31.7.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 229/133


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het thema „Het effect van het EU-ontwikkelingsbeleid vergroten: een agenda voor verandering — De toekomstige strategie inzake EU-begrotingssteun aan derde landen”

(COM(2011) 637 final en COM(2011) 638 final)

2012/C 229/26

Rapporteur: An LE NOUAIL MARLIÈRE

De Europese Commissie heeft op 30 oktober 2011 besloten om het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over het thema

Het effect van het EU-ontwikkelingsbeleid vergroten: een agenda voor verandering — De toekomstige strategie inzake EU-begrotingssteun aan derde landen

COM(2011) 637 final en COM(2011) 638 final.

De afdeling Externe Betrekkingen, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 30 april 2012 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 23 en 24 mei 2012 gehouden 481e zitting (vergadering van 24 mei) onderstaand advies uitgebracht, dat met 146 stemmen vóór en 60 tegen, bij 30 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

Het EESC steunt beide Commissiedocumenten, maar dringt er wel op aan dat de beoogde maatregelen zich concreet vertalen in de dagelijkse praktijk van de burgers voor wie de hulp uiteindelijk is bedoeld. Hiertoe doet het de volgende voorstellen:

1.1

Maatschappelijke organisaties (o.m. vakbonden, coöperaties, ngo's en werkgeversorganisaties, elk met hun eigen specifieke kenmerken) zouden niet alleen moeten worden betrokken bij de algemene richtsnoeren, maar bij het hele proces van het selecteren en uitvoeren van projecten en de beoordeling van resultaten, teneinde de administratieve, diplomatieke en juridische procedures waarmee de financiële steunverlening van de EU wordt gecontroleerd en geëvalueerd, te ondersteunen en aan te vullen.

1.2

Als de sociale partners en andere organisaties van het maatschappelijk middenveld niet alleen geraadpleegd, maar ook echt betrokken worden, kan geprofiteerd worden van hun deskundigheid (die berust op hun ervaring op sociaal, economisch en milieugebied) en van de vrijwillige inzet van de burgers in kwestie, door verbetering van de criteria inzake representativiteit en democratisch gehalte, waarbij het gaat om openheid, uitbreiding, transparantie en onafhankelijkheid (streven naar ownership).

1.3

Sociaaleconomische raden zijn in dit verband van grote waarde. Ongeacht de obstakels heeft het EESC zich ter zake voortdurend ingezet, samen met zijn partners: organisaties van de derde sector, vakbonden en werkgeversverenigingen. Het heeft bij de Europese overheden als spreekbuis gediend van de delegaties waarmee het in contact stond, waarbij het als brug tussen de instellingen en maatschappelijke en sociaaleconomische organisaties fungeerde en er de EU-autoriteiten dikwijls op gewezen heeft om waakzamer te zijn op mensenrechtengebied.

1.4

Bij de concrete invulling van de raadpleging moet gezorgd worden voor een beter evenwicht tussen maatschappelijke organisaties uit enerzijds de EU en anderzijds de begunstigde landen. Instrumentalisering van het Europese ontwikkelingsbeleid moet absoluut worden vermeden, met name door te zorgen voor wederzijdse raadpleging van niet-overheidsactoren. (1)

1.5

Waar het gaat om de concentratie van sectoren op nationaal niveau moet ook rekening worden gehouden met de Agenda voor waardig werk, die bijdraagt tot inclusieve en duurzame groei. De sociale partners moeten van meet af aan een rol krijgen in het beleidsoverleg om te zorgen voor democratische betrokkenheid bij ontwikkelingsbeleidsmaatregelen, die niet alleen een zaak zijn van regeringen.

1.6

Een gedifferentieerde aanpak voor verschillende landen of groepen landen moet gebaseerd zijn op indicatoren zoals de VN-Index voor menselijke ontwikkeling, die aansluiten bij de armoedebestrijdingsdoelstellingen. Hoe dan ook zou een strategie moeten worden vastgesteld voor een geleidelijke uitfasering van de zgn. „opkomende economieën”.

1.7

De steun van de EU voor goed bestuur en mensenrechten (hoeksteen van de agenda voor verandering) zou gericht moeten worden op het bevorderen van een op mensenrechten gebaseerde ontwikkelingsaanpak, die gekenmerkt wordt door inspraak in politieke processen, democratisch ownership en empowerment van houders van rechten; systemen voor de inachtneming van mensenrechten m.b.t. internationaal gemaakte afspraken; en samenhang tussen het mensenrechten-, hulp- en economisch beleid.

1.8

Het EESC dringt erop aan dat extra aandacht uitgaat naar de volgende verbeteringen om particuliere en overheidshulp doeltreffender in te zetten:

aangezien de nood vaak het hoogst is in de landen waar ook de ernstigste vormen van corruptie voorkomen, moet extra aandacht worden besteed aan de bestrijding van corruptie; in het geval van begrotingssteun moeten niet-overheidsactoren, sociale partners, mensenrechtenorganisaties en Europese netwerken worden geraadpleegd over de betalingen en worden betrokken bij het afbakenen van prioriteiten, monitoring, enz.;

sectorspecifieke uitdagingen zouden bij de strategische herijking van de ontwikkelingshulpdoelen centraal moeten staan. Het EESC vindt dat de prioriteit in dezen moet uitgaan naar de millenniumontwikkelingsdoelstellingen. Specifieke aandacht moet uitgaan naar sociale sectoren, onderwijs en beroepsopleiding, volksgezondheid, ontwikkeling van en toegang tot nieuwe informatie- en communicatietechnologieën, rechten van gehandicapten, mensenrechten en arbeidsrechten, alle rechten betreffende vrouwen in hun beroeps- en privéleven en hun deelname aan het openbare leven;

overheidshulp is nog steeds cruciaal en noodzakelijk voor de ontwikkeling van de begunstigde landen. Wel moeten de rechtstreekse hulp van de lidstaten en die van de EU beter op elkaar worden afgestemd. Hiertoe is het zaak om de steun van ngo's en uit particuliere hoek mee te nemen in het coördinatieproces en om op deze steun dezelfde beginselen toe te passen inzake samenhang van doelstellingen en boekhouding;

het baart het EESC zorgen dat de officiële ontwikkelingshulp van de meeste lidstaten een dalende tendens vertoont; ook beklemtoont het dat het maatschappelijk middenveld meer bij de besluitvorming moet worden betrokken.

1.9

Het EESC vindt dat de Commissie de rechtstreekse betrokkenheid van maatschappelijke organisaties uit de EU en de begunstigde landen zo veel mogelijk zou moeten versterken, in een geest van partnerschap. Dit moet een positieve invloed hebben op de mensenrechten en de strijd tegen corruptie, en daarnaast ook het risico op inefficiënte hulp en sociale problemen afzwakken.

1.10

De lidstaten zouden zich ertoe moeten verplichten om hun hulp in EU-kader te coördineren. Nu de EU in een ernstige economische crisis verkeert, is het zaak om de Europese belastingbetalers beter te doordringen van en te informeren over de hulpdoelen en om hun ter zake een vinger in de pap te geven. Om het draagvlak voor de hulp te vergroten, zouden ze relevante informatie moeten krijgen via voorlichtingsacties voor het grote publiek en voor mensen die beroepsmatig of als vrijwilliger bij maatschappelijke organisaties werkzaam zijn.

1.11

De EU zou ook tot aanzienlijk betere hulpprestaties moeten kunnen komen door voorafgaand aan het sluiten van economische partnerschapsovereenkomsten, associatieovereenkomsten of vrijhandelsakkoorden en in het kader van hun follow-up, te beoordelen wat voor impact ze hebben op economisch, industrieel en landbouwgebied.

2.   Inleiding

2.1

De Commissie heeft onderhavige twee voorstellen ingediend in het verlengde van haar Groenboek van 10 november 2010 getiteld „EU-ontwikkelingsbeleid ter ondersteuning van groei voor iedereen en duurzame ontwikkeling - Het EU-ontwikkelingsbeleid trefzekerder maken” (COM(2010) 629 final).

2.2

Geconfronteerd met nieuwe wereldwijde uitdagingen, vlak voor de deadline (2015) voor het bereiken van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (MDG) en midden in de voorbereidingen voor het volgende meerjarig financieel kader, streeft de EU naar een juiste dosering van beleid, instrumenten en middelen om in het kader van duurzame ontwikkeling een doeltreffende strijd tegen armoede te voeren. De Commissie stelt een agenda voor verandering voor om de solidariteit van Europa met de ontwikkelingslanden in de wereld te vergroten.

2.3

De EU heeft al heel wat inspanningen geleverd om armoede te helpen bestrijden, en in het bijzonder om de MDG te helpen bereiken. In veel delen van de wereld heerst echter nog extreme armoede. Inmiddels hebben vanuit de bevolking ontstane bewegingen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten aangetoond dat gedegen vooruitgang op het vlak van de MDG noodzakelijk is, maar niet volstaat. Het ontwikkelingsbeleid van de EU moet rekening houden met de toegenomen verschillen tussen de ontwikkelingslanden. De EU kan ook nauwer samenwerken met de particuliere sector, stichtingen, maatschappelijke organisaties en lokale en regionale overheden, aangezien zij een cruciale rol spelen bij ontwikkeling. Om tot betere resultaten te komen en de zichtbaarheid van de EU te vergroten, zouden de EU en haar lidstaten met één stem moeten spreken en daar ook naar moeten handelen.

2.4

Gezien de huidige economische en budgettaire omstandigheden is het van essentieel belang dat hulp efficiënt wordt besteed, zo goed mogelijke resultaten oplevert en gebruikt wordt als hefboom voor verdere financiering van ontwikkeling.

2.5

De EU-ontwikkelingsstrategie zal blijven aansluiten op de ontwikkelingsstrategieën die worden aangestuurd door het partnerland, overeenkomstig de beginselen van eigen verantwoordelijkheid en partnerschap. De EU streeft naar meer wederzijds engagement met de partnerlanden, ook op het vlak van wederzijdse verantwoordingsplicht over de resultaten. Om precies te bepalen waar en hoe de EU optreedt, is een dialoog met de landen binnen een gecoördineerd donorkader nodig. Er wordt ook gestreefd naar efficiëntere samenwerking in het multilaterale systeem.

2.6

Ook heeft de Commissie op 7 december 2011 een „Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking” (2) aangenomen, waarmee concreet invulling wordt gegeven aan de richtsnoeren die in het Groenboek en de onderhavige twee mededelingen zijn voorgesteld.

3.   Algemene opmerkingen

3.1

Het EESC heeft in eerdere adviezen over dit thema al een aantal opmerkingen geformuleerd die nog steeds geldig zijn. Het gaat hierbij met name om de adviezen over:

Het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking van de Europese Unie  (3);

Het Europees instrument voor democratie en mensenrechten  (4), waarin het EESC pleit voor „een institutionele bezinning (…) op de rol van het middenveld in het Europese externe beleid op het gebied van mensenrechten en op de mogelijkheden om dat nauwer te betrekken bij de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van dat beleid. Het middenveld zou voorafgaand aan de uitwerking van strategiedocumenten (ook die voor de afzonderlijke lidstaten) altijd moeten worden geraadpleegd.”

3.2

Het EESC benadrukt in het bijzonder de mensenrechtendoelstellingen, met name waar het gaat om arbeidsrechten, gelijkheid van vrouwen en mannen, en bescherming en bevordering van kinderrechten, ook met het oog op de uitbanning van kinderarbeid en informele arbeid waarbij er geen sociale bescherming is (Waardig werk en IAO-verdragen).

3.3

De Commissie houdt vast aan de verwezenlijking van millenniumdoelstelling 1 (uitbanning van extreme armoede), maar het EESC vindt dat te weinig belang wordt gehecht aan de andere doelstellingen, in die zin dat realisering van de ene kan helpen bij de realisering van de andere. Zo kan de verwezenlijking van doelstelling 7 (een duurzaam leefmilieu) ertoe bijdragen om armoede te verminderen.

3.4

Het EESC onderstreept dat er in het kader van de ontwikkelingssamenwerking specifiek financiële middelen moeten worden bestemd voor genderkwesties (millenniumdoelstelling 3). Betreurenswaardig is vooral dat informatie en gegevens hierover volledig ontbreken en dat er ook geen systematische monitoring plaatsvindt. Hierdoor is het zeer moeilijk te beoordelen of het met de gelijkheid tussen vrouwen en mannen de goede of de verkeerde kant uitgaat. Op die manier wordt het een stuk moeilijker om met kennis van zaken beleidsmaatregelen te nemen en strategieën uit te werken om de ongelijkheid te verkleinen. Ter wille van een doeltreffende aanpak van genderkwesties moeten ze meegenomen worden op alle beleidsterreinen. Dit moet op zodanige wijze geschraagd worden door financiële steunverlening en subsidiëring dat men weet waar men aan toe is, want anders dreigt er van deze beleidsintegratie niets terecht te komen en zal voorrang worden gegeven aan andere doelstellingen die op het oog dringender zijn (5).

3.5

Waar het gaat om decentralisering en het vertrouwen dat aan de vertegenwoordigingen van de EU is gegeven, heeft het EESC - via zijn contactgroepen, follow-upgroepen en deelname aan de „rondetafels” van de EU (met India, Brazilië, ACS-landen, enz.) en aan de processen m.b.t. het Middellandse Zeegebied en het oostelijk nabuurschap – tijdens al zijn studiebezoeken de Europese delegaties ontmoet. Het EESC is van mening dat de ondersteuning door Europese delegaties zou moeten worden uitgebreid tot Europese maatschappelijke organisaties op het terrein, en dat dit de begrijpelijkheid van de Europese hulp ten goede zou komen.

3.6

Het EESC onderschrijft de doelen die met de onderhavige voorstellen worden beoogd, maar wil een aantal suggesties doen voor het instrument van de „begrotingssteun”, omdat maatschappelijk draagvlak hiervoor ontbreekt. Bij de uitwerking en monitoring van de programma's moet meer acht worden geslagen op de door maatschappelijke organisaties, sociale partners en anderen geformuleerde aanbevelingen: democratie, transparantie en traceerbaarheid om verkwisting, corruptie, belastingontduiking en misbruik van machtsposities en van politiek, politieel en militair gezag tegen te gaan (6), enz.

3.7

Ten eerste moet men de evaluatie tot een goed einde brengen, teneinde te voorkomen dat men over acht jaar (financiële vooruitzichten 2014-2020) opnieuw moet constateren dat de Commissie weliswaar goed heeft beoordeeld dat de resultaten teleurstellend zijn en dat ze gepoogd heeft om het tij te keren door ook rekening te houden met de taken die het nieuwe verdrag oplegt, maar dat er uiteindelijk wordt doorgegaan met hetzelfde: raadpleging achteraf, opvoering van de controle waarbij deze excessief wordt gedetailleerd, zonder dat de personele middelen worden versterkt en zonder dat wordt nagegaan of de doelwitten van de controles (georganiseerde netwerken, individuele personen) wel relevant zijn. De hulp moet prioritair gericht worden op de kwetsbaarste bevolkingsgroepen die met toegangsproblemen te kampen hebben, inclusief die uit plattelandsgebieden en de meest afgelegen regio's.

3.8

Ten tweede betekent de nadruk op de grootste economische actoren aan weerszijden van de hulp (donoren en ontvangers) dat er meer wordt ingezet op vermeende efficiency dan op duurzaam investeren in mensen.

3.9

Tot slot moet de Commissie bij de beoordeling van de hulpdoelstellingen duidelijk aangeven hoe haar hulpprogramma aansluit op en zich onderscheidt van de doelen die ze nastreeft met de onderhandelingen over de economische partnerschapsovereenkomsten (EPA's) en vrijhandelsakkoorden (FTA's). Een gebrek aan duidelijkheid op dit punt leidt niet alleen tot verwarring en misverstanden, maar kan ook tot gevolg hebben dat verzuimd wordt om in te zien dat officiële ontwikkelingshulp de millenniumdoelstellingen tot dusverre onvoldoende dichterbij heeft gebracht, bij gebrek aan samenhang tussen de hulpdoelstellingen en het EU-beleid op de andere terreinen, met name het handelsbeleid.

3.10

Zo zou de EU meer stimulerende maatregelen kunnen nemen ten behoeve van een inclusieve groei die de overgang naar een groene economie mogelijk maakt en gericht is op menselijke ontwikkeling en het delen en overdragen van de noodzakelijke kennis en technologie. Ook zou de EU de hulp doeltreffender kunnen maken door na te gaan wat het effect is van de handelsakkoorden die ze sluit, en zou ze het Europees instrument voor democratie en mensenrechten  (7) beter kunnen laten presteren.

3.11

Het in de Verklaring van Parijs vastgelegde streven van de lidstaten om 0,7 % van hun bbp aan ontwikkelingshulp te besteden, blijft getalsmatig overeind, maar al vóór de financiële crisis van 2008 hebben vele landen zich verscholen achter de slogan „minder en betere hulp” (Monterrey 2002, Johannesburg 2002). De EU-lidstaten dragen allemaal aan de Europese of internationale hulpprogramma's bij, maar in de loop der jaren werden grote delen van de bevolking uitgesloten van de verhoopte voordelen op economisch en milieugebied. Het vertrouwen in ontwikkelingshulp en in de economie tussen de burgers en de politieke en economische leiders moet dus hersteld worden, zowel in het Noorden als in het Zuiden.

3.12

Om tot gecoördineerde en doeltreffende hulp te komen, moeten de lidstaten en de Europese Commissie samen toewerken naar beter op elkaar aansluitende doelstellingen. De Europese instellingen houden zich te veel op de achtergrond waar het gaat om de eigen belangen van iedere bijdragende lidstaat. Hierdoor zijn regeringen van begunstigde landen erin geslaagd om te profiteren van de vaak uiteenlopende economische belangen van de EU-lidstaten en om met elkaar rivaliserende en concurrerende hulpverstrekkers en continenten (EU, G20, OESO, enz.). tegen elkaar uit te spelen.

3.13

Het is belangrijk maatregelen te nemen om het democratisch proces te ondersteunen. Bij raadpleging zou altijd gestreefd moeten worden naar een evenwicht tussen de sociale partners en de andere maatschappelijke organisaties. Zo moet ervoor gezorgd worden dat de thematische doelstellingen zich in positieve zin vertalen en concreet gerealiseerd worden.

3.14

Men kan niet doen alsof de EU zelf geen sociale gevolgen heeft ondervonden van de financiële crisis, die eerst de economie heeft getroffen en vervolgens tot een budgettaire, sociale en politieke crisis is uitgegroeid. De EU moet in haar hulp- en ontwikkelingssamenwerkingsbeleid aansporen tot terugdringing van het grondstoffenverbruik, bevordering van technologieoverdracht en stimulering van de verwerkende industrie in de landen die netto-uitvoerders van grondstoffen zijn, om zo haar milieuvoetafdruk te verkleinen en tegelijkertijd de effecten van de klimaatverandering te helpen beperken.

Bedrijfsklimaat, regionale integratie en wereldmarkten

3.15

Uit de resultaten van de conferentie van Busan is niet gebleken dat de EU ook maar enige overtuigingskracht of standvastigheid aan de dag heeft gelegd op het vlak van technologieoverdracht, bescherming van habitats tegen klimaatverandering en versterking van openbare diensten. Het is pijnlijk duidelijk dat de inspanningen van de Unie ten onder gaan in een zee van particuliere sponsor- en financieringsregelingen die voortkomen uit multi- of transnationale economische belangen (die een teken zijn van de duidelijke betrokkenheid van de privésector bij ontwikkeling), hoewel de bijdrage van de EU nog steeds nagenoeg de helft van de officiële ontwikkelingshulp vertegenwoordigt.

3.16

Op internationaal niveau zijn er grote ondernemingen (vooral in de sectoren infrastructuur, bouw, water, voedsel en landbouw, energie, enz.) die hulpontvangende overheden voorzien van haalbaarheidsstudies die worden gebruikt om geldschieters over de streep te trekken. Onder verwijzing naar de verplichting van de begunstigde landen om de grondrechten in praktijk te brengen worden grootschalige werkzaamheden voorgesteld. Het is al voorgekomen dat de steun door toedoen van leden van de nationale of regionale regeringen op de financiële markten terechtkomt, en dus niet, zoals de bedoeling was, ten goede komt aan de realisatie van bepaalde projecten; het geld wordt dan doorgesluisd naar Europese financiële centra en komt „veilig” op een privérekening terecht.

3.17

Het EESC staat dan ook achter de doelstellingen inzake de strijd tegen belastingontduiking en corruptie, en zou graag zien dat deze nog worden aangevuld met de strijd tegen het witwassen van geld afkomstig van criminele activiteiten of belastingontduiking en tegen uitbuiting van zwartwerk, dwangarbeid en kinderarbeid. Op die manier zou het beleid van de EU ook beter worden afgestemd op dat van de andere donoren.

3.18

De EU moet de lidstaten er dus dringend toe aanzetten hun bijdrage te verhogen, maar dan wel op gecoördineerde en geïntegreerde wijze. Maatschappelijke organisaties moeten worden geraadpleegd over de vraag welke doelstellingen relevant zijn, zodat de lidstaten gaan inzien dat ontwikkelingshulp niet alleen een kwestie is van imago en marktaandeel. Ten slotte is het zaak de dialoog tussen de verschillende maatschappelijke organisaties, de sociale partners en de lidstaten aan te zwengelen en de lokale en regionale autoriteiten bij een en ander te betrekken, zowel binnen als buiten de EU.

4.   Bijzondere opmerkingen

4.1

Het forum van Accra in september 2010 heeft de maatschappelijke organisaties een hart onder de riem gestoken; daarop hebben zij na uitvoerige raadplegingen in meer dan 70 landen en sectoren de beginselen van Istanbul inzake doeltreffende ontwikkelingshulp goedgekeurd. Hiermee werd de basis gelegd voor een internationaal raamwerk voor doeltreffende ontwikkelingshulp, dat in juni 2011 werd goedgekeurd en waarin criteria zijn vastgelegd aan de hand waarvan het optreden van de maatschappelijke organisaties kan worden geïnterpreteerd en afgestemd op de beginselen van Istanbul; dit houdt in dat zij zich aanpassen aan de plaatselijke en sectorspecifieke kenmerken. Overigens is het EESC door de Commissie verzocht om een verkennend advies op te stellen over de vraag hoe het middenveld kan worden betrokken bij het beleid inzake ontwikkeling en ontwikkelingssamenwerking, in het kader van de gestructureerde dialoog (8).

4.2

Het EESC hecht het allergrootste belang aan de voorbereiding van de VN-conferentie over duurzame ontwikkeling, die in juni 2012 zal plaatsvinden in Rio de Janeiro.

4.3

Het herinnert in dit verband aan de conclusies en aanbevelingen uit zijn advies Rio+20: naar een groenere economie en een betere governance - Bijdrage van Europese maatschappelijke organisaties  (9), en aan de boodschap uit zijn recente vervolgadvies Het standpunt van het EESC inzake de voorbereiding van de VN-conferentie over duurzame ontwikkeling (Rio+20)  (10).

4.4

Bedoeling is dat de wereldleiders tijdens de VN-conferentie Rio+20 afspraken maken over een concreet actieplan, zodat kan worden nagegaan in hoeverre de millenniumdoelstellingen zijn bereikt, duurzame ontwikkeling een feit wordt en er een einde kan worden gemaakt aan armoede (doelstelling 1), binnen de grenzen van wat de planeet aankan.

4.5

Met name het uitbannen van armoede en het algemeen beschikbaar stellen van voldoende voedsel, drinkwater en duurzame energie, moeten bovenaan de agenda van Rio+20 komen te staan. Het promoten van milieuvriendelijke lokale landbouw in ontwikkelingslanden is een cruciale schakel in de strijd tegen armoede en het verbeteren van de voedselzekerheid, en de drijvende kracht achter de ontwikkeling van economisch welvarende plattelandsregio's.

4.6

Wat de particuliere sector aangaat moet er in veel van de partnerlanden meer erkenning komen voor de sociale partners (werkgevers- en werknemersorganisaties) en de sociale dialoog. De sociale dialoog is onmisbaar om meer democratische betrokkenheid te bewerkstelligen t.a.v. de doelstellingen van economische, sociale en milieuontwikkeling, conform de aanbevelingen van het UNDP en het UNEP (overgang naar een groene economie), de naleving van de fundamentele arbeidsnormen en het bevorderen van sociale rechtvaardigheid. Door middel van dialoog en een sociaal rechtvaardig optreden dragen de werkgevers- en werknemersvertegenwoordigers hun steentje bij aan de uitwerking van doeltreffende strategieën inzake sociale, economische en milieuontwikkeling, verbetering van conflictpreventie en de sociale stabiliteit.

4.7

Het is belangrijk dat de particuliere sector de beginselen van maatschappelijk verantwoord ondernemen op grote schaal toepast en ook andere vergelijkbare initiatieven stimuleert, en zo de beginselen en normen uit de IAO-verdragen naleeft; het toezicht daarop wordt uitgeoefend door een eigen instantie van de IAO. Vooral de multinationale ondernemingen, met name als zij tegelijkertijd profiteren van overheidssteun, zouden concrete maatregelen moeten nemen om zich te houden aan de richtsnoeren inzake het bedrijfsleven en mensenrechten uit het VN-raamwerk „Protect, Respect and Remedy” (Beschermen, respecteren en genoegdoening), de tripartiete beginselverklaring van de IAO over multinationale ondernemingen en sociaal beleid, de richtsnoeren van de OESO voor multinationale ondernemingen en het Global Compact-initiatief van de VN. Ook kunnen zij een voorbeeld nemen aan de beste praktijken die het resultaat zijn van de samenwerking tussen de IFC (Wereldbank) en de IAO, waarbij werd getracht de fundamentele arbeidsnormen te promoten in alle fases van de productieketen.

4.8

Steun aan de privésector kan op het vlak van ontwikkeling een troef zijn, maar de officiële ontwikkelingshulp mag niet worden gebruikt als vangnet voor de risico's van de privésector of als vervanging van openbare diensten. Publiek-private partnerschappen moeten het mogelijk maken de risico's gelijk te verdelen over de gemeenschap en ervoor zorgen dat iedereen toegang krijgt tot betaalbare en milieuvriendelijke producten en diensten; daarbij moet worden uitgegaan van een diepgaande analyse van de langetermijnbehoeften. Een meerpartijenbenadering is in dit verband een conditio sine qua non. Voorts mogen publiek-private partnerschappen in geen geval gericht zijn op privatisering van openbare diensten die goed functioneren of kunnen worden verbeterd.

4.9

Als cruciale schakel in de duurzame ontwikkeling van de landen die steun krijgen moeten de ondernemingen en organisaties van de sociale economie (inclusief coöperaties) worden betrokken bij de afbakening van de doelstellingen en vervolgens de nodige steun krijgen bij de verwezenlijking daarvan; op die manier zal hun inzet en betrokkenheid bij de ontwikkelingshulp worden vergroot.

4.10

In heel wat landen in Afrika, Azië en Latijns-Amerika die tot de middeninkomenslanden zijn gaan behoren is armoede nog lang niet uitgebannen en blijft de kloof tussen arm en rijk zich verwijden. Zo leeft 75 % van de armen nog in middeninkomenslanden. Het streven naar rechtvaardige en democratische samenlevingen waar de sociale partners een stem in het kapittel hebben mag dus zeker niet van de agenda van de geografische programma's worden geschrapt.

4.11

Hoe dan ook moeten alle ontwikkelingslanden in aanmerking blijven komen voor de thematische programma's, die bijgevolg meer slagkracht moeten krijgen. Het streefdoel om het aantal thema's per land tot een maximum van drie te beperken moet dan ook worden afgezwakt; daartoe dient overleg te worden gepleegd met zowel de regeringen van de begunstigde landen als de particuliere sociale en economische actoren en de andere maatschappelijke organisaties.

4.12

De beleidskeuze om de steun aan de „rijkere ontwikkelingslanden” geleidelijk aan af te bouwen moet dan ook gebaseerd zijn op de door de VN vastgelegde relevante indicatoren voor menselijke en sociale ontwikkeling. Daarnaast moeten dergelijke keuzes stroken met de binnen de OESO bereikte internationale consensus om de interne verschillen te verkleinen.

4.13

Het EESC onderschrijft de doelstelling om de inspraak en legitimiteit van nationale belanghebbenden in het begrotingsproces van de partnerlanden te versterken; het openbaar maken van feitelijke en controleerbare gegevens over begrotingssteunmaatregelen kan immers aanzienlijk bijdragen tot het verwezenlijken van de millennium- en steundoelstellingen. De inspanningen van de Commissie in dit verband krijgen dan ook de volmondige steun van het EESC.

Brussel, 24 mei 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  Zie het EESC-advies „Vrijheid van vereniging in de mediterrane partnerlanden”, PB C 211 van 19.8.2008, blz. 77-81, rapporteur: dhr. Moreno Preciado.

(2)  COM(2011) 840 final van 7.12.2011, SEC(2011) 1469 en 1470.

(3)  EESC-advies „Rol van maatschappelijke organisaties en de sociale partners in het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI) van de Europese Unie”, PB C 44 van 11.2.2011, rapporteur: dhr. Iuliano.

(4)  EESC-advies „Het Europees instrument voor democratie en mensenrechten”, PB C 182 van 4.8.2009, rapporteur: dhr. Iuliano.

(5)  Rapport van de EP-commissie Vrouwenrechten over het Meerjarig Kader 2014-2020 - Assessing Gender relevance of EU External Actions.

(6)  EESC-advies „Regionale integratie voor ontwikkeling in ACS-landen”, PB C 317 van 23.12.2009, blz. 126-131, rapporteur: dhr. Dantin; corapporteur: dhr. Jahier.

(7)  Zie voetnoot 4.

(8)  EESC-advies „De betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij het EU-ontwikkelingsbeleid”, PB C 181 van 21.6.2012, 28.

(9)  PB C 376 van 22.12.2011, blz. 102

(10)  PB C 143 van 22.05.2012, blz. 39


BIJLAGE

bij het Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité

De volgende wijzigingsvoorstellen, waarvoor minstens een kwart van de stemmen werd uitgebracht, werden tijdens de beraadslaging verworpen:

Wijzigingsvoorstel 14: Paragraaf 3.16

 (1)

Motivering

Deze passage is vrij vaag en voegt niets toe aan het advies. De laatste zin slaat niet op een algemeen probleem maar verwijst naar een misdaad van één of meerdere individuen. Het is volstrekt onduidelijk wat de zin hiervan is.

Stemuitslag:

Voor

:

57

Tegen

:

137

Onthoudingen

:

29

Wijzigingsvoorstel 10: Paragraaf 4.8

Steun aan de privésector van ontwikkeling. Publiek-private partnerschappen moeten het mogelijk maken de risico's gelijk te verdelen over de gemeenschap en ervoor zorgen dat iedereen toegang krijgt tot betaalbare en milieuvriendelijke producten en diensten; daarbij moet worden uitgegaan van een diepgaande analyse van de langetermijnbehoeften. Een meerpartijenbenadering is in dit verband een conditio sine qua non. Voorts mogen publiek-private partnerschappen in geen geval gericht zijn op privatisering van openbare diensten die goed functioneren of kunnen worden verbeterd.

Motivering

Behoud van een evenwichtige benadering.

Stemuitslag:

Voor

:

96

Tegen

:

126

Onthoudingen

:

11


(1)