verzoekers verdiensten met die van de tien betrokken ambtenaren.

42. Teneinde de relevantie van dit middel in zijn geheel te onderzoeken, moeten niet alleen de beoordelingsrapporten worden onderzocht, maar eveneens de andere elementen van het dossier betreffende het gebruik van talen en het niveau van de gedragen verantwoordelijkheden.

– Beoordelingsrapporten

43. Verzoeker heeft onder meer de beoordelingsrapporten overgelegd die over hem zijn uitgebracht sinds zijn aanstelling in de rang AD 12 tot en met het beoordelingsrapport 2006-2007, met uitzondering van het rapport over het tijdvak van 1 oktober 2003 tot en met 31 december 2004. Toen ter terechtzitting hierover een vraag werd gesteld, heeft verzoeker twijfels geuit over het bestaan van een beoordelingsrapport over die periode en heeft hij aangegeven dat dit zou kunnen worden verklaard door het feit dat op 1 oktober 2003, toen hij na een detachering bij de Commissie opnieuw tewerk werd gesteld bij de juridische dienst, de beoordeling bij de Raad reeds gaande was.

44. Met betrekking tot, in de eerste plaats, de specifieke beoordelingen, blijkt uit de opmerkingen van de Raad van 1 september 2010 dat de raadgevende bevorderingscommissie met name rekening heeft gehouden met de specifieke beoordelingen in het beoordelingsrapport 2006-2007 van verzoeker en de tien betrokken ambtenaren. Deze specifieke beoordelingen zijn onderverdeeld in dertien rubrieken, waaraan de vermelding „uitmuntend”, „zeer goed”, „goed”, „aanvaardbaar” en „laat te wensen over” moet worden toegekend.

45. In mededeling aan het personeel nr. 54/09 werd gepreciseerd dat de vermeldingen „uitmuntend”, „zeer goed”, „goed”, „aanvaardbaar” en „laat te wensen over” overeenkwamen met de cijfers „1” respectievelijk „2”, „3”, „4” en „5”. Deze cijfers hebben gediend voor de opstelling van de statistieken, met name de tabellen 2.1 en 3.1, waarin de gemiddelden worden vermeld die per rang respectievelijk per directoraat-generaal zijn vastgesteld. Blijkens tabel 2.1 was voor ambtenaren in de rang AD 12 het gemiddelde 2,28.

46. Het gemiddelde van verzoekers specifieke beoordelingen over het tijdvak van 1 juli 2006 tot en met 31 december 2007 was echter duidelijk beter dan het in het voorgaande punt genoemde gemiddelde. Dit is een veelzeggende aanwijzing voor de kwaliteit van verzoekers verdiensten wat het laatste beoordelingstijdvak betreft dat in het kader van de bevorderingsronde 2009 in aanmerking is genomen.

47. Uit de stukken van het dossier blijkt dat vier van de tien betrokken ambtenaren, namelijk A, E, I en J, in hun beoordelingsrapport 2006-2007 voor hun specifieke beoordelingen een lager en dus beter gemiddelde dan verzoeker hadden gekregen (1,77 voor eerstgenoemde en 1,92 voor de andere drie). Drie van de betrokken ambtenaren, namelijk B, C en H, hebben evenals verzoeker een gemiddelde van 2 gekregen, terwijl het gemiddelde van de ambtenaren D, F en G hoger en dus slechter was dan dat van verzoeker (2,15 voor eerstgenoemde en 2,08 voor de andere twee).

48. Er zij echter opgemerkt dat de afwijking tussen het gemiddelde van verzoekers specifieke beoordelingen en het — slechtere — gemiddelde van die laatste drie ambtenaren binnen een zeer nauwe marge valt, zodat die afwijking in casu als te verwaarlozen kan worden aangemerkt.

49. Verzoeker stelt dat het feit dat vier van de tien betrokken ambtenaren voor hun specifieke beoordelingen een lager gemiddelde dan hij hadden gekregen, moet worden gerelativeerd, aangezien zij werkzaam waren in directoraten-generaal waarin de beoordeling volgens tabel 3.1 lager was dan het gemiddelde van het SGR.

50. Dienaangaande moet worden vastgesteld dat, zoals uit die tabel blijkt, het door de ambtenaren van de juridische dienst verkregen gemiddelde, namelijk 2,35, zeer dicht bij het algemene gemiddelde van het SGR lag, dat 2,36 bedroeg. Uit de stukken van het dossier blijkt eveneens dat de vier bevorderde ambtenaren met specifieke beoordelingen waarvan het gemiddelde lager dan dat van verzoeker was, tot directoraten-generaal behoorden waarvan het gemiddelde tussen 2,21 en 2,30 lag, dus een lager gemiddelde dan dat van de juridische dienst. Volgens die tabel schommelden de gemiddelden van de verschillende directoraten-generaal tussen 2,05 (het beste) en 2,63 (het slechtste).

51. Het is dus juist dat de vier bovengenoemde ambtenaren deel uitmaakten van directoraten-generaal waarin de beoordelaars „guller” ten opzichte van hun gehele personeel waren geweest dan de beoordelaars van de juridische dienst. Dat neemt echter niet weg dat het laagste gemiddelde van die directoraten-generaal 2,21 was, dat wil zeggen 0,15 punt onder het gemiddelde van het SGR en 0,14 punt onder het gemiddelde van de juridische dienst, terwijl de gemiddelden van de verschillende directoraten-generaal een afwijking van 0,58 punt laten zien.

52. In een dergelijke context moet worden vastgesteld dat de in het vorige punt gesignaleerde afwijking tussen het gemiddelde van de beoordeling in de juridische dienst en die van de directoraten-generaal waartoe de vier bevorderde ambtenaren behoren wier specifieke beoordelingen gemiddeld beter zijn dan die van verzoeker, niet doorslaggevend kan zijn voor de toekenning van een bevordering.

53. De per directoraat-generaal vastgestelde gemiddelden zijn immers berekend aan de hand van het aantal in elk van die directoraten-generaal werkzame ambtenaren, zonder die ambtenaren te onderscheiden aan de hand van hun rang, de functiegroep waartoe zij behoren of de vraag of zij in de betrokken ronde al dan niet voor bevordering in aanmerking komen. Voorts vormt het gemiddelde van de specifieke beoordelingen slechts een deel van de gegevens waarmee de adviserende bevorderingscommissie rekening houdt bij de vergelijking van de verdiensten.

54. Verzoeker betoogt voorts dat bij de vergelijking van zijn verdiensten geen rekening is gehouden met het feit dat hij voorzitter was geweest van de jury van de vergelijkende onderzoeken EPSO/AD/46/06 en EPSO/AD/47/06. Ter terechtzitting heeft hij beklemtoond dat deze taak had geleid tot een aanzienlijke verhoging van zijn werklast en dat hij deze heeft vervuld zonder dat dit afbreuk deed aan zijn normale werkzaamheid binnen de juridische dienst van de Raad.

55. Dienaangaande zij vastgesteld dat verzoekers beoordelingsrapport 2006-2007 bij de omschrijving van de door hem vervulde taken expliciet vermeldt dat „[verzoeker] gedurende een groot deel van de referentieperiode voorzitter is geweest van het [s]electiecomité voor de vergelijkende onderzoeken [EPSO/AD/46/06 en EPSO/AD/47/06] (juristen)”. Wat de specifieke beoordeling van de kwaliteit van verzoekers werk in datzelfde rapport betreft, heeft verzoeker een „uitmuntend” gekregen, terwijl hij in zijn beoordelingsrapport over het tijdvak van 1 januari 2005 tot en met 30 juni 2006 slechts een „zeer goed” had gekregen.

56. Hieruit volgt dat zowel de eerste twee beoordelaars die hebben opgetreden als „eerste beoordelaar” en die verzoekers beoordelingsrapport hebben opgesteld alsook de tweede beoordelaar zich bewust waren van de aanvullende inspanning die verzoeker in de referentieperiode had geleverd. Voorts lijkt bovengenoemde verbetering van de specifieke beoordeling van de kwaliteit van verzoekers werk erop te duiden dat bij de opstelling van het beoordelingsrapport 2006-2007 wel degelijk rekening is gehouden met het voorzitterschap van de jury van die vergelijkende onderzoeken.

57. Wat in de tweede plaats de algemene beoordelingen betreft, is het juist dat de algemene beoordelingen in de beoordelingsrapporten die sinds zijn aanstelling in de rang AD 12 over verzoeker zijn uitgebracht, bijzonder lovend zijn. Zo preciseert in zijn beoordelingsrapport 2006-2007 de eerste beoordelaar die verzoeker heeft beoordeeld over het tijdvak van 1 juli 2006 tot en met 30 september 2007, dat verzoeker „een geweldige medewerker” is en „een excellent jurist”. Bovendien geeft de eerste beoordelaar die verzoeker heeft beoordeeld over het tijdvak van 1 oktober tot en met 31 december 2007 aan dat hij over „buitengewone kennis van het gemeenschapsrecht beschikt”, dat „zijn begrips- en oordeelsvermogen bijzonder ontwikkeld zijn waardoor hij zowel mondeling als schriftelijk juridische adviezen van een zeer hoog niveau kan uitbrengen”, en dat „[h]ij bevordering tot de hogere rang verdient”.

58. Uit het dossier blijkt echter dat de algemene bewoordingen in de beoordelingsrapporten die sinds hun aanstelling in de rang AD 12 over de tien betrokken ambtenaren zijn uitgebracht, gelijkwaardig zijn aan die van verzoeker. Het Gerecht heeft geen enkele opmerking ontdekt die zou afdoen aan hun verdiensten.

59. Bovendien moet worden vastgesteld dat formuleringen als „de beoordeelde ambtenaar verdient een bevordering of kan meer verantwoordelijkheden dragen” voor verschillende van de tien betrokken ambtenaren voorkomen in de beoordelingsrapporten die vóór hun beoordelingsrapport 2006-2007 zijn opgesteld. Dergelijke beoordelingen van de eerste beoordelaars kunnen het TABG echter niet binden met betrekking tot de verlening van een bevordering aan de betrokken ambtenaar, hetgeen wordt bevestigd door het feit dat geen van die ambtenaren ondanks die beoordelingen vóór de bevorderingsronde 2009 is bevorderd.

60. De voor de beoordelingsprocedure geldende regels bepalen immers niet dat de beoordelaars zich uitspreken over de vraag of de beoordeelde ambtenaar een bevordering verdient. Wanneer de beoordelaars het initiatief nemen om het een of andere lid van hun team aan te bevelen voor bevordering, dan formuleren zij een mening die het TABG op geen enkele wijze kan binden, aangezien bevordering pas kan plaatsvinden na een vergelijking van de verdiensten van alle, voor bevordering tot dezelfde rang in aanmerking komende ambtenaren van een instelling. Dergelijke beoordelingen kunnen dus niet hetzelfde gewicht hebben als die welke volgen uit de elementen die de beoordelaar dient te beoordelen. Voorts mag het TABG een ambtenaar bevorderen wanneer het dit gerechtvaardigd acht, zelfs al bevat zijn beoordelingsrapport geen opmerkingen die ten gunste van een bevordering pleiten.

61. Ten overvloede moet worden opgemerkt dat de opmerking dat verzoeker een bevordering verdient moet worden gerelativeerd, aangezien deze afkomstig is van een eerste beoordelaar wiens beoordeling slechts betrekking had op drie van de achttien maanden van het beoordeelde tijdvak.

62. In zijn op 31 augustus 2010 ter griffie van het Gerecht binnengekomen opmerkingen heeft verzoeker eveneens vermeld dat de tweede beoordelaar in één van de beoordelingsrapporten die door de Raad aan het dossier is toegevoegd en volgens hetwelk de beoordeelde ambtenaar een bevordering verdiende, heeft aangegeven dat hij het eens was met de schriftelijke opmerkingen van de eerste beoordelaar, maar dat hij van mening was dat de toegekende specifieke beoordelingen niet op één lijn waren met de gegeven instructies. Aangezien hij de specifieke beoordelingen echter niet heeft gewijzigd, moet het Gerecht ervan uitgaan dat hij ze heeft bevestigd.

63. Gelet op het voorgaande moet worden geconcludeerd dat uit de vergelijking van de beoordelingsrapporten niet kennelijk is gebleken dat de andere ambtenaren niet verdienstelijker waren dan verzoeker.

– Gebruik van talen

64. Met betrekking tot het gebruik van talen stelt verzoeker dat hij vijf talen spreekt en verwijt hij het TABG dat het onvoldoende belang aan zijn taalkundige vaardigheden heeft gehecht.

65. De Raad heeft met betrekking tot de taalkundige vaardigheden in zijn verweerschrift aangegeven dat het gebruik van talen „eerder een subsidiair criterium vormt, dat de doorslag kan geven tussen kandidaten met gelijkwaardige beoordelingsrapporten”.

66. Uit de bepalingen van artikel 45, lid 1, van het Statuut blijkt echter duidelijk dat het criterium betreffende het gebruik door de ambtenaren, in de uitoefening van hun ambt, van andere talen dan de taal waarvoor zij van een grondige kennis blijk hebben gegeven, niet een subsidiair criterium is in de zin dat het alleen bij gelijke verdiensten van de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren een doorslaggevende rol kan spelen bij de keuze van het TABG.

67. In zijn antwoord van 6 juli 2010 op de maatregelen tot organisatie van de procesgang heeft de Raad gepreciseerd dat „het relatieve gewicht van elk van de in aanmerking genomen elementen niet precies is bepaald” en dat de keuze van het TABG gebaseerd was op een algehele beoordeling van de verdiensten van de ambtenaren, waarbij de beoordelingsrapporten in hun geheel genomen en het niveau van de verantwoordelijkheden het zwaarst wogen, en het criterium van het gebruik van de talen bij de vergelijking van de verdiensten „veel minder” zwaar woog dan de twee andere elementen. Ter terechtzitting heeft de Raad bevestigd dat het gebruik van talen één van de eerste criteria is dat bij de vergelijking van de verdiensten in aanmerking moet worden genomen, doch dat dit criterium minder zwaar weegt dan de twee andere. Bovendien heeft de verwerende partij beklemtoond dat het TABG niet elk criterium afzonderlijk heeft vergeleken, maar dat het voor elke kandidaat deze criteria globaal heeft beoordeeld en gewogen.

68. Dienaangaande merkt het Gerecht op dat de administratie inderdaad over enige speelruimte beschikt ten aanzien van het respectieve belang dat zij toekent aan elk van de in artikel 45, lid 1, van het Statuut genoemde criteria, daar die bepalingen de mogelijkheid van weging niet uitsluiten.

69. Met betrekking tot de in de uitoefening van de functie gebruikte talen merkt het Gerecht op dat verzoeker niet aangeeft, of hij de vijf genoemde talen gedurende de onderzochte periode, namelijk van 1 juni 2001 tot en met 31 december 2007, in de uitoefening van zijn functie heeft gebruikt.

70. Dienaangaande moet worden vastgesteld dat in het eerste onderdeel, hoofdstuk III, „Talen”, van het beoordelingsrapport 2006-2007 wordt gezegd:

„[Verzoeker], die Spaanstalig is, werkt regelmatig in het Frans en het Engels, zowel mondeling als schriftelijk. Soms werkt hij eveneens in het Duits (mondeling).”

71. Ter terechtzitting heeft verzoeker gepreciseerd dat hij gedurende de voor de bevorderingsronde 2009 onderzochte periode in vergaderingen of daarbuiten uitsluitend mondeling gebruikmaakte van het Duits, het Italiaans en het Portugees.

72. Met betrekking tot het begrip gebruikte talen merkt het Gerecht op dat verzoeker volgens het informatieblad over zijn talenkennis, dat de onderdelen „begrip”, „gesproken taal” en „schriftelijke taal” bevat, gevoegd bij het beoordelingsrapport 2006-2007 en door hem ingevuld op 29 januari 2007, zelf verklaart dat hij een zeer goede kennis van het Frans en het Engels heeft, maar dat hij het Duits slechts goed begrijpt, goed spreekt en aanvaardbaar schrijft, terwijl hij het Italiaans slechts goed begrijpt en aanvaardbaar spreekt en schrijft. Voorts beperkt zijn kennis van het Portugees zich volgens dit informatieblad tot een aanvaardbaar begripsniveau.

73. In zijn schrijven van 27 mei 2009 geeft verzoeker aan dat hij thans over goede kennis van het Italiaans beschikt, daar deze taal één van de werktalen is die hij het meest gebruikt wegens zijn functie van adjunct-hoofd van het kabinet van de heer Tajani, lid van de Commissie, die hij sinds 1 juni 2008 vervult.

74. Zoals de Raad in zijn besluit van 24 september 2009 echter terecht opmerkt, kon de adviserende bevorderingscommissie geen rekening houden met elementen die betrekking hadden op een tijdvak na het laatste beoordelingsrapport van de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren, namelijk het tijdvak van 1 juli 2006 tot en met 31 december 2007. Bovendien waren de enige elementen betreffende de talen waarover de adviserende bevorderingscommissie beschikte, de beoordelingsrapporten die over elke voor bevordering in aanmerking komende ambtenaar waren uitgebracht sinds zijn aanstelling in de rang AD 12 tot en met het beoordelingsrapport 2006-2007. Overeenkomstig het beginsel van gelijke behandeling kon dus noch die commissie noch het TABG niet-bevorderde ambtenaren toestaan, een beroep te doen op elementen waarop de andere voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren zich niet hadden kunnen beroepen.

75. Vastgesteld moet dus worden dat de verklaringen die verzoeker ter terechtzitting heeft afgelegd over zijn kennis van het Italiaans en het Portugees als gesproken taal niet overeenkomen met de informatie over de talenkennis op het bij het beoordelingsrapport 2006-2007 gevoegde informatieblad. Op dit blad verklaart verzoeker immers dat hij aanvaardbare kennis van het Italiaans als gesproken taal heeft, terwijl de hokjes voor zijn kennis van het Portugees als gesproken taal zelfs niet zijn ingevuld.

76. Ofschoon dit blad op 29 januari 2007 is ingevuld en dus niets kan zeggen over verzoekers talenkennis op 31 december 2007, merkt het Gerecht op dat verzoeker zelf beklemtoont dat zijn kennis van het Italiaans thans op hetzelfde niveau is als zijn kennis van het Frans en het Engels. Verzoeker geeft dus impliciet toe dat zijn kennis van het Italiaans op 31 december 2007 slechter was dan thans. Hij voert hoe dan ook niets aan om aan te tonen dat zijn kennis van het Italiaans en het Portugees als gesproken taal op 31 december 2007 verbeterd was sinds januari 2007. Het Gerecht kan dus in redelijkheid aannemen dat verzoekers kennis van het Italiaans en het Portugees als gesproken taal op die datum onvoldoende was om bij de vergelijking van de taalkundige verdiensten in aanmerking te worden genomen.

77. Vastgesteld moet dus worden dat verzoeker aan het einde van de door de adviserende bevorderingscommissie onderzochte periode, namelijk 31 december 2007, naast het Spaans als moedertaal, het Frans en het Engels beheerste. Hij had eveneens een goede kennis van het Duits, ofschoon zijn schriftelijke kennis van die taal beperkt was, en een goed begrip van het Italiaans. Wat het gebruik van die talen betreft, sprak verzoeker bij gelegenheid weliswaar Duits, doch dat neemt niet weg dat hij voor zijn werk slechts twee talen regelmatig gebruikte, namelijk het Engels en het Frans.

78. Uit de stukken van het dossier blijkt dat alle tien betrokken ambtenaren in de uitoefening van hun functie het Engels en het Frans gebruikten. Anders dan de Raad stelt, beheersten echter niet al die ambtenaren die twee talen perfect en beheersten niet alle ambtenaren die het Engels of het Frans als moedertaal hadden, ten minste één derde taal. Wel blijkt uit het dossier dat alle ambtenaren die de betrokken talen niet of niet perfect beheersten, daarvan ten minste een goede kennis hadden.

79. Verzoekers taalkundige vaardigheden lijken voor het wezenlijke dus gelijkwaardig aan die van de tien betrokken ambtenaren in de uitoefening van hun functie.

– Niveau van de gedragen verantwoordelijkheden

80. Met betrekking tot het niveau van de gedragen verantwoordelijkheden blijkt uit het dossier dat alle tien betrokken ambtenaren, met uitzondering van ambtenaar B, gedurende het tijdvak van 1 juli 2006 tot en met 31 december 2007 kaderfuncties uitoefenden. Deze negen ambtenaren waren werkzaam als hoofd van een eenheid of coördineerden de facto de werkzaamheden van een team op lastige gebieden. Verzoeker en ambtenaar B waren gedurende dat tijdvak werkzaam als jurist bij de juridische dienst van de Raad.

81. Vastgesteld moet dus worden dat negen van de tien betrokken ambtenaren functies uitoefenden die in termen van management meer verantwoordelijkheden inhielden dan die van verzoeker, terwijl de functie van de tiende ambtenaar, ambtenaar B, op hetzelfde niveau als dat van verzoeker was.

82. In deze context stelt verzoeker dat de aanvullende taken die eventueel aan de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren waren toevertrouwd, moeten worden onderzocht in het kader van de verantwoordelijkheden die zij in de uitoefening van hun functie hebben gedragen. Zo benadrukt hij dat hij tussen juni 2006 en december 2007, dat wil zeggen gedurende het grootste deel van het in het beoordelingsrapport 2006-2007 onderzochte tijdvak, voorzitter is geweest van de jury van de vergelijkende onderzoeken EPSO/AD/46/06 en EPSO/AD/47/06, hetgeen tot een verhoging van de werklast heeft geleid, naast zijn werkzaamheden bij de juridische dienst. Praktisch geen van de tien betrokken ambtenaren zou gelijkwaardige aanvullende taken hebben vervuld. Derhalve stelt verzoeker dat het TABG een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt, aangezien het bij de beoordeling van zijn verdiensten onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat hij naast zijn gewone taken, voorzitter is geweest van de jury van die vergelijkende onderzoeken.

83. Bijgevolg dient het Gerecht na te gaan of, gelet op de uitoefening van kaderfuncties door en de grote verantwoordelijkheden van negen van de tien betrokken ambtenaren, de verdiensten van laatstgenoemden groter lijken dan die van verzoeker, rekening houdend met het feit dat hij bovenvermelde aanvullende taak heeft vervuld.

84. In dit verband staat vast dat de taak van het voorzitten van de jury van de vergelijkende onderzoeken EPSO/AD/46/06 en EPSO/AD/47/06 niet alleen een verhoging van de werklast inhoudt, naast de werkzaamheden die verzoeker bij de juridische dienst diende te verrichten, maar eveneens meer verantwoordelijkheden, hetgeen de Raad overigens erkent. Zoals laatstgenoemde heeft opgemerkt, is het voorzitterschap van een jury van een vergelijkend onderzoek echter een tijdelijke taak. Dat die taak lang heeft geduurd, in casu anderhalf jaar, neemt niet weg dat de negen bevorderde ambtenaren volgens de stukken van het dossier op permanente basis en sinds geruime tijd kaderfuncties uitoefenden. Zo oefenden zes van hen sinds ten minste 1 juli 2003 kaderfuncties uit, terwijl dit voor twee sinds ten minste 1 januari 2005 het geval was. Ten slotte was één ambtenaar sinds 1 februari 2004 gedetacheerd bij de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor het gebied van de Grote Meren en geeft de Raad aan dat hij in het kader van zijn functie zeer grote verantwoordelijkheden droeg.

85. Gelet op het voorgaande is het Gerecht van oordeel dat de door verzoeker vervulde aanvullende taak, die zeker verdienstelijk is, niet tot gevolg heeft dat hij in het totale overzicht van verdiensten permanent en gedurende langere tijd kaderfuncties heeft uitgeoefend.

86. Het Gerecht dient eveneens na te gaan of de Raad bij de algehele vergelijking van verzoekers verdiensten, en met name wat de gedragen verantwoordelijkheden betreft, met die van ambtenaar B, een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt.

87. Blijkens het dossier is ambtenaar B met ingang van 1 januari 2004 aangesteld in de rang AD 12 en was hij vanaf die datum tot en met 31 december 2007 lid van de juridische dienst van de Raad. Dit betekent dat van 1 oktober 2003, de datum waarop verzoeker na zijn detachering bij die juridische dienst werd herplaatst, tot en met 31 december 2007 verzoeker en ambtenaar B bij dezelfde dienst waren tewerkgesteld en functies met een vergelijkbaar niveau van verantwoordelijkheid uitoefenden.

88. Blijkens het dossier en zoals de Raad ter terechtzitting heeft beklemtoond diende ambtenaar B gedurende bovenvermelde periode, evenals verzoeker, aanvullende taken te verrichten. Zo was ambtenaar B gedurende het beoordelingstijdvak van 1 juli 2003 tot en met 31 december 2004 corrector voor verschillende examens van een door het EPSO georganiseerd vergelijkend onderzoek en heeft hij meegewerkt in het secretariaat van de intergouvernementele conferentie, met name voor de uitwerking van het ontwerpverdrag tot invoering van een grondwet voor de Europese Unie. De betekenis en omvang van het werk dat laatstgenoemde taak meebrengt zijn volgens de Raad vergelijkbaar met het voorzitterschap van een jury van een door het EPSO georganiseerd vergelijkend onderzoek. Ter terechtzitting heeft de Raad eveneens beklemtoond dat ambtenaar B een bijzonder goede jurist is, die buitengewoon betrouwbaar is en over opmerkelijke analytische gaven beschikt.

89. Dienaangaande zij eraan herinnerd dat, zoals in punt 33 van dit arrest is opgemerkt, het TABG over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt en de controle van de rechter van de Unie zich moet beperken tot de vraag of dat gezag binnen aanvaardbare grenzen is gebleven en zijn bevoegdheid niet kennelijk onjuist heeft gebruikt.

90. Gelet op de voorgaande overwegingen moet worden vastgesteld dat op het eerste gezicht niet blijkt dat ambtenaar B op basis van de algehele beoordeling van de in artikel 45, lid 1, van het Statuut genoemde criteria, niet over grotere verdiensten dan verzoeker beschikte. Er behoeft dus niet te worden vastgesteld dat de balans duidelijk in het voordeel van verzoeker had moeten doorslaan.

91. Uit het voorgaande volgt dat het eerste middel ongegrond moet worden verklaard.

Tweede middel: misbruik van bevoegdheid en van procedure

Argumenten van partijen

92. Verzoeker stelt dat hij voldoende nauwkeurige, objectieve en overeenstemmende aanwijzingen kan geven waaruit blijkt dat het bestreden besluit in werkelijkheid is genomen om het hem, in strijd met de artikelen 37 en 38 van het Statuut, betaald te zetten dat hij sinds 1 juni 2008 in het belang van de dienst is gedetacheerd bij de Commissie. Hij beklemtoont dat zijn werk in dienst van een kabinet van een lid van de Commissie een verdienste en een troef is, en dat hiermee rekening had moeten worden gehouden bij de vergelijking van de verdiensten van de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren. Door geen rekening te houden met deze verdienste noch met de onzekerheid van zijn detachering, heeft de Raad hem dubbel bestraft en op die manier misbruik van bevoegdheid gemaakt, waarvan misbruik van procedure slechts een vorm is.

93. De Raad antwoordt hierop dat verzoeker geen enkele aanwijzing ter onderbouwing van zijn betoog geeft en dat hij dit middel dus niet kan beantwoorden.

Beoordeling door het Gerecht

94. Om te beginnen moet worden opgemerkt dat verzoekers detachering bij de Commissie heeft plaatsgevonden in juni 2008, dus op een datum na het tijdvak dat wordt bestreken door het laatste beoordelingsrapport dat in het kader van de bevorderingsronde 2009 in aanmerking is genomen, dat wil zeggen het beoordelingsrapport 2006-2007. Aangezien de adviserende bevorderingscommissies alleen de verdiensten konden onderzoeken waarvan de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren tot en met 31 december 2007 blijk hadden gegeven, kon die detachering in het kader van de bevorderingsronde 2009 niet worden beoordeeld.

95. Bovendien is herhaaldelijk geoordeeld dat van misbruik van bevoegdheid slechts sprake is wanneer op grond van objectieve, relevante en overeenstemmende aanwijzingen blijkt dat de handeling uitsluitend of althans overwegend is vastgesteld om andere dan de aangegeven doelen te bereiken, of om zich te onttrekken aan de toepassing van een procedure waarin het Verdrag speciaal heeft voorzien (zie arrest Gerecht van 11 juli 2007, Wils/Parlement, F-105/05, punt 119, en aldaar aangehaalde rechtspraak).

96. Zoals de Raad terecht opmerkt, heeft verzoeker in casu het bestaan van dergelijke aanwijzingen niet aangetoond of zelfs maar aangevoerd. Hij stelt immers slechts dat hij verdienstelijker is dan de tien betrokken ambtenaren. Op grond van dit argument kan echter niet worden aangetoond dat het bestreden besluit alleen is genomen om hem te schaden.

97. Ten overvloede moet worden opgemerkt dat verzoeker blijkens het dossier in 2001, toen hij in het belang van de dienst bij de Commissie was gedetacheerd, naar de rang A 4 (thans AD 12) is bevorderd en in 2010, gedurende zijn detachering in het belang van de dienst bij het kabinet van de heer Tajani, naar de rang AD 13. Laatstgenoemd feit kan hier in aanmerking worden genomen, ook al dateert het van na de vaststelling van het bestreden besluit, aangezien het aanwijzingen geeft over de omstandigheden waarin dit besluit is genomen. Gelet op dit feit, moet worden vastgesteld dat verzoeker niet met succes kan stellen dat zijn detacheringen in het belang van de dienst hem verkapte sancties hebben opgeleverd, doordat zij zijn bevordering hebben verhinderd.

98. Bijgevolg is niet aangetoond dat het bestreden besluit is genomen om redenen die op geen enkele wijze verband hielden met het doel van de bevorderingsprocedure en dat het op misbruik van bevoegdheid berust.

99. Uit het voorgaande volgt dat ook het tweede middel ongegrond moet worden verklaard.

100. Dit betekent dat de vordering tot nietigverklaring moet worden afgewezen.

Vordering tot schadevergoeding

Argumenten van partijen

101. Verzoeker stelt dat hij ernstige loopbaan- en immateriële schade heeft geleden als gevolg van het feit dat hij in het kader van de bevorderingsronde 2009 niet is bevorderd. Hij heeft niet alleen een jaar verloren (dat voor zijn loopbaanverloop en zijn toekomstige bevorderingen in een kapitaalwaarde moet worden uitgedrukt), maar werd eveneens gehinderd in de mogelijkheid om toegang te verkrijgen tot ambten waarvoor de rang AD 13 is vereist. Hij schat zijn loopbaanschade op 50 000 EUR. Voorts heeft het uitblijven van een bevordering hem aanzienlijke stress opgeleverd waardoor zijn gezondheidstoestand, die wegens een ernstige ziekte toch al delicaat is, is verslechterd. Deze immateriële schade zou 150 000 EUR bedragen.

102. De Raad concludeert tot afwijzing van deze vordering tot vergoeding van de loopbaan- en de immateriële schade.

Beoordeling door het Gerecht

103. Volgens vaste rechtspraak op het gebied van de openbare dienst moet de vordering tot schadevergoeding worden afgewezen wanneer zij nauw verband houdt met een vordering tot nietigverklaring die zelf is afgewezen (zie arrest Gerecht van 12 maart 2009, Arpaillange e.a./Commissie, F-104/06, punt 137, en aldaar aangehaalde rechtspraak).

104. In casu is de vordering tot nietigverklaring afgewezen, zodat ook de vordering tot schadevergoeding moet worden afgewezen.

105. Mitsdien moet het beroep worden verworpen in zijn geheel.

Kosten

106. Volgens artikel 87, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij, behoudens andere bepalingen van het achtste hoofdstuk van de tweede titel van dat Reglement, in de kosten verwezen, voor zover zulks is gevorderd. Op grond van artikel 87, lid 2, kan het Gerecht, wanneer de billijkheid dit vergt, beslissen dat een in het ongelijk gestelde partij slechts ten dele in de kosten wordt verwezen of zelfs niet in de kosten dient te worden verwezen.

107. Uit de hierboven uiteengezette rechtsoverwegingen volgt dat verzoeker in het ongelijk is gesteld. Voorts heeft de Raad in zijn conclusies uitdrukkelijk gevorderd om verzoeker te verwijzen in de kosten. Daar de omstandigheden van de zaak geen rechtvaardiging opleveren voor de toepassing van de bepalingen van artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, moet verzoeker dus worden verwezen in de kosten van de Raad.

HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN (Eerste kamer),

Dictum

rechtdoende, verklaart:

1) Het beroep wordt verworpen.

2) D. Canga Fano zal alle kosten dragen.