14.5.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 127/1


BESLUIT VAN DE RAAD

van 16 september 2010

betreffende de ondertekening namens de Europese Unie en de voorlopige toepassing van de Vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds

(2011/265/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 91, artikel 100, lid 2, artikel 167, lid 3 en artikel 207, juncto artikel 218, lid 5,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 23 april 2007 heeft de Raad de Commissie gemachtigd om namens de Europese Unie en haar lidstaten over een vrijhandelsovereenkomst met de Republiek Korea, hierna „Korea” genoemd, te onderhandelen.

(2)

Deze onderhandelingen zijn afgesloten en een vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds, hierna „de overeenkomst” genoemd, is op 15 oktober 2009 geparafeerd.

(3)

Artikel 15.10, lid 5, van de overeenkomst bepaalt dat deze voorlopig kan worden toegepast.

(4)

De overeenkomst moet namens de Unie worden ondertekend en voorlopig worden toegepast, in afwachting van de voltooiing van de procedures voor de sluiting ervan.

(5)

De overeenkomst doet geen afbreuk aan de rechten van investeerders uit de lidstaten van de Unie op een gunstiger behandeling ingevolge overeenkomsten op het gebied van investeringen waarbij een lidstaat en Korea partij zijn.

(6)

Ingevolge artikel 218, lid 7, van het Verdrag dient de Raad de Commissie te machtigen tot goedkeuring van bepaalde, beperkte wijzigingen van de overeenkomst. De Commissie moet worden gemachtigd tot opzegging van de in artikel 5 van het protocol betreffende culturele samenwerking bedoelde aanspraken voor coproducties, tenzij haar standpunt is dat de aanspraak moet voortduren en de Raad dit goedkeurt in een specifieke procedure die zowel wegens het gevoelige karakter van dit deel van de overeenkomst als wegens het feit dat de overeenkomst door de Unie en haar lidstaten wordt gesloten, nodig is. Voorts moet de Commissie worden gemachtigd tot goedkeuring van wijzigingen die krachtens artikel 10.25 van de overeenkomst door de werkgroep geografische aanduidingen worden aangenomen.

(7)

De desbetreffende procedures voor de bescherming van de geografische aanduidingen die ingevolge de overeenkomst worden beschermd moeten worden vastgelegd.

(8)

De Unie moet de procedures betreffende beperkingen inzake regelingen voor de teruggave van douanerechten, betreffende vrijwaringsmaatregelen en betreffende geschillenbeslechting inleiden zodra de voorwaarden van de desbetreffende bepalingen van de overeenkomst zijn vervuld. De rechten van de Unie waarin is voorzien in artikel 14 (teruggave of vrijstelling van douanerechten) van het Protocol betreffende de definitie van „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking bij de overeenkomst, moeten worden uitgeoefend overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van de verordening van het Europees Parlement en de Raad tot uitvoering van de bilaterale vrijwaringsclausule in de vrijhandelsovereenkomst EU-Korea.

(9)

De voorlopige toepassing waarin dit besluit voorziet, laat de bevoegdheidsverdeling tussen de Unie en haar lidstaten conform de Verdragen onverlet,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De ondertekening van de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds, wordt hierbij namens de Unie goedgekeurd, behoudens de sluiting van die overeenkomst.

De tekst van de overeenkomst is aan dit besluit gehecht.

Artikel 2

De voorzitter van de Raad wordt gemachtigd de persoon (personen) aan te wijzen die bevoegd is (zijn) de overeenkomst namens de Unie en behoudens de sluiting ervan te ondertekenen.

Artikel 3

1.   Ingevolge artikel 15.10, lid 5, van de overeenkomst wordt deze door de Unie voorlopig toegepast in afwachting van de voltooiing van de sluitingsprocedure. De volgende bepalingen worden niet voorlopig toegepast:

de artikelen 10.54 tot en met 10.61 (strafrechtelijke handhaving van intellectuele-eigendomsrechten);

artikel 4, lid 3, artikel 5, lid 2, artikel 6, leden 1, 2, 4 en 5, en de artikelen 8, 9 en 10 van het Protocol betreffende culturele samenwerking.

2.   Om de datum van voorlopige toepassing vast te stellen, legt de Raad de uiterlijke datum vast waarop de in artikel 15.10, lid 5, bedoelde kennisgeving aan Korea moet worden gezonden. In die kennisgeving wordt vermeld welke bepalingen niet voorlopig kunnen worden toegepast.

De Raad stemt de effectieve datum van voorlopige toepassing af op de datum van inwerkingtreding van het voorstel van verordening van het Europees Parlement en van de Raad tot uitvoering van de bilaterale vrijwaringsclausule in de vrijhandelsovereenkomst EU-Korea.

3.   De datum vanaf wanneer de overeenkomst voorlopig wordt toegepast wordt door het secretariaat-generaal van de Raad bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

1.   De Commissie stelt Korea in kennis van het voornemen van de Unie om de in artikel 5 van het protocol betreffende culturele samenwerking bedoelde periode waarin een aanspraak voor coproductie bestaat niet overeenkomstig de procedure van artikel 5, lid 8, van dat protocol te verlengen, tenzij de Raad, op voorstel van de Commissie, vier maanden vóór het verstrijken van die periode met verlenging ervan instemt. Stemt de Raad met verlenging van de aanspraakperiode in, dan is deze bepaling bij het einde van de verlengde periode waarin een recht op aanspraak bestaat, opnieuw van toepassing. Over de verlenging van de periode waarin aanspraak bestaat, beslist de Raad met eenparigheid van stemmen.

2.   Voor de toepassing van artikel 10.25 van de overeenkomst worden wijzigingen van de overeenkomst door besluiten van de werkgroep geografische aanduidingen goedgekeurd door de Commissie, namens de Unie. Indien belanghebbenden na bezwaren in verband met een geografische aanduiding geen overeenstemming kunnen bereiken, stelt de Commissie een standpunt vast op basis van de procedure van artikel 15, lid 2, van Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (1). De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (2) bedoelde termijn wordt op één maand vastgesteld.

Artikel 5

1.   Een ingevolge onderafdeling C, „Geografische aanduidingen”, van hoofdstuk tien van de overeenkomst beschermde naam mag worden gebruikt door iedere marktdeelnemer die landbouwproducten, levensmiddelen, wijn, gearomatiseerde wijn of gedistilleerde dranken in de handel brengt die aan de desbetreffende specificatie voldoen.

2.   De lidstaten en de instellingen van de Unie handhaven de bescherming als bedoeld in de artikelen 10.18 tot en met 10.23 van de overeenkomst, tevens op verzoek van een belanghebbende.

Artikel 6

Het door de Unie in het comité voor culturele samenwerking in te nemen standpunt over besluiten met rechtsgevolgen wordt in overeenstemming met het Verdrag door de Raad bepaald. De vertegenwoordigers van de Unie in het comité voor culturele samenwerking zijn hoge ambtenaren van zowel de Commissie als de lidstaten die deskundig en ervaren zijn op het gebied van culturele zaken en praktijken, en die het standpunt van de Unie in overeenstemming met het Verdrag kenbaar maken.

Artikel 7

De bepaling voor vaststelling van de nodige uitvoeringsbepalingen voor de toepassing van de regels van bijlage II(a) bij het Protocol betreffende de definitie van „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking bij de overeenkomst, is artikel 247 bis van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (3).

Artikel 8

De overeenkomst wordt niet aldus uitgelegd dat daaraan rechten kunnen worden ontleend of dat zij verplichtingen bevat waarop bij de rechterlijke instanties van de Unie of van de lidstaten een rechtstreeks beroep kan worden gedaan.

Artikel 9

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 16 september 2010.

Voor de Raad

De voorzitter

S. VANACKERE


(1)  PB L 93 van 31.3.2006, blz. 12.

(2)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(3)  PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1.


Verklaringen van de Commissie

1.   Verklaring over de oorsprongsregels

De Commissie bevestigt het uitzonderlijke karakter van de afwijkingen voor bepaalde textielproducten en voor surimi in het Protocol betreffende de definitie van „producten van oorsprong”. De Commissie bevestigt eveneens dat zij hecht aan de normale preferentiële oorsprongsregels van de Europese Unie als basis voor verdere onderhandelingen over vrijhandelsovereenkomsten, en dat het belangrijk is om in de oorsprongsregels de eis te handhaven dat producten in het land van oorsprong in voldoende mate be- of verwerkt moeten zijn om een preferentiële behandeling te kunnen genieten.

De Commissie is voornemens om in de huidige en toekomstige onderhandelingen over vrijhandelsovereenkomsten bij voorkeur in te zetten op een verbod op de teruggave van douanerechten. Zou in een bepaalde vrijhandelsovereenkomst van dit beleid worden afgeweken, dan moet dit vooraf met de lidstaten worden besproken.

2.   Verklaring over de invoerprijzen

De Commissie bevestigt dat de bepalingen in de vrijhandelsovereenkomst betreffende de afschaffing van de invoerprijzen voor bepaalde soorten groenten en fruit, die gezien de bijzondere omstandigheden van die onderhandelingen met Korea waren overeengekomen, een uitzonderlijk karakter hebben en geen precedent vormen voor andere bilaterale of multilaterale onderhandelingen.

3.   Verklaring over het Protocol betreffende culturele samenwerking

De Commissie herinnert eraan dat zij ten zeerste gehecht is aan de beginselen en de bepalingen van het Unesco-Verdrag van 2005 betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen. Het aan de vrijhandelsovereenkomst met Korea gehechte Protocol betreffende culturele samenwerking, waarvan de bepalingen betreffende audiovisuele coproducties voor een voorlopig tot drie jaar beperkte periode van kracht zijn, ressorteert rechtstreeks onder dat verdrag en laat het beleid van de Europese Unie volgens hetwelk de handelsbesprekingen op het gebied van culturele en audiovisuele diensten geen afbreuk mogen doen aan de verscheidenheid aan culturen en talen van de Unie, onverlet.

Bij de opstelling van en de onderhandelingen over het protocol is rekening gehouden met het specifieke karakter van het cultuurbeleid van Korea, in het bijzonder met de steun die het land aan de audiovisuele sector verleent. Het vormt derhalve geen precedent voor toekomstige onderhandelingen met andere partners.

De Commissie herhaalt haar belofte om te ijveren voor de ratificatie en de uitvoering van het Unesco-Verdrag en om een globale strategie van de Europese Unie inzake extern cultureel beleid op te stellen overeenkomstig de conclusies van de Raad van november 2008.

4.   Verklaring over de uitvoering van de vrijhandelsovereenkomst

De Commissie zegt toe de procedures betreffende de beperkingen inzake de regelingen voor de teruggave van douanerechten, betreffende vrijwaringsmaatregelen en betreffende geschillenbeslechting te zullen inleiden zodra de voorwaarden van de desbetreffende bepalingen zijn vervuld.

Opdat de Commissie en de belanghebbenden nauwlettend kunnen toezien op de nakoming door Korea van zijn toezeggingen en op de medewerking van het land bij de uitvoering van de vrijhandelsovereenkomst, worden de volgende maatregelen genomen.

De Commissie zal met de EU-ondernemingen, met de lidstaten en met de commissie internationale handel (INTA) op gezette tijden statistieken over de Koreaanse invoer in gevoelige sectoren uitwisselen, alsook invoer- en uitvoerstatistieken die relevant zijn voor het inroepen van de vrijwaringsclausule en de speciale clausule inzake teruggave van douanerechten. Statistieken betreffende auto’s, consumentenelektronica en textiel worden tweemaandelijks uitgewisseld, te beginnen vanaf de datum van voorlopige toepassing van deze overeenkomst.

De Commissie zal belanghebbenden, de lidstaten en de commissie INTA in het begin van het jaar een voorlopige agenda van de geplande vergaderingen over de vrijhandelsovereenkomst toezenden, zodat deze makkelijker input voor de voorbereiding van deze vergaderingen kunnen aanleveren.

De Commissie zal alle door EU-ondernemingen verstrekte, onderbouwde informatie over belemmeringen van de markttoegang zorgvuldig bezien. Zij zal deze informatie met de ondernemingen bespreken en de ondernemingen op de hoogte houden van de follow-up die aan de klachten in verband met markttoegang is gegeven. Daartoe wordt gebruikgemaakt van de verschillende fora die in Brussel en Seoel reeds zijn opgezet in het kader van de strategie inzake markttoegang.

Met het oog op een degelijke uitvoering van het hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling wordt een interne adviesgroep opgericht. In deze groep zijn ondernemingen, vakbonden en niet-gouvernementele organisaties gelijkelijk vertegenwoordigd. Het Europees Economisch en Sociaal Comité wordt eveneens passend vertegenwoordigd. De nadere regelingen voor de werking van de groep zullen met de betrokkenen worden overeengekomen.

5.   Verklaring over de bijzondere bepalingen inzake administratieve samenwerking

De Commissie bevestigt het uitzonderlijke karakter van de compromisformulering van artikel 2.17 „Bijzondere bepalingen inzake administratieve samenwerking”, die geen precedent vormt voor andere bilaterale of multilaterale onderhandelingen.

De Commissie is voornemens om in de lopende en toekomstige onderhandelingen over vrijhandelsovereenkomsten bij voorkeur in te zetten op fraudebestrijdingsbepalingen die het partnerland ertoe verplichten de tariefpreferenties correct toe te passen, door te voorzien in de mogelijke opheffing van handelspreferenties in geval van niet-medewerking en/of fraude/onregelmatigheden.


VRIJHANDELSOVEREENKOMST

tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds

HET KONINKRIJK BELGIË,

DE REPUBLIEK BULGARIJE,

DE TSJECHISCHE REPUBLIEK,

HET KONINKRIJK DENEMARKEN,

DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND,

DE REPUBLIEK ESTLAND,

IERLAND,

DE HELLEENSE REPUBLIEK,

HET KONINKRIJK SPANJE,

DE FRANSE REPUBLIEK,

DE ITALIAANSE REPUBLIEK,

DE REPUBLIEK CYPRUS,

DE REPUBLIEK LETLAND,

DE REPUBLIEK LITOUWEN,

HET GROOTHERTOGDOM LUXEMBURG,

DE REPUBLIEK HONGARIJE,

MALTA,

HET KONINKRIJK DER NEDERLANDEN,

DE REPUBLIEK OOSTENRIJK,

DE REPUBLIEK POLEN,

DE PORTUGESE REPUBLIEK,

ROEMENIË,

DE REPUBLIEK SLOVENIË,

DE SLOWAAKSE REPUBLIEK,

DE REPUBLIEK FINLAND,

HET KONINKRIJK ZWEDEN,

HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË EN NOORD-IERLAND,

partijen bij het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, hierna de „lidstaten van de Europese Unie” genoemd,

en

DE EUROPESE UNIE,

enerzijds, en

DE REPUBLIEK KOREA, hierna „Korea” genoemd,

anderzijds,

ERKENNENDE dat zij een langdurig en sterk partnerschap hebben, dat is gebaseerd op de gemeenschappelijke beginselen en waarden die zijn weergegeven in de Kaderovereenkomst,

GELEID DOOR DE WENS, consistent met het kader van hun algemene betrekkingen, hun nauwe economische banden verder aan te halen, en ervan overtuigd dat deze overeenkomst een nieuw klimaat voor de ontwikkeling van de wederzijdse handel en investeringen door de partijen tot stand zal brengen,

ERVAN OVERTUIGD dat deze overeenkomst een uitgebreidere en betrouwbare markt voor goederen en diensten alsmede een stabiel en voorspelbaar investeringsklimaat tot stand zal brengen, en aldus het concurrentievermogen van hun ondernemingen op mondiale markten zal versterken,

OPNIEUW BEVESTIGENDE dat zij het Handvest van de Verenigde Naties, ondertekend te San Francisco op 26 juni 1945, en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties vastgesteld op 10 december 1948, ten volle onderschrijven,

OPNIEUW BEVESTIGENDE dat zij zich inzetten voor een duurzame ontwikkeling, en ervan overtuigd dat de internationale handel bijdraagt aan een duurzame ontwikkeling in economisch, sociaal en ecologisch opzicht, met inbegrip van de economische ontwikkeling, het terugdringen van armoede, volledige en productieve werkgelegenheid en fatsoenlijk werk voor iedereen, alsmede de bescherming en het behoud van het milieu en de natuurlijke hulpbronnen,

ERKENNENDE dat de partijen, zoals in deze overeenkomst is vastgelegd, het recht hebben om op basis van het door hen passend geachte beschermingsniveau maatregelen te treffen die nodig zijn ter verwezenlijking van legitieme doelstellingen van overheidsbeleid, mits dergelijke maatregelen geen middel tot ongerechtvaardigde discriminatie of een verkapte beperking van de internationale handel vormen,

VASTBESLOTEN transparantie te bevorderen ten aanzien van alle relevante belanghebbenden, met inbegrip van de particuliere sector en organisaties van het maatschappelijk middenveld,

GELEID DOOR DE WENS de levensstandaard te verhogen, economische groei en stabiliteit te bevorderen, nieuwe mogelijkheden voor werkgelegenheid te scheppen en het algemene welzijn te verbeteren door liberalisering en uitbreiding van de wederzijdse handel en investeringen,

MET HET OOG op de vaststelling van duidelijke en over en weer tot voordeel strekkende regels voor hun handel en investeringen en ter vermindering of afschaffing van de belemmeringen voor de wederzijdse handel en investeringen,

VASTBESLOTEN bij te dragen aan de harmonische ontwikkeling en de uitbreiding van de wereldhandel door met deze overeenkomst handelsbelemmeringen weg te nemen en tussen hun grondgebieden nieuwe handels- of investeringsbelemmeringen die de voordelen van deze overeenkomst zouden kunnen beperken, te vermijden,

GELEID DOOR DE WENS de arbeids- en milieuwetgeving alsmede het werkgelegenheids- en milieubeleid verder te ontwikkelen en te handhaven, fundamentele rechten van werknemers en een duurzame ontwikkeling te bevorderen en deze overeenkomst ten uitvoer te leggen op een wijze die strookt met deze doelstellingen, en

VOORTBOUWEND op hun respectieve rechten en verplichtingen ingevolge de Overeenkomst van Marrakesh tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie van 15 april 1994, hierna „WTO-overeenkomst” genoemd, en andere multilaterale, regionale en bilaterale overeenkomsten en uitvoeringsregelingen waarbij zij partij zijn,

ZIJN HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN:

HOOFDSTUK EEN

DOELSTELLINGEN EN ALGEMENE DEFINITIES

Artikel 1.1

Doelstellingen

1.   De partijen brengen hiermee overeenkomstig deze overeenkomst een vrijhandelsgebied met betrekking tot goederen, diensten en vestiging alsmede bijbehorende regels tot stand.

2.   De doelstellingen van deze overeenkomst zijn:

a)

de handel in goederen tussen de partijen te liberaliseren en te bevorderen, in overeenstemming met artikel XXIV van de Algemene overeenkomst inzake tarieven en handel 1994, hierna „GATT 1994” genoemd;

b)

de wederzijdse handel in diensten en investeringen door de partijen te liberaliseren, in overeenstemming met artikel V van de Algemene overeenkomst betreffende handel en diensten, hierna „GATS 1994” genoemd;

c)

de mededinging in hun economieën te bevorderen, met name op het gebied van de economische betrekkingen tussen de partijen;

d)

de markten voor overheidsopdrachten van de partijen op wederzijdse basis verder te liberaliseren;

e)

intellectuele-eigendomsrechten adequaat en doeltreffend te beschermen;

f)

bij te dragen aan de harmonische ontwikkeling en uitbreiding van de wereldhandel, door het wegnemen van handelsbelemmeringen en door een omgeving te ontwikkelen die een toename van investeringsstromen bevordert;

g)

erkennende dat duurzame ontwikkeling een overkoepelende doelstelling is, een zodanige ontwikkeling van de internationale handel na te streven dat aan de doelstelling van duurzame ontwikkeling wordt bijgedragen, alsmede dat met deze doelstelling rekening wordt gehouden en dat zij tot uitdrukking komt op elk niveau van de handelsbetrekkingen tussen de partijen, en

h)

buitenlandse directe investeringen aan te moedigen zonder dat, bij de toepassing en handhaving van milieu- en arbeidswetgeving van de partijen, milieunormen, arbeidsnormen of normen inzake gezondheid en veiligheid op het werk naar beneden worden bijgesteld of worden afgezwakt.

Artikel 1.2

Algemene definities

In deze overeenkomst wordt verstaan onder:

 

de partijen: de Europese Unie of haar lidstaten of de Europese Unie en haar lidstaten, binnen de grenzen van hun respectieve bevoegdheden zoals deze voortvloeien uit het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna „EU” genoemd), enerzijds, en Korea anderzijds;

 

de kaderovereenkomst: de Kaderovereenkomst inzake handel en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Korea, anderzijds, ondertekend te Luxemburg op 28 oktober 1996 dan wel enige overeenkomst waarbij die kaderovereenkomst wordt geactualiseerd, gewijzigd of vervangen, en onder

 

de douaneovereenkomst: de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Korea betreffende samenwerking en wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken, ondertekend te Brussel op 10 april 1997.

HOOFDSTUK TWEE

NATIONALE BEHANDELING EN MARKTTOEGANG VOOR GOEDEREN

AFDELING A

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 2.1

Doel

Gedurende een overgangsperiode die aanvangt bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst, wordt de handel in goederen door de partijen geleidelijk en wederzijds geliberaliseerd, overeenkomstig het bepaalde in deze overeenkomst en in overeenstemming met artikel XXIV van de GATT 1994.

Artikel 2.2

Toepassingsgebied

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de handel in goederen (1) tussen de partijen.

Artikel 2.3

Douanerechten

Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden onder douanerechten verstaan alle rechten en heffingen ter zake van of in verband met de invoer van goederen, met inbegrip van alle aanvullende belastingen of heffingen ter zake van dergelijke invoer (2). Onder douanerechten worden niet verstaan:

a)

heffingen gelijkwaardig aan interne belastingen die overeenkomstig artikel 2.8 worden geheven ter zake van soortgelijke interne goederen of ter zake van goederen waaruit de ingevoerde goederen geheel of gedeeltelijk zijn vervaardigd of geproduceerd;

b)

rechten die overeenkomstig hoofdstuk drie (Handelsmaatregelen) worden opgelegd ingevolge de wet- en regelgeving van een partij;

c)

vergoedingen die worden verlangd of andere heffingen die worden opgelegd in overeenstemming met artikel 2.10, ingevolge de wet- en regelgeving van een partij, of

d)

rechten opgelegd ingevolge de wet- en regelgeving van een partij in overeenstemming met artikel 5 van de Overeenkomst inzake de landbouw, die is opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-overeenkomst.

Artikel 2.4

Indeling van goederen

De indeling van goederen in het handelsverkeer tussen de partijen geschiedt overeenkomstig de tariefnomenclatuur van elk van beide partijen, uitgelegd in overeenstemming met het geharmoniseerde systeem, hierna „GS” genoemd, dat is ingesteld bij het op 14 juni 1983 te Brussel ondertekende Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen.

AFDELING B

Afschaffing van douanerechten

Artikel 2.5

Afschaffing van douanerechten

1.   Tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald, schaft elk van beide partijen haar douanerechten op goederen van oorsprong uit de andere partij af, overeenkomstig haar lijst die is opgenomen in bijlage 2-A.

2.   Voor elk goed is het basisdouanerecht waarop ingevolge lid 1 de achtereenvolgende verlagingen worden toegepast, het recht dat in de lijsten in bijlage 2-A is vermeld.

3.   Indien een partij na de inwerkingtreding van deze overeenkomst op enig tijdstip het door haar toegepaste recht voor meest begunstigde natie (hierna „MBN” genoemd) verlaagt, dan geldt dat recht voor handel waarop deze overeenkomst van toepassing is, indien en zolang het lager is dan het overeenkomstig haar lijst in bijlage 2-A berekende recht.

4.   Drie jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst treden de partijen, indien een van hen daarom verzoekt, in overleg om te bezien of douanerechten ter zake van invoer tussen hen versneld en in ruimere mate kunnen worden afgeschaft. Met een besluit van de partijen in het Handelscomité, naar aanleiding van zulk overleg, dat een douanerecht op een goed versneld en in ruimere mate wordt afgeschaft, worden douanerechten of afbouwcategorieën die voor dat goed overeenkomstig hun lijsten in bijlage 2-A zijn vastgesteld, vervangen.

Artikel 2.6

Status-quo

Tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald, met inbegrip van hetgeen uitdrukkelijk in de in bijlage 2-A opgenomen lijst van elk van beide partijen is vermeld, mag geen van hen bestaande douanerechten verhogen of nieuwe douanerechten vaststellen op een goed van oorsprong uit de andere partij. Dit sluit niet uit dat elk van beide partijen een douanerecht na een eenzijdige verlaging mag verhogen tot het in haar lijst in bijlage 2-A vastgelegde niveau.

Artikel 2.7

Beheer en toepassing van tariefcontingenten

1.   Elk van beide partijen beheert en past de tariefcontingenten toe die zijn vastgelegd in aanhangsel 2-A-1 van haar in bijlage 2-A opgenomen lijst, in overeenstemming met artikel XIII van de GATT 1994, met inbegrip van de aantekeningen erop en de in bijlage 1A bij de WTO-overeenkomst opgenomen Overeenkomst inzake procedures op het gebied van invoervergunningen.

2.   Elk van beide partijen waarborgt dat:

a)

haar procedures voor het beheer van haar tariefcontingenten transparant zijn, beschikbaar worden gesteld aan het publiek, tijdig voorhanden zijn en niet discrimineren, adeqaat op de marktomstandigheden inspelen, zo min mogelijk een last voor het handelsverkeer vormen, en rekening houden met de voorkeuren van de eindgebruikers;

b)

iedere persoon van een partij die aan de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de partij van invoer voldoet, een aanvraag voor een tariefcontingent kan indienen en voor toewijzing hiervan door de partij in aanmerking kan komen. Tenzij de partijen bij beslissing van het Comité voor de handel in goederen anders overeenkomen, kan elke verwerker, elke detailhandelaar, elk restaurant, elk hotel, elke maaltijdverstrekker of instelling, en elke andere persoon verzoeken om en in aanmerking komen voor toewijzing van een tariefcontingent. Elke vergoeding voor diensten in verband met een verzoek om toewijzing van een tariefcontingent wordt beperkt tot de daadwerkelijke kosten van de verleende diensten;

c)

zij, behoudens het bepaalde in aanhangsel 2-A-1 van haar lijst in bijlage 2-A, geen deel van een tariefcontingent aan een producentengroepering toewijst, de toewijzing van een tariefcontingent niet afhankelijk stelt van de aankoop van interne producten, en niet alleen verwerkers in aanmerking laat komen voor een tariefcontingent, en

d)

zij tariefcontingenten toewijst in commercieel haalbare ladingen en zoveel mogelijk in de hoeveelheden waarom importeurs verzoeken. Tenzij met betrekking tot elk tariefcontingent en de toepasselijke tarieflijn in aanhangsel 2-A-1 van de in bijlage 2-A opgenomen lijst van een partij anders is bepaald, geldt elke toewijzing van een tariefcontingent voor elk goed of elke mix van goederen waarvoor een bepaald tariefcontingent bestaat, ongeacht de omschrijving van het betrokken goed of de indeling ervan, en wordt deze niet afhankelijk gesteld van het voorgenomen eindgebruik of de verpakkingsgrootte van het goed of de mix.

3.   Elk van beide partijen wijst de instanties aan die verantwoordelijk zijn voor het beheer van haar tariefcontingenten.

4.   Elk van beide partijen stelt alles in het werk om haar tariefcontingenten op zodanige wijze te beheren dat importeurs deze ten volle kunnen benutten.

5.   Geen van beide partijen mag de aanvraag voor of het gebruik van een toegewezen tariefcontingent afhankelijk stellen van de wederuitvoer van een goed.

6.   Indien een van de partijen daar schriftelijk om verzoekt, plegen de partijen overleg met betrekking tot het beheer door een partij van haar tariefcontingenten.

7.   Tenzij in aanhangsel 2-A-1 van haar in bijlage 2-A opgenomen lijst anders is bepaald, stelt elk van beide partijen de volledige, in dat aanhangsel vastgestelde hoeveelheid van het tariefcontingent beschikbaar voor aanvragers, met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst gedurende het eerste jaar en met ingang van de verjaardag van de inwerkingtreding van deze overeenkomst wat elk opvolgend jaar betreft. In de loop van elk jaar maakt de beheersinstantie van de partij van invoer binnen een redelijke termijn de benuttingspercentages en resterende hoeveelheden voor elk tariefcontingent bekend op haar daartoe aangewezen, voor het publiek toegankelijke website.

AFDELING C

Niet-tarifaire maatregelen

Artikel 2.8

Nationale behandeling

Elk van beide partijen behandelt goederen van de andere partij als nationale goederen, in overeenstemming met artikel III van de GATT 1994, met inbegrip van de aantekeningen erop. Hiertoe worden artikel III van de GATT 1994 en de aantekeningen erop mutatis mutandis in deze overeenkomst opgenomen.

Artikel 2.9

Invoer- en uitvoerbeperkingen

In overeenstemming met artikel XI van de GATT 1994 en de aantekeningen erop mag geen van beide partijen verboden of beperkingen invoeren of handhaven, tenzij het gaat om rechten, belastingen of andere heffingen, ter zake van de invoer van een goed uit de andere partij of van de uitvoer of verkoop ten uitvoer van een goed dat voor het grondgebied van de andere partij is bestemd. Hiertoe worden artikel XI van de GATT 1994 en de aantekeningen erop mutatis mutandis in deze overeenkomst opgenomen.

Artikel 2.10

Vergoedingen en andere heffingen ter zake van de invoer

Elk van beide partijen draagt er zorg voor dat alle vergoedingen en heffingen van welke aard ook (andere dan douanerechten en de items die niet onder de definitie van een douanerecht in de zin van artikel 2.3, onder a), b) en d), vallen) ter zake van of in verband met invoer worden beperkt tot, bij benadering, de kosten van de verleende diensten, niet op een ad-valorembasis worden berekend en geen indirecte bescherming van interne producten of een belasting op de invoer voor fiscale doeleinden vormen.

Artikel 2.11

Rechten, belastingen en andere vergoedingen en heffingen ter zake van de uitvoer

Geen van beide partijen mag rechten, belastingen of andere vergoedingen en heffingen handhaven of instellen ter zake van of in verband met de uitvoer van goederen naar de andere partij; hetzelfde geldt voor interne belastingen, vergoedingen en heffingen ter zake van de uitvoer van goederen naar de andere partij die hoger zijn dan de rechten of belastingen die op soortgelijke, voor verkoop in het binnenland bestemde producten worden geheven.

Artikel 2.12

Douanewaarde

De Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van GATT 1994, die zich in bijlage IA bij de WTO-overeenkomst bevindt, hierna „Overeenkomst inzake de douanewaarde” genoemd, wordt mutatis mutandis in deze overeenkomst opgenomen. De voorbehouden en opties van artikel 20 en de punten 2 tot en met 4 van bijlage III bij de Overeenkomst inzake de douanewaarde zijn niet van toepassing.

Artikel 2.13

Staatshandelsondernemingen

1.   De partijen bevestigen hun bestaande rechten en verplichtingen ingevolge artikel XVII van de GATT 1994, de aantekeningen erop en het in bijlage IA bij de WTO-overeenkomst opgenomen Memorandum van Overeenstemming betreffende de interpretatie van artikel XVII van de GATT 1994, welke mutatis mutandis in deze overeenkomst zijn opgenomen.

2.   Indien een partij de andere partij verzoekt om inlichtingen over individuele staatshandelsondernemingen, hun activiteiten en de gevolgen daarvan voor de bilaterale handel, houdt de partij aan wie inlichtingen zijn gevraagd, rekening met de noodzaak een zo groot mogelijke transparantie te waarborgen, onverminderd artikel XVII, lid 4, onder d), van de GATT 1994 betreffende vertrouwelijke inlichtingen.

Artikel 2.14

Afschaffing van sectorspecifieke niet-tarifaire maatregelen

1.   The Parties shall implement their commitments on sector-specific non-tariff measures on goods in accordance with the commitments set out in Annexes 2-B through 2-E.

2.   Drie jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst treden de partijen, indien een van hen daarom verzoekt, in overleg om te bezien of hun verbintenissen met betrekking tot sectorspecifieke niet-tarifaire maatregelen ten aanzien van goederen kunnen worden uitgebreid.

AFDELING D

Specifieke uitzonderingen met betrekking tot goederen

Artikel 2.15

Algemene uitzonderingen

1.   De partijen bevestigen dat hun bestaande rechten en verplichtingen ingevolge artikel XX van de GATT 1994 en de aantekeningen erop, die in deze overeenkomst zijn opgenomen, van overeenkomstige toepassing zijn op de onder deze overeenkomst vallende handel in goederen.

2.   De partijen komen overeen dat alvorens een onder i) en j) van artikel XX van de GATT 1994 bedoelde maatregel te nemen, de partij die voornemens is maatregelen te nemen de andere partij alle relevante informatie verstrekt, teneinde een oplossing te zoeken die voor beide partijen aanvaardbaar is. De partijen kunnen besluiten tot elke maatregel die aan de moeilijkheden een einde maakt. Indien binnen 30 dagen na het verstrekken van dergelijke informatie geen overeenstemming is bereikt, kan de partij krachtens dit artikel ten aanzien van het betrokken goed maatregelen toepassen. Wanneer door uitzonderlijke, kritieke omstandigheden die onmiddellijk handelen vereisen, voorafgaande informatieverstrekking of voorafgaand onderzoek niet mogelijk is, kan de partij die voornemens is de maatregelen te nemen, onmiddellijk de voorzorgsmaatregelen nemen die nodig zijn om de situatie aan te pakken, en stelt zij de andere partij hiervan onmiddellijk in kennis.

AFDELING E

Institutionele bepalingen

Artikel 2.16

Comité voor de handel in goederen

1.   Het Comité voor de handel in goederen dat is opgericht krachtens lid 1 van artikel 15.2 (Gespecialiseerde comités), komt bijeen indien een partij of het Handelscomité hierom verzoekt, teneinde alle aangelegenheden te behandelen waarop dit hoofdstuk van toepassing is, en bestaat uit vertegenwoordigers van de partijen.

2.   Het Comité heeft onder meer de volgende taken:

a)

bevorderen van de handel in goederen tussen de partijen, met inbegrip van overleg over versnelde en verdergaande rechtenafschaffing, over verdergaande verbintenissen met betrekking tot niet-tarifaire maatregelen ingevolge deze overeenkomst, alsmede, in voorkomend geval, over andere kwesties, en

b)

tarifaire en niet-tarifaire maatregelen ten aanzien van de handel in goederen tussen de partijen treffen en, in voorkomend geval, zulke aangelegenheden voorleggen aan het Handelscomité, opdat dit zich hierover buigt,

voor zover deze taken niet zijn opgelegd aan de desbetreffende, krachtens lid 1 van artikel 15.3 opgerichte werkgroepen, hierna „werkgroepen” genoemd.

Artikel 2.17

Bijzondere bepalingen inzake administratieve samenwerking

1.   De partijen zijn het erover eens dat administratieve samenwerking van essentieel belang is voor de tenuitvoerlegging van en de controle op de preferentiële tariefbehandeling die op grond van dit hoofdstuk wordt verleend, en zij benadrukken dat zij gebonden zijn om onregelmatigheden en fraude op het gebied van douane- en aanverwante aangelegenheden te bestrijden.

2.   Indien een partij op grond van objectieve informatie tot de bevinding is gekomen dat geen administratieve medewerking is verleend en/of dat zich onregelmatigheden of fraude hebben voorgedaan, komt, indien die partij daarom verzoekt, het Douanecomité binnen 20 dagen nadat een dergelijk verzoek is gedaan bijeen teneinde met spoed een oplossing voor de situatie te vinden. Het overleg in het kader van het Douanecomité wordt geacht dezelfde functie te hebben als overleg op grond van artikel 14.3 (Overleg).

HOOFDSTUK DRIE

HANDELSMAATREGELEN

AFDELING A

Bilaterale vrijwaringsmaatregelen

Artikel 3.1

Toepassing van bilaterale vrijwaringsmaatregelen

1.   Indien, wegens de verlaging of afschaffing van een douanerecht ingevolge deze overeenkomst, goederen van oorsprong uit een partij naar het grondgebied van een andere partij in dermate toegenomen hoeveelheden, in absolute zin of in verhouding tot de interne productie, en onder zodanige voorwaarden worden ingevoerd dat de interne industrie die soortgelijke of rechtstreeks concurrerende producten vervaardigt, ernstige schade lijdt of dreigt te lijden, kan de partij van invoer in overeenstemming met de in deze afdeling vervatte voorwaarden en procedures maatregelen vaststellen als bedoeld in lid 2.

2.   De partij van invoer kan een bilaterale vrijwaringsmaatregel treffen tot:

a)

opschorting van de in deze overeenkomst voorziene verdere verlaging van het douanerecht ter zake van het betrokken goed, of

b)

verhoging van het douanerecht ter zake van het goed tot een niveau dat niet hoger ligt dan het laagste van de volgende rechten:

i)

het ter zake van het goed toegepaste meestbegunstigingsrecht dat van kracht is op het tijdstip waarop de maatregel wordt getroffen, of

ii)

het basisdouanerecht dat overeenkomstig lid 2 van artikel 2.5 (Afschaffing van douanerechten) is vastgelegd in de lijsten in bijlage 2-A (Afschaffing van douanerechten).

Artikel 3.2

Voorwaarden en beperkingen

1.   Een partij stelt de andere partij schriftelijk in kennis van de opening van een onderzoek als omschreven in lid 2, en overlegt met haar zo vroeg mogelijk vóór de toepassing van een bilaterale vrijwaringsmaatregel, teneinde de informatie die uit het onderzoek naar voren komt, te toetsen en standpunten over de maatregel uit te wisselen.

2.   Een partij treft een bilaterale vrijwaringsmaatregel slechts nadat haar bevoegde autoriteiten een onderzoek hebben verricht in overeenstemming met artikel 3 en artikel 4, lid 2, onder c), van de in bijlage 1A bij de WTO-overeenkomst opgenomen Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen, hierna „Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen” genoemd, waartoe artikel 3 en artikel 4, lid 2, onder c), van de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen mutatis mutandis in de onderhavige overeenkomst worden opgenomen.

3.   Bij het in lid 2 omschreven onderzoek voldoet een partij aan de vereisten van artikel 4, lid 2, onder a), van de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen, waartoe dat artikel mutatis mutandis in de onderhavige overeenkomst wordt opgenomen.

4.   Elk van beide partijen waarborgt dat haar bevoegde autoriteiten dit onderzoek afsluiten binnen een jaar na de datum waarop het is geopend.

5.   De partijen mogen een bilaterale vrijwaringsmaatregel slechts toepassen met inachtneming van de volgende beperkingen:

a)

de maatregel mag enkel worden toegepast voor zover en zo lang zij noodzakelijk is om ernstige schade te voorkomen of te herstellen en om aanpassing te vergemakkelijken;

b)

de maatregel mag niet langer dan twee jaar worden toegepast, maar deze periode kan met maximaal twee jaar worden verlengd indien de bevoegde autoriteiten van de partij van invoer overeenkomstig de in dit artikel gespecificeerde procedures vaststellen dat de maatregel noodzakelijk blijft om ernstige schade te voorkomen of te herstellen en aanpassing te vergemakkelijken, en er bewijs is dat de industrie zich aanpast, waarbij de totale toepassingsperiode van een vrijwaringsmaatregel, met inbegrip van de initiële toepassingsperiode en elke verlenging daarvan, niet langer mag zijn dan vier jaar, en

c)

na afloop van de overgangsperiode mag de maatregel enkel met instemming van de andere partij worden toegepast.

6.   Wanneer een partij een bilaterale vrijwaringsmaatregel niet langer toepast, is het douanerecht het recht dat overeenkomstig de lijst van die partij in bijlage 2-A (Afschaffing van douanerechten) bij ontbreken van de maatregel van kracht zou zijn geweest.

Artikel 3.3

Voorlopige maatregelen

In kritieke omstandigheden waarin uitstel moeilijk te herstellen schade zou veroorzaken, mag een partij een voorlopige bilaterale vrijwaringsmaatregel toepassen nadat voorlopig is vastgesteld dat er duidelijke bewijzen zijn voor een toename van de invoer van een goed van oorsprong uit de andere partij als gevolg van de verlaging of afschaffing van een douanerecht ingevolge deze overeenkomst, en dat dergelijke invoer ernstige schade veroorzaakt of dreigt te veroorzaken voor de interne industrie. De duur van een voorlopige maatregel mag niet meer bedragen dan 200 dagen, gedurende welke periode de partij aan de voorschriften van artikel 3.2, leden 2 en 3, moet voldoen. De partij betaalt tariefverhogingen onverwijld terug indien het in artikel 3.2, lid 2, omschreven onderzoek niet uitwijst dat de voorwaarden van artikel 3.1 zijn vervuld. De duur van een voorlopige maatregel wordt gerekend als een deel van de in artikel 3.2, lid 5, onder b), vastgelegde periode.

Artikel 3.4

Compensatie

1.   Een partij die een bilaterale vrijwaringsmaatregel toepast, treedt in overleg met de andere partij, teneinde overeenstemming te bereiken over een passende compensatie in het kader van de liberalisering van de handel die de vorm heeft van concessies met in wezen gelijkwaardige gevolgen voor de handel of die gelijkwaardig is aan de bijkomende rechten die de vrijwaringsmaatregel naar verwachting met zich zal brengen. De partij biedt uiterlijk 30 dagen na de toepassing van de bilaterale vrijwaringsmaatregel gelegenheid voor dergelijk overleg.

2.   Indien het overleg als bedoeld in lid 1 niet binnen 30 dagen na aanvang ervan leidt tot overeenstemming over een passende compensatie in het kader van de liberalisering van de handel, mag de partij wiens goederen voorwerp van de vrijwaringsmaatregel zijn, de toepassing opschorten van in wezen gelijkwaardige concessies aan de partij die de vrijwaringsmaatregel toepast.

3.   Het in lid 2 bedoelde opschortingsrecht wordt niet uitgeoefend in de eerste 24 maanden waarin een bilaterale vrijwaringsmaatregel van kracht is, mits de vrijwaringsmaatregel in overeenstemming is met deze overeenkomst.

Artikel 3.5

Definities

Voor de toepassing van deze afdeling:

 

hebben ernstige schade en dreiging van ernstige schade dezelfde betekenis als in artikel 4, lid 1, onder a) en b), van de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen. Hiertoe worden de punten a) en b) van artikel 4, lid 1, mutatis mutandis in deze overeenkomst opgenomen, en

 

wordt onder overgangsperiode verstaan een periode met betrekking tot een goed vanaf de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst tot 10 jaar na de datum waarop de tariefverlaging of -afschaffing voor het betrokken goed is voltooid.

AFDELING B

Landbouwvrijwaringsmaatregelen

Artikel 3.6

Landbouwvrijwaringsmaatregelen

1.   Een maatregel in de vorm van een hoger invoerrecht op een landbouwproduct van oorsprong dat in de in bijlage 3 opgenomen lijst van een partij wordt vermeld, kan door die partij in overeenstemming met de leden 2 tot en met 8 worden toegepast, indien het totale invoervolume voor dat product in een jaar een drempelvolume als vastgelegd in haar lijst in bijlage 3 overstijgt.

2.   Het in lid 1 bedoelde recht is niet hoger dan het laagste van de volgende tarieven: het gebruikelijke meestbegunstigingstarief, het meestbegunstigingstarief dat van kracht is op de datum die direct aan de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst voorafgaat, of het tarief dat in de lijst van een partij in bijlage 3 is vermeld.

3.   De rechten die elk van beide partijen ingevolge lid 1 toepast, worden vastgesteld overeenkomstig de lijsten van elk van beide partijen in bijlage 3.

4.   Geen van beide partijen mag met betrekking tot hetzelfde product tegelijkertijd een landbouwvrijwaringsmaatregel krachtens dit artikel en één van de volgende maatregelen toepassen of handhaven:

a)

een bilaterale vrijwaringsmaatregel overeenkomstig artikel 3.1;

b)

een maatregel overeenkomstig artikel XIX van de GATT 1994 en de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen, of

c)

een bijzondere vrijwaringsmaatregel op grond van artikel 5 van de Overeenkomst inzake de landbouw.

5.   Een partij legt landbouwvrijwaringsmaatregelen op een transparante wijze ten uitvoer. Binnen 60 dagen na het opleggen van een landbouwvrijwaringsmaatregel stelt de partij die de maatregel toepast, de andere partij daarvan schriftelijk in kennis en verstrekt zij haar relevante data aangaande de maatregel. Indien de partij van uitvoer hier schriftelijk om verzoekt, plegen de partijen overleg over de toepassing van de maatregel.

6.   De tenuitvoerlegging en de werking van dit artikel kunnen binnen het in artikel 2.16 (Comité voor de handel in goederen) bedoelde Comité voor de handel in goederen voorwerp van discussie en onderzoek zijn.

7.   Geen van beide partijen mag een landbouwvrijwaringsmaatregel ten aanzien van een landbouwproduct van oorsprong toepassen of handhaven indien:

a)

de periode die is omschreven in de landbouwvrijwaringsbepalingen van haar in bijlage 3 opgenomen lijst, is verstreken, of

b)

de maatregel het contingentrecht verhoogt ter zake van een product waarvoor een tariefcontingent geldt als vermeld in aanhangsel 2-A-1 van haar in bijlage 2-A opgenomen lijst (Afschaffing van douanerechten).

8.   Leveranties van de betrokken producten die onderweg waren op grond van een contract dat is afgesloten voordat het aanvullende recht op grond van de leden 1 tot en met 4 is ingevoerd, worden van dat recht vrijgesteld, met dien verstande dat die leveranties met het oog op toepassing van de bepalingen van lid 1 in het volgende jaar mogen worden gerekend tot het invoervolume van de betrokken producten in dat jaar.

AFDELING C

Algemene vrijwaringsmaatregelen

Artikel 3.7

Algemene vrijwaringsmaatregelen

1.   Elk van beide partijen behoudt haar rechten en verplichtingen ingevolge artikel XIX van de GATT 1994 en de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen. Tenzij in het onderhavige artikel anders is bepaald, verleent de onderhavige overeenkomst de partijen geen aanvullende rechten en legt hen geen aanvullende verplichtingen op met betrekking tot maatregelen getroffen op grond van artikel XIX van de GATT 1994 en de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen.

2.   De partij die voornemens is vrijwaringsmaatregelen te treffen, geeft op verzoek van de andere partij en op voorwaarde dat deze daar aanmerkelijk belang bij heeft, onmiddellijk ad hoc schriftelijk kennis van alle relevante informatie over de opening van een vrijwaringsonderzoek, alsmede van de voorlopige en de definitieve resultaten van dat onderzoek.

3.   Voor de toepassing van dit artikel wordt een partij geacht aanmerkelijk belang te hebben wanneer zij, uitgedrukt in absoluut volume of waarde, in de meest recente periode van drie jaar tot de vijf grootste leveranciers van het ingevoerde goed behoorde.

4.   Geen van beide partijen mag met betrekking tot hetzelfde goed tegelijkertijd:

a)

een bilaterale vrijwaringsmaatregel overeenkomstig artikel 3.1 toepassen, en

b)

een maatregel als bedoeld in artikel XIX van de GATT 1994 en de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen toepassen.

5.   Geen van beide partijen kan voor geschillen die in het kader van deze afdeling ontstaan, een beroep doen op hoofdstuk veertien (Beslechting van geschillen).

AFDELING D

Antidumpingrechten en compenserende rechten

Artikel 3.8

Algemene bepalingen

1.   Tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald, behouden de partijen hun rechten en verplichtingen ingevolge artikel VI van de GATT 1994, de in bijlage IA bij de WTO-overeenkomst opgenomen Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de GATT 1994, hierna „Antidumpingovereenkomst” genoemd, en de in bijlage 1A bij de WTO-overeenkomst opgenomen Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen, hierna „SCM-overeenkomst” genoemd.

2.   De partijen komen overeen dat bij gebruikmaking van antidumpingrechten en compenserende rechten de relevante WTO-voorschriften volledig moeten worden gerespecteerd en dat die rechten op een eerlijk en doorzichtig systeem moeten worden gebaseerd ten aanzien van procedures die van invloed zijn op goederen van oorsprong uit de andere partij. Hiertoe waarborgen de partijen dat onmiddellijk nadat voorlopige maatregelen zijn ingesteld en in elk geval vóór de uiteindelijke vaststelling ervan, de belangrijkste feiten en overwegingen die aan de beslissing tot toepassing van maatregelen ten grondslag liggen, volledig en duidelijk worden meegedeeld, onverminderd artikel 6.5 van de Antidumpingovereenkomst en artikel 12.4 van de SCM-overeenkomst. Informatie moet schriftelijk worden verstrekt, en er moet belanghebbenden voldoende tijd worden gelaten om hun opmerkingen in te dienen.

3.   Teneinde de grootst mogelijke doelmatigheid bij antidumping- of antisubsidieonderzoeken te waarborgen, en in het bijzonder gelet op een adequaat recht van verweer, aanvaarden de partijen het gebruik van de Engelse taal voor documenten die in het kader van antidumping- of antisubsidieonderzoeken in het dossier worden opgenomen. Niets in dit lid belet Korea te verzoeken om een in het Koreaans geschreven verduidelijking, indien:

a)

de betekenis van de in het dossier opgenomen documenten door Korea's onderzoeksautoriteiten niet voldoende duidelijk wordt geacht voor het antidumping- of antisubsidieonderzoek, en

b)

het verzoek strikt beperkt is tot het deel dat niet voldoende duidelijk is voor het antidumping- of antisubsidieonderzoek.

4.   Belanghebbenden krijgen, mits zulks het onderzoek niet onnodig vertraagt, de gelegenheid te worden gehoord opdat zij gedurende het antidumping- of antisubsidieonderzoek hun standpunt kenbaar kunnen maken.

Artikel 3.9

Kennisgeving

1.   Nadat de bevoegde autoriteiten van een partij een naar behoren gestaafd verzoek tot instelling van antidumpingmaatregelen ter zake van invoer uit de andere partij hebben ontvangen, stelt die partij uiterlijk 15 dagen voor opening van een onderzoek de andere partij er schriftelijk van in kennis dat zij het verzoek heeft ontvangen.

2.   Na ontvangst door de bevoegde autoriteiten van een partij van een naar behoren gestaafd verzoek tot instelling van compenserende maatregelen ter zake van invoer uit de andere partij, en alvorens een onderzoek te openen, stelt die partij de andere partij er schriftelijk van in kennis dat zij het verzoek heeft ontvangen, en biedt zij de andere partij gelegenheid haar bevoegde autoriteiten voor overleg over het verzoek te ontmoeten.

Artikel 3.10

Algemene belangen

De partijen trachten rekening te houden met de algemene belangen alvorens antidumping- of compenserende maatregelen in te stellen.

Artikel 3.11

Onderzoek na beëindiging van een maatregel naar aanleiding van een nieuw onderzoek

De partijen komen overeen om elk verzoek tot opening van een antidumpingonderzoek met betrekking tot een goed van oorsprong uit de andere partij ten aanzien waarvan antidumpingmaatregelen in de voorafgaande 12 maanden naar aanleiding van een nieuw onderzoek zijn beëindigd, met bijzondere aandacht te onderzoeken. Tenzij hierbij blijkt dat de omstandigheden zijn gewijzigd, vindt het antidumpingonderzoek niet plaats.

Artikel 3.12

Cumulatieve beoordeling

Indien invoer uit meer dan één land gelijktijdig voorwerp is van een antidumping- of antisubsidieonderzoek, gaat een partij bijzonder zorgvuldig na of het in het licht van de concurrentievoorwaarden tussen de ingevoerde goederen en die tussen de ingevoerde en de soortgelijke interne goederen passend is, de gevolgen van de invoer van de andere partij cumulatief te beoordelen.

Artikel 3.13

De-minimisnorm voor nieuw onderzoek

1.   Een maatregel die ingevolge artikel 11 van de Antidumpingovereenkomst voorwerp van een nieuw onderzoek is, wordt beëindigd wanneer wordt vastgesteld dat de dumpingmarge die zich waarschijnlijk weer zal voordoen, lager is dan de de-minimisdrempel die in artikel 5.8 van de Antidumpingovereenkomst is vastgelegd.

2.   Indien individuele marges worden vastgesteld overeenkomstig artikel 9.5 van de Antidumpingovereenkomst, wordt geen recht opgelegd aan de exporteurs of producenten in de partij van uitvoer voor wie op basis van de representatieve exportverkoop wordt vastgesteld dat de dumpingmarge lager is dan de de-minimisdrempel die is vastgelegd in artikel 5.8 van de Antidumpingovereenkomst.

Artikel 3.14

Regel van het laagste recht

Indien een partij besluit om een antidumping- of compenserend recht in te stellen, overschrijdt het bedrag van dit recht niet de dumping- of subsidiemarge, en is het lager dan die marge wanneer door een lager recht de schade voor de interne industrie kan worden opgeheven.

Artikel 3.15

Beslechting van geschillen

Geen van beide partijen kan voor geschillen die in het kader van deze afdeling ontstaan, een beroep doen op hoofdstuk veertien (Beslechting van geschillen).

AFDELING E

Institutionele bepalingen

Artikel 3.16

Werkgroep samenwerking bij handelsmaatregelen

1.   De Werkgroep samenwerking bij handelsmaatregelen, die is opgericht krachtens lid 1 van artikel 15.3 (Werkgroepen), is een forum voor dialoog over samenwerking bij handelsmaatregelen.

2.   De werkgroep heeft tot taak:

a)

de kennis van een partij over en diens inzicht in de wet- en regelgeving inzake handelsmaatregelen, het handelsbeleid en de handelspraktijken van de andere partij te vergroten;

b)

toezicht te houden op de tenuitvoerlegging van het bepaalde in dit hoofdstuk;

c)

de samenwerking te verbeteren tussen de voor aangelegenheden betreffende handelsmaatregelen verantwoordelijke autoriteiten van de partijen;

d)

de partijen een forum te bieden voor de uitwisseling van informatie over kwesties die verband houden met antidumpingmaatregelen, subsidies en compenserende maatregelen alsmede vrijwaringsmaatregelen;

e)

de partijen een forum te bieden voor het bespreken van andere relevante onderwerpen van wederzijds belang, waaronder:

i)

internationale kwesties die verband houden met handelsmaatregelen, met inbegrip van kwesties die verband houden met de onderhandelingen over WTO-regels in het kader van de Doha-ronde, en

ii)

praktijken van de bevoegde autoriteiten van de partijen met betrekking tot antidumping- en antisubsidieonderzoeken zoals het hanteren van „beschikbare feiten” en verificatieprocedures, en

f)

samen te werken bij andere aangelegenheden ten aanzien waarvan de partijen het eens zijn dat zij samenwerking behoeven.

3.   De werkgroep komt normaalgesproken jaarlijks bijeen en, indien noodzakelijk, kunnen op verzoek van een van de partijen aanvullende vergaderingen worden georganiseerd.

HOOFDSTUK VIER

TECHNISCHE HANDELSBELEMMERINGEN

Artikel 4.1

Bevestiging van de TBT-overeenkomst

De partijen bevestigen hun bestaande wederzijdse rechten en verplichtingen ingevolge de Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen, hierna „TBT-overeenkomst” genoemd, die zich bevindt in bijlage 1A bij de WTO-overeenkomst en mutatis mutandis in deze overeenkomst is opgenomen.

Artikel 4.2

Toepassingsgebied en definities

1.   Dit hoofdstuk is van toepassing op het opstellen, het aannemen en de toepassing van normen, technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures zoals omschreven in de TBT-overeenkomst, die de handel in goederen tussen de partijen kunnen beïnvloeden.

2.   Onverminderd het bepaalde in lid 1 is dit hoofdstuk niet van toepassing op:

a)

technische specificaties die door overheidsorganen zijn opgesteld ter voorziening in de productie- of verbruiksbehoeften van die organen, of

b)

sanitaire en fytosanitaire maatregelen zoals omschreven in bijlage A bij de Overeenkomst inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen, hierna „SPS-overeenkomst” genoemd, die in bijlage 1A bij de WTO-overeenkomst is opgenomen.

3.   Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de definities van bijlage 1 bij de TBT-overeenkomst.

Artikel 4.3

Samenwerking

1.   De partijen versterken hun samenwerking op het gebied van normen, technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures, teneinde het wederzijdse begrip van hun respectieve systemen te verbeteren en de toegang tot hun respectieve markten te vergemakkelijken. Hiertoe kunnen zij zowel op horizontaal als op sectorniveau dialogen over regelgeving tot stand brengen.

2.   Bij hun bilaterale samenwerking streven de partijen ernaar om handelsbevorderende initiatieven in kaart te brengen, te ontwikkelen en te bevorderen die met name, doch niet uitsluitend, het volgende kunnen inhouden:

a)

versterking van de samenwerking op regelgevingsgebied door, bijvoorbeeld, de uitwisseling van informatie, ervaringen en gegevens alsmede door wetenschappelijke en technische samenwerking, teneinde de kwaliteit en het niveau van hun technische voorschriften te verbeteren en beter gebruik te maken van de beschikbare middelen op regelgevingsgebied;

b)

vereenvoudiging, in voorkomend geval, van technische voorschriften, normen en conformiteitsbeoordelingsprocedures;

c)

wanneer de partijen het hier over eens zijn in voorkomend geval, bijvoorbeeld wanneer er geen internationale norm bestaat, vermijden van onnodig uiteenlopende benaderingen van voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures, en ernaar streven dat technische vereisten kunnen convergeren of op elkaar kunnen worden afgestemd, en

d)

bevordering en aanmoediging van bilaterale samenwerking tussen hun respectieve openbare of particuliere instellingen voor metrologie, normalisatie, beproeving, certificering en accreditatie.

3.   Indien een partij voorstellen doet voor samenwerking in het kader van dit hoofdstuk, zal de andere partij deze desgevraagd naar behoren in overweging nemen.

Artikel 4.4

Technische voorschriften

1.   De partijen komen overeen dat zij optimaal gebruik maken van goede regelgevingspraktijken als bedoeld in de TBT-overeenkomst. De partijen komen met name overeen:

a)

hun transparantieverplichtingen als aangegeven in de TBT-overeenkomst na te komen;

b)

relevante internationale normen te gebruiken als basis voor technische voorschriften, met inbegrip van conformiteitsbeoordelingsprocedures, tenzij dergelijke internationale normen ondoelmatig of ongeschikt zijn voor de verwezenlijking van de nagestreefde legitieme doelstellingen, en indien internationale normen niet als basis zijn gebruikt, aan de andere partij desgevraagd uit te leggen waarom dergelijke normen ondoelmatig of ongeschikt voor het nagestreefde doel zijn geacht;

c)

indien een partij een technisch voorschrift heeft vastgesteld of voornemens is vast te stellen, aan de andere partij desgevraagd beschikbare informatie over het doel, de rechtsgrondslag en de grondgedachte van het technische voorschrift te verstrekken;

d)

mechanismen vast te stellen voor het verstrekken van betere informatie over technische voorschriften (onder meer via een openbare website) aan de martkdeelnemers uit de andere partij, en in het bijzonder schriftelijke informatie te verstrekken alsmede, in voorkomend geval en voor zover beschikbaar, desgevraagd onverwijld aan de andere partij of de marktdeelnemers uit die partij schriftelijke aanwijzingen te verstrekken over de wijze waarop aan hun technische voorschriften kan worden voldaan;

e)

naar behoren rekening te houden met de standpunten van de andere partij indien een onderdeel van het proces voor de ontwikkeling van een technisch voorschrift aan een openbare raadpleging is onderworpen, en op de opmerkingen van de andere partij desgevraagd schriftelijk te antwoorden;

f)

indien overeenkomstig de TBT-overeenkomst kennisgevingen worden gedaan, te voorzien in een periode van ten minste 60 dagen na de kennisgeving, gedurende welke de andere partij schriftelijke opmerkingen over het voorstel kan indienen, en

g)

aan marktdeelnemers uit de andere partij tussen de bekendmaking van technische voorschriften en de inwerkingtreding ervan voldoende tijd voor aanpassing te laten, tenzij er zich dringende problemen inzake veiligheid, gezondheid, milieubescherming of nationale veiligheid voordoen of dreigen voor te doen, en, voor zover mogelijk, redelijke verzoeken tot verlenging van de termijn waarbinnen opmerkingen kunnen worden gemaakt, in overweging te nemen.

2.   Elk van beide partijen waarborgt dat marktdeelenemers en andere belanghebbenden uit de andere partij aan elke formele openbare raadpleging inzake de ontwikkeling van technische voorschriften kunnen deelnemen, op voorwaarden die niet minder gunstig zijn dan die welke voor haar eigen natuurlijke of rechtspersonen gelden.

3.   Elk van beide partijen streeft ernaar om technische voorschriften op haar gehele grondgebied op eenvormige wijze en consequent toe te passen. Indien Korea de EU in kennis stelt van een handelskwestie die lijkt voort te vloeien uit afwijkingen tussen de wet- en regelgevingen van de lidstaten van de Europese Unie, die Korea niet verenigbaar met het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie acht, zal de EU alles in het werk stellen om tijdig aandacht aan deze kwestie te besteden.

Artikel 4.5

Normen

1.   De partijen herbevestigen dat zij ingevolge artikel 4.1 van de TBT-overeenkomst dienen te waarborgen dat hun normalisatie-instellingen de in bijlage 3 bij de TBT-overeenkomst opgenomen praktijkrichtlijn voor het opstellen, het aannemen en de toepassing van normen aanvaarden en naleven, en zij slaan tevens acht op de beginselen die sinds 1 januari 1995 zijn uiteengezet in de Besluiten en aanbevelingen van de WTO-Commissie technische handelsbelemmeringen, G/TBT/1/rev. 8, van 23 mei 2002, Afdeling IX (Besluit van de Commissie inzake de beginselen voor de ontwikkeling van internationale normen, richtsnoeren en aanbevelingen met betrekking tot de artikelen 2 en 5 en bijlage 3 [bij] de overeenkomst).

2.   De partijen verbinden zich ertoe informatie uit te wisselen over:

a)

hun gebruik van normen in samenhang met technische voorschriften;

b)

hun normalisatieprocessen, en in hoeverre zij internationale normen als basis voor hun nationale en regionale normen gebruiken, en

c)

samenwerkingsovereenkomsten die door een van de partijen in het kader van normalisatie ten uitvoer worden gelegd, bijvoorbeeld wisselen zij informatie uit over normalisatiekwesties in het kader van vrijhandelsovereenkomsten met derden.

Artikel 4.6

Conformiteitsbeoordeling en accreditatie

1.   De partijen erkennen dat er een brede verscheidenheid aan mechanismen bestaat die ervoor zorgen dat de resultaten van de op het grondgebied van de andere partij verrichte conformiteitsbeoordelingen gemakkelijker worden aanvaard, waaronder:

a)

overeenkomsten betreffende wederzijdse aanvaarding van de resultaten van conformiteitsbeoordelingen die specifieke technische voorschriften betreffen en door op het grondgebied van de andere partij gevestigde instanties zijn verricht;

b)

accreditatieprocedures voor het toelaten van conformiteitsbeoordelingsinstanties die op het grondgebied van de andere partij zijn gevestigd;

c)

aanwijzing van overheidswege van op het grondgebied van de andere partij gevestigde conformiteitsbeoordelingsinstanties;

d)

erkenning door een partij van de resultaten van op het grondgebied van de andere partij verrichte conformiteitsbeoordelingen;

e)

vrijwillige regelingen tussen conformiteitsbeoordelingsinstanties op het grondgebied van elk van beide partijen, en

f)

aanvaarding, door de partij van invoer, van een conformiteitsverklaring van een leverancier.

2.   Gelet op met name deze aspecten verbinden de partijen zich ertoe:

a)

hun uitwisseling van informatie over deze en soortgelijke mechanismen te intensiveren, teneinde de aanvaarding van de resultaten van conformiteitsbeoordelingen te vergemakkelijken;

b)

informatie over conformiteitsbeoordelingsprocedures uit te wisselen, met name over de criteria die worden gehanteerd om voor specifieke producten passende conformiteitsbeoordelingsprocedures te kiezen;

c)

informatie uit te wisselen over het accreditatiebeleid, en te beoordelen hoe optimaal gebruik kan worden gemaakt van internationale accreditatienormen en van internationale overeenkomsten waarbij de accreditatie-instellingen van de partijen betrokken zijn, bijvoorbeeld met behulp van de mechanismen van de International Laboratory Accreditation Co-operation en het International Accreditation Forum, en

d)

overeenkomstig artikel 5.1.2 van de TBT-overeenkomst conformiteitsbeoordelingsprocedures te verlangen die niet strikter zijn dan noodzakelijk is.

3.   Principes en procedures die in verband met de ontwikkeling en de vaststelling van technische voorschriften in artikel 4.4 zijn neergelegd om onnodige handelsbelemmeringen te vermijden en transparantie en non-discriminatie te waarborgen, zijn tevens op verplichte conformiteitsbeoordelingsprocedures van toepassing.

Artikel 4.7

Markttoezicht

De partijen wisselen van gedachten over markttoezicht en handhavend optreden.

Artikel 4.8

Vergoedingen voor conformiteitsbeoordeling

De partijen herbevestigen dat zij ingevolge artikel 5.2.5 van de TBT-overeenkomst erop moeten toezien dat vergoedingen voor de verplichte conformiteitsbeoordeling van ingevoerde producten billijk zijn in vergelijking met de vergoedingen die voor de conformiteitsbeoordeling van soortgelijke producten van nationale oorsprong of van producten van oorsprong uit andere landen worden gevraagd, met inachtneming van de kosten van communicatie, vervoer en andere kosten die het gevolg zijn van het feit dat de bedrijfsruimten van de aanvrager en die van de conformiteitsbeoordelingsinstantie op verschillende plaatsen zijn gevestigd, en zij verbinden zich ertoe, dit beginsel op de door dit hoofdstuk bestreken gebieden toe te passen.

Artikel 4.9

Merktekens en etikettering

1.   De partijen nemen nota van punt 1 van bijlage 1 bij de TBT-overeenkomst, waarin is vermeld dat een technisch voorschrift geheel of ten dele betrekking kan hebben op merktekens of etikettering, en zij zijn het erover eens dat voor zover hun technische voorschriften voorzien in verplichte merktekens of etikettering, zij de beginselen van artikel 2.2 van de TBT-overeenkomst zullen eerbiedigen dat technische voorschriften niet worden opgesteld met het doel onnodige belemmeringen voor de internationale handel te creëren en dat zij evenmin tot het ontstaan van dergelijke belemmeringen mogen leiden, en dat die voorschriften niet meer beperkingen voor het handelsverkeer mogen inhouden dan nodig is om een legitiem doel te bereiken.

2.   Met name komen de partijen overeen dat wanneer een partij merktekens of etikettering van producten verplicht stelt:

a)

deze partij ernaar zal streven om haar vereisten voor merktekens of etikettering tot een minimum te beperken, tenzij het gaat om merktekens of etikettering die voor consumenten of gebruikers van belang zijn. Indien etikettering voor andere, bijvoorbeeld fiscale doeleinden wordt vereist, wordt een dergelijk vereiste zodanig geformuleerd dat het de handel niet meer beperkt dan nodig is om een legitiem doel te bereiken;

b)

deze partij de vorm van de etiketten of de merktekens mag specificeren, maar in dit verband geen voorafgaande goedkeuring, registratie of certificering mag verlangen. Deze bepaling doet niet af aan het recht van de partij om voorafgaande goedkeuring te verlangen voor de specifieke informatie die in het licht van het geldende interne voorschrift op het etiket of het merkteken moet worden vermeld;

c)

deze partij, indien zij verlangt dat marktdeelnemers een uniek identificatienummer gebruiken, zo een nummer onverwijld en op niet-discriminerende grondslag aan de marktdeelnemers van de andere partij toekent;

d)

het deze partij vrij blijft staan om te verlangen dat de informatie op de merktekens of etiketten in een bepaalde taal wordt gesteld. Wanneer de partijen een internationaal nomenclatuursysteem hebben aanvaard, mag ook dit worden gebruikt. Het gelijktijdige gebruik van andere talen wordt niet verboden, op voorwaarde dat de informatie in de andere talen identiek aan die in de bepaalde taal is, of de informatie in de bijkomende taal niet misleidend is ten aanzien van het product, en

e)

deze partij ernaar streeft om, wanneer zij meent dat legitieme doelstellingen van de TBT-overeenkomst hierdoor niet in gevaar komen, niet-permanente of verwijderbare etiketten dan wel merktekens of etiketten in de begeleidende documentatie in plaats van op of aan het product zelf of aan het product verbonden te aanvaarden.

Artikel 4.10

Coördinatiemechanisme

1.   De partijen komen overeen TBT-coördinatoren te benoemen en de andere partij naar behoren in kennis te stellen van eventuele wijzigingen terzake. De TBT-coördinatoren werken nauw samen om de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk en samenwerking tussen de partijen bij alle aangelegenheden die met dit hoofdstuk verband houden, te vergemakkelijken.

2.   De coördinator heeft onder meer tot taak:

a)

toezicht te houden op de tenuitvoerlegging en het beheer van dit hoofdstuk, waarbij hij onverwijld een onderzoek instelt wanneer door een van de partijen een kwestie wordt voorgelegd in verband met het ontwikkelen, het vaststellen, de toepassing of de handhaving van normen, technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures, en op verzoek van een van beide partijen overleg pleegt over kwesties die met dit hoofdstuk verband houden;

b)

nauwer samen te werken bij de ontwikkeling en verbetering van normen, technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures;

c)

overeenkomstig artikel 4.3 er in voorkomend geval voor zorg te dragen dat dialogen over regelgeving tot stand komen;

d)

ervoor te zorgen dat werkgroepen worden opgericht die met niet in overheidsdienst zijnde deskundigen en met belanghebbenden kunnen overleggen of waarvan dezen deel kunnen uitmaken, al naar gelang dat door beide partijen onderling is overeengekomen;

e)

informatie uit te wisselen over ontwikkelingen in niet-gouvernementele, regionale en multilaterale fora die verband houden met normen, technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures, en

f)

dit hoofdstuk in het licht van met de TBT-overeenkomst verband houdende ontwikkelingen te toetsen.

3.   De coördinatoren communiceren met elkaar via een overeengekomen, voor het doelmatig en daadwerkelijk vervullen van hun taken geëigende methode.

HOOFDSTUK VIJF

SANITAIRE EN FYTOSANITAIRE MAATREGELEN

Artikel 5.1

Doel

1.   Het doel van dit hoofdstuk is om de negatieve gevolgen van sanitaire en fytosanitaire maatregelen voor de handel te beperken en tegelijkertijd het leven of de gezondheid van mens, dier of plant op de grondgebieden van de partijen te beschermen.

2.   Voorts heeft dit hoofdstuk tot doel de samenwerking tussen de partijen op het gebied van vraagstukken van dierenwelzijn te versterken, waarbij acht wordt geslagen op diverse factoren, zoals de voorwaarden waaronder op het grondgebied van de partijen veehouderij kan worden bedreven.

Artikel 5.2

Toepassingsgebied

Dit hoofdstuk is van toepassing op alle sanitaire en fytosanitaire maatregelen van een partij die de handel tussen de partijen al dan niet rechtstreeks kunnen beïnvloeden.

Artikel 5.3

Definitie

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder sanitaire of fytosanitaire maatregel verstaan een maatregel als omschreven in punt 1 van bijlage A bij de SPS-overeenkomst.

Artikel 5.4

Rechten en verplichtingen

De partijen bevestigen hun bestaande rechten en verplichtingen ingevolge de SPS-overeenkomst.

Artikel 5.5

Transparantie en uitwisseling van informatie

De partijen:

a)

streven doorzichtigheid na op het gebied van sanitaire en fytosanitaire maatregelen die op de handel van toepassing zijn;

b)

verbeteren het wederzijdse begrip van de sanitaire en fytosanitaire maatregelen van elk van beide partijen en de toepassing ervan;

c)

wisselen informatie uit over aangelegenheden die verband houden met de ontwikkeling en de toepassing van sanitaire en fytosanitaire maatregelen die de handel tussen de partijen beïnvloeden of kunnen beïnvloeden, opdat de negatieve gevolgen ervan voor de handel zoveel mogelijk worden beperkt, en

d)

delen op verzoek van een partij de op de invoer van specifieke producten toepasselijke voorschriften mede.

Artikel 5.6

Internationale normen

De partijen:

a)

werken op verzoek van een partij samen voor de ontwikkeling van een gemeenschappelijke benadering van de toepassing van internationale normen op gebieden die de handel tussen hen beïnvloeden of kunnen beïnvloeden, teneinde de negatieve gevolgen op de handel tussen hen zoveel mogelijk te beperken, en

b)

werken samen aan de ontwikkeling van internationale normen, richtsnoeren en aanbevelingen.

Artikel 5.7

Invoervereisten

1.   De algemene invoervereisten van een partij gelden voor het gehele grondgebied van de andere partij.

2.   De partij van invoer mag jegens de gehele of een deel van de partij van uitvoer specifieke invoervereisten opleggen op basis van de vaststelling van de dier- of plantgezondheidsstatus in de partij van uitvoer of een deel daarvan, overeenkomstig de richtsnoeren en normen van de SPS-overeenkomst, de Codex Alimentarius Commissie, de Wereldorganisatie voor diergezondheid en het Internationaal Verdrag voor de Bescherming van Planten.

Artikel 5.8

Maatregelen in verband met de gezondheid van planten en dieren

1.   De partijen aanvaarden het concept van ziekte- of plagenvrije gebieden en gebieden met een lage prevalentie van ziekten of plagen overeenkomstig de normen van de SPS-overeenkomst, de Wereldorganisatie voor diergezondheid alsmede het Internationaal Verdrag voor de Bescherming van Planten, en voeren een passende procedure in ter erkenning van die gebieden, waarbij met relevante internationale normen, richtsnoeren en aanbevelingen rekening wordt gehouden.

2.   Bij de vaststelling van die gebieden wordt rekening gehouden met factoren als geografische ligging, ecosystemen, epidemiologisch toezicht en de doeltreffendheid van sanitaire of fytosanitaire controles in die gebieden.

3.   Voor vaststelling van ziekte- of plagenvrije gebieden en gebieden met een lage prevalentie van ziekten of plagen, brengen de partijen een nauwe samenwerking tot stand om vertrouwen in de door elk van beide partijen voor die vaststelling gevolgde procedures te verkrijgen. Zij streven ernaar dit opbouwen van vertrouwen binnen ongeveer twee jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst te voltooien. De succesvolle voltooiing van de vertrouwen opbouwende samenwerking wordt door het in artikel 5.10 bedoelde Comité voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen bevestigd.

4.   Bij de vaststelling van de desbetreffende gebieden baseert de partij van invoer haar eigen vaststelling van de veterinaire of plantgezondheidsstatus van de partij van uitvoer of gedeelten daarvan in beginsel op de door de partij van uitvoer overeenkomstig de normen van de SPS-overeenkomst, de Wereldorganisatie voor diergezondheid en het Internationaal Verdrag voor de Bescherming van Planten verstrekte informatie, en houdt zij rekening met de vaststelling die de partij van uitvoer heeft gedaan. Indien een partij in dit verband niet de door de andere partij gedane vaststelling aanvaardt, zet zij de redenen hiervoor uiteen en is zij bereid in overleg te treden.

5.   De partij van uitvoer levert aan de partij van invoer het nodige bewijs dat de desbetreffende gebieden ziekte- of plagenvrij, respectievelijk gebieden met een lage prevalentie van ziekten of plagen zijn en dat waarschijnlijk ook blijven. Hiertoe wordt aan de partij van invoer desgevraagd redelijke toegang verleend voor inspectie, proeven en andere relevante procedures.

Artikel 5.9

Samenwerking op het gebied van dierenwelzijn

De partijen:

a)

wisselen informatie, deskundigheid en ervaringen op het gebied van dierenwelzijn uit en stellen voor dergelijke activiteiten een werkprogramma vast, en

b)

werken voor de ontwikkeling van normen voor dierenwelzijn in internationale fora samen, met name op het gebied van het verdoven en slachten van dieren.

Artikel 5.10

Comité voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen

1.   Het Comité voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen dat is opgericht overeenkomstig lid 1 van artikel 15.2 (Gespecialiseerde comités) kan:

a)

de procedures of regelingen ontwikkelen die voor de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk nodig zijn;

b)

toezicht houden op de voortgang bij de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk;

c)

bevestigen dat de vertrouwen opbouwende werkzaamheden als bedoeld in artikel 5.8, lid 3, zijn voltooid;

d)

procedures ontwikkelen voor de erkenning van inrichtingen voor producten van dierlijke oorsprong en, in voorkomend geval, van productielocaties voor producten van plantaardige oorsprong, en

e)

een forum bieden voor discussie over problemen die zich voordoen door de toepassing van bepaalde sanitaire of fytosanitaire maatregelen, teneinde wederzijds aanvaardbare alternatieven te formuleren. Op verzoek van een partij komt het comité in dit verband met spoed bijeen voor overleg.

2.   De Commissie is samengesteld uit vertegenwoordigers van de partijen en komt eens per jaar op een onderling afgesproken datum bijeen. De plaats van vergadering wordt in onderling overleg bepaald. De agenda wordt vóór de vergadering overeengekomen. Het voorzitterschap wordt door de partijen beurtelings vervuld.

Artikel 5.11

Beslechting van geschillen

Geen van beide partijen kan voor geschillen die in het kader van dit hoofdstuk ontstaan, een beroep doen op hoofdstuk veertien (Beslechting van geschillen)

HOOFDSTUK ZES

DOUANE EN HANDELSBEVORDERING

Artikel 6.1

Doelstellingen en beginselen

De partijen komen, ter vergemakkelijking van de handel en ter bevordering van douanesamenwerking op een bilaterale en multilaterale basis, overeen om samen te werken en hun invoer-, uitvoer- en doorvoervoorschriften en -procedures voor goederen op basis van de volgende doelstellingen en beginselen vast te stellen en toe te passen:

a)

om te waarborgen dat invoer-, uitvoer- en doorvoervoorschriften en -procedures voor goederen efficiënt en evenredig zijn,

i)

worden door elk van beide partijen versnelde douaneprocedures vastgesteld of gehandhaafd, waarbij zij passende douanecontrole- en -selectieprocedures blijven toepassen;

ii)

zijn invoer-, uitvoer- en doorvoervereisten en -procedures in administratief opzicht niet omslachtiger en niet beperkender voor de handel dan nodig is om legitieme doelstellingen te bereiken;

iii)

zorgt elk van beide partijen ervoor dat goederen met een minimum aan documentatie kunnen worden ingeklaard, en dat elektronische systemen voor gebruikers toegankelijk zijn;

iv)

maakt elk van beide partijen gebruik van informatietechnologie die procedures voor het in het vrije verkeer brengen van goederen bespoedigt;

v)

waarborgt elk van beide partijen dat haar douaneautoriteiten en -instanties die met grenscontrole, met inbegrip van invoer-, uitvoer- en doorvoeraangelegenheden, zijn belast, samenwerken en hun werkzaamheden coördineren, en

vi)

voorziet elk van beide partijen erin dat inschakeling van douane-expediteurs facultatief is;

b)

invoer-, uitvoer- en doorvoervoorschriften en -procedures worden gebaseerd op door de partijen aanvaarde internationale instrumenten en normen op het gebied van de handel en van douane:

i)

indien er op handels- en douanegebied internationale instrumenten en normen bestaan, vormen deze de basis voor invoer-, uitvoer- en doorvoervoorschriften en -procedures, tenzij die instrumenten en normen niet passend of doeltreffend voor het bereiken van de legitieme doelstellingen zijn, en

ii)

voorschriften die betrekking hebben op data alsmede dataverwerkingsprocessen worden in toenemende mate in overeenstemming met het Customs Data Model en de bijbehorende aanbevelingen en richtsnoeren van de Werelddouaneorganisatie, hierna „WDO” genoemd, gebruikt en toegepast;

c)

voorschriften en procedures zijn voor importeurs, exporteurs en andere belanghebbenden transparant en voorspelbaar;

d)

elk van beide partijen treedt met vertegenwoordigers van de handelssector en andere belanghebbenden tijdig in overleg, onder meer over belangrijke nieuwe of gewijzigde voorschriften en procedures voordat deze worden vastgesteld;

e)

beginselen of procedures inzake risicobeheersing worden toegepast om handhavingsinspanningen te concentreren op transacties die speciale aandacht behoeven;

f)

elk van beide partijen verleent haar medewerking en wisselt informatie uit om eraan bij te dragen dat de handelsbevorderende maatregelen waarover in het kader van deze overeenkomst overeenstemming is bereikt, worden toegepast en nageleefd, en

g)

handelsbevorderende maatregelen ondermijnen niet het bereiken van legitieme beleidsdoelstellingen, zoals de bescherming van de nationale veiligheid, gezondheid en het milieu.

Artikel 6.2

In het vrije verkeer brengen van goederen

1.   Elk van beide partijen stelt vereenvoudigde en doelmatige douane- en andere handelsgerelateerde voorschriften en procedures vast om de handel tussen de partijen te bevorderen.

2.   Overeenkomstig het bepaalde in lid 1 draagt elk van beide partijen ervoor zorg dat haar douaneautoriteiten, grensdiensten en andere bevoegde autoriteiten toepassing geven aan voorschriften en procedures:

a)

die voorzien in de vrijgave van goederen binnen een tijdvak dat niet langer is dan vereist om te waarborgen dat aan haar douane- en andere handelsgerelateerde wetgeving en formaliteiten wordt voldaan. Elk van beide partijen werkt eraan de vrijgave van goederen verder te versnellen;

b)

die erin voorzien dat informatie vóór de fysieke aankomst van goederen elektronisch kan worden ingediend en vervolgens ook elektronisch kan worden verwerkt, zodat goederen bij aankomst in het vrije verkeer kunnen worden gebracht;

c)

waardoor importeurs goederen vrijgegeven kunnen krijgen vóór en onverminderd de definitieve vaststelling door haar douaneautoriteiten van de toepasselijke douanerechten, belastingen en heffingen (3), en

d)

waardoor goederen in het vrije verkeer kunnen worden gebracht op de plaats van aankomst, zonder tijdelijke verplaatsing naar entrepots of andere faciliteiten.

Artikel 6.3

Vereenvoudigde douaneprocedure

De partijen streven ernaar voor handelaren of marktdeelnemers die aan specifieke, door een partij vastgestelde criteria voldoen, vereenvoudigde invoer- en uitvoerprocedures toe te passen waardoor in het bijzonder goederen sneller kunnen worden vrijgegeven en ingeklaard, met onder meer elektronische indiening en verwerking van informatie vóór de fysieke aankomst van zendingen, minder fysieke inspecties en bevordering van de handel door bijvoorbeeld vereenvoudigde aangiften met een minimum aan documentatie.

Artikel 6.4

Risicobeheersing

Elk van beide partijen maakt, voor zover mogelijk langs elektronische weg, gebruik van risicobeheersingsystemen voor de risicoanalyse en -oriëntatie zodat haar douaneautoriteiten hun inspectiewerkzaamheden kunnen concentreren op goederen met een hoog risico, en de inklaring en het in het verkeer brengen van goederen met een laag risico worden vereenvoudigd. Elk van beide partijen zal voor haar risicobeheersingprocedures de herziene Overeenkomst inzake de vereenvoudiging en harmonisatie van douaneprocedures van 1999, hierna „Overeenkomst van Kyoto” genoemd, alsmede de WDO-richtsnoeren voor risicobeheersing, als uitgangspunt nemen.

Artikel 6.5

Transparantie

1.   Elk van beide partijen waarborgt dat haar douane- en andere handelsgerelateerde wet- en regelgeving, haar algemene administratieve procedures en andere voorschriften, met inbegrip van die inzake vergoedingen en heffingen, voor alle belanghebbenden via een officieel aangewezen medium en waar haalbaar en mogelijk via een officiële website, gemakkelijk toegankelijk zijn.

2.   Elk van beide partijen wijst een of meer onderzoeks- of informatiecentra aan of houdt deze in stand, waaraan belanghebbenden vragen over douane- en andere handelsgerelateerde aangelegenheden kunnen stellen.

3.   Elk van beide partijen overlegt met en verstrekt informatie aan vertegenwoordigers van de handelssector en andere belanghebbenden. Dat overleg en deze informatie hebben betrekking op belangrijke nieuwe of gewijzigde voorschriften en procedures, waarbij vóórr de vaststelling hiervan de mogelijkheid tot het maken van opmerkingen wordt geboden.

Artikel 6.6

Besluiten vooraf

1.   Op schriftelijk verzoek van handelaren brengt elk van beide partijen via haar douaneautoriteiten voorafgaand aan de invoer van een goed in haar grondgebied en overeenkomstig haar wet- en regelgeving, een schriftelijk besluit uit over de tariefindeling, de oorsprong of enige andere aangelegenheid als die haars inziens hiervoor in aanmerking komt.

2.   Elk van beide partijen maakt haar besluiten vooraf inzake tariefindeling en enige andere aangelegenheid die haars inziens hiervoor in aanmerking komt, in overeenstemming met de vertrouwelijkheidsvereisten ingevolge haar wet- en regelgeving, bekend, bijvoorbeeld via internet.

3.   Ter bevordering van de handel houden de partijen elkaar in hun bilaterale dialoog regelmatig op de hoogte van wijzigingen in hun respectieve wetgeving met betrekking tot de in de leden 1 en 2 bedoelde aangelegenheden.

Artikel 6.7

Beroepsprocedures

1.   Elk van beide partijen waarborgt dat de betrokkenen ten aanzien waarvan door haar vaststellingen in douanezaken en andere invoer-, uitvoer- en doorvoervoorschriften en -procedures worden gedaan, tegen die vaststellingen bezwaar kunnen aantekenen of in beroep kunnen gaan. Een partij mag verlangen dat alvorens tegen een beslissing bij een hogere onafhankelijke instantie, bijvoorbeeld een rechterlijke autoriteit of een bestuursrechter beroep kan worden ingesteld, daartegen eerst bij dezelfde instelling, de toezichthoudende autoriteit daarvan of een rechterlijke autoriteit moet worden opgekomen.

2.   De producent of exporteur kan, indien de autoriteit waarbij tegen de beslissing wordt opgekomen hem daarom verzoekt, informatie rechtstreeks verstrekken aan de partij waarin het administratieve bezwaar of beroep wordt behandeld. De producent of exporteur die de informatie verschaft, mag de partij waarin het administratieve bezwaar of beroep wordt behandeld, verzoeken die informatie overeenkomstig haar wet- en regelgeving vertrouwelijk te behandelen.

Artikel 6.8

Vertrouwelijkheid

1.   Informatie die overeenkomstig dit hoofdstuk door personen of autoriteiten van een partij aan de autoriteiten van de andere partij is verstrekt, wordt, onder meer wanneer daarom krachtens artikel 6.7 wordt verzocht, vertrouwelijk behandeld in overeenstemming met de in elk van beide partijen toepasselijke wet- en regelgeving. Zij valt onder de officiële geheimhoudingsplicht en wordt beschermd overeenkomstig de wet- en regelgeving voor dergelijke informatie op het grondgebied van de ontvangende partij.

2.   Persoonsgegevens mogen uitsluitend worden doorgegeven indien de ontvangende partij zich ertoe verbindt deze te beschermen op een wijze die ten minste gelijkwaardig is aan de bescherming van dergelijke gegevens in de partij die de gegevens verstrekt. De persoon die de informatie verstrekt, stelt geen eisen die verder gaan dan die welke in zijn rechtsgebied gelden.

3.   De in lid 1 bedoelde informatie wordt door de autoriteiten van de partij die deze heeft ontvangen, niet gebruikt voor andere doelen dan waarvoor zij is verstrekt, tenzij de persoon of de autoriteit die de informatie heeft verstrekt, hiervoor uitdrukkelijk toestemming heeft verleend.

4.   Behoudens uitdrukkelijke toestemming van de persoon of de autoriteit die de in lid 1 bedoelde informatie heeft verstrekt, zal deze niet worden gepubliceerd of anderszins worden bekendgemaakt, tenzij zulks ingevolge de wet- en regelgeving van de partij die de informatie in verband met gerechtelijke procedures heeft ontvangen, verplicht of toegestaan is. De persoon of autoriteit die de informatie heeft verstrekt, wordt zo mogelijk vooraf van een dergelijke bekendmaking in kennis gesteld.

5.   Indien een autoriteit van een partij overeenkomstig dit hoofdstuk om informatie verzoekt, deelt zij de personen tot wie het verzoek is gericht, mede dat die informatie in verband met gerechtelijke procedures mogelijk bekend zal worden gemaakt.

6.   Tenzij anders overeengekomen met de persoon die de informatie heeft verstrekt, treft de verzoekende partij in voorkomend geval alle krachtens haar wet- en regelgeving mogelijke maatregelen om de informatie geheim te houden, en beschermt zij persoonsgegevens tegen verzoeken van derden of van andere autoriteiten om bekendmaking van die informatie.

Artikel 6.9

Vergoedingen en heffingen

Met betrekking tot alle in verband met in- of uitvoer opgelegde vergoedingen en heffingen, van welke aard ook, andere dan douanerechten en zaken die van de definitie van een douanerecht in artikel 2.3 (Douanerechten) zijn uitgesloten, geldt het volgende:

a)

vergoedingen en heffingen worden enkel opgelegd ter zake van in verband met de betrokken in- of uitvoer verleende diensten of een met die in- of uitvoer verband houdende formaliteit waaraan moet worden voldaan;

b)

het bedrag van vergoedingen en heffingen gaat niet de geschatte kosten van de verleende dienst te boven;

c)

vergoedingen en heffingen worden niet op een ad-valoremgrondslag berekend;

d)

voor consulaire diensten worden geen vergoedingen en heffingen verlangd;

e)

de informatie over vergoedingen en heffingen wordt via een officieel aangewezen medium, en waar haalbaar en mogelijk via een officiële website, bekendgemaakt. Deze informatie omvat de reden voor de vergoeding of de heffing ter zake van de verleende dienst, de verantwoordelijke autoriteit, de vergoedingen en heffingen die zullen worden toegepast, en het tijdstip en de wijze waarop de betaling moet worden verricht, en

f)

nieuwe of gewijzigde vergoedingen en heffingen worden niet opgelegd totdat informatie overeenkomstig e) bekend is gemaakt en gemakkelijk beschikbaar is.

Artikel 6.10

Inspectie vóór verzending

Geen der partijen zal inspecties of gelijkwaardige maatregelen vóór verzending verlangen.

Artikel 6.11

Douanecontrole achteraf

Elk van beide partijen zorgt ervoor dat handelaren kunnen verzoeken om douanecontrole achteraf. Het verzoek om douanecontrole achteraf mag voor handelaren geen ongegronde of ongerechtvaardigde eisen of lasten meebrengen.

Artikel 6.12

Douanewaarde

De Overeenkomst inzake de douanewaarde wordt, zonder de voorbehouden en opties waarin in artikel 20 en de leden 2 tot en met 4 van bijlage III bij die Overeenkomst is voorzien, mutatis mutandis in deze overeenkomst opgenomen.

Artikel 6.13

Douanesamenwerking

1.   De partijen breiden hun samenwerking op het gebied van douane en daarmee verband houdende aangelegenheden uit.

2.   De partijen verbinden zich ertoe om handelsbevorderende acties op het gebied van douane te ontwikkelen, rekening houdend met het werk dat in dit verband door internationale organisaties wordt gedaan. Dit kan het testen van nieuwe douaneprocedures omvatten.

3.   De partijen bevestigen hun verbintenis het legitieme goederenverkeer te bevorderen en expertise uit te wisselen over maatregelen ter verbetering van douanetechnieken en -procedures en over geautomatiseerde systemen, overeenkomstig het bepaalde in deze overeenkomst.

4.   De partijen verbinden zich ertoe:

a)

de harmonisatie, in overeenstemming met internationale normen, van in de handel gebruikte documentatie en data-elementen te bevorderen, teneinde hun onderlinge handelsstromen in douaneaangelegenheden met betrekking tot de invoer, uitvoer en doorvoer van goederen te vergemakkelijken;

b)

de samenwerking tussen hun douanelaboratoria en wetenschappelijke diensten te intensiveren en aan de harmonisatie van de door douanelaboratoria gebruikte methoden te werken;

c)

douanepersoneel uit te wisselen;

d)

voor de ambtenaren die rechtstreeks met douaneprocedures te maken hebben, gezamenlijk opleidingsprogramma's op het gebied van met douane verband houdende aangelegenheden te organiseren;

e)

doeltreffende mechanismen voor communicatie met de handels- en zakenwereld te ontwikkelen;

f)

elkaar zoveel mogelijk bij te staan in zaken van tariefindeling, waardebepaling en vaststelling van de oorsprong voor preferentiële tariefbehandeling van ingevoerde goederen;

g)

een krachtige en doeltreffende handhaving van intellectuele-eigendomsrechten door de douaneautoriteiten bij invoer, uitvoer, wederuitvoer, doorvoer, overlading en andere douaneprocedures te stimuleren, met name waar het gaat om nagemaakte goederen, en

h)

de veiligheid van het vervoer per zeecontainer en van andere zendingen, ongeacht hun herkomst, die in het grondgebied van de partijen worden ingevoerd, op dat grondgebied worden overgeladen of via dat grondgebied worden doorgevoerd, te verbeteren zonder afbreuk te doen aan de bevordering van de handel. De partijen komen overeen dat de intensievere en ruimere samenwerking onder meer maar niet uitsluitend het volgende tot doel heeft:

i)

samen streven naar versterking van de douaneaspecten voor meer zekerheid in de logistieke keten in de internationale handel, en

ii)

een zo groot mogelijke coördinatie van standpunten in multilaterale fora waar kwesties in verband met de veiligheid van containers op geëigende wijze naar voren worden gebracht en worden besproken.

5.   De partijen erkennen dat technische samenwerking tussen hen fundamenteel is om naleving van de in deze overeenkomst opgenomen verbintenissen te vergemakkelijken en de handel in sterke mate te bevorderen. De partijen komen door middel van hun douaneautoriteiten overeen een programma voor technische samenwerking te ontwikkelen, waarbij zij de voorwaarden met betrekking tot het toepassingsgebied, het tijdschema en de kosten van samenwerkingsmaatregelen op douanegebied en daarmee verband houdende aangelegenheden onderling overeenkomen.

6.   Voor het bevorderen van de handel relevante internationale initiatieven, die onder andere werkzaamheden in de WTO en de WDO kunnen omvatten, worden door de partijen via hun respectieve douaneautoriteiten en andere grensautoriteiten opnieuw onderzocht om uit te maken op welke gebieden nadere gezamenlijke actie de handel tussen de partijen en gezamenlijke multilaterale doelstellingen zou bevorderen. De partijen werken samen om in internationale organisaties op het gebied van douane en van handelsbevordering, met name in de WTO en de WDO, waar mogelijk gezamenlijke standpunten te formuleren.

7.   De partijen verlenen elkaar bijstand bij de tenuitvoerlegging en de handhaving van dit hoofdstuk, het Protocol betreffende de definitie van „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking, en hun respectieve douanewet- en regelgeving.

Artikel 6.14

Wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken

1.   De partijen verlenen elkaar in douaneaangelegenheden administratieve bijstand overeenkomstig het bepaalde in het Protocol betreffende wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken.

2.   Geen van beide partijen kan voor geschillen die door artikel 9.1 van het Protocol betreffende wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken worden bestreken, een beroep doen op hoofdstuk veertien (Beslechting van geschillen) van deze overeenkomst.

Artikel 6.15

Douanecontactcentra

1.   De partijen wisselen lijsten uit van contactcentra die zijn aangewezen voor aangelegenheden die zich in verband met dit hoofdstuk en het Protocol betreffende de definitie van „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking voordoen.

2.   De contactcentra streven ernaar operationele aangelegenheden die door dit hoofdstuk worden bestreken, door middel van overleg op te lossen. Indien een aangelegenheid niet door de contactcentra kan worden opgelost, wordt deze naar het in dit hoofdstuk bedoelde Douanecomité verwezen.

Artikel 6.16

Douanecomité

1.   Het krachtens lid 1 van artikel 15.2 (Gespecialiseerde comités) opgerichte Douanecomité waarborgt de goede werking van dit hoofdstuk en van het Protocol betreffende de definitie van „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking, alsmede die van het Protocol betreffende wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken, en onderzoekt alle kwesties die zich naar aanleiding van de toepassing ervan voordoen. Het brengt over onder deze overeenkomst vallende aangelegenheden verslag uit aan het krachtens lid 1 van artikel 15.1 (Handelscomité) opgerichte Handelscomité.

2.   Het Douanecomité bestaat uit vertegenwoordigers van de douane en van andere autoriteiten van de partijen die bevoegd zijn ter zake van douaneaangelegenheden en handelsbevordering, het beheer van het Protocol betreffende de definitie van „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking en het Protocol betreffende wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken.

3.   Het Douanecomité stelt zijn reglement van orde vast en komt jaarlijks beurtelings bij een van de partijen bijeen.

4.   Het Douanecomité komt op verzoek van een partij bijeen voor overleg en tracht eventuele meningsverschillen tussen de partijen in het kader van dit hoofdstuk, het Protocol betreffende de definitie van „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking en het Protocol betreffende wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken op te lossen, met name op het gebied van handelsbevordering, tariefindeling, de oorsprong van goederen en wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken, in het bijzonder in verband met de artikelen 7 en 8 van het Protocol betreffende wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken.

5.   Het Douanecomité kan resoluties, aanbevelingen of adviezen formuleren die het noodzakelijk acht voor het bereiken van de gezamenlijke doelstellingen en de goede werking van de mechanismen die in dit hoofdstuk, het Protocol betreffende de definitie van „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking alsmede het Protocol betreffende wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken zijn vastgelegd.

HOOFDSTUK ZEVEN

HANDEL IN DIENSTEN, VESTIGING EN ELEKTRONISCHE HANDEL

AFDELING A

Algemene bepalingen

Artikel 7.1

Doelstelling en toepassingsgebied

1.   De partijen herbevestigen hun respectieve rechten en verplichtingen ingevolge de WTO-overeenkomst, en leggen hierbij de noodzakelijke regels vast voor geleidelijke wederzijdse liberalisering van de handel in diensten, van het recht van vestiging en voor samenwerking op het gebied van elektronische handel.

2.   Geen enkele bepaling van dit hoofdstuk kan zodanig worden uitgelegd dat zij een verplichting inhoudt met betrekking tot overheidsopdrachten.

3.   Dit hoofdstuk is niet van toepassing op door een partij verstrekte subsidies of toelagen, met inbegrip van leningen, garanties en verzekeringen die door de overheid worden gesteund.

4.   Overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk behoudt elk van beide partijen het recht nieuwe regelingen op te stellen en in te voeren om legitieme beleidsdoelstellingen te bereiken.

5.   Dit hoofdstuk is noch van toepassing op maatregelen betreffende natuurlijke personen die toegang tot de arbeidsmarkt van een partij zoeken, noch op maatregelen inzake staatsburgerschap, verblijf of werk op permanente basis.

6.   Geen enkele bepaling van dit hoofdstuk belet een partij maatregelen toe te passen tot regeling van de toegang of het tijdelijke verblijf van natuurlijke personen op haar grondgebied, daarbij inbegrepen maatregelen die nodig zijn voor het beschermen van de integriteit van haar grenzen of voor het verzekeren van het ordelijke verkeer van natuurlijke personen over haar grenzen, maar deze maatregelen mogen niet zodanig worden toegepast dat de voordelen die de andere partij op grond van een specifieke verbintenis in dit hoofdstuk en de bijlagen erbij toekomen, daardoor worden teniet gedaan of uitgehold (4).

Artikel 7.2

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk geldt het volgende:

a)

onder maatregel wordt verstaan elke maatregel van een partij, in de vorm van een wet, regeling, voorschrift, procedure, besluit, administratieve handeling of in enige andere vorm;

b)

onder door een partij vastgestelde of gehandhaafde maatregelen worden verstaan maatregelen genomen door:

i)

centrale, regionale of lokale overheden en autoriteiten, en

ii)

niet-gouvernementele organisaties bij de uitoefening van door centrale, regionale of lokale overheden of autoriteiten gedelegeerde bevoegdheden;

c)

onder persoon wordt verstaan een natuurlijke persoon of een rechtspersoon;

d)

onder natuurlijke persoon wordt verstaan een onderdaan van Korea of van een van de lidstaten van de Europese Unie volgens hun respectieve wetgeving;

e)

onder rechtspersoon wordt verstaan elke juridische eenheid, naar toepasselijk recht opgericht of anderszins georganiseerd, met winst- of andere oogmerken, ongeacht of zij eigendom van particulieren of van de overheid is, met inbegrip van alle vennootschappen, trusts, maatschappen, joint ventures, eenmanszaken of verenigingen;

f)

onder rechtspersoon uit een partij wordt verstaan:

i)

een rechtspersoon die overeenkomstig de wetgeving van een van de lidstaten van de Europese Unie respectievelijk Korea is opgericht, en die op het grondgebied waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing zijn respectievelijk op dat van Korea zijn statutaire zetel, hoofdbestuur (5) of hoofdvestiging heeft. Wanneer de rechtspersoon op het grondgebied waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing zijn of op dat van Korea alleen zijn statutaire zetel of hoofdbestuur heeft, wordt hij niet als rechtspersoon uit de Europese Unie respectievelijk Korea beschouwd, tenzij hij op het grondgebied waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing zijn respectievelijk op dat van Korea omvangrijke zakelijke transacties verricht (6), of

ii)

ingeval van vestiging als bedoeld in artikel 7.9, onder a), een rechtspersoon die eigendom is van of voorwerp van zeggenschap door natuurlijke personen uit de EU respectievelijk Korea of een rechtspersoon uit de Europese Unie respectievelijk Korea als hiervoor onder i) bedoeld.

Een rechtspersoon is:

i)

eigendom van personen uit de EU of Korea indien meer dan 50 procent van het aandelenkapitaal in het bezit is van personen uit de EU respectievelijk Korea die volledig over hun aandeel kunnen beschikken;

ii)

voorwerp van zeggenschap door personen uit de EU of Korea wanneer deze bevoegd zijn een meerderheid van zijn bestuurders te benoemen of de handelingen van de rechtspersoon anderszins te sturen;

iii)

met een andere persoon verbonden wanneer hij zeggenschap heeft over die persoon of die persoon over hem, of wanneer over zowel hemzelf als de andere persoon zeggenschap wordt uitgeoefend door een en dezelfde persoon;

g)

onverminderd het hiervoor onder f) bepaalde vallen buiten de EU of Korea gevestigde scheepvaartondernemingen waarover onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie respectievelijk Korea zeggenschap hebben, tevens onder deze overeenkomst indien hun schepen overeenkomstig de respectieve wetgeving van die lidstaat of van Korea zijn geregistreerd en zij de vlag van een lidstaat van de Europese Unie of van Korea voeren (7);

h)

onder overeenkomst inzake economische integratie wordt verstaan een overeenkomst waarbij de handel in diensten en het recht van vestiging conform de WTO-overeenkomst, met name de artikelen V en V bis van de GATS, aanzienlijk worden geliberaliseerd;

i)

onder reparatie en onderhoud van vliegtuigen worden verstaan alle werkzaamheden aan een uit de dienst genomen vliegtuig of een onderdeel daarvan, met uitzondering van het zogenaamde lijnonderhoud;

j)

onder diensten die verband houden met geautomatiseerde boekingssystemen wordt verstaan dienstverlening door middel van computersystemen die informatie bevatten over dienstregeling, beschikbaarheid, tarieven en tariefvoorwaarden van luchtvaartmaatschappijen, en met behulp waarvan boekingen kunnen worden gedaan of vervoerbewijzen kunnen worden uitgegeven;

k)

onder verkoop en marketing van luchtvervoerdiensten wordt verstaan de mogelijkheid voor de betrokken luchtvaartmaatschappij haar luchtvervoerdiensten vrij te verkopen en op de markt te brengen, met inbegrip van alle marketingaspecten zoals marktonderzoek, reclame en distributie. De tarifering van luchtvervoerdiensten en de daarop van toepassing zijnde voorwaarden vallen niet onder deze activiteiten, en

l)

onder dienstverlener wordt verstaan een persoon die een dienst verleent of aanbiedt, met inbegrip van personen die dit als investeerder doen.

Artikel 7.3

Comité voor de handel in diensten en voor vestiging en elektronische handel

1.   Het krachtens lid 1 van artikel 15.2 (Gespecialiseerde comités) opgerichte Comité voor de handel in diensten en voor vestiging en elektronische handel bestaat uit vertegenwoordigers van de partijen. De hoofdvertegenwoordiger van een partij in het Comité is een ambtenaar van de met de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk belaste autoriteit van die partij.

2.   Het comité:

a)

houdt toezicht op en evalueert de tenuitvoerlegging van het bepaalde in dit hoofdstuk;

b)

onderzoekt kwesties met betrekking tot dit hoofdstuk die haar door een partij worden voorgelegd, en

c)

stelt de betrokken autoriteiten in de gelegenheid om in verband met artikel 7.46 informatie over prudentiële maatregelen uit te wisselen.

AFDELING B

Grensoverschrijdende dienstverlening

Artikel 7.4

Toepassingsgebied en definities

1.   Deze afdeling is van toepassing op maatregelen van de partijen die van invloed zijn op alle grensoverschrijdende dienstverlening met uitzondering van:

a)

audiovisuele diensten (8);

b)

nationale cabotage in het zeevervoer, en

c)

interne en internationale luchtvervoerdiensten, ongeacht of het gaat om lijndiensten of niet, en diensten die rechtstreeks verband houden met de uitoefening van verkeersrechten, andere dan:

i)

reparatie en onderhoud van vliegtuigen;

ii)

verkoop en marketing van luchtvervoerdiensten;

iii)

diensten die verband houden met geautomatiseerde boekingssystemen, en

iv)

andere aan luchtvervoerdiensten verwante diensten zoals grondafhandelingsdiensten, verhuur van luchtvaartuigen met bemanning en luchthavenbeheer.

2.   Tot maatregelen die van invloed zijn op grensoverschrijdende dienstverlening behoren onder meer maatregelen die van invloed zijn op:

a)

de productie, distributie, marketing, verkoop en levering van een dienst;

b)

de aankoop, de betaling of het gebruik van een dienst;

c)

de met het verlenen van een dienst samenhangende toegang tot en gebruikmaking van netwerken of diensten waarvan de partijen eisen dat zij algemeen aan het publiek worden aangeboden, en

d)

de aanwezigheid op het grondgebied van een partij van een dienstverlener uit de andere partij.

3.   Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

a)

grensoverschrijdende dienstverlening: het verlenen van een dienst:

i)

vanaf het grondgebied van een partij op het grondgebied van de andere partij, en

ii)

op het grondgebied van een partij ten behoeve van de gebruiker van de dienst uit de andere partij;

b)

diensten: alle diensten in elke sector behalve de bij de uitoefening van overheidsgezag verleende diensten, en

c)

een bij de uitoefening van overheidsgezag verleende dienst: elke dienst die noch op commerciële basis, noch in concurrentie met een of meer dienstverleners wordt verleend.

Artikel 7.5

Markttoegang

1.   Ten aanzien van de markttoegang voor grensoverschrijdende dienstverlening behandelt elk van beide partijen diensten en dienstverleners uit de andere partij niet minder gunstig dan is voorzien in de voorwaarden en beperkingen die zijn overeengekomen en opgenomen in de in bijlage 7-A vermelde specifieke verbintenissen.

2.   Voor sectoren waarvoor verbintenissen betreffende markttoegang worden aangegaan, worden de maatregelen die een partij niet mag handhaven of vaststellen voor een bepaalde regio of voor haar gehele grondgebied, tenzij anderszins bepaald in bijlage 7-A, omschreven als:

a)

beperkingen van het aantal dienstverleners in de vorm van numerieke quota, monopolies, exclusieve dienstverleners of van de eis van een onderzoek naar de economische behoefte (9);

b)

beperkingen van de totale waarde van transacties of activa in verband met diensten in de vorm van numerieke quota of van de eis van een onderzoek naar de economische behoefte, en

c)

beperkingen van het totale aantal dienstentransacties of het totale volume van de dienstenoutput, in bepaalde numerieke eenheden uitgedrukt in de vorm van quota of van de eis van een onderzoek naar de economische behoefte (10).

Artikel 7.6

Nationale behandeling

1.   Elk van beide partijen behandelt in de sectoren waarvoor verbintenissen inzake de markttoegang in bijlage 7-A zijn opgenomen, met inachtneming van de daarin vermelde voorwaarden en kwalificaties, diensten en dienstverleners uit de andere partij in het kader van alle maatregelen die op de grensoverschrijdende dienstverlening van invloed zijn, niet minder gunstig dan haar eigen soortgelijke diensten en dienstverleners.

2.   Een partij kan aan het bepaalde in lid 1 voldoen door aan diensten en dienstverleners uit de andere partij een behandeling toe te kennen die naar de vorm identiek is dan wel naar de vorm afwijkt van de behandeling die zij aan haar eigen soortgelijke diensten en dienstverleners toekent.

3.   Een naar de vorm identieke of naar de vorm afwijkende behandeling wordt geacht minder gunstig te zijn, indien zij de mededingingsvoorwaarden wijzigt ten gunste van diensten of dienstverleners uit een partij, in vergelijking met soortgelijke diensten of dienstverleners uit de andere partij.

4.   De op grond van dit artikel aangegane specifieke verbintenissen worden niet zodanig uitgelegd dat een partij verplicht is tot compensatie van concurrentienadelen die inherent zijn aan het buitenlandse karakter van de desbetreffende diensten of dienstverleners.

Artikel 7.7

Lijsten van verbintenissen

1.   De door elk van beide partijen ingevolge deze afdeling geliberaliseerde sectoren en de beperkingen, door middel van voorbehouden, van de markttoegang en van de nationale behandeling voor diensten en dienstverleners uit de andere partij in die sectoren, worden in de lijsten van verbintenissen in bijlage 7-A vermeld.

2.   Geen van beide partijen mag, met betrekking tot diensten of dienstverleners uit de andere partij, nieuwe of meer maatregelen vaststellen die discrimineren ten opzichte van de behandeling die uit hoofde van de overeenkomstig lid 1 aangegane specifieke verbintenissen wordt toegekend.

Artikel 7.8

Meestbegunstiging (11)

1.   Wat onder deze afdeling vallende maatregelen die van invloed zijn op de grensoverschrijdende dienstverlening betreft, behandelt elk van beide partijen, tenzij in dit artikel anders is bepaald, diensten en dienstverleners uit de andere partij niet minder gunstig dan dat zij soortgelijke diensten en dienstverleners uit derde landen in het kader van een na de inwerkingtreding van deze overeenkomst ondertekende overeenkomst inzake economische integratie behandelt.

2.   De verplichting van lid 1 geldt ook voor de behandeling die door een partij overeenkomstig een overeenkomst inzake regionale economische integratie aan diensten en dienstverleners uit een derde land wordt toegekend, tenzij deze behandeling wordt toegekend krachtens sectorale of horizontale verbintenissen waarvoor die overeenkomst een aanzienlijk hoger niveau van verplichtingen oplegt dan geldt voor de verbintenissen die in het kader van deze afdeling zijn aangegaan en in bijlage 7-B zijn vermeld.

3.   Onverminderd lid 2 zijn de uit lid 1 voortvloeiende verplichtingen niet van toepassing op de behandeling die wordt toegekend in het kader van:

a)

maatregelen met betrekking tot de erkenning van kwalificaties, vergunningen of prudentiële maatregelen in overeenstemming met artikel VII van de GATS of de bijlage betreffende financiële diensten daarbij;

b)

een internationale overeenkomst of regeling die geheel of hoofdzakelijk betrekking heeft op belastingheffing, of

c)

maatregelen die onder de in bijlage 7-C vermelde meestbegunstigingsvrijstellingen vallen.

4.   De bepalingen van dit hoofdstuk worden niet zodanig uitgelegd dat een partij hierdoor wordt verhinderd aangrenzende landen voordelen toe te staan of te verlenen om het handelsverkeer dat beperkt is tot plaatselijk voortgebrachte en verbruikte diensten in naast elkaar liggende grenszones, te vergemakkelijken.

AFDELING C

Vestiging

Artikel 7.9

Definities

Voor de toepassing van deze afdeling geldt het volgende:

a)

onder vestiging wordt verstaan:

i)

de oprichting, overname of handhaving van een rechtspersoon (12), of

ii)

de oprichting of handhaving van een filiaal of vertegenwoordiging

op het grondgebied van een partij met als doel een economische activiteit uit te voeren;

b)

onder investeerder wordt verstaan een persoon die door middel van het opzetten van een vestiging tracht een economische activiteit uit te oefenen of een dergelijke activiteit uitoefent (13);

c)

een economische activiteit omvat alle economische activiteiten behoudens activiteiten die worden uitgevoerd in het kader van de uitoefening van overheidsgezag, d.w.z. activiteiten die noch op commerciële grondslag, noch in concurrentie met een of meer marktdeelnemers worden uitgeoefend;

d)

onder dochteronderneming van een rechtspersoon uit een partij wordt verstaan een rechtspersoon waarover een andere rechtspersoon uit die partij daadwerkelijk zeggenschap heeft, en

e)

onder filiaal van een rechtspersoon wordt verstaan een vestiging zonder rechtspersoonlijkheid die kennelijk een permanent karakter bezit, zoals een agentschap van een moedermaatschappij, een eigen management heeft en over de nodige materiële voorzieningen beschikt om zaken te doen met derden, zodanig dat laatstgenoemden, hoewel zij ervan op de hoogte zijn dat er indien nodig een rechtsverhouding is met de moedermaatschappij waarvan het hoofdkantoor zich in het buitenland bevindt, geen rechtstreeks contact met deze moedermaatschappij behoeven te hebben, maar hun transacties kunnen afhandelen met de vestiging die de voorpost vormt.

Artikel 7.10

Toepassingsgebied

Deze afdeling heeft tot doel het onderlinge investeringsklimaat en met name de wederzijdse voorwaarden voor vestiging te verbeteren en is van toepassing op maatregelen van de partijen die van invloed zijn op vestiging (14) in alle economische activiteiten, met uitzondering van:

a)

de winning, vervaardiging en verwerking (15) van nucleair materiaal;

b)

de productie van of handel in wapens, munitie en oorlogsmaterieel (16);

c)

audiovisuele diensten (17);

d)

nationale cabotage in het zeevervoer, en

e)

interne en internationale luchtvervoerdiensten, ongeacht of het gaat om lijndiensten of niet, en diensten die rechtstreeks verband houden met de uitoefening van verkeersrechten, andere dan:

i)

reparatie en onderhoud van vliegtuigen;

ii)

verkoop en marketing van luchtvervoerdiensten;

iii)

diensten die verband houden met geautomatiseerde boekingssystemen, en

iv)

andere aan luchtvervoerdiensten verwante diensten zoals grondafhandelingsdiensten, verhuur van luchtvaartuigen met bemanning en luchthavenbeheer.

Artikel 7.11

Markttoegang

1.   Ten aanzien van de markttoegang in het kader van vestiging behandelt elk van beide partijen vestigingen en investeerders uit de andere partij niet minder gunstig dan is voorzien in de voorwaarden en beperkingen die zijn overeengekomen en opgenomen in de in bijlage 7-A vermelde specifieke verbintenissen.

2.   Voor sectoren waarvoor verbintenissen betreffende markttoegang worden aangegaan worden de maatregelen die een partij niet mag handhaven of vaststellen voor een bepaalde regio of voor haar gehele grondgebied, tenzij anderszins bepaald in bijlage 7-A, omschreven als:

a)

beperkingen van het aantal vestigingen in de vorm van numerieke quota, monopolies, exclusieve rechten of van andere eisen ten aanzien van vestigingen, zoals een onderzoek naar de economische behoefte;

b)

beperkingen van de totale waarde van transacties of activa, in de vorm van numerieke quota of van de eis van een onderzoek naar de economische behoefte;

c)

beperkingen van het totale aantal transacties of het totale volume van de output, in bepaalde numerieke eenheden uitgedrukt in de vorm van quota of van de eis van een onderzoek naar de economische behoefte (18);

d)

beperkingen van de participatie van buitenlands kapitaal, uitgedrukt als een maximumpercentage voor buitenlands aandeelhouderschap of de totale waarde van individuele of totale buitenlandse investeringen;

e)

maatregelen die specifieke soorten juridische entiteiten of joint ventures via welke een investeerder uit de andere partij een economische activiteit kan uitoefenen, vereisen of ten aanzien van die entiteiten of joint ventures beperkingen opleggen, en

f)

beperkingen van het totale aantal natuurlijke personen, anders dan stafpersoneel en afgestudeerde stagiairs als omschreven in artikel 7.17, dat in een bepaalde sector in dienst mag zijn of dat een investeerder in dienst mag hebben, en dat nodig is voor en rechtstreeks verband houdt met het uitvoeren van de economische activiteit, in de vorm van een maximum aantal of van de eis van een onderzoek naar de economische behoefte.

Artikel 7.12

Nationale behandeling (19)

1.   Elk van beide partijen behandelt in de in bijlage 7-A vermelde sectoren en met inachtneming van de daarin vermelde voorwaarden en kwalificaties, vestigingen en investeerders uit de andere partij in het kader van alle maatregelen die van invloed op vestiging zijn, niet minder gunstig dan haar soortgelijke eigen vestigingen en investeerders.

2.   Een partij kan aan het bepaalde in lid 1 voldoen door aan vestigingen en investeerders uit de andere partij een behandeling toe te kennen die naar de vorm identiek is dan wel naar de vorm afwijkt van de behandeling die zij aan haar soortgelijke eigen vestigingen en investeerders toekent.

3.   Een naar de vorm identieke of naar de vorm afwijkende behandeling wordt geacht minder gunstig te zijn indien zij de mededingingsvoorwaarden wijzigt ten gunste van vestigingen of investeerders uit de partij, in vergelijking met soortgelijke vestigingen of investeerders uit de andere partij.

4.   De op grond van dit artikel aangegane specifieke verbintenissen worden niet zodanig uitgelegd dat een partij verplicht is tot compensatie van concurrentienadelen die inherent zijn aan het buitenlandse karakter van de desbetreffende vestigingen of investeerders.

Artikel 7.13

Lijsten van verbintenissen

1.   De door elk van beide partijen ingevolge deze afdeling geliberaliseerde sectoren en de beperkingen, door middel van voorbehouden, van de markttoegang en van de nationale behandeling voor vestigingen en investeerders uit de andere partij in die sectoren, worden in de lijsten van verbintenissen in bijlage 7-A vermeld.

2.   Geen van beide partijen mag, met betrekking tot vestigingen en investeerders uit de andere partij, nieuwe of meer maatregelen vaststellen die discrimineren ten opzichte van de behandeling die uit hoofde van de overeenkomstig lid 1 aangegane specifieke verbintenissen wordt toegekend.

Artikel 7.14

Meestbegunstiging (20)

1.   Wat onder deze afdeling vallende maatregelen die van invloed zijn op vestiging betreft, behandelt elk van beide partijen tenzij in dit artikel anders is bepaald, vestigingen en investeerders uit de andere partij niet minder gunstig dan dat zij soortgelijke vestigingen en investeerders uit derde landen in het kader van een na de inwerkingtreding van deze overeenkomst ondertekende overeenkomst inzake economische integratie behandelt (21).

2.   De verplichting van lid 1 geldt ook voor de behandeling die door een partij overeenkomstig een overeenkomst inzake regionale economische integratie aan vestigingen en investeerders uit een derde land wordt toegekend, tenzij deze behandeling wordt toegekend krachtens sectorale of horizontale verbintenissen waarvoor die overeenkomst een aanzienlijk hoger niveau van verplichtingen oplegt dan geldt voor verbintenissen die in het kader van deze afdeling zijn aangegaan en in bijlage 7-B zijn vermeld.

3.   Onverminderd lid 2 zijn de uit lid 1 voortvloeiende verplichtingen niet van toepassing op de behandeling die wordt toegekend in het kader van:

a)

maatregelen met betrekking tot de erkenning van kwalificaties, vergunningen of prudentiële maatregelen in overeenstemming met artikel VII van de GATS of de bijlage betreffende financiële diensten daarbij;

b)

een internationale overeenkomst of regeling die geheel of hoofdzakelijk betrekking heeft op belastingheffing, of

c)

maatregelen die onder een in bijlage 7-C vermelde meestbegunstigingsvrijstelling vallen.

4.   De bepalingen van dit hoofdstuk worden niet zodanig uitgelegd dat een partij hierdoor wordt verhinderd aangrenzende landen voordelen toe te staan of te verlenen om het handelsverkeer dat beperkt is tot plaatselijk voortgebrachte en verbruikte diensten in naast elkaar liggende grenszones, te vergemakkelijken.

Artikel 7.15

Andere overeenkomsten

Geen enkele bepaling in deze overeenkomst wordt geacht:

a)

de rechten te beperken van investeerders uit de partijen op een gunstigere behandeling waarin in een bestaande of toekomstige internationale overeenkomst inzake investeringen waarbij een lidstaat van de Europese Unie en Korea partij zijn, is voorzien, en

b)

af te wijken van de internationale juridische verplichtingen van de partijen ingevolge die overeenkomsten die investeerders uit de partijen een gunstigere behandeling toekennen dan door de onderhavige overeenkomst wordt toegekend.

Artikel 7.16

Evaluatie van het rechtskader voor investeringen

1.   Met het oog op de geleidelijke liberalisering van investeringen evalueren de partijen de wetgeving inzake investeringen (22), het investeringsklimaat en de onderlinge investeringsstromen uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst en vervolgens met regelmatige tussenpozen in overeenstemming met hun uit internationale overeenkomsten voortvloeiende verbintenissen.

2.   In het kader van de in lid 1 bedoelde evaluatie onderzoeken de partijen welke belemmeringen voor investeringen zich hebben voorgedaan en treden zij in onderhandeling om op dergelijke belemmeringen te reageren, met het oogmerk de bepalingen van dit hoofdstuk, met inbegrip van algemene beginselen van investeringsbescherming, uit te diepen.

AFDELING D

Tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken

Artikel 7.17

Toepassingsgebied en definities

1.   Deze afdeling is van toepassing op maatregelen van de partijen betreffende de toegang tot en het tijdelijke verblijf op hun grondgebied van stafpersoneel, afgestudeerde stagiairs, verkopers van zakelijke diensten, dienstverleners op contractbasis en beoefenaars van een vrij beroep waarop artikel 7.1, lid 5, van toepassing is.

2.   Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

a)

stafpersoneel: natuurlijke personen die bij een rechtspersoon uit een partij, niet zijnde dan een organisatie zonder winstoogmerk, werkzaam zijn en verantwoordelijk zijn voor het opzetten van dan wel voor een goed toezicht op, een goede administratie en exploitatie van een vestiging. Tot het stafpersoneel behoren tevens „zakelijke bezoekers” die verantwoordelijk zijn voor het opzetten van een vestiging en „binnen de onderneming overgeplaatste personen”;

i)

zakelijke bezoekers: natuurlijke personen met een staffunctie die verantwoordelijk zijn voor het opzetten van een vestiging. Zij verrichten geen directe transacties met het publiek en ontvangen geen beloning uit een bron die in de gastpartij is gevestigd; en onder

ii)

binnen de onderneming overgeplaatste personen: natuurlijke personen die tenminste een jaar werknemer of partner (niet zijnde meerderheidsaandeelhouder) van een rechtspersoon uit een partij zijn en die tijdelijk naar een vestiging (met inbegrip van dochterondernemingen, filialen of bijkantoren) op het grondgebied van de andere partij zijn overgeplaatst. De betrokken natuurlijke persoon moet tot een van de volgende categorieën behoren.

Managers

Natuurlijke personen die deel uitmaken van het hoger leidinggevend personeel van een rechtspersoon, die in de eerste plaats verantwoordelijk zijn voor het management van de vestiging, onder het algemene toezicht of de leiding van de raad van bestuur of de aandeelhouders of daarmee gelijkgestelde personen, waaronder natuurlijke personen die:

A)

leiding geven aan een vestiging of een afdeling of onderafdeling daarvan;

B)

toezicht houden op de werkzaamheden van andere toezichthoudende, gespecialiseerde of leidinggevende werknemers en deze werkzaamheden controleren, en

C)

persoonlijk bevoegd zijn werknemers in dienst te nemen en te ontslaan, of indienstneming of ontslag van werknemers of andere maatregelen in het kader van het personeelsbeleid aan te bevelen.

Specialisten

Binnen een rechtspersoon werkzame natuurlijke personen die beschikken over uitzonderlijke kennis die van wezenlijk belang is voor de productie, de onderzoeksuitrusting, de technische werkzaamheden of het management van de vestiging. Voor de beoordeling van die kennis wordt niet alleen specifiek met de vestiging verband houdende kennis in aanmerking genomen, maar ook of de persoon in hoge mate gekwalificeerd is voor een type werk of handel waarvoor specifieke technische kennis vereist is, evenals het lidmaatschap van een erkende beroepsgroep;

b)

afgestudeerde stagiairs: natuurlijke personen die ten minste een jaar in dienst zijn van een rechtspersoon uit een partij, die universitair afgestudeerd zijn en die voor loopbaanontwikkeling of een opleiding in bedrijfskundige technieken of methoden tijdelijk naar een vestiging op het grondgebied van de andere partij zijn overgeplaatst (23);

c)

verkopers van zakelijke diensten: natuurlijke personen die vertegenwoordigers zijn van een dienstverlener uit een partij die tijdelijke toegang tot het grondgebied van de andere partij beoogt om over de verkoop van diensten te onderhandelen of voor die dienstverlener overeenkomsten voor de verkoop van diensten te sluiten. Zij verrichten geen directe transacties met het publiek en ontvangen geen beloning uit een in de gastpartij gevestigde bron;

d)

dienstverleners op contractbasis: natuurlijke personen in dienst bij een rechtspersoon van een partij die geen vestiging op het grondgebied van de andere partij heeft en die een bonafide contract voor de verlening van diensten aan een eindverbruiker in die andere partij heeft gesloten, zodat de tijdelijke aanwezigheid van zijn werknemers in die partij vereist is voor de uitvoering van het dienstverleningscontract (24), en

e)

beoefenaars van een vrij beroep: natuurlijke personen die als zelfstandige dienstverlener op het grondgebied van een partij zijn gevestigd, geen vestiging op het grondgebied van de andere partij hebben en een bonafide contract voor de verlening van diensten aan een eindverbruiker in die andere partij hebben gesloten, zodat hun tijdelijke aanwezigheid aldaar vereist is voor de uitvoering van het dienstverleningscontract (25).

Artikel 7.18

Stafpersoneel en afgestudeerde stagiairs

1.   Voor elke overeenkomstig afdeling C geliberaliseerde sector staat elk van beide partijen, behoudens de in bijlage 7-A opgenomen voorbehouden, investeerders van de andere partij toe natuurlijke personen uit die andere partij naar hun vestiging over te plaatsen, mits die werknemers behoren tot het stafpersoneel dan wel afgestudeerd stagiair als omschreven in artikel 7.17 zijn. De duur van het tijdelijke verblijf van stafpersoneel en afgestudeerde stagiairs bedraagt ten hoogste drie jaar voor binnen de onderneming overgeplaatste personen (26), ten hoogste negentig dagen gedurende een periode van twaalf maanden voor zakelijke bezoekers (27) en ten hoogste een jaar voor afgestudeerde stagiairs.

2.   Voor elke overeenkomstig afdeling C geliberaliseerde sector worden de maatregelen (tenzij anders bepaald in bijlage 7-A) die een partij niet mag handhaven of vaststellen, omschreven als beperkingen van het totale aantal natuurlijke personen dat een investeerder als stafpersoneel of als afgestudeerde stagiairs in een bepaalde sector mag overplaatsen, in de vorm van numerieke quota of van de eis van een onderzoek naar de economische behoefte, en als discriminerende beperkingen (28).

Artikel 7.19

Verkopers van zakelijke diensten

Voor elke overeenkomstig afdeling B of C geliberaliseerde sector staat elk van beide partijen, behoudens de in bijlage 7-A opgenomen voorbehouden, de toegang en het tijdelijke verblijf van verkopers van zakelijke diensten toe voor een periode van ten hoogste negentig dagen gedurende een periode van twaalf maanden (29).

Artikel 7.20

Dienstverleners op contractbasis en beoefenaars van een vrij beroep

1.   De partijen herbevestigen hun respectieve verplichtingen ingevolge de door hen in het kader van de GATS aangegane verbintenissen ten aanzien van de toegang en het tijdelijke verblijf van dienstverleners op contractbasis en beoefenaars van een vrij beroep.

2.   Uiterlijk twee jaar na het voltooien van de onderhandelingen overeenkomstig artikel XIX van de GATS en de Ministerial Declaration van de WTO ministeriële conferentie als vastgesteld op 14 november 2001, neemt het Handelscomité een besluit over een lijst met verbintenissen met betrekking tot de toegang van dienstverleners op contractbasis en beoefenaars van een vrij beroep uit een partij tot het grondgebied van de andere partij. Deze verbintenissen strekken tot wederzijds voordeel en zijn relevant voor de handel, waarbij rekening wordt gehouden met de resultaten van die onderhandelingen in het kader van de GATS.

AFDELING E

Regelgevingskader

Onderafdeling A

Algemene bepalingen

Artikel 7.21

Wederzijdse erkenning

1.   Geen enkele bepaling in dit hoofdstuk belet een partij te eisen dat natuurlijke personen de kwalificaties en/of de beroepservaring hebben die op het grondgebied waar de dienst wordt verleend, voor de betrokken sector van activiteit zijn voorgeschreven.

2.   De partijen moedigen de desbetreffende representatieve beroepsorganisaties op hun respectieve grondgebied aan gezamenlijk aanbevelingen over wederzijdse erkenning te ontwikkelen en aan het Handelscomité voor te leggen, opdat dienstverleners en investeerders in dienstensectoren volledig of gedeeltelijk voldoen aan de door elk van beide partijen toegepaste criteria voor het verlenen van vergunningen aan dienstverleners en investeerders in dienstensectoren en voor de werkzaamheden en de certificering van dezen, in het bijzonder op het gebied van zakelijke dienstverlening, met inbegrip van het verlenen van tijdelijke vergunningen.

3.   Wanneer het Handelscomité een aanbeveling als bedoeld in lid 2 ontvangt, onderzoekt het deze binnen een redelijke termijn om vast te stellen of zij met deze overeenkomst in overeenstemming is.

4.   Wanneer overeenkomstig de procedure van lid 3 wordt vastgesteld dat een in lid 2 bedoelde aanbeveling in overeenstemming met deze overeenkomst is en er een voldoende mate van analogie tussen de desbetreffende regelingen van de partijen bestaat, onderhandelen zij via hun bevoegde autoriteiten over een overeenkomst inzake wederzijdse erkenning, hierna „MRA” genoemd, van eisen, kwalificaties, vergunningen en andere regelingen, teneinde deze aanbeveling ten uitvoer te leggen.

5.   Een dergelijke overeenkomst is in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van de WTO-overeenkomst, in het bijzonder met artikel VII van de GATS.

6.   De krachtens lid 1 van artikel 15.3 (Werkgroepen) opgerichte Werkgroep MRA werkt onder auspiciën van het Handelscomité en bestaat uit vertegenwoordigers van de partijen. Ter vergemakkelijking van de in lid 2 bedoelde werkzaamheden komt de werkgroep, tenzij de partijen anders overeenkomen, binnen een jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst bijeen.

a)

De Werkgroep onderzoekt voor diensten in het algemeen en in voorkomend geval voor afzonderlijke diensten de volgende aangelegenheden:

i)

procedures om de desbetreffende representatieve organisaties op hun respectieve grondgebied aan te moedigen hun belang bij wederzijdse erkenning te onderzoeken, en

ii)

procedures om het ontwikkelen van aanbevelingen over wederzijdse erkenning door de desbetreffende representatieve organisaties te stimuleren.

b)

De werkgroep fungeert als contactpunt voor door de desbetreffende beroepsorganisaties uit een partij aan de orde gestelde kwesties betreffende wederzijdse erkenning.

Artikel 7.22

Transparantie en vertrouwelijke informatie

1.   De partijen beantwoorden met gebruikmaking van de krachtens hoofdstuk twaalf (Transparantie) ingevoerde mechanismen onverwijld alle verzoeken van de andere partij om specifieke informatie over:

a)

internationale overeenkomsten of regelingen, met inbegrip van die inzake wederzijdse erkenning, die op onder dit hoofdstuk vallende aangelegenheden betrekking hebben of daarvoor gevolgen hebben, en over

b)

normen en criteria voor het verlenen van vergunningen aan en de certificering van dienstverleners, met inbegrip van informatie over welke regelgevende of andere instantie over zulke normen en criteria dient te worden geraadpleegd. De normen en criteria omvatten eisen met betrekking tot opleiding, onderzoek, ervaring, gedrag en ethiek, beroepsopleiding en hercertificering, praktijkervaring, plaatselijke kennis en consumentenbescherming.

2.   Geen enkele bepaling van deze overeenkomst verplicht een partij tot verstrekking van vertrouwelijke informatie waarvan bekendmaking de rechtshandhaving zou belemmeren of anderszins in strijd zou zijn met het openbaar belang of schadelijk zou zijn voor de rechtmatige handelsbelangen van openbare of particuliere ondernemingen.

3.   De regelgevende autoriteiten van elk van beide partijen maken de vereisten, waaronder die inzake documentatie, voor het indienen van aanvragen die op dienstlevering betrekking hebben, openbaar.

4.   Op verzoek van een aanvrager stelt een regelgevende autoriteit van een partij die aanvrager in kennis van de status van zijn aanvraag. Indien de autoriteit aanvullende informatie van de aanvrager verlangt, stelt zij deze daarvan onverwijld in kennis.

5.   Op verzoek van een afgewezen aanvrager stelt een regelgevende autoriteit die een aanvraag heeft afgewezen, de aanvrager voor zover mogelijk in kennis van de redenen voor afwijzing van de aanvraag.

6.   De regelgevende autoriteit van een partij neemt over een ingediende aanvraag van een investeerder of een verlener van grensoverschrijdende diensten uit de andere partij binnen 120 dagen een administratief besluit inzake het verlenen van diensten, en stelt de aanvrager onverwijld van dat besluit in kennis. Een aanvraag wordt pas als ingediend beschouwd wanneer alle relevante hoorzittingen zijn gehouden en alle vereiste informatie is ontvangen. Wanneer een besluit niet binnen 120 dagen kan worden genomen, stelt de regelgevende autoriteit de aanvrager hiervan onverwijld in kennis en tracht zij het besluit binnen een redelijk tijdvak daarna te nemen.

Artikel 7.23

Interne regelgeving

1.   Indien voor de verlening van een dienst of voor vestiging waarvoor een specifieke verbintenis is aangegaan een vergunning vereist is, delen de bevoegde autoriteiten van een partij de aanvrager binnen een redelijke termijn na de indiening van de volgens de interne wet- en regelgeving als ingediend beschouwde aanvraag mede welk besluit zij ten aanzien van die aanvraag hebben genomen. De bevoegde autoriteiten van de partij geven de aanvrager, op diens verzoek, zonder onredelijke vertraging informatie over de stand van zaken betreffende de aanvraag.

2.   Elk van beide partijen voert gerechtelijke, scheidsrechterlijke of administratieve tribunalen of procedures in, of houdt deze in stand, waarmee op verzoek van een betroffen investeerder of dienstverlener administratieve beslissingen met betrekking tot het recht van vestiging, de grensoverschrijdende dienstverlening of de tijdelijke aanwezigheid van natuurlijke personen voor zaken terstond kunnen worden onderzocht en, indien gerechtvaardigd, passende maatregelen kunnen worden genomen. Wanneer deze procedures niet onafhankelijk zijn van de instantie die bevoegd is het betrokken administratieve besluit te nemen, zien de partijen erop toe dat de procedures feitelijk in een objectief en onpartijdig onderzoek voorzien.

3.   Teneinde te waarborgen dat maatregelen in verband met kwalificatievereisten en -procedures, technische normen en vergunningsvereisten geen onnodige belemmeringen voor de handel in diensten vormen, maar met erkenning van het recht nieuwe regelingen inzake dienstverlening op te stellen en in te voeren om doelstellingen van overheidsbeleid te bereiken, streeft elk van beide partijen ernaar om op een voor elke sector passende wijze te waarborgen dat zulke maatregelen:

a)

gebaseerd zijn op objectieve en transparante criteria, zoals bekwaamheid en het vermogen de dienst te verlenen, en

b)

in geval van vergunningsprocedures, op zich geen beperking voor de verlening van de dienst vormen.

4.   Dit artikel wordt naar gelang van het geval, na overleg tussen de partijen, gewijzigd om de resultaten van de onderhandelingen ingevolge lid 4 van artikel VI van de GATS of de resultaten van soortgelijke onderhandelingen die in andere multilaterale fora zijn gevoerd en waaraan beide partijen deelnemen, in deze overeenkomst te integreren zodra zij rechtswerking hebben.

Artikel 7.24

Governance

Elk van beide partijen waarborgt voor zover uitvoerbaar dat internationaal overeengekomen normen voor de regelgeving en het toezicht in de financiëledienstensector en voor de strijd tegen belastingfraude en -ontwijking op haar grondgebied ten uitvoer worden gelegd en worden toegepast. Dergelijke internationaal overeengekomen normen zijn onder meer de Core Principle for Effective Banking Supervision van het Bazels Comité voor het bankentoezicht, de Insurance Core Principles and Methodology, te Singapore op 3 oktober 2003 goedgekeurd door de International Association of Insurance Supervisors, de Objectives and Principles of Securities Regulation van de International Organisation of Securities Commissions, de Agreement on Exchange of Information on Tax Matters van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, hierna „OESO” genoemd, de Statement on Transparency and Exchange of Information for Tax Purposes van de G20, en de Veertig aanbevelingen inzake het witwassen van geld en de Negen bijzondere aanbevelingen inzake terrorismefinanciering van de Financial Action Task Force.

Onderafdeling B

Diensten in verband met computers

Artikel 7.25

Diensten in verband met computers

1.   Bij de liberalisering van de handel in diensten in verband met computers overeenkomstig de afdelingen B tot en met D, onderschrijven de partijen de in de volgende leden neergelegde afspraak.

2.   CPC (30) 84, de VN-code voor diensten in verband met computers, heeft betrekking op de basisfuncties voor alle diensten in verband met computers, met inbegrip van computerprogramma's die worden omschreven als de instructies waardoor computers kunnen werken en communiceren (met inbegrip van de ontwikkeling en implementatie ervan), gegevensverwerking en -opslag, alsmede aanverwante diensten, zoals het geven van adviezen en opleidingen aan het personeel van klanten. Technologische ontwikkelingen hebben geleid tot een toename van het aanbod van deze diensten als een pakket van aanverwante diensten dat alle of een deel van deze basisfuncties kan omvatten. Zo bestaan diensten als web- of domeinhosting, datamining en gridcomputing uit een combinatie van basisfuncties van de diensten in verband met computers.

3.   Ongeacht of zij via een netwerk zoals internet worden geleverd, omvatten de diensten in verband met computers alle diensten op het gebied van:

a)

advies, strategie, analyse, planning, specificatie, ontwerp, ontwikkeling, installatie, implementatie, integratie, testen, debuggen, updaten, ondersteuning, technische hulp of beheer van of voor computers of computersystemen;

b)

computerprogramma's plus advies, strategie, analyse, planning, specificatie, ontwerp, ontwikkeling, installatie, implementatie, integratie, testen, debuggen, updaten, aanpassen, onderhoud, ondersteuning, technische hulp, beheer of gebruik van of voor computerprogramma's;

c)

de verwerking, opslag en hosting van gegevens of diensten in verband met databanken;

d)

onderhoud en reparatie van kantoormachines en toebehoren, met inbegrip van computers, of

e)

opleidingen voor het personeel van klanten in verband met computerprogramma's, computers of computersystemen die niet elders zijn ingedeeld.

4.   Diensten in verband met computers maken het verlenen van andere diensten, zoals bankieren, elektronisch of anderszins, mogelijk. De partijen erkennen dat er een groot verschil is tussen de ondersteunende dienst zoals webhosting of applicatiehosting, en de inhouds- of hoofddienst die elektronisch wordt geleverd, zoals bankieren, en dat in die gevallen de inhouds- of hoofddienst niet onder CPC 84 valt.

Onderafdeling C

Post- en koeriersdiensten

Artikel 7.26

Uitgangspunten van de regelgeving

Het Handelscomité legt ter waarborging van de mededinging in de post- en koeriersdiensten waarvoor in elk van beide partijen geen monopoliepositie is voorbehouden, uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst de uitgangspunten voor het ten aanzien van die diensten toepasselijke regelgevingskader vast. Met deze uitgangspunten wordt beoogd te reageren op kwesties als met de mededinging strijdige praktijken, universele dienst, afzonderlijke vergunningen en de aard van de regelgevende autoriteit (31).

Onderafdeling D

Telecommunicatiediensten

Artikel 7.27

Toepassingsgebied en definities

1.   Deze onderafdeling bevat de beginselen van het regelgevingskader voor de basistelecommunicatiediensten (32), met uitzondering van uitzendingen, die in overeenstemming met de afdelingen B tot en met D van dit hoofdstuk zijn geliberaliseerd.

2.   Voor de toepassing van deze onderafdeling gelden de volgende definities:

a)

telecommunicatiediensten: alle diensten bestaande in de transmissie en ontvangst van elektromagnetische signalen, maar niet de economische activiteit bestaande in de levering van inhoud die voor het transport afhankelijk is van telecommunicatie;

b)

openbare telecommunicatiedienst: elke telecommunicatiedienst ten aanzien waarvan een partij, uitdrukkelijk of feitelijk, eist dat deze aan het algemene publiek wordt aangeboden;

c)

openbaar telecommunicatienetwerk: de openbare telecommunicatie-infrastructuur waardoor telecommunicatie tussen bepaalde eindpunten van een netwerk mogelijk wordt gemaakt;

d)

regelgevende autoriteit in de telecommunicatiesector: de instantie of instanties die belast is/zijn met de telecommunicatieregelgeving als bedoeld in deze onderafdeling;

e)

essentiële faciliteiten: faciliteiten in het kader van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst die:

i)

uitsluitend of voornamelijk ter beschikking worden gesteld door één of een beperkt aantal leveranciers, en

ii)

bij het verlenen van een dienst niet op haalbare wijze economisch of technisch kunnen worden vervangen;

f)

grote leverancier in de telecommunicatiesector: een leverancier die de voorwaarden voor deelneming (wat prijs en aanbod betreft) in de desbetreffende markt voor telecommunicatiediensten door zijn controle over essentiële faciliteiten of door aanwending van zijn marktpositie, in belangrijke mate kan beïnvloeden;

g)

interconnectie: de koppeling met leveranciers die openbare telecommunicatienetwerken of -diensten aanbieden zodat gebruikers van een leverancier kunnen communiceren met gebruikers van een andere leverancier en toegang krijgen tot door een andere leverancier geleverde diensten, voor zover specifieke verbintenissen zijn aangegaan;

h)

universele dienst: het pakket van diensten dat op het grondgebied van een partij tegen een betaalbare prijs beschikbaar moet zijn voor alle gebruikers, ongeacht hun geografische locatie (33);

i)

eindgebruiker: een eindgebruiker of abonnee van een openbare telecommunicatiedienst, andere dienstverleners dan leveranciers van openbare telecommunicatiediensten daaronder begrepen;

j)

niet discriminerend: niet minder gunstig dan de behandeling die in vergelijkbare omstandigheden aan andere gebruikers van soortgelijke openbare telecommunicatienetwerken of -diensten wordt toegekend, en

k)

nummerportabiliteit: de mogelijkheid voor eindgebruikers van openbare telecommunicatiediensten om op dezelfde locatie dezelfde telefoonnummers te houden zonder dat de kwaliteit, de betrouwbaarheid of het gemak er onder leidt wanneer binnen dezelfde categorie leveranciers van openbare telecommunicatiediensten van leverancier wordt veranderd.

Artikel 7.28

Regelgevende autoriteit

1.   Regelgevende autoriteiten voor telecommunicatiediensten zijn juridisch en functioneel onafhankelijk van leveranciers van telecommunicatiediensten.

2.   De regelgevende autoriteit heeft voldoende bevoegdheden om de telecommunicatiedienstensector te reguleren. De taken van een regelgevende autoriteit worden duidelijk en in een gemakkelijk toegankelijke vorm bekendgemaakt, in het bijzonder wanneer meer dan een instantie met die taken belast is.

3.   De besluiten die de regelgevende autoriteit neemt en de procedures die zij toepast, zijn voor alle marktdeelnemers gelijk.

Artikel 7.29

Vergunning voor telecommunicatiediensten

1.   Vergunningen voor het verlenen van diensten worden zoveel mogelijk via een vereenvoudigde vergunningprocedure afgegeven.

2.   Er kan een vergunning vereist zijn in verband met kwesties betreffende de toekenning van frequenties, nummers en doorgangsrechten. De desbetreffende vergunningsvoorwaarden worden algemeen bekendgemaakt.

3.   Wanneer een vergunning vereist is:

a)

worden alle vergunningscriteria en de redelijke periode die normaliter nodig is om een beslissing over de aanvraag van een vergunning te nemen, algemeen bekendgemaakt;

b)

worden de redenen voor afwijzing van een vergunning de aanvrager op diens verzoek schriftelijk bekendgemaakt, en

c)

zijn de door een partij verlangde vergoedingen voor het verlenen van een vergunning (34) niet hoger dan de administratieve kosten die normaliter met het beheer van, het toezicht op en de handhaving van de desbetreffende vergunningen gemoeid zijn (35).

Artikel 7.30

Concurrentiewaarborgen ten aanzien van grote leveranciers

Er zullen passende maatregelen worden gehandhaafd om te voorkomen dat leveranciers die alleen of met anderen gezamenlijk een grote leverancier zijn, concurrentiebeperkende praktijken toepassen of blijven toepassen. In dit verband wordt onder meer onder concurrentiebeperkende praktijken verstaan:

a)

het op concurrentiebeperkende wijze toepassen van kruissubsidiëring (36);

b)

het op concurrentiebeperkende wijze gebruiken van informatie van concurrenten, en

c)

het niet tijdig aan andere dienstverleners beschikbaar stellen van technische informatie over essentiële faciliteiten en van commercieel relevante informatie die deze dienstverleners voor het leveren van hun diensten nodig hebben.

Artikel 7.31

Interconnectie

1.   Elk van beide partijen waarborgt dat leveranciers van openbare telecommunicatienetwerken of -diensten op haar grondgebied al dan niet rechtstreeks op dat grondgebied aan leveranciers van openbare telecommunicatiediensten uit de andere partij de gelegenheid bieden om te onderhandelen over interconnectie. In beginsel worden afspraken over interconnectie gemaakt op basis van commerciële onderhandelingen tussen de betrokken ondernemingen.

2.   De regelgevende autoriteiten zien erop toe dat leveranciers die bij onderhandelingen over interconnectieregelingen informatie van een andere onderneming ontvangen, die informatie uitsluitend gebruiken voor het doel waarvoor die werd verstrekt en dat zij de vertrouwelijkheid van de verstrekte of opgeslagen informatie te allen tijde respecteren.

3.   Op elk punt in het netwerk waar dat technisch haalbaar is, moet worden gezorgd voor interconnectie met een grote leverancier. Deze interconnectie moet worden geleverd:

a)

op niet-discriminerende voorwaarden (inclusief technische normen en specificaties) en tegen niet-discriminerende tarieven, en met een kwaliteit die niet lager is dan die welke wordt geboden voor de eigen soortgelijke diensten, voor soortgelijke diensten van niet-verbonden dienstverleners of voor soortgelijke diensten van dochterondernemingen of andere verbonden ondernemingen;

b)

binnen een redelijke termijn, op voorwaarden (inclusief technische normen en specificaties) en tegen op de kosten gebaseerde tarieven die transparant, economisch redelijk en voldoende gescheiden zijn, zodat de leverancier niet behoeft te betalen voor netwerkonderdelen en -faciliteiten die hij voor de levering van zijn diensten niet nodig heeft, en

c)

op verzoek, via extra aansluitpunten, in aanvulling op de aan de meeste gebruikers aangeboden netwerkaansluitpunten, tegen een vergoeding die gebaseerd is op de kosten voor het aanleggen van de noodzakelijke aanvullende faciliteiten.

4.   De procedures voor interconnectie met een grote leverancier worden algemeen bekendgemaakt.

5.   Grote leveranciers maken hun interconnectieovereenkomsten of hun referentie-aanbiedingen voor interconnectie algemeen bekend (37).

Artikel 7.32

Nummerportabiliteit

Elk van beide partijen waarborgt dat verleners van openbare telecommunicatiediensten op haar grondgebied, andere dan verleners van diensten in verband met het „Voice over Internet Protocol”, voor zover technisch haalbaar en onder redelijke voorwaarden nummerportabiliteit aanbieden.

Artikel 7.33

Toewijzing en gebruik van schaarse middelen

1.   Alle procedures voor de toewijzing en het gebruik van schaarse middelen, zoals frequenties, nummers en doorgangsrechten, worden tijdig op objectieve, transparante en niet-discriminerende wijze toegepast.

2.   De stand van zaken met betrekking tot toegewezen frequentiebanden wordt algemeen bekendgemaakt, maar een gedetailleerde vermelding van de frequenties die voor specifiek gebruik door de overheid zijn toegewezen, is niet vereist.

Artikel 7.34

Universele dienst

1.   Elk van beide partijen heeft het recht vast te stellen welke universeledienstverplichtingen zij wenst te handhaven.

2.   Deze verplichtingen worden op zich niet concurrentiebeperkend geacht, mits zij op transparante, objectieve en niet-discriminerende wijze worden uitgevoerd. De uitvoering van dergelijke verplichtingen is ook neutraal met betrekking tot de mededinging en niet belastender dan nodig is voor de soort universele dienst die door elk van beide partijen wordt vastgesteld.

Artikel 7.35

Vertrouwelijke informatie

Elk van beide partijen waarborgt het vertrouwelijke karakter van het telecommunicatieverkeer dat via een openbaar telecommunicatienetwerk en via openbare telecommunicatiediensten plaatsvindt, alsmede van de gegevens over dat verkeer, zonder daardoor de handel in diensten te beperken.

Artikel 7.36

Beslechting van telecommunicatiegeschillen

1.   Elk van beide partijen waarborgt dat:

a)

verleners van diensten geschillen tussen verleners van diensten of tussen verleners en gebruikers van diensten over de in deze onderafdeling bedoelde aangelegenheden in het kader van beslechting daarvan aan een regelgevende autoriteit of andere relevante instantie uit de partij kunnen voorleggen, en

b)

wanneer tussen leveranciers van openbare telecommunicatienetwerken of verleners van telecommunicatiediensten een geschil ontstaat in verband met uit deze onderafdeling voortvloeiende rechten en verplichtingen, geeft de betrokken regelgevende autoriteit op verzoek van een van de partijen bij het geschil een bindende beslissing om het geschil zo spoedig mogelijk en in elk geval binnen een redelijke termijn op te lossen.

2.   Een dienstverlener wiens door het recht beschermde belangen worden geschaad door een vaststelling of beslissing van een regelgevende autoriteit:

a)

kan tegen die vaststelling of die beslissing bezwaar aantekenen of beroep instellen bij een instantie waarbij bezwaar kan worden aangetekend respectievelijk beroep kan worden ingesteld (38). Wanneer de instantie waarbij bezwaar is aangetekend of beroep is ingesteld geen rechterlijke instantie is, motiveert zij haar vaststelling of beslissing altijd schriftelijk en kunnen haar vaststellingen of beslissingen tevens door een onpartijdige en onafhankelijke rechterlijke autoriteit worden getoetst. Vaststellingen of beslissingen van instanties die beslissen op bezwaar of in beroep, worden daadwerkelijk ten uitvoer gelegd, en

b)

kan tegen de vaststelling of beslissing beroep instellen bij een onpartijdige en onafhankelijke rechterlijke autoriteit van de partij. Geen van beide partijen mag het instellen van beroep als grond van niet-naleving van de vaststelling of de beslissing van de regelgevende autoriteit aanmerken, tenzij de desbetreffende rechterlijke autoriteit die vaststelling of die beslissing schorst.

Onderafdeling E

Financiële diensten

Artikel 7.37

Toepassingsgebied en definities

1.   Deze onderafdeling bevat de beginselen van het regelgevingskader voor alle financiële diensten die in overeenstemming met de afdelingen B tot en met D zijn geliberaliseerd.

2.   Voor de toepassing van deze onderafdeling wordt verstaan onder:

 

financiële dienst: elke dienst van financiële aard, aangeboden door een verlener van financiële diensten uit een partij. Financiële diensten omvatten de volgende activiteiten:

a)

Verzekeringen en aanverwante diensten

i)

directe verzekering (met inbegrip van medeverzekering):

A)

levensverzekering;

B)

schadeverzekering;

ii)

herverzekering en retrocessie;

iii)

verzekeringsbemiddeling, zoals makelaars en agentschappen, en

iv)

ondersteunende diensten voor verzekeringen, zoals adviesverstrekking, actuariaat, risicobeoordeling en de regeling van schade-eisen, en

b)

Bankdiensten en andere financiële diensten (behalve verzekeringen):

i)

aanvaarding van deposito's en andere terugbetaalbare fondsen van het publiek;

ii)

alle soorten leningen, waaronder consumentenkrediet en hypotheken, factoring en financiering van commerciële transacties;

iii)

financiële leasing;

iv)

alle diensten in verband met het betalingsverkeer en de overmaking van geld, waaronder creditcards, betaalkaarten, debetkaarten, reischeques en bankwissels;

v)

garanties en verbintenissen;

vi)

transacties voor eigen rekening of voor rekening van cliënten, op de beurs of op de onderhandse markt of anderszins, ten aanzien van:

A)

geldmarktinstrumenten (met inbegrip van cheques, effecten en depositocertificaten);

B)

deviezen;

C)

derivaten, met inbegrip van termijninstrumenten en opties;

D)

wisselkoers- en rentetariefinstrumenten, waaronder producten als swaps en rentetermijncontracten;

E)

verhandelbare effecten, en

F)

andere verhandelbare stukken en financiële activa, met inbegrip van ongemunt goud en zilver;

vii)

deelneming in de uitgifte van alle soorten effecten, met inbegrip van garantieverlening en plaatsing in de hoedanigheid van agent (openbaar dan wel particulier) en verlening van diensten in verband met deze uitgiften;

viii)

financiële bemiddeling;

ix)

beheer van activa, zoals beheer van contanten of portefeuillebeheer, alle vormen van beheer van collectieve investeringen, beheer van pensioenfondsen, diensten aangaande bewaarneming, depositodiensten en fiduciaire diensten;

x)

betalings- en compensatiediensten in verband met financiële activa, met inbegrip van effecten, derivaten en andere verhandelbare instrumenten;

xi)

verstrekking en doorgifte van financiële informatie en verwerking van financiële gegevens en daarop betrekking hebbende software, en

xii)

advies- en bemiddelingsdiensten en andere ondersteunende financiële diensten voor alle onder i) tot en met xi) vermelde activiteiten, met inbegrip van kredietonderzoek en -analyse, onderzoek en advies aangaande investeringen en beleggingen, advies over overnames, bedrijfsreorganisaties en strategieën;

 

verlener van financiële diensten: een natuurlijke persoon of een rechtspersoon uit een partij die financiële diensten verleent of aanbiedt, met uitzondering van openbare instanties;

 

openbare instantie:

a)

een overheid, centrale bank of monetaire autoriteit van een partij, of een instantie die eigendom is van een partij of onder zeggenschap staat van een partij en die zich in hoofdzaak bezighoudt met de uitvoering van overheidstaken of activiteiten voor overheidsdoeleinden, met uitzondering van instanties die zich in hoofdzaak bezighouden met het verlenen van financiële diensten op commerciële basis, of

b)

een particuliere instantie, wanneer deze taken vervult die normalerwijze door een centrale bank of monetaire autoriteit worden vervuld;

 

nieuwe financiële dienst: een dienst van financiële aard, met inbegrip van diensten in verband met bestaande of nieuwe producten of de wijze waarop een product wordt geleverd, die niet wordt verleend door verleners van financiële diensten op het grondgebied van een partij, doch die op het grondgebied van de andere partij wordt verleend.

Artikel 7.38

Prudentiële uitzonderingsbepaling (39)

1.   Elk van beide partijen kan maatregelen vaststellen of handhaven om prudentiële redenen (40), waaronder:

a)

de bescherming van investeerders, spaarders, polishouders of personen aan wie een verlener van financiële diensten een fiduciair recht verschuldigd is, en

b)

het verzekeren van de integriteit en de stabiliteit van het financiële stelsel van de partij.

2.   Deze maatregelen zijn niet belastender dan nodig is voor het bereiken van hun doel, en worden, wanneer zij niet in overeenstemming zijn met de overige bepalingen van deze overeenkomst, niet gebruikt als middel om de verbintenissen of verplichtingen van elk van beide partijen ingevolge die bepalingen te ontwijken.

3.   Geen van de bepalingen van deze overeenkomst mag op zodanige wijze worden geïnterpreteerd dat zij een partij verplicht tot het verstrekken van informatie betreffende de zaken en de boekhouding van individuele consumenten, dan wel vertrouwelijke of geheime informatie die in het bezit is van openbare instanties.

4.   Onverminderd andere prudentiële regelgeving inzake grensoverschrijdende financiële dienstverlening, kan een partij registratie van verleners van grensoverschrijdende financiële diensten uit de andere partij verlangen.

Artikel 7.39

Transparantie

De partijen erkennen dat transparante regels en een transparant beleid ten aanzien van de activiteiten van verleners van financiële diensten van belang zijn om de toegang van buitenlandse verleners van financiële diensten tot, en hun activiteiten op, elkaars markten te bevorderen. Elke partij verbindt zich ertoe transparantie van regelgeving inzake financiële diensten te bevorderen.

Artikel 7.40

Zelfregulerende organisaties

Wanneer een partij het lidmaatschap van of deelneming in, dan wel toegang tot een zelfregulerende organisatie, effecten- of termijnbeurs of effecten- of termijnmarkt, verrekenkantoor of een andere organisatie of vereniging als voorwaarde stelt voor verleners van financiële diensten uit de andere partij om op voet van gelijkheid met haar eigen verleners van financiële diensten financiële diensten te kunnen verlenen, of wanneer zij dergelijke entiteiten direct of indirect voorrechten of voordelen voor de verlening van financiële diensten toekent, waarborgt zij dat de verplichtingen van de artikelen 7.6, 7.8, 7.12 en 7.14 door een dergelijke zelfregulerende organisatie worden nageleefd.

Artikel 7.41

Betalings- en clearingsystemen

Onder voorwaarden die nationale behandeling toelaat, verschaft elk van beide partijen aan op zijn grondgebied gevestigde verleners van financiële diensten uit de andere partij voor de toekenning van nationale behandeling toegang tot betalings- en clearingsystemen van openbare instanties, alsmede tot voor de normale bedrijfsvoering beschikbare officiële financierings- en herfinancieringsfaciliteiten. Dit artikel beoogt niet toegang te verschaffen tot de kredietfaciliteiten in laatste instantie van een partij.

Artikel 7.42

Nieuwe financiële diensten

Elk van beide partijen staat op haar grondgebied gevestigde verleners van financiële diensten uit de andere partij toe nieuwe financiële diensten te verlenen waarvoor de partij haar eigen verleners van financiële diensten krachtens haar interne wetgeving onder soortgelijke omstandigheden toestemming zou geven, tenzij de introductie van de nieuwe financiële dienst tot nieuwe wetgeving of een wetswijziging noodzaakt. De partijen kunnen de institutionele en rechtsvorm vaststellen waarin de dienst kan worden verleend en kunnen de betrokken dienstverlening aan een vergunningsplicht onderwerpen. Wanneer een vergunning vereist is, wordt hieromtrent binnen een redelijke termijn een besluit genomen en kan de vergunning uitsluitend worden geweigerd om prudentiële redenen.

Artikel 7.43

Gegevensverwerking

Uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst en uiterlijk op de datum waarop soortgelijke verbintenissen op grond van andere overeenkomsten inzake economische integratie van kracht worden:

a)

staat elk van beide partijen op haar grondgebied gevestigde verleners van financiële diensten uit de andere partij toe informatie in elektronische of in andere vorm met het oog op gegevensverwerking van en naar haar grondgebied te verzenden, wanneer deze gegevensverwerking noodzakelijk is in het kader van de normale bedrijfsvoering van de betrokken verleners van financiële diensten, en

b)

stelt elk van beide partijen, herbevestigend dat zij zich heeft verbonden (41) tot bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden van natuurlijke personen, passende waarborgen vast voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, in het bijzonder met betrekking tot de overdracht van persoonsgegevens.

Artikel 7.44

Specifieke uitzonderingen

1.   Geen enkele bepaling van dit hoofdstuk kan zodanig worden uitgelegd dat zij voor een partij, met inbegrip van haar openbare instanties, een beletsel vormt om op haar grondgebied exclusief activiteiten of diensten aan te bieden in het kader van een pensioenregeling van de overheid of een wettelijk stelsel van sociale zekerheid, tenzij verleners van financiële diensten deze activiteiten krachtens haar interne regelgeving in concurrentie met openbare instanties of particuliere instellingen kunnen aanbieden.

2.   Geen enkele bepaling in deze overeenkomst is van toepassing op de activiteiten van een centrale bank of een monetaire autoriteit of van enige andere openbare instantie die bevoegd is voor het monetaire beleid of het wisselkoersbeleid.

3.   Geen enkele bepaling van dit hoofdstuk kan zodanig worden uitgelegd dat zij voor een partij, met inbegrip van haar openbare instanties, een beletsel vormt om op haar grondgebied uitsluitend activiteiten of diensten aan te bieden voor rekening van of met garantiestelling door of gebruikmaking van de financiële middelen van de partij, tenzij verleners van financiële diensten deze activiteiten krachtens haar interne regelgeving in concurrentie met openbare instanties of particuliere instellingen kunnen aanbieden.

Artikel 7.45

Beslechting van geschillen

1.   Tenzij in dit artikel anders wordt bepaald is hoofdstuk veertien (Beslechting van geschillen) van toepassing op de beslechting van geschillen over financiële diensten die uitsluitend in het kader van dit hoofdstuk ontstaan.

2.   Het Handelscomité stelt uiterlijk zes maanden na de inwerkintreding van deze overeenkomst een lijst op van vijftien personen. Elk van beide partijen stelt vijf natuurlijke personen voor en de partijen kiezen tevens vijf natuurlijke personen die geen onderdaan van een van de partijen zijn en als voorzitter van het arbitragepanel fungeren. Deze personen beschikken over deskundigheid of ervaring op het gebied van de wetgeving betreffende of de praktijk van financiële diensten, waaronder in voorkomend geval de reglementering ten aanzien van verleners van financiële diensten, en leven de in bijlage 14-C opgenomen gedragscode (Gedragscode voor leden van arbitragepanels en bemiddelaars) na.

3.   Indien panelleden door loting worden aangewezen krachtens lid 3 van artikel 14.5 (Instelling van het arbitragepanel), lid 3 van artikel 14.9 (Redelijke termijn voor naleving), lid 3 van artikel 14.10 (Onderzoek van maatregelen getroffen tot naleving van de uitspraak van het arbitragepanel), lid 4 van artikel 14.11 (Tijdelijke maatregelen bij niet-naleving), lid 3 van artikel 14.12 (Onderzoek van nalevingsmaatregelen getroffen na de opschorting van verplichtingen), of de artikelen 6.1, 6.3 en 6.4 (Vervanging) van bijlage 14-B (Procedureregels voor arbitrage), dan geschiedt de aanwijzing uit de in lid 2 bedoelde lijst.

4.   In afwijking van artikel 14.11 mag de klagende partij, indien een panel tot de conclusie komt dat een maatregel niet in overeenstemming met deze overeenkomst is en de maatregel waartegen wordt opgekomen, de financiële-dienstensector en enige andere sector beïnvloedt, voordelen in de financiële-dienstensector van gelijke werking als de maatregel in haar financiële-dienstensector opschorten. Wanneer een dergelijke maatregel uitsluitend een andere sector dan de financiële-dienstensector beïnvloedt, mag de klagende partij de voordelen in de financiële-dienstensector niet opschorten.

Artikel 7.46

Erkenning

1.   Een partij kan prudentiële maatregelen van de andere partij erkennen door te bepalen op welke wijze de maatregelen van de partij met betrekking tot financiële diensten worden toegepast. Deze erkenning, door harmonisatie of op andere wijze, kan op een overeenkomst of regeling tussen de partijen worden gebaseerd of autonoom geschieden.

2.   Een partij die bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst dan wel daarna partij is bij een in lid 1 bedoelde overeenkomst of regeling met een derde partij, geeft de andere partij voldoende gelegenheid om over haar toetreding tot die overeenkomst of regeling te onderhandelen of met haar over daarmee vergelijkbare overeenkomsten of regelingen te onderhandelen in omstandigheden die tot gelijkwaardige resultaten leiden op het gebied van regelgeving, toezicht en tenuitvoerlegging van die regelgeving en, indien van toepassing, procedures voor de uitwisseling van informatie tussen de partijen bij de overeenkomst of regeling. Wanneer een partij autonoom tot erkenning overgaat, geeft zij de andere partij voldoende gelegenheid aan te tonen dat deze omstandigheden bestaan.

Onderafdeling F

Internationaal zeevervoer

Artikel 7.47

Toepassingsgebied, definities en beginselen

1.   Deze onderafdeling bevat de beginselen voor de liberalisering, in overeenstemming met de afdelingen B tot en met D, van diensten die verband houden met internationaal zeevervoer.

2.   Voor de toepassing van deze onderafdeling:

a)

omvat internationaal zeevervoer ook vervoer van deur tot deur, zijnde het vervoer van goederen met behulp van meer dan een wijze van vervoer, waaronder ook vervoer over zee, met een enkel vervoersdocument, en in verband daarmee ook het recht rechtstreeks met dienstverleners voor andere wijzen van vervoer contracten te sluiten;

b)

wordt onder behandeling van zeevracht verstaan activiteiten van stuwadoorsbedrijven en terminalexploitanten, maar zonder de activiteiten van dokwerkers, wanneer dezen niet door de stuwadoorsbedrijven of terminalexploitanten zijn tewerkgesteld. De hier bedoelde activiteiten omvatten de organisatie van en het toezicht op:

i)

het laden en lossen van schepen;

ii)

het sjorren en losmaken van vracht, en

iii)

het in ontvangst nemen/afleveren en bewaken van vracht vóór verscheping of na lossing;

c)

wordt onder in- en uitklaring verstaan de afhandeling van douaneformaliteiten namens een derde met betrekking tot de in-, uit- of doorvoer van vracht, ongeacht of deze dienst de hoofdactiviteit van de dienstverlener is of een gebruikelijke aanvulling op diens hoofdactiviteit;

d)

wordt onder diensten in verband met de opslag van containers verstaan de opslag van containers op haventerreinen, om ze te laden of te lossen, te repareren en gereed te maken voor verscheping, en

e)

wordt onder diensten van scheepsagenten verstaan activiteiten waarbij de zakelijke belangen van een of meer scheepvaartlijnen of scheepvaartmaatschappijen binnen een bepaald geografisch gebied door een agent worden behartigd voor de volgende doeleinden:

i)

marketing en verkoop van zeevervoer en aanverwante diensten, van de prijsopgave tot de facturering, alsmede het afgeven van vrachtbrieven namens de maatschappijen, het kopen en weer verkopen van de nodige aanverwante diensten, het opstellen van documenten en het verschaffen van bedrijfsinformatie, en

ii)

het optreden namens ondernemingen, het organiseren van de afroep van aanvragen om scheepsruimte of, indien nodig, het overnemen van vracht.

3.   Gezien het huidige niveau van de liberalisering tussen de partijen op het gebied van het internationale zeevervoer:

a)

passen de partijen het beginsel van onbeperkte toegang tot de internationale markten voor zeevervoer op commerciële en niet-discriminerende grondslag toe, en

b)

kent elk van beide partijen aan vaartuigen die de vlag voeren van de andere partij of worden geëxploiteerd door dienstverleners van de andere partij, een behandeling toe die niet minder gunstig is dan die welke zij aan haar eigen vaartuigen toekent voor, onder meer, de toegang tot havens, het gebruik van infrastructuur en ondersteunende havendiensten voor zeevervoer, evenals de daarmee verband houdende vergoedingen en heffingen, douanediensten en de toewijzing van aanlegplaatsen en laad- en losinstallaties.

4.   Bij de toepassing van deze beginselen:

a)

nemen de partijen in toekomstige bilaterale overeenkomsten met derden geen vrachtverdelingsregelingen op met betrekking tot zeevervoerdiensten, met inbegrip van het vervoer van droge en vloeibare bulkladingen en het lijnverkeer, en zien zij ervan af dergelijke vrachtverdelingsregelingen te activeren wanneer deze in eerdere bilaterale overeenkomsten voorkomen, en

b)

heffen de partijen bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst alle unilaterale maatregelen en administratieve, technische en andere belemmeringen op die de vrije en eerlijke mededinging kunnen beperken of die een verkapte beperking zijn van of een discriminerend effect hebben op het vrij verrichten van diensten in het internationale zeevervoer, en zien zij af van invoering ervan.

5.   Iedere partij staat verleners uit de andere partij van diensten in het internationale zeevervoer toe op haar grondgebied een vestiging te hebben onder voorwaarden, wat vestiging en exploitatie betreft, die niet minder gunstig zijn dan die welke zij aan haar eigen dienstverleners of aan dienstverleners uit derde landen, indien deze laatsten betere voorwaarden genieten, toekent overeenkomstig de voorwaarden die in haar lijst van verbintenissen zijn opgenomen.

6.   Elk van beide partijen geeft verleners uit de andere partij van diensten in het internationale zeevervoer op redelijke en niet-discriminerende voorwaarden toegang tot de volgende havendiensten:

a)

loodsen;

b)

hulp van duw- en sleepboten;

c)

bevoorrading;

d)

brandstof en water;

e)

ophalen en verwerking van afval;

f)

kapiteinsdiensten;

g)

navigatiehulp, en

h)

diensten vanaf de wal die essentieel zijn voor het functioneren van een schip, waaronder communicatie, water en elektriciteit, faciliteiten voor noodreparaties, verankering en aan- en afmeren.

AFDELING F

Elektronische handel

Artikel 7.48

Doelstellingen en beginselen

1.   De partijen erkennen dat elektronische handel tot economische groei leidt en handelsmogelijkheden biedt, dat het van belang is belemmeringen voor het gebruik en de ontwikkeling ervan te vermijden, en dat de WTO-overeenkomst op maatregelen met betrekking tot elektronische handel van toepasssing is, en komen overeen de ontwikkeling van hun onderlinge elektronische handel te bevorderen, met name door samenwerking op het gebied van de vraagstukken die in het kader van dit hoofdstuk door de elektronische handel worden opgeworpen.

2.   De partijen zijn het erover eens dat de ontwikkeling van de elektronische handel volledig in overeenstemming moet zijn met de internationale normen inzake gegevensbescherming, teneinde ervoor te zorgen dat de gebruikers vertrouwen in de elektronische handel hebben.

3.   De partijen komen overeen geen douanerechten te heffen op leveringen langs elektronische weg (42).

Artikel 7.49

Samenwerking op het gebied van regelgeving

1.   De partijen onderhouden een dialoog over regelgevingskwesties in verband met de elektronische handel, onder meer over:

a)

erkenning van aan het publiek afgegeven certificaten voor elektronische handtekeningen en bevordering van grensoverschrijdende certificeringsdiensten;

b)

aansprakelijkheid van intermediairs bij de doorgifte of opslag van informatie;

c)

behandeling van ongevraagde elektronische commerciële communicatie;

d)

consumentenbescherming op het gebied van de elektronische handel;

e)

ontwikkeling van papierloze handel, en

f)

andere kwesties die van belang zijn voor de ontwikkeling van de elektronische handel.

2.   De dialoog kan uitwisseling van informatie omvatten over de respectieve wetgeving van de partijen met betrekking tot deze kwesties en over de tenuitvoerlegging van die wetgeving.

AFDELING G

Uitzonderingen

Artikel 7.50

Uitzonderingen

Mits de hieronder bedoelde maatregelen niet zodanig worden toegepast dat zij een middel tot een willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen landen bij soortgelijke omstandigheden, of een verkapte beperking van het recht van vestiging of van grensoverschrijdende diensten vormen, wordt geen bepaling van dit hoofdstuk uitgelegd als beletsel voor het vaststellen of toepassen door een van de partijen van maatregelen die:

a)

noodzakelijk zijn voor de bescherming van de openbare veiligheid of de openbare zeden of voor de handhaving van de openbare orde (43);

b)

noodzakelijk zijn voor de bescherming van het leven en de gezondheid van mens, dier of plant;

c)

betrekking hebben op de instandhouding van niet-duurzame natuurlijke hulpbronnen, mits die maatregelen met beperkingen voor interne investeerders of met beperkingen van het interne aanbod of verbruik van diensten gepaard gaan;

d)

noodzakelijk zijn voor de bescherming van nationaal artistiek, historisch of archeologisch erfgoed;

e)

noodzakelijk zijn voor de handhaving van wet- en regelgeving die niet strijdig zijn met de bepalingen van dit hoofdstuk, met inbegrip van die welke betrekking hebben op:

i)

het voorkómen van misleidende of frauduleuze praktijken of op middelen om de gevolgen van de niet-nakoming van contracten te compenseren;

ii)

de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met de verwerking en verspreiding van persoonsgegevens en op de bescherming van de vertrouwelijke aard van persoonlijke dossiers en rekeningen;

iii)

de veiligheid;

f)

strijdig zijn met de artikelen 7.6 en 7.12, mits het verschil in behandeling bedoeld is om directe belastingen op billijke of doeltreffende (44) wijze te kunnen opleggen of innen ten aanzien van economische activiteiten, investeerders of dienstverleners uit de andere partij.

HOOFDSTUK ACHT

BETALINGS- EN KAPITAALVERKEER

Artikel 8.1

Lopende betalingen

De partijen verbinden zich ertoe overeenkomstig de Statuten van het Internationaal Monetair Fonds toe te staan dat alle betalingen en overboekingen op de lopende rekening van de betalingsbalans tussen ingezetenen van de partijen worden verricht in vrij converteerbare valuta, en geen beperkingen dienaangaande vast te stellen.

Artikel 8.2

Kapitaalverkeer

1.   Wat de verrichtingen op de kapitaalrekening en de financiële rekening van de betalingsbalans betreft, verbinden de partijen zich ertoe het vrije kapitaalverkeer niet te beperken ten aanzien van in overeenstemming met de wetgeving van het gastland verrichte directe investeringen, overeenkomstig hoofdstuk zeven (Handel in diensten, vestiging en elektronische handel) geliberaliseerde investeringen en andere transacties, en de liquidatie en repatriëring van het aldus geïnvesteerde kapitaal en de opbrengsten daarvan.

2.   Onverminderd hetgeen elders in deze overeenkomst is bepaald, waarborgen de partijen met betrekking tot niet onder lid 1 vallende verrichtingen op de kapitaalrekening en de financiële rekening van de betalingsbalans overeenkomstig de wetgeving van het gastland het vrije verkeer van kapitaal voor investeerders uit de andere partij in verband met, onder meer:

a)

kredieten in verband met commerciële transacties, waaronder het verlenen van diensten waaraan een ingezetene van een partij deelneemt;

b)

financiële leningen en kredieten, of

c)

deelneming in het kapitaal van een rechtspersoon zonder intentie duurzame economische banden aan te knopen of te handhaven.

3.   Onverminderd het bepaalde in deze overeenkomst voeren de partijen geen nieuwe beperkingen in op het kapitaalverkeer tussen ingezetenen van de partijen en brengen zij in de bestaande regelingen geen verdere beperkingen aan.

4.   De partijen kunnen overleg plegen teneinde hun onderlinge kapitaalverkeer verder te vergemakkelijken met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van deze overeenkomst.

Artikel 8.3

Uitzonderingen

Mits de hieronder bedoelde maatregelen niet zodanig worden toegepast dat zij een middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen landen bij soortgelijke omstandigheden, of een verkapte beperking van het kapitaalverkeer vormen, wordt geen bepaling van dit hoofdstuk uitgelegd als beletsel voor het vaststellen of toepassen door een van de partijen van maatregelen die:

a)

noodzakelijk zijn voor de bescherming van de openbare veiligheid en de openbare zeden of de handhaving van de openbare orde, of

b)

noodzakelijk zijn voor de handhaving van wet- en regelgeving die niet strijdig zijn met de bepalingen van dit hoofdstuk, met inbegrip van die welke betrekking hebben op:

i)

het voorkómen van overtredingen of misdrijven, misleidende of frauduleuze praktijken of op middelen om de gevolgen van de niet-nakoming van contracten te compenseren (faillissement, insolventie en crediteurenbescherming);

ii)

het verzekeren van de integriteit en de stabiliteit van het financiële stelsel van een partij;

iii)

de uitgifte van, de handel in of de verhandeling van effecten, opties, futures of andere derivaten;

iv)

de financiële verslaglegging of boekhouding van betalingen indien nodig om hulp te bieden in het kader van rechtshandhaving of aan financiële regelgevende autoriteiten, of

v)

het verzekeren dat wordt voldaan aan beschikkingen of uitspraken in gerechtelijke of administratieve procedures.

Artikel 8.4

Vrijwaringsmaatregelen

1.   Wanneer in uitzonderlijke omstandigheden betalingen en kapitaalbewegingen tussen de partijen ernstige moeilijkheden veroorzaken of dreigen te veroorzaken voor het monetair beleid of het wisselkoersbeleid (45) van Korea of van een of meer van de lidstaten van de Europese Unie, kunnen strikt noodzakelijke vrijwaringsmaatregelen (46) ten aanzien van kapitaalbewegingen worden genomen door de betrokken partijen (47), voor een periode van ten hoogste zes maanden (48).

2.   Het Handelscomité wordt onverwijld in kennis gesteld van de vaststelling van vrijwaringsmaatregelen en zo spoedig mogelijk van een tijdschema voor de intrekking ervan.

HOOFDSTUK NEGEN

OVERHEIDSOPDRACHTEN

Artikel 9.1

Algemene bepalingen

1.   De partijen bevestigen hun rechten en verplichtingen uit hoofde van de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten, die is opgenomen in bijlage 4 bij de WTO-overeenkomst, hierna „de GPA 1994” genoemd, en hun belang bij een verdere uitbreiding van bilaterale handelsmogelijkheden op de markt voor overheidsopdrachten van elk van beide partijen.

2.   De partijen erkennen hun gedeelde belangstelling voor de bevordering van de internationale liberalisering van markten voor overheidsopdrachten in het kader van het geregulariseerde internationale handelsstelsel. De partijen zullen blijven samenwerken bij de herziening krachtens artikel XXIV, lid 7, van de GPA 1994 en in andere internationale fora ter zake.

3.   Geen enkele bepaling in dit hoofdstuk wordt zo uitgelegd dat wordt afgeweken van de rechten of verplichtingen van een van de partijen uit hoofde van de GPA 1994 of van een overeenkomst ter vervanging daarvan.

4.   Voor alle opdrachten waarop dit hoofdstuk van toepassing is, passen de partijen de voorlopig overeengekomen herziene GPA-tekst (49), hierna de „herziene GPA” genoemd, toe, met uitzondering van onderstaande bepalingen:

a)

de meestbegunstigingsbehandeling voor goederen en diensten en leveranciers en dienstverleners van andere partijen (artikel IV, lid 1, onder b), en lid 2, van de herziene GPA);

b)

de bijzondere en gedifferentieerde behandeling van ontwikkelingslanden (artikel V van de herziene GPA);

c)

de voorwaarden voor deelname (artikel VIII, lid 2, van de herziene GPA), die worden vervangen door: „legt niet de voorwaarde op dat een leverancier of dienstverlener van een partij alleen aan een opdracht kan deelnemen of hem alleen een opdracht kan worden gegund wanneer de aanbestedende dienst van de andere partij hem eerder een of meer opdrachten heeft gegund of wanneer hij vroegere werkervaring op het grondgebied van die partij heeft, tenzij die vroegere werkervaring van wezenlijk belang is om aan de eisen van de opdracht te voldoen;”;

d)

de instellingen (artikel XXI van de herziene GPA), en

e)

de slotbepalingen (artikel XXII van de herziene GPA).

5.   Voor de toepassing van de herziene GPA ingevolge lid 4 wordt verstaan onder:

a)

„overeenkomst” in de herziene GPA: „hoofdstuk”, behalve dat onder „landen die geen partij bij deze overeenkomst zijn” wordt verstaan „niet-partijen”, en onder „partij bij de overeenkomst”„partij”;

b)

„andere partijen” in de herziene GPA: „de andere partij”, en

c)

„het comité” in de herziene GPA: „de werkgroep”.

Artikel 9.2

Toepassingsgebied en dekking

1.   Dit hoofdstuk is van toepassing op alle opdrachten waarop de bijlagen bij de GPA 1994 van elk van beide partijen alsmede alle aan die bijlagen gehechte aantekeningen, met inbegrip van de wijzigingen of vervangingen daarvan, van toepassing zijn.

2.   Voor de toepassing van deze overeenkomst is bijlage 9 van toepassing op build-operate-transfer-contracten, hierna „BOT-contracten” genoemd, en op concessies voor openbare werken, zoals gedefinieerd in bijlage 9.

Artikel 9.3

Werkgroep overheidsopdrachten

De Werkgroep overheidsopdrachten, opgericht krachtens lid 1 van artikel 15.3 (Werkgroepen) komt in onderling overleg of op verzoek van een van de partijen bijeen om:

a)

problemen met betrekking tot overheidsopdrachten en BOT-contracten of concessies voor openbare werken te bestuderen, die een van de partijen aan de werkgroep heeft voorgelegd;

b)

informatie uit te wisselen over de mogelijkheden die elk van de partijen biedt met betrekking tot overheidsopdrachten en BOT-contracten of concessies voor openbare werken, en

c)

alle andere aangelegenheden met betrekking tot dit hoofdstuk te bespreken.

HOOFDSTUK TIEN

INTELLECTUELE EIGENDOM

AFDELING A

Algemene bepalingen

Artikel 10.1

Doelstellingen

De doelstellingen van dit hoofdstuk zijn:

a)

het bevorderen van de productie en commercialisering van innovatieve en creatieve producten in de partijen, en

b)

het bereiken van een adequaat en doeltreffend beschermings- en handhavingsniveau voor intellectuele-eigendomsrechten.

Artikel 10.2

Aard en toepassingsgebied van de verplichtingen

1.   De partijen waarborgen een adequate en doeltreffende tenuitvoerlegging van de internationale verdragen inzake intellectuele eigendom waarbij zij partij zijn, met inbegrip van de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom, die is opgenomen in bijlage 1C bij de WTO-overeenkomst, hierna de „TRIPs-overeenkomst” genoemd. De bepalingen van dit hoofdstuk vormen een aanvulling op en specificatie van de tussen de partijen geldende rechten en verplichtingen uit hoofde van de TRIPs-overeenkomst.

2.   Voor de toepassing van deze overeenkomst behoren tot de intellectuele-eigendomsrechten:

a)

auteursrechten, met inbegrip van auteursrechten op computerprogramma's en databanken, en naburige rechten;

b)

rechten in verband met octrooien;

c)

handelsmerken;

d)

dienstmerken;

e)

modellen;

f)

ontwerpen voor schakelpatronen (topografieën) van geïntegreerde schakelingen;

g)

geografische aanduidingen;

h)

kwekersrechten, en

i)

bescherming van niet openbaar gemaakte informatie.

3.   De bescherming van intellectuele eigendom omvat ook de bescherming tegen oneerlijke concurrentie zoals bedoeld in artikel 10 bis van het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom (1967), hierna „het Verdrag van Parijs” genoemd.

Artikel 10.3

Overdracht van technologie

1.   De partijen komen overeen standpunten en informatie uit te wisselen over hun praktijk en beleid met betrekking tot de overdracht van technologie, zowel binnen hun respectieve grondgebied als met derde landen. Dit omvat in het bijzonder maatregelen om informatiestromen, zakelijke partnerschappen, de verlening van licenties en onderaanbesteding te vergemakkelijken. Er wordt bijzondere aandacht besteed aan de voorwaarden die nodig zijn voor het scheppen van een passend gunstig klimaat voor technologieoverdracht in de gastlanden, met inbegrip van onder meer kwesties als de ontwikkeling van menselijk kapitaal en een juridisch kader.

2.   Elk van beide partijen neemt passende maatregelen om licentiepraktijken of -voorwaarden met betrekking tot intellectuele-eigendomsrechten te voorkomen of te regelen, voor zover deze praktijken of voorwaarden de internationale technologieoverdracht kunnen schaden en een misbruik van intellectuele-eigendomsrechten door de houders van die rechten vormen.

Artikel 10.4

Uitputting

Het staat de partijen vrij hun eigen regeling voor de uitputting van intellectuele-eigendomsrechten vast te stellen.

AFDELING B

Normen betreffende intellectuele-eigendomsrechten

Onderafdeling A

Auteursrecht en naburige rechten

Artikel 10.5

Geboden bescherming

De partijen leven de volgende bepalingen na:

a)

de artikelen 1 tot en met 22 van het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties (1961), hierna „het Verdrag van Rome” genoemd;

b)

de artikelen 1 tot en met 18 van de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst (1971), hierna „de Berner Conventie” genoemd;

c)

de artikelen 1 tot en met 14 van het Verdrag van de Wereldorganisatie voor intellectuele eigendom (hierna „de WIPO” genoemd) inzake het auteursrecht (1996), hierna „het WCT” genoemd, en

d)

de artikelen 1 tot en met 23 van het WIPO-verdrag inzake uitvoeringen en fonogrammen (1996), hierna „het WPPT” genoemd.

Artikel 10.6

Duur van auteursrechten

Elk van beide partijen zorgt ervoor dat wanneer de duur van de bescherming van een werk op basis van het leven van een natuurlijk persoon moet worden berekend, deze duur niet korter is dan het leven van de auteur plus 70 jaar na de dood van de auteur.

Artikel 10.7

Omroeporganisaties

1.   De rechten van omroeporganisaties vervallen niet eerder dan 50 jaar na de eerste transmissie van een uitzending, ongeacht of de transmissie van deze uitzendingen plaatsvindt via de kabel of via de ether, via satelliet daaronder begrepen.

2.   Geen van beide partijen staat retransmissie van televisiesignalen (via terrestrische, kabel- of satellietverbinding) op internet toe zonder vergunning van de houder of houders (zo die er zijn) van het recht op de inhoud van het signaal en van het signaal zelf (50).

Artikel 10.8

Samenwerking bij het collectieve beheer van rechten

De partijen streven ernaar de vaststelling van regelingen tussen hun respectieve auteursrechtenorganisaties te bevorderen, teneinde de toegang tot en de levering van inhoud tussen de partijen te vergemakkelijken en de wederzijdse overdracht van royalty's voor het gebruik van werken of ander door auteursrechten beschermd materiaal van de partijen te waarborgen. De partijen streven ernaar een hoog niveau van rationalisatie te bereiken en de transparantie met betrekking tot de uitvoering van de taak van hun respectieve auteursrechtenorganisaties te verbeteren.

Artikel 10.9

Uitzending en mededeling aan het publiek

1.   Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

a)

uitzending: de draadloze transmissie van geluiden of van beelden en geluiden of van de weergaven daarvan voor ontvangst door het publiek; een dergelijke transmissie via satelliet wordt ook onder uitzending begrepen; de transmissie van gecodeerde signalen geldt als uitzending wanneer de middelen voor decodering aan het publiek worden geleverd door of met toestemming van de omroeporganisatie, en onder

b)

mededeling aan het publiek: de overdracht aan het publiek door elk medium anders dan door uitzending, van geluiden van een uitvoering of de op een fonogram vastgelegde geluiden of weergaven van geluiden. Voor de toepassing van lid 5 wordt onder „mededeling aan het publiek” ook verstaan het voor het publiek hoorbaar maken van de op een fonogram vastgelegde geluiden of weergaven van geluiden.

2.   Elk van beide partijen verleent uitvoerende kunstenaars het uitsluitend recht om draadloze uitzending en mededeling aan het publiek van hun uitvoeringen toe te staan of te verbieden, behalve wanneer de uitvoering zelf al een uitgezonden uitvoering is of gemaakt is op basis van een vastlegging.

3.   Elk van beide partijen verleent uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen recht op een enkele billijke vergoeding voor het gebruik van voor commerciële doeleinden gepubliceerde fonogrammen of reproducties daarvan ten behoeve van draadloze uitzending of enigerlei mededeling aan het publiek.

4.   Elk van beide partijen neemt in haar wetgeving de bepaling op dat de enkele billijke vergoeding door de gebruiker verschuldigd is aan de uitvoerend kunstenaar, aan de producent van een fonogram, of aan beiden. De partijen kunnen in hun wetgeving de voorwaarden bepalen volgens welke uitvoerende kunstaars en producenten van fonogrammen de enkele billijke beloning verdelen wanneer hierover geen overeenstemming tussen de uitvoerend kunstenaar en de producent van een fonogram is bereikt.

5.   Elk van beide partijen verleent omroeporganisaties het uitsluitend recht om onderstaande handelingen toe te staan of te verbieden:

a)

heruitzending van hun uitzendingen;

b)

vastlegging van hun uitzendingen, en

c)

mededeling aan het publiek van hun televisie-uitzendingen indien die mededeling geschiedt op plaatsen die tegen betaling van een entreeprijs voor het publiek toegankelijk zijn. De voorwaarden waaronder dit recht kan worden uitgeoefend, worden bepaald door het interne recht van de staat waar bescherming van dit recht wordt gevraagd.

Artikel 10.10

Volgrecht van kunstenaars

De partijen komen overeen van gedachten te wisselen en informatie uit te wisselen over de praktijk en het beleid met betrekking tot het volgrecht van kunstenaars. De partijen treden binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst opnieuw in overleg over de wenselijkheid en haalbaarheid van de invoering van het volgrecht van kunstenaars in Korea.

Artikel 10.11

Beperkingen en uitzonderingen

De partijen kunnen in hun wetgeving voorzien in beperkingen van en uitzonderingen op de in de artikelen 10.5 tot en met 10.10 bedoelde aan de houders van een recht verleende rechten in bepaalde bijzondere gevallen die niet in strijd zijn met een normale exploitatie van het werk en geen onredelijke inbreuk zijn op de rechtmatige belangen van de houders van het recht.

Artikel 10.12

Bescherming van technische voorzieningen

1.   Elk van beide partijen voorziet in een passende rechtsbescherming tegen het omzeilen van doeltreffende technische voorzieningen door een persoon die weet of redelijkerwijs behoort te weten dat hij aldus handelt.

2.   Elk van beide partijen voorziet in een passende rechtsbescherming tegen de vervaardiging, invoer, distributie, verkoop, verhuur, reclame voor verkoop of verhuur, of het bezit voor commerciële doeleinden van inrichtingen, producten of onderdelen, of het verrichten van diensten die:

a)

gestimuleerd, aangeprezen of in de handel gebracht worden om de bescherming te omzeilen van,

b)

slechts een commercieel beperkt doel of nut hebben, naast de omzeiling van de bescherming van, of

c)

in het bijzonder ontworpen, geproduceerd of aangepast zijn dan wel verricht worden met het doel de omzeiling mogelijk of gemakkelijker te maken van

doeltreffende technische voorzieningen.

3.   Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt onder technologische voorzieningen verstaan technologie, inrichtingen of onderdelen die in het kader van hun normale werking dienen voor het voorkomen of beperken van handelingen ten aanzien van werken of ander materiaal, die niet zijn toegestaan door de houders van auteursrechten of in de wetgeving van elk van beide partijen vastgelegde naburige rechten. Technische voorzieningen worden geacht doeltreffend te zijn indien het gebruik van een beschermd werk of van ander beschermd materiaal door de rechthebbenden wordt gecontroleerd door toepassing van een controle op de toegang of een beschermingsprocédé zoals encryptie, versluiering of een andere transformatie van het werk of ander materiaal, of een kopieerbeveiliging die de beoogde bescherming bereikt.

4.   Elk van beide partijen kan in overeenstemming met haar wetgeving en de in artikel 10.5 genoemde internationale overeenkomsten ter zake voorzien in uitzonderingen op en beperkingen van maatregelen ter uitvoering van de leden 1 en 2.

Artikel 10.13

Bescherming van informatie over het beheer van rechten

1.   Elk van beide partijen voorziet in een passende rechtsbescherming tegen eenieder die opzettelijk op ongeoorloofde wijze een van de volgende handelingen verricht:

a)

de verwijdering of wijziging van elektronische informatie betreffende het beheer van rechten,

b)

de verspreiding, de invoer ter verspreiding, de uitzending, de mededeling aan het publiek of de beschikbaarstelling voor het publiek van werken of ander materiaal beschermd krachtens deze overeenkomst, waaruit op ongeoorloofde wijze elektronische informatie betreffende het beheer van rechten is verwijderd of waarin op ongeoorloofde wijze dergelijke informatie is gewijzigd,

en die weet of redelijkerwijs behoort te weten dat hij zodoende aanzet tot een inbreuk op het auteursrecht of de in de wetgeving van de desbetreffende partij vastgestelde naburige rechten, dan wel een dergelijke inbreuk mogelijk maakt, vergemakkelijkt of verbergt.

2.   Voor de toepassing van deze overeenkomst wordt onder informatie over het beheer van rechten verstaan alle door de houders van een recht verstrekte informatie die dient ter identificatie van het werk of het andere materiaal bedoeld in deze overeenkomst, dan wel van de auteur of een andere rechthebbende, of informatie betreffende de voorwaarden voor het gebruik van het werk of het andere materiaal, alsook de cijfers of codes waarin die informatie vervat ligt.

3.   Lid 2 is van toepassing wanneer bestanddelen van deze informatie zijn verbonden met een kopie, of kenbaar worden bij de mededeling aan het publiek, van een werk of ander materiaal bedoeld in deze overeenkomst.

Artikel 10.14

Overgangsbepaling

Korea legt de in de artikelen 10.6 en 10.7 bedoelde verplichtingen binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst volledig ten uitvoer.

Onderafdeling B

Handelsmerken

Artikel 10.15

Registratieprocedure

De Europese Unie en Korea voorzien in een systeem voor de registratie van handelsmerken waarbij de redenen voor een weigering een handelsmerk te registreren schriftelijk aan de aanvrager wordt medegedeeld en hem ook elektronisch kan worden verstrekt, en de aanvrager de mogelijkheid krijgt die weigering aan te vechten en bij de rechter in beroep te gaan tegen een definitieve weigering. De Europese Unie en Korea zien er ook op toe dat belanghebbenden zich tegen aanvragen voor een handelsmerk kunnen verzetten. De Europese Unie en Korea voorzien in een openbaar toegankelijke databank voor aanvragen voor en de registratie van handelsmerken.

Artikel 10.16

Internationale overeenkomsten

De Europese Unie en Korea nemen het Verdrag inzake het handelsmerkenrecht (1994) in acht en stellen alles wat redelijkerwijs mogelijk is in het werk om het Verdrag van Singapore inzake handelsmerkenrecht (2006) in acht te nemen.

Artikel 10.17

Uitzonderingen op de rechten die zijn verbonden aan een handelsmerk

Elk van beide partijen voorziet in een eerlijk gebruik van beschrijvende termen als beperkte uitzondering op de rechten die verbonden zijn aan een handelsmerk en kan voorzien in andere beperkte uitzonderingen, mits bij die beperkte uitzonderingen rekening wordt gehouden met de legitieme belangen van de houder van het handelsmerk en van derden.

Onderafdeling C

Geografische aanduidingen  (51)  (52)

Artikel 10.18

Erkenning van geografische aanduidingen voor landbouwproducten, levensmiddelen en wijn

1.   Na onderzoek van de Wet op de kwaliteitscontrole van landbouwproducten en de uitvoeringsbepalingen daarvan, voor zover deze betrekking hebben op de registratie van, het toezicht op en de bescherming van geografische aanduidingen van landbouwproducten en levensmiddelen in Korea, concludeert de Europese Unie dat deze wetgeving beantwoordt aan de in lid 6 neergelegde elementen.

2.   Na onderzoek van Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad en de uitvoeringsbepalingen daarvan, voor zover deze betrekking hebben op de registratie van, het toezicht op en de bescherming van geografische aanduidingen van landbouwproducten en levensmiddelen in de Europese Unie, en van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector wijn concludeert Korea dat deze wetgeving beantwoordt aan de in lid 6 neergelegde elementen.

3.   Na onderzoek van een samenvatting van de specificaties van de landbouwproducten en levensmiddelen waarop de in bijlage 10-A opgenomen geografische aanduidingen van Korea die door Korea zijn geregistreerd krachtens de in lid 1 bedoelde wetgeving betrekking hebben, verbindt de Europese Unie zich ertoe de in bijlage 10-A opgenomen geografische aanduidingen van Korea te beschermen overeenkomstig het in dit hoofdstuk neergelegde beschermingsniveau.

4.   Na onderzoek van een samenvatting van de specificaties van de landbouwproducten en levensmiddelen waarop de in bijlage 10-A opgenomen geografische aanduidingen van de Europese Unie die door de Europese Unie zijn geregistreerd krachtens de in lid 2 bedoelde wetgeving betrekking hebben, verbindt Korea zich ertoe de in bijlage 10-A opgenomen geografische aanduidingen van de Europese Unie te beschermen overeenkomstig het in dit hoofdstuk neergelegde beschermingsniveau.

5.   Lid 3 is van toepassing op geografische aanduidingen voor wijn die zijn toegevoegd overeenkomstig artikel 10.24.

6.   De Europese Unie en Korea komen overeen dat de registratie van en het toezicht op in de leden 1 en 2 bedoelde geografische aanduidingen de volgende elementen omvatten:

a)

een register waarin de op hun respectieve grondgebied beschermde geografische aanduidingen zijn opgenomen;

b)

een administratieve procedure om te controleren dat de geografische aanduidingen aangeven dat waren hun oorsprong in een gebied, regio of plaats van een van beide partijen hebben wanneer een bepaalde kwaliteit, reputatie of ander kenmerk van die waren hoofdzakelijk valt toe te schrijven aan hun geografische oorsprong;

c)

het vereiste dat een geregistreerde naam overeenkomt met een specifiek product of met specifieke producten waarvoor een productspecificatie is vastgelegd die alleen kan worden gewijzigd volgens de daarvoor voorgeschreven administratieve procedure;

d)

bepalingen inzake toezicht op de productie;

e)

wettelijke bepalingen waarin is neergelegd dat een geregistreerde naam kan worden gebruikt door iedere marktdeelnemer die het landbouwproduct of het levensmiddel overeenkomstig de desbetreffende specificatie in de handel brengt, en

f)

een bezwaarprocedure waarbij rekening wordt gehouden met de legitieme belangen van vroegere gebruikers van namen, ongeacht of deze namen als een vorm van intellectuele eigendom worden beschermd.

Artikel 10.19

Erkenning van specifieke geografische aanduidingen voor wijn (53), gearomatiseerde wijn (54) en gedistilleerde dranken (55)

1.   In Korea worden de in bijlage 10-B opgenomen geografische aanduidingen van de Europese Unie beschermd voor producten waarvoor deze geografische aanduidingen overeenkomstig de desbetreffende wetgeving van de Europese Unie inzake geografische aanduidingen worden gebruikt.

2.   In de Europese Unie worden de in bijlage 10-B opgenomen geografische aanduidingen van Korea beschermd voor producten waarvoor deze geografische aanduidingen overeenkomstig de desbetreffende wetgeving van Korea inzake geografische aanduidingen worden gebruikt.

Artikel 10.20

Gebruiksrecht

Een uit hoofde van deze onderafdeling beschermde naam mag worden gebruikt door iedere marktdeelnemer die landbouwproducten, levensmiddelen, wijn, gearomatiseerde wijn of gedistilleerde dranken overeenkomstig de desbetreffende specificatie in de handel brengt.

Artikel 10.21

Omvang van de bescherming

1.   De in de artikelen 10.18 en 10.19 bedoelde geografische aanduidingen worden beschermd tegen:

a)

het gebruik van middelen in de benaming of voorstelling van waren waarmee wordt aangeduid of gesuggereerd dat de waren in kwestie hun oorsprong hebben in een ander geografisch gebied dan de werkelijke plaats van oorsprong op een wijze die het publiek misleidt ten aanzien van de geografische oorsprong van de waren;

b)

het gebruik van een geografische aanduiding ter benoeming van waren voor soortgelijke waren (56) die niet hun oorsprong hebben in de door de geografische aanduiding in kwestie aangeduide plaats, zelfs wanneer de werkelijke oorsprong van de waren is vermeld of de geografische aanduiding wordt gebruikt in vertaling of transcriptie of vergezeld gaat van uitdrukkingen zoals „soort”, „type”, „stijl”, „imitatie” en dergelijke, en

c)

elk ander gebruik dat een daad van oneerlijke mededinging vormt in de zin van artikel 10 bis van het Verdrag van Parijs.

2.   Deze overeenkomst doet op generlei wijze afbreuk aan het recht van een persoon om in het handelsverkeer zijn naam of de naam van zijn voorganger in zaken te gebruiken, behalve wanneer deze naam op zodanige wijze wordt gebruikt dat de consumenten daardoor wordt misleid.

3.   Indien de geografische aanduidingen van de partijen gelijkluidend zijn, wordt elke aanduiding beschermd mits deze te goeder trouw wordt gebruikt. De Werkgroep geografische aanduidingen bepaalt de praktische gebruiksvoorwaarden om gelijkluidende geografische aanduidingen van elkaar te onderscheiden, er rekening mee houdend dat de betrokken producenten een billijke behandeling moeten krijgen en de consumenten niet mogen worden misleid. Indien een door deze overeenkomst beschermde geografische aanduiding gelijkluidend is met een geografische aanduiding van een derde land, bepaalt elk van beide partijen de praktische gebruiksvoorwaarden om gelijkluidende geografische aanduidingen van elkaar te onderscheiden, er rekening mee houdend dat de betrokken producenten een billijke behandeling moeten krijgen en de consumenten niet mogen worden misleid.

4.   Geen enkele bepaling in deze overeenkomst verplicht de Europese Unie of Korea ertoe een geografische aanduiding die in het land van oorsprong niet of niet meer wordt beschermd of er in onbruik is geraakt, te beschermen.

5.   De bescherming van een geografische aanduiding uit hoofde van dit artikel doet geen afbreuk aan het voortgezette gebruik van een handelsmerk dat op het grondgebied van een partij werd aangevraagd, geregistreerd of, indien de toepasselijke wetgeving in die mogelijkheid voorziet, door gebruik werd verworven vóór de datum waarop bescherming of erkenning van de geografische aanduiding werd aangevraagd, mits er in de wetgeving van de betrokken partij geen redenen voor de ongeldigheid of de herroeping van het handelsmerk zijn. De datum waarop de bescherming of erkenning van de geografische aanduiding werd aangevraagd, wordt bepaald overeenkomstig artikel 10.23, lid 2.

Artikel 10.22

Handhaving van bescherming

De partijen handhaven de in de artikelen 10.18 tot en met 10.23 bedoelde bescherming op eigen initiatief door passend optreden van hun autoriteiten. Ook handhaven zij die bescherming op verzoek van een belanghebbende.

Artikel 10.23

Verband met handelsmerken

1.   Wanneer registratie van een handelsmerk leidt tot een van de in artikel 10.21, lid 1, bedoelde situaties in verband met een beschermde geografische aanduiding voor soortgelijke waren, wordt deze registratie door de partijen alleen geweigerd of nietig verklaard mits de registratie van het handelsmerk is aangevraagd na de datum waarop bescherming of erkenning van de geografische aanduiding op het betrokken grondgebied werd aangevraagd.

2.   Voor de toepassing van lid 1 is de datum waarop bescherming of erkenning werd aangevraagd:

a)

voor de in de artikelen 10.18 en 10.19 bedoelde geografische aanduidingen de datum waarop deze overeenkomst in werking treedt, en

b)

voor de in artikel 10.24 bedoelde geografische aanduidingen de datum waarop een partij een verzoek van de andere partij ontvangt om een geografische aanduiding te beschermen of te erkennen.

Artikel 10.24

Toevoeging van beschermde geografische aanduidingen (57)

1.   De Europese Unie en Korea komen overeen om te beschermen geografische aanduidingen volgens de procedure van artikel 10.25 aan de bijlagen 10-A en 10-B toe te voegen.

2.   De Europese Unie en Korea komen overeen om verzoeken van de ander om te beschermen geografische aanduidingen aan de bijlagen toe te voegen, onverwijld te behandelen.

3.   Een naam kan niet als geografische aanduiding worden geregistreerd indien hij strijdig is met de naam van een plantenras, met inbegrip van een druivenras, of een dierenras en de consument daardoor zou kunnen worden misleid met betrekking tot de werkelijke oorsprong van het product.

Artikel 10.25

Werkgroep geografische aanduidingen

1.   De Werkgroep geografische aanduidingen, die is opgericht ingevolge lid 1 van artikel 15.3 (Werkgroepen), komt in onderling overleg of op verzoek van een van de partijen bijeen om de samenwerking tussen de partijen en de dialoog over geografische aanduidingen te intensiveren. De werkgroep kan bij consensus aanbevelingen doen en besluiten nemen.

2.   De werkgroep komt bij toerbeurt bij de ene of de andere partij bijeen. Zij komt bijeen op een plaats en een tijdstip en op een wijze, waaronder eventueel per videoconferentie, die onderling door de partijen wordt bepaald, maar niet later dan 90 dagen nadat het verzoek is gedaan.

3.   De werkgroep kan besluiten:

a)

tot wijziging van de bijlagen 10-A en 10-B, teneinde hierin geval voor geval geografische aanduidingen van de Europese Unie of Korea op te nemen die, nadat de in artikel 10.18, leden 3 en 4, bedoelde procedure ter zake, indien van toepassing, werd afgesloten, ook volgens de andere partij geografische aanduidingen vormen en op het grondgebied van die andere partij zullen worden beschermd;

b)

tot wijziging (58) van de onder a) bedoelde bijlagen, teneinde daaruit de geografische aanduidingen te verwijderen die in de partij van oorsprong niet meer worden beschermd (59) of die, in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving, niet langer voldoen aan de voorwaarden om in de andere partij als geografische aanduiding te worden beschouwd, en

c)

een verwijzing naar wetgeving in deze overeenkomst te beschouwen als een verwijzing naar die wetgeving zoals die op een bepaalde datum na de inwerkingtreding van deze overeenkomst gewijzigd, vervangen en van kracht is.

4.   De werkgroep vergewist zich ervan dat deze onderafdeling naar behoren functioneert, en kan aandacht besteden aan elke aangelegenheid met betrekking tot de uitvoering en de werking ervan. Zij is in het bijzonder bevoegd voor:

a)

de uitwisseling van informatie over wetgevings- en beleidsontwikkelingen op het gebied van geografische aanduidingen;

b)

de uitwisseling van informatie over specifieke geografische aanduidingen met het oog op hun eventuele bescherming in overeenstemming met deze overeenkomst, en

c)

de uitwisseling van informatie met het oog op de optimale werking van deze overeenkomst.

5.   De werkgroep kan iedere kwestie van wederzijds belang op het gebied van geografische aanduidingen bespreken.

Artikel 10.26

Individuele toepassingen van de bescherming van geografische aanduidingen

De bepalingen van deze onderafdeling laten het recht om te streven naar erkenning en bescherming van een geografische aanduiding krachtens de wetgeving van de Europese Unie of Korea ter zake onverlet.

Onderafdeling D

Modellen

Artikel 10.27

Bescherming van geregistreerde modellen

1.   De Europese Unie en Korea voorzien in de bescherming van onafhankelijk ontworpen modellen die nieuw of oorspronkelijk zijn en een eigen karakter hebben (60).

2.   In deze bescherming wordt voorzien door registratie, die de houder van het recht uitsluitende rechten overeenkomstig het bepaalde in deze onderafdeling verleent.

Artikel 10.28

Door registratie verkregen rechten

De eigenaar van een beschermd model heeft het recht derden die daartoe niet zijn toestemming hebben, ten minste te beletten artikelen te vervaardigen, op de markt aan te bieden, te verkopen, in of uit te voeren of te gebruiken, die het beschermde model vertonen of incorporeren, wanneer dit om commerciële redenen gebeurt, wanneer hiermee zonder noodzaak afbreuk wordt gedaan aan de normale exploitatie van het model of wanneer dit niet in overeenstemming is met een eerlijke handelspraktijk.

Artikel 10.29

Bescherming van niet-geregistreerde verschijningsvormen

De Europese Unie en Korea voorzien in rechtsmiddelen ter voorkoming van het gebruik van niet-geregistreerde verschijningsvormen van een product, mits het omstreden gebruik voortvloeit uit het kopiëren van de niet-geregistreerde verschijningsvorm van het product (61). Een dergelijk gebruik omvat ten minste het aanbieden (62) en het in- en uitvoeren van goederen.

Artikel 10.30

Duur van de bescherming

1.   Na registratie bieden de partijen bescherming voor de duur van ten minste 15 jaar.

2.   Niet-geregistreerde verschijningsvormen worden in de Europese Unie en Korea gedurende ten minste drie jaar beschermd.

Artikel 10.31

Uitzonderingen

1.   De Europese Unie en Korea kunnen voorzien in beperkte uitzonderingen op de bescherming van modellen, mits deze uitzonderingen niet op onredelijke wijze strijdig zijn met de normale exploitatie van beschermde modellen en niet op onredelijke wijze de legitieme belangen van de eigenaar van het beschermde model schaden, rekening houdend met de legitieme belangen van derden.

2.   De bescherming van modellen strekt zich niet uit tot modellen waarvoor hoofdzakelijk technische of functionele overwegingen bepalend zijn.

3.   Een model dat strijdig is met de openbare orde of de goede zeden, is niet vatbaar voor bescherming door een recht inzake modellen.

Artikel 10.32

Verband met auteursrecht

Een model dat overeenkomstig deze onderafdeling door een in de Europese Unie of in Korea ingeschreven modelrecht wordt beschermd, kan vanaf de datum waarop het model is ontworpen of in een vorm is vastgelegd tevens beschermd worden krachtens het auteursrecht dat op het grondgebied van de partijen van toepassing is (63).

Onderafdeling E

Octrooien

Artikel 10.33

Internationale overeenkomst

De partijen stellen, binnen redelijke grenzen, alles in het werk om te voldoen aan de artikelen 1 tot en met 16 van het Verdrag inzake octrooirecht (2000).

Artikel 10.34

Octrooien en volksgezondheid

1.   De partijen erkennen het belang van de Verklaring inzake de TRIPs-overeenkomst en de volksgezondheid, die op 14 november 2001 werd goedgekeurd door de ministeriële conferentie van de WTO (hierna de „Verklaring van Doha” genoemd). Voor de interpretatie en uitvoering van de rechten en verplichtingen uit hoofde van deze onderafdeling zijn de partijen gerechtigd zich op de Verklaring van Doha te beroepen.

2.   Elk van beide partijen draagt bij aan de uitvoering van het Besluit van de Algemene Raad van de WTO van 30 augustus 2003 over punt 6 van de Verklaring van de Doha en het Protocol tot wijziging van de TRIPs-overeenkomst, dat op 6 december 2005 in Genève werd vastgesteld, en neemt deze in acht.

Artikel 10.35

Verlenging van de duur van de door de octrooibescherming verkregen rechten

1.   De partijen erkennen dat farmaceutische producten (64) en gewasbeschermingsmiddelen (65) die op hun respectieve grondgebied door een octrooi worden beschermd, aan een administratieve vergunnings- en registratieprocedure moeten worden onderworpen voordat zij er in de handel mogen worden gebracht.

2.   Op verzoek van de octrooihouder verlengen de partijen de duur van de door de octrooibescherming verleende rechten om hem te compenseren voor de verkorting van de effectieve duur van het octrooi als gevolg van de eerste vergunning voor het in de handel brengen van het product op hun respectieve markt. De duur van de door de octrooibescherming verleende rechten mag met niet meer dan vijf jaar worden verlengd (66).

Artikel 10.36

Bescherming van gegevens die zijn ingediend om een vergunning voor het in de handel brengen van farmaceutische producten (67) te verkrijgen

1.   De partijen garanderen gegevens die zijn ingediend om een vergunning voor het in de handel brengen van een farmaceutisch product te verkrijgen, geheim te houden en niet openbaar te maken en de exclusiviteit ervan te waarborgen.

2.   Daartoe garanderen de partijen in hun respectieve wetgeving dat gegevens zoals bedoeld in artikel 39 van de TRIPs-overeenkomst, die betrekking hebben op de veiligheid en de doeltreffendheid en die voor de eerste keer door een aanvrager zijn ingediend om een vergunning voor het in de handel brengen van een nieuw farmaceutisch product op het grondgebied van de respectieve partijen te verkrijgen, niet worden gebruikt om een andere vergunning voor het in de handel brengen van een farmaceutisch product te verlenen, tenzij bewijs wordt geleverd van de uitdrukkelijke toestemming van de vergunninghouder voor het gebruik van deze gegevens.

3.   De gegevens worden vanaf de datum van de eerste vergunning voor het in de handel brengen die op het grondgebied van de respectieve partij wordt verkregen, gedurende ten minste vijf jaar beschermd.

Artikel 10.37

Bescherming van gegevens die zijn ingediend om een vergunning voor het in de handel brengen van gewasbeschermingsmiddelen te verkrijgen

1.   De partijen stellen veiligheids- en doeltreffendheidsvereisten vast voordat zij vergunning verlenen voor het in de handel brengen van gewasbeschermingsmiddelen op hun respectieve markt.

2.   De partijen zorgen ervoor dat tests, studieverslagen en informatie die voor het eerst door een aanvrager zijn ingediend om een vergunning voor het in de handel brengen van een gewasbeschermingsmiddel te verkrijgen, niet door derden of door de desbetreffende autoriteiten worden gebruikt ten behoeve van een andere persoon die een vergunning voor het in de handel brengen van een gewasbeschermingsmiddel wil verkrijgen, tenzij bewijs wordt geleverd van de uitdrukkelijke toestemming van de eerste aanvrager voor het gebruik van deze gegevens. Deze bescherming wordt hierna gegevensbescherming genoemd.

3.   De gegevensbescherming geldt voor een periode van ten minste tien jaar vanaf de datum van de eerste vergunning voor het in de handel brengen bij de respectieve partij.

Artikel 10.38

Tenuitvoerlegging

De partijen nemen de nodige maatregelen om de volledige doeltreffendheid van de in deze onderafdeling bedoelde bescherming te waarborgen; zij werken op dit gebied actief samen en gaan een constructieve dialoog ter zake aan.

Onderafdeling F

Andere bepalingen

Artikel 10.39

Kwekersrechten

Elk van beide partijen voorziet in de bescherming van kwekersrechten en voldoet aan haar verplichtingen uit hoofde van het Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekproducten (1991).

Artikel 10.40

Genetische hulpbronnen, traditionele kennis en folklore

1.   Met inachtneming van hun wetgeving zorgen de partijen voor de eerbiediging, bescherming en instandhouding van de kennis, vernieuwingen en gebruiken van autochtone en plaatselijke gemeenschappen, waarop tradities zijn gebaseerd die van belang zijn voor het behoud en het duurzame gebruik van de biologische diversiteit en voor de bevordering van de toepassing daarvan op grotere schaal, met de deelneming en instemming van de dragers van die kennis, vernieuwingen en gebruiken, alsmede voor de stimulering van de eerlijke verdeling van de voordelen van de toepassing van die kennis, vernieuwingen en gebruiken.

2.   De partijen komen overeen regelmatig van gedachten te wisselen en informatie uit te wisselen over multilaterale besprekingen ter zake:

a)

in het kader van de WIPO, over onderwerpen die worden behandeld door het Intergouvernementeel Comité voor genetische hulpbronnen, traditionele kennis en folklore;

b)

in het kader van de WTO, over onderwerpen betreffende het verband tussen de TRIPs-overeenkomst en het Verdrag inzake biologische diversiteit, en de bescherming van traditionele kennis en folklore, en

c)

in het kader van het Verdrag inzake biologische diversiteit, over onderwerpen betreffende een internationale regeling inzake toegang tot genetische hulpbronnen en het delen van de voordelen ervan.

3.   De partijen komen overeen om na afloop van de in lid 2 bedoelde multilaterale besprekingen ter zake dit artikel binnen het Handelscomité op verzoek van een van de partijen te herzien in het licht van de resultaten en de conclusie van die multilaterale besprekingen. Het Handelscomité kan elk besluit aannemen dat nodig is om gevolg te geven aan de resultaten van de herziening.

AFDELING C

Handhaving van intellectuele-eigendomsrechten

Artikel 10.41

Algemene verplichtingen

1.   De partijen bevestigen hun verbintenissen uit hoofde van de TRIPs-overeenkomst, en met name deel III; zij vergewissen zich ervan dat hun wetgeving de volgende aanvullende maatregelen, procedures en rechtsmiddelen biedt, zodat doeltreffend actie kan worden ondernomen tegen elke inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten (68) waarop deze overeenkomst van toepassing is.

2.   Deze maatregelen, procedures en rechtsmiddelen:

a)

omvatten snelle rechtsmiddelen om inbreuken te voorkomen en rechtsmiddelen die verdere inbreuken ontmoedigen;

b)

zijn eerlijk en billijk;

c)

zijn niet onnodig ingewikkeld of kostbaar of houden geen onredelijke termijnen of nodeloze vertragingen in, en

d)

zijn doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend en worden zodanig toegepast dat geen belemmeringen voor legitiem handelsverkeer worden gecreëerd en wordt voorzien in waarborgen tegen misbruik van deze maatregelen, procedures en rechtsmiddelen.

Artikel 10.42

Rechthebbenden

Elk van beide partijen erkent dat de volgende personen en instanties gerechtigd zijn te verzoeken om toepassing van de in deze afdeling en in deel III van de TRIPs-overeenkomst bedoelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen:

a)

houders van intellectuele-eigendomsrechten, in overeenstemming met de bepalingen van het toepasselijke recht;

b)

alle andere personen die gemachtigd zijn die rechten te gebruiken, in het bijzonder licentiehouders, voor zover toegestaan door en in overeenstemming met de bepalingen van het toepasselijke recht;

c)

instanties voor het collectieve beheer van intellectuele-eigendomsrechten die officieel erkend zijn als gerechtigd tot het vertegenwoordigen van houders van intellectuele-eigendomsrechten, voor zover toegestaan door en in overeenstemming met de bepalingen van het toepasselijke recht, en

d)

een federatie of vereniging die rechtens representatief en bevoegd is om die rechten te doen gelden, voor zover dat wordt toegestaan door en in overeenstemming is met de toepasselijke wetgeving.

Onderafdeling A

Civiele maatregelen, procedures en rechtsmiddelen

Artikel 10.43

Bewijsmateriaal

Elk van beide partijen treft de nodige maatregelen teneinde de bevoegde rechterlijke instanties in staat te stellen om, in geval van een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht op commerciële schaal, in voorkomend geval op verzoek van een partij overlegging te kunnen gelasten van bancaire, financiële of handelsdocumenten die zich in de macht van de tegenpartij bevinden, mits de bescherming van vertrouwelijke informatie wordt gewaarborgd.

Artikel 10.44

Voorlopige maatregelen ter bescherming van bewijsmateriaal

1.   Elk van beide partijen zorgt ervoor dat de bevoegde rechterlijke instanties, al voordat een bodemprocedure is begonnen, op verzoek van een partij die redelijkerwijs beschikbaar bewijsmateriaal heeft overgelegd tot staving van haar beweringen dat er inbreuk op haar intellectuele-eigendomsrecht is gemaakt of zal worden gemaakt, onmiddellijk afdoende voorlopige maatregelen kunnen gelasten om het relevante bewijsmateriaal in verband met de vermeende inbreuk te beschermen, mits de bescherming van vertrouwelijke informatie wordt gewaarborgd.

2.   Elk van beide partijen kan erin voorzien dat deze maatregelen de gedetailleerde beschrijving, met of zonder monsterneming, dan wel de fysieke inbeslagneming van de inbreuk makende goederen en, in voorkomend geval, de bij de productie of distributie daarvan gebruikte materialen en werktuigen en de desbetreffende documenten omvatten. Die maatregelen worden met name genomen, zo nodig zonder dat de wederpartij wordt gehoord, wanneer het aannemelijk is dat uitstel de houder van het recht onherstelbare schade zal berokkenen, of indien er een aantoonbaar gevaar bestaat dat bewijsmateriaal wordt vernietigd.

Artikel 10.45

Recht op informatie

1.   Elk van beide partijen ziet erop toe dat de bevoegde rechterlijke instanties in het kader van civiele procedures wegens inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht naar aanleiding van een met redenen omkleed en proportioneel verzoek van de eiser kunnen gelasten dat de inbreukmaker en/of iedere andere persoon die partij of getuige bij een geschil is, informatie verstrekt over de oorsprong en het distributienetwerk van de goederen of diensten die een inbreuk op het intellectuele-eigendomsrecht vormen.

a)

In dit lid wordt met „ieder ander persoon” een persoon bedoeld die:

i)

de inbreuk makende goederen op commerciële schaal in zijn bezit blijkt te hebben;

ii)

de inbreuk makende diensten op commerciële schaal blijkt te gebruiken;

iii)

op commerciële schaal diensten blijkt te verlenen die bij inbreuk makende handelingen worden gebruikt, of

iv)

door een in deze alinea bedoelde persoon is aangewezen als zijnde betrokken bij de productie, de vervaardiging of de distributie van de goederen of bij het verlenen van de diensten.

b)

De informatie omvat, naar gelang van het geval:

i)

de naam en het adres van de producenten, fabrikanten, distributeurs, leveranciers en andere eerdere bezitters van de goederen of diensten, alsmede van de beoogde groot- en detailhandelaren, of

ii)

inlichtingen over de geproduceerde, vervaardigde, geleverde, ontvangen of bestelde hoeveelheden, alsmede over de voor de desbetreffende goederen of diensten verkregen prijs.

2.   Dit artikel geldt onverminderd andere wettelijke bepalingen waarbij:

a)

de houder van het recht ruimere rechten op informatie worden toegekend;

b)

het gebruik van de krachtens dit artikel medegedeelde informatie in civiele procedures of strafzaken wordt geregeld;

c)

de aansprakelijkheid wegens misbruik van het recht op informatie wordt geregeld;

d)

de mogelijkheid wordt geboden te weigeren gegevens te verstrekken die de in lid 1 bedoelde persoon zouden dwingen deelname door hemzelf of door naaste verwanten aan een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht toe te geven, of

e)

de bescherming van de vertrouwelijkheid van informatiebronnen of de verwerking van persoonsgegevens wordt geregeld.

Artikel 10.46

Voorlopige en conservatoire maatregelen

1.   Elk van beide partijen ziet erop toe dat de rechterlijke instanties, op verzoek van de eiser, een voorlopig bevel kunnen uitvaardigen dat bedoeld is om een dreigende inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht te voorkomen of om, indien wenselijk en indien haar wetgeving erin voorziet, op straffe van een dwangsom tijdelijk voortzetting van de vermeende inbreuk op dat intellectuele-eigendomsrecht te verbieden, dan wel om aan voortzetting de voorwaarde te verbinden dat zekerheid wordt gesteld voor schadeloosstelling van de houder van het recht. Een voorlopig bevel kan ook worden uitgevaardigd tegen een tussenpersoon (69) wiens diensten door een derde worden gebruikt om inbreuk te maken op een auteursrecht of naburig recht, handelsmerk of geografische aanduiding.

2.   Een voorlopig bevel kan ook worden uitgevaardigd om de inbeslagneming te gelasten van goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht, teneinde te voorkomen dat zij in het handelsverkeer worden gebracht of zich daarin bevinden.

3.   Elk van beide partijen zorgt ervoor dat, in geval van inbreuk op commerciële schaal en indien de indiener van het verzoek omstandigheden aantoont die de schadevergoeding in gevaar dreigen te brengen, de rechterlijke instanties conservatoir beslag kunnen laten leggen op de roerende en onroerende goederen van de vermeende inbreukmaker, met inbegrip van het blokkeren van zijn bankrekeningen en andere tegoeden.

Artikel 10.47

Corrigerende maatregelen

1.   Elk van beide partijen ziet erop toe dat de bevoegde rechterlijke instanties op verzoek van de eiser, onverminderd de aan de houder van het recht wegens de inbreuk verschuldigde schadevergoeding en zonder schadeloosstelling van welke aard ook, de vernietiging kunnen gelasten van de goederen waarvan zij hebben vastgesteld dat zij een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht vormen, dan wel andere maatregelen om die goederen definitief uit het handelsverkeer te verwijderen. In voorkomend geval kunnen de bevoegde rechterlijke instanties ook de vernietiging gelasten van materialen en werktuigen die hoofdzakelijk worden gebruikt voor het ontwerpen of vervaardigen van die goederen.

2.   De rechterlijke instanties gelasten dat deze maatregelen op kosten van de inbreukmaker worden uitgevoerd, tenzij bijzondere redenen dit beletten.

3.   Bij de behandeling van een verzoek om corrigerende maatregelen wordt rekening gehouden met de noodzakelijke evenredigheid tussen de ernst van de inbreuk en de gelaste maatregelen en met de belangen van derden.

Artikel 10.48

Rechterlijke bevelen

1.   Elk van beide partijen zorgt ervoor dat, wanneer bij rechterlijke uitspraak een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht is vastgesteld, de rechterlijke instanties een bevel tot staking van de inbreuk tegen de inbreukmaker kunnen uitvaardigen.

2.   Wanneer de wetgeving erin voorziet, wordt bij niet-naleving van een rechterlijk bevel in voorkomend geval een dwangsom tot naleving van het verbod opgelegd. Elk van beide partijen zorgt ervoor dat de houders van het recht kunnen verzoeken om een rechterlijk bevel ten aanzien van tussenpersonen (70) wier diensten door een derde worden gebruikt om inbreuk te maken op een auteursrecht of naburig recht, een handelsmerk of een geografische aanduiding.

Artikel 10.49

Alternatieve maatregelen

Elk van beide partijen kan bepalen dat de bevoegde rechterlijke instanties, in voorkomend geval en op verzoek van degene aan wie de in artikel 10.47 of 10.48 vastgelegde maatregelen kunnen worden opgelegd, kunnen gelasten dat aan de benadeelde partij een geldelijke schadeloosstelling wordt betaald in plaats van toepassing van de maatregelen uit artikel 10.47 of 10.48, indien de betrokkene zonder opzet en zonder nalatigheid heeft gehandeld, indien uitvoering van de maatregelen hem onevenredige schade zou berokkenen en indien geldelijke schadeloosstelling van de benadeelde partij redelijkerwijs bevredigend lijkt.

Artikel 10.50

Schadevergoeding

1.   Elk van beide partijen ziet erop toe dat wanneer de rechterlijke autoriteiten een schadevergoeding vaststellen:

a)

zij rekening houden met alle passende aspecten, zoals de negatieve economische gevolgen, waaronder winstderving, die de benadeelde partij heeft ondervonden, de onrechtmatige winst die de inbreukmaker heeft genoten en, in voorkomend geval, andere elementen dan economische factoren, onder meer de morele schade die de houder van het recht door de inbreuk heeft geleden, of

b)

zij deze als alternatief voor het bepaalde onder a) in voorkomend geval de schadevergoeding kunnen vaststellen als een vast bedrag, op basis van elementen zoals ten minste het bedrag aan royalty's of vergoedingen dat verschuldigd was geweest indien de inbreukmaker toestemming had gevraagd om het intellectuele-eigendomsrecht in kwestie te gebruiken.

2.   De partijen kunnen erin voorzien dat de rechterlijke instanties invordering van winsten of betaling van een vooraf vastgestelde schadevergoeding kunnen gelasten indien de inbreukmaker niet wist of niet redelijkerwijs had moeten weten dat hij inbreuk maakte.

3.   In het geval van civiele procedures kan elk van beide partijen, ten minste met betrekking tot door auteursrechten of naburige rechten beschermde werken, fonogrammen en uitvoeringen, alsmede in geval van de namaak van handelsmerken, vooraf vastgestelde schadevergoedingen vaststellen of handhaven, waarvan de houder van het recht desgewenst gebruik kan maken.

Artikel 10.51

Gerechtskosten

Elk van beide partijen zorgt ervoor dat, als algemene regel, redelijke en proportionele gerechtskosten en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt, door de verliezende partij worden gedragen, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet.

Artikel 10.52

Openbaarmaking van rechterlijke uitspraken

Elk van beide partijen zorgt ervoor dat de rechterlijke instanties in het geval van inbreuken op een intellectuele-eigendomsrecht in voorkomend geval op verzoek van de eiser kunnen gelasten dat op kosten van de inbreukmaker passende maatregelen tot verspreiding van informatie over de uitspraak worden getroffen, met inbegrip van volledige of gedeeltelijke bekendmaking en publicatie van de uitspraak. Elk van beide partijen kan voorzien in andere bijkomende vormen van bekendmaking, zoals opvallende publiciteit, die passend zijn in de omstandigheden van het geval.

Artikel 10.53

Vermoeden van auteurschap of houderschap van rechten

Met betrekking tot civiele procedures over auteursrechten of naburige rechten voorziet elk van beide partijen erin dat, zolang het tegendeel niet is bewezen, er een vermoeden bestaat dat de persoon of de entiteit waarvan de naam op de gebruikelijke wijze als de auteur van of houder van een naburig recht op een werk of ander materiaal is aangeduid, de aangewezen houder van het recht op dat werk of materiaal is.

Onderafdeling B

Strafrechtelijke handhaving

Artikel 10.54

Toepassingsgebied

Elk van beide partijen voorziet ten minste in gevallen van opzettelijke namaak van een handelsmerk of opzettelijke inbreuk op auteursrechten en naburige rechten (71) op commerciële schaal in strafrechtelijke procedures en sancties.

Artikel 10.55

Namaak van geografische aanduidingen en modellen

Elk van beide partijen overweegt, met inachtneming van haar grondwet en andere nationale wet- en regelgeving, de goedkeuring van maatregelen ter vaststelling van de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor het namaken van geografische aanduidingen en modellen.

Artikel 10.56

Aansprakelijkheid van rechtspersonen

1.   Elk van beide partijen keurt in overeenstemming met haar rechtsbeginselen de maatregelen goed die nodig kunnen zijn om de aansprakelijkheid van rechtspersonen voor de in artikel 10.54 bedoelde misdrijven vast te stellen.

2.   Die aansprakelijkheid doet geen afbreuk aan de strafrechtelijke aansprakelijkheid van natuurlijke personen die misdrijven hebben gepleegd.

Artikel 10.57

Medeplichtigheid en uitlokking

Deze onderafdeling is ook van toepassing op medeplichtigheid bij en uitlokking van de in artikel 10.54 bedoelde misdrijven.

Artikel 10.58

Inbeslagneming

Elk van beide partijen zorgt ervoor dat haar bevoegde autoriteiten in geval van een in artikel 10.54 bedoeld misdrijf bevoegd zijn de inbeslagneming van goederen te gelasten wanneer de verdenking bestaat dat het gaat om nagemaakte merkartikelen of onrechtmatig gereproduceerde goederen waarop een auteursrecht rust, van materialen en werktuigen die hoofdzakelijk zijn gebruikt voor het begaan van het vermeende misdrijf, van bewijsmateriaal met betrekking tot het vermeende misdrijf en van alle vermogensbestanddelen die stammen uit of die direct of indirect zijn verkregen door de inbreuk makende activiteit.

Artikel 10.59

Sancties

Ten aanzien van de in artikel 10.54 bedoelde misdrijven, voorziet elk van beide partijen in sancties, met inbegrip van gevangenisstraffen en/of geldboeten, die doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

Artikel 10.60

Verbeurdverklaring

1.   Elk van beide partijen zorgt ervoor dat haar bevoegde autoriteiten in geval van de in artikel 10.54 bedoelde misdrijven bevoegd zijn de verbeurdverklaring en/of vernietiging te gelasten van alle nagemaakte merkartikelen of onrechtmatig gereproduceerde goederen waarop een auteursrecht rust, van materialen en werktuigen die hoofdzakelijk zijn gebruikt voor de vervaardiging van de nagemaakte merkartikelen of onrechtmatig gereproduceerde goederen waarop een auteursrecht rust en van alle vermogensbestanddelen die stammen uit of die direct of indirect zijn verkregen door de inbreuk makende activiteit.

2.   Elk van beide partijen zorgt ervoor dat nagemaakte merkartikelen of onrechtmatig gereproduceerde goederen waarop een auteursrecht rust die ingevolge dit artikel verbeurd zijn verklaard, zo zij niet worden vernietigd, buiten de handelskanalen van de hand worden gedaan, mits zij niet gevaarlijk zijn voor de gezondheid en de veiligheid van personen.

3.   Elk van beide partijen zorgt er verder voor dat de verweerder op generlei wijze wordt vergoed voor krachtens dit artikel verbeurd verklaarde en vernietigde goederen.

4.   Elk van beide partijen kan erin voorzien dat haar rechterlijke autoriteiten bevoegd zijn de verbeurdverklaring te gelasten van vermogensbestanddelen ter waarde van de vermogensbestanddelen die stammen uit of die direct of indirect zijn verkregen door de inbreuk makende activiteit.

Artikel 10.61

Rechten van derden

Elk van beide partijen vergewist zich ervan dat de rechten van derden naar behoren worden beschermd en gevrijwaard.

Onderafdeling C

Aansprakelijkheid van aanbieders van onlinediensten

Artikel 10.62

Aansprakelijkheid van aanbieders van onlinediensten (72)

e partijen erkennen dat derden voor inbreuk makende activiteiten gebruik kunnen maken van de diensten van tussenpersonen. Om het vrije verkeer van informatiediensten te waarborgen en terzelfder tijd intellectuele-eigendomsrechten in de digitale omgeving te handhaven, voorziet elk van beide partijen in de in de artikelen 10.63 tot en met 10.66 genoemde maatregelen voor aanbieders van intermediaire diensten, wanneer deze op generlei wijze betrokken zijn bij de doorgegeven informatie.

Artikel 10.63

Aansprakelijkheid van aanbieders van onlinediensten: „mere conduit” (doorgeefluik)

1.   De partijen zorgen ervoor dat, wanneer een dienst van de informatiemaatschappij bestaat in het doorgeven in een communicatienetwerk van door een afnemer van de dienst verstrekte informatie, of in het verschaffen van toegang tot een communicatienetwerk, de aanbieder van de dienst niet aansprakelijk is voor de doorgegeven informatie, op voorwaarde dat:

a)

het initiatief tot de doorgifte niet bij hem ligt;

b)

hij de ontvanger van de doorgegeven informatie niet selecteert, en

c)

hij de doorgegeven informatie niet selecteert of wijzigt.

2.   Het doorgeven van informatie en het verschaffen van toegang in de zin van lid 1 omvatten de automatische, tussentijdse en tijdelijke opslag van de doorgegeven informatie, voor zover deze opslag uitsluitend dient om de doorgifte in het communicatienetwerk te bewerkstelligen en niet langer duurt dan redelijkerwijs voor het doorgeven nodig is.

3.   Dit artikel is niet van invloed op de mogelijkheid dat, in overeenstemming met het rechtssysteem van de partijen, een rechterlijke of administratieve autoriteit van de aanbieder van de dienst verlangt dat hij een inbreuk beëindigt of verhindert.

Artikel 10.64

Aansprakelijkheid van aanbieders van onlinediensten: „caching” (wijze van opslag)

1.   De partijen zorgen ervoor dat, wanneer een dienst van de informatiemaatschappij bestaat in het doorgeven in een communicatienetwerk van door een afnemer van de dienst verstrekte informatie, de aanbieder van de dienst niet aansprakelijk is voor de automatische, tussentijdse en tijdelijke opslag van die informatie, wanneer deze opslag enkel geschiedt om latere doorgifte van die informatie aan andere afnemers van de dienst op hun verzoek doeltreffender te maken, op voorwaarde dat de aanbieder van de dienst:

a)

de informatie niet wijzigt;

b)

de toegangsvoorwaarden voor de informatie in acht neemt;

c)

de alom erkende en in de bedrijfstak gangbare regels betreffende de bijwerking van de informatie naleeft;

d)

niets wijzigt aan het alom erkende en in de bedrijfstak gangbare rechtmatige gebruik van technologie voor het verkrijgen van gegevens over het gebruik van de informatie, en

e)

prompt handelt om de door hem opgeslagen informatie te verwijderen of de toegang ertoe onmogelijk te maken, zodra hij er daadwerkelijk kennis van heeft dat de informatie verwijderd werd van de plaats waar zij zich oorspronkelijk in het net bevond of de toegang ertoe onmogelijk werd gemaakt, of dat een rechterlijke of administratieve autoriteit heeft gelast de informatie te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken.

2.   Dit artikel is niet van invloed op de mogelijkheid dat, in overeenstemming met het rechtssysteem van de partijen, een rechterlijke of administratieve autoriteit van de aanbieder van de dienst verlangt dat hij een inbreuk beëindigt of verhindert.

Artikel 10.65

Aansprakelijkheid van aanbieders van onlinediensten: „hosting”

1.   De partijen zorgen ervoor dat, wanneer een dienst van de informatiemaatschappij bestaat in de opslag van de door een afnemer van de dienst verstrekte informatie, de aanbieder van de dienst niet aansprakelijk is voor de op verzoek van de afnemer van de dienst opgeslagen informatie, op voorwaarde dat de aanbieder van de dienst:

a)

niet daadwerkelijk kennis heeft van de onwettige activiteit of informatie en, wanneer het een schadevergoedingsvordering betreft, geen kennis heeft van feiten of omstandigheden waaruit het onwettige karakter van de activiteit of informatie duidelijk blijkt, of

b)

zodra hij van het bovenbedoelde daadwerkelijk kennis heeft of besef krijgt, prompt handelt om de informatie te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken.

2.   Lid 1 is niet van toepassing wanneer de afnemer van de dienst op gezag of onder toezicht van de aanbieder van de dienst handelt.

3.   Dit artikel doet geen afbreuk aan de mogelijkheid dat, in overeenstemming met het rechtsstelsel van de partijen, een rechterlijke of administratieve autoriteit van de aanbieder van een dienst verlangt dat hij een inbreuk beëindigt of voorkomt, en evenmin aan de mogelijkheid dat partijen procedures vaststellen om informatie te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken.

Artikel 10.66

Geen algemene toezichtverplichting

1.   De partijen leggen de aanbieders van de diensten geen algemene verplichting op om bij het aanbieden van de in de artikelen 10.63 tot en met 10.65 bedoelde diensten toezicht te houden op de informatie die zij doorgeven of opslaan, noch om actief te gaan zoeken naar feiten of omstandigheden die op onwettige activiteiten duiden.

2.   De partijen kunnen aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij verplichten om de bevoegde autoriteiten onverwijld in kennis te stellen van vermeende onwettige activiteiten of informatie van de afnemers van hun dienst of om de bevoegde autoriteiten op hun verzoek informatie te verstrekken die kan dienen tot de identificatie van afnemers van hun dienst waarmee zij een opslagovereenkomst hebben.

Onderafdeling D

Andere bepalingen

Artikel 10.67

Grensmaatregelen

1.   Tenzij in deze afdeling anderszins wordt bepaald, stelt elk van beide partijen procedures (73) vast om een houder van een recht die geldige gronden heeft om te vermoeden dat goederen worden ingevoerd,uitgevoerd of wederuitgevoerd, onder de regeling douanevervoer worden vervoerd, worden overgeslagen, in een vrije zone worden gebracht (74), onder een schorsingsregeling worden gebracht (75) of in een douane-entrepot worden geplaatst, terwijl met die goederen een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht wordt gemaakt (76), in staat te stellen bij de bevoegde administratieve of rechterlijke autoriteiten een schriftelijk verzoek in te dienen tot opschorting van het in het vrije verkeer brengen van deze goederen dan wel tot het vasthouden ervan door de douaneautoriteiten.

2.   De partijen zien erop toe dat wanneer de douaneautoriteiten in de loop van hun optreden en voordat een aanvraag door een houder van een recht is ingediend of gehonoreerd, voldoende gronden hebben om te vermoeden dat goederen een inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht, zij de vrijgave van de goederen kunnen opschorten of de goederen kunnen vasthouden teneinde de houder van het recht in staat te stellen een aanvraag voor een optreden uit hoofde van lid 1 in te dienen.

3.   Alle rechten of verplichtingen die in het kader van de uitvoering van titel 4 van deel III van de TRIPs-overeenkomst zijn vastgesteld voor de importeur, zijn ook van toepassing voor de exporteur of, indien nodig, voor de bezitter (77) van de goederen.

4.   Korea legt binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst de in de leden 1 en 2 bedoelde verplichting met betrekking tot punt c), onder i) en iii), van voetnoot 27 volledig ten uitvoer.

Artikel 10.68

Gedragscodes

De partijen stimuleren:

a)

de ontwikkeling door handels- of beroepsverenigingen of -organisaties van gedragscodes die ten doel hebben bij te dragen tot handhaving van de intellectuele-eigendomsrechten, met name door aan te bevelen om op optische schijven een broncode te gebruiken waarmee kan worden vastgesteld waar zij zijn vervaardigd;

b)

de indiening bij de bevoegde autoriteiten van de partijen van ontwerpgedragscodes en van evaluaties van de toepassing van deze gedragscodes.

Artikel 10.69

Samenwerking

1.   De partijen komen overeen samen te werken bij de ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de verbintenissen en verplichtingen uit hoofde van dit hoofdstuk. De samenwerking strekt zich uit, maar is niet beperkt tot de volgende activiteiten:

a)

uitwisseling van informatie over het rechtskader met betrekking tot intellectuele-eigendomsrechten en de regels om deze te beschermen en te handhaven; uitwisseling van ervaringen met betrekking tot de vooruitgang op wetgevingsgebied;

b)

uitwisseling van ervaringen met betrekking tot de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten;

c)

uitwisseling van ervaringen met betrekking tot de handhaving op centraal en subcentraal niveau door de douane, de politie en administratieve en gerechtelijke instanties; coördinatie ter voorkoming van de uitvoer van nagemaakte goederen, ook met andere landen, en

d)

capaciteitsopbouw;

e)

bevordering en verspreiding van informatie over intellectuele-eigendomsrechten, onder meer in zakenkringen en het maatschappelijk middenveld; voorlichting van consumenten en houders van een recht.

2.   Onverminderd lid 1 en als aanvulling daarop komen de Europese Unie en Korea overeen een effectieve dialoog over intellectuele-eigendomskwesties (IE-dialoog) op te bouwen en in stand te houden en daar onderwerpen te behandelen die van belang zijn voor de bescherming en de handhaving van de onder dit hoofdstuk vallende intellectuele-eigendomsrechten, alsmede alle andere relevante onderwerpen.

HOOFDSTUK ELF

MEDEDINGING

AFDELING A

Mededinging

Artikel 11.1

Beginselen

1.   De partijen erkennen het belang van een vrije en onvervalste mededinging voor hun handelsbetrekkingen. De partijen verbinden zich ertoe hun respectieve mededingingswetgeving zo toe te passen dat wordt voorkomen dat de voordelen van de handelsliberalisering op het gebied van goederen, diensten en vestiging door concurrentieverstorend gedrag van ondernemingen of concurrentieverstorende transacties worden opgeheven of tenietgedaan.

2.   De partijen handhaven op hun respectieve grondgebied uitgebreide mededingingswetgeving waarbij doeltreffend wordt opgetreden tegen beperkende overeenkomsten, onderling afgestemde feitelijke gedragingen (78) en misbruik van machtspositie door een of meer ondernemingen en waarin wordt voorzien in een doeltreffend toezicht op concentraties van ondernemingen.

3.   De partijen komen overeen dat de volgende concurrentie beperkende activiteiten onverenigbaar zijn met de goede werking van deze overeenkomst, voor zover zij de handel tussen de partijen nadelig kunnen beïnvloeden:

a)

overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van verenigingen van ondernemingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, die ten doel of als gevolg hebben dat de mededinging op het grondgebied van een van de partijen als geheel of in een aanzienlijk deel daarvan wordt voorkomen, beperkt of verstoord;

b)

het misbruik door een of meer ondernemingen van een machtspositie op het grondgebied van een van de partijen als geheel of in een aanzienlijk deel daarvan, of

c)

concentraties tussen ondernemingen die aanzienlijke hinder veroorzaken voor een doeltreffende mededinging, in het bijzonder als gevolg van de totstandbrenging of versterking van een machtspositie op het grondgebied van een van de partijen als geheel of in een aanzienlijk deel daarvan.

Artikel 11.2

Definities

Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder mededingingswetgeving verstaan:

a)

voor de Europese Unie de artikelen 101, 102 en 106 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, Verordening (EG) nr. 139/2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen en de uitvoeringsverordeningen en wijzigingen daarvan;

b)

voor Korea de Wet inzake monopolies en eerlijke handel en de uitvoeringsverordeningen en wijzigingen daarvan;

c)

alle wijzigingen van in dit artikel bedoelde instrumenten na de inwerkingtreding van deze overeenkomst.

Artikel 11.3

Tenuitvoerlegging

1.   De partijen houden een autoriteit of autoriteiten in stand die verantwoordelijk is of zijn, dan wel goed is of zijn uitgerust voor de tenuitvoerlegging van de in artikel 11.2 bedoelde mededingingswetgeving.

2.   De partijen erkennen het belang van de toepassing van hun respectieve mededingingswetgeving op transparante, tijdige en niet-discriminerende wijze, met inachtneming van de beginselen van eerlijke procedures en het recht van verweer van de betrokkenen.

3.   Op verzoek van een van de partijen verschaft de andere partij de verzoekende partij openbare informatie over haar activiteiten en wetgeving inzake de handhaving van de mededingingswetgeving voor zover deze betrekking hebben op haar verplichtingen uit hoofde van deze afdeling.

Artikel 11.4

Overheidsondernemingen en ondernemingen met speciale rechten (79) of exclusieve rechten

1.   Ten aanzien van overheidsondernemingen en ondernemingen waaraan speciale of exclusieve rechten zijn toegekend,

a)

stellen de partijen geen maatregelen vast en handhaven zij geen maatregelen die in strijd zijn met de beginselen in artikel 11.1 en

b)

zien de partijen erop toe dat de in artikel 11.2 bedoelde mededingingswetgeving van toepassing is op die ondernemingen,

voor zover de toepassing van deze beginselen en mededingingswetgeving die ondernemingen niet belemmert in de wettelijke of feitelijke uitvoering van de hen toegewezen bijzondere taken.

2.   Lid 1 wordt niet zo uitgelegd dat een partij hierdoor wordt verhinderd een overheidsonderneming op te richten of in stand te houden, speciale of exclusieve rechten aan ondernemingen toe te vertrouwen of dergelijke rechten te handhaven.

Artikel 11.5

Staatsmonopolies

1.   Elk van beide partijen past commerciële staatsmonopolies zodanig aan dat wordt gewaarborgd dat er geen maatregelen betreffende de voorwaarden waaronder goederen worden ingekocht of in de handel worden gebracht, bestaan die discrimineren (80) tussen natuurlijke of rechtspersonen van de partijen.

2.   Lid 1 wordt niet zo uitgelegd dat een partij hierdoor wordt verhinderd een staatsmonopolie op te richten of in stand te houden.

3.   Dit artikel laat de in hoofdstuk negen (Overheidsopdrachten) bedoelde rechten en verplichtingen onverlet.

Artikel 11.6

Samenwerking

1.   De partijen erkennen het belang van samenwerking en coördinatie tussen hun respectieve mededingingsautoriteiten met het oog op het verder verbeteren van een doeltreffende handhaving van de mededingingswetgeving en het bereiken van de doelstellingen van deze overeenkomst door middel van de bevordering van mededinging en de inperking van concurrentieverstorende zakelijke activiteiten of transacties.

2.   De partijen werken samen bij hun respectieve handhavingsbeleid en bij de handhaving van hun respectieve mededingingswetgeving, onder meer door samenwerking bij de handhaving, door kennisgeving, door overleg en door uitwisseling van niet-vertrouwelijke informatie in het kader van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de regering van de Republiek Korea betreffende samenwerking ter bestrijding van concurrentieverstorende activiteiten, die is ondertekend op 23 mei 2009.

Artikel 11.7

Overleg

1.   Wanneer in de in artikel 11.6, lid 2, genoemde overeenkomst specifiekere regels ontbreken, treedt een partij, op verzoek van de andere partij, in overleg over bedenkingen van de andere partij, teneinde het wederzijdse begrip te bevorderen of specifieke aangelegenheden in verband met deze afdeling aan de orde te stellen. In haar verzoek geeft de andere partij, indien nodig, aan in welk opzicht de aangelegenheid van invloed is op de handel tussen de partijen.

2.   Op verzoek van een partij bespreken de partijen terstond alle vraagstukken in verband met de interpretatie of de toepassing van deze afdeling.

3.   Ter vergemakkelijking van de bespreking van de aangelegenheid die het onderwerp van het overleg is, stelt elk van beide partijen alles in het werk om de andere parij van relevante niet-vertrouwelijke informatie te voorzien.

Artikel 11.8

Beslechting van geschillen

Geen van beide partijen kan voor geschillen die in het kader van deze afdeling ontstaan een beroep doen op hoofdstuk veertien (Beslechting van geschillen).

AFDELING B

Subsidies

Artikel 11.9

Beginselen

De partijen komen overeen alles in het werk te stellen om door toepassing van hun mededingingswetgeving of anderszins verstoringen van de mededinging als gevolg van subsidies, voor zover deze van invloed zijn op de internationale handel, ongedaan te maken of op te heffen en te verhinderen dat dergelijke situaties zich voordoen.

Artikel 11.10

Definitie van subsidie en specificiteit

1.   Een subsidie is een maatregel die beantwoordt aan de in artikel 1, lid 1, van de SCM-overeenkomst genoemde voorwaarden.

2.   Een subsidie is specifiek als deze valt onder het toepassingsgebied van artikel 2 van de SCM-overeenkomst. Deze afdeling is alleen van toepassing op specifieke subsidies in de zin van artikel 2 van de SCM-overeenkomst.

Artikel 11.11

Verboden subsidies (81)  (82)

De volgende subsidies worden geacht specifiek te zijn onder de voorwaarden van artikel 2 van de SCM-overeenkomst en zijn voor de toepassing van deze overeenkomst verboden voor zover zij schadelijk zijn voor de internationale handel van de partijen (83):

a)

subsidies die worden verleend uit hoofde van een wettelijke regeling waarbij een regering of een overheidsinstantie verantwoordelijk is voor schulden of verplichtingen van bepaalde ondernemingen in de zin van artikel 2, lid 1, van de SCM-overeenkomst, zonder wettelijke of feitelijke beperking van het bedrag van die schulden of verplichtingen of de duur van de verantwoordelijkheid, en

b)

subsidies (zoals leningen en garantstellingen, uitkeringen in contanten, kapitaalinjecties, verstrekkingen van activa onder de marktprijs of belastingvrijstellingen) aan insolvente of noodlijdende ondernemingen, zonder dat er een geloofwaardig herstructureringsprogramma op basis van realistische vooronderstellingen bestaat dat ervoor moet zorgen dat de insolvente of noodlijdende onderneming binnen redelijke tijd weer op lange termijn levensvatbaar wordt, en zonder dat de onderneming zelf op significante wijze bijdraagt aan de kosten van de herstructurering. Dit belet de partijen niet subsidies te verlenen bij wijze van tijdelijke liquiditeitssteun in de vorm van kredietgaranties of leningen die beperkt zijn tot het bedrag dat nodig is om een noodlijdende onderneming boven water te houden voor de tijd die nodig is om een herstructurerings- of liquidatieplan uit te werken.

Dit punt is niet van toepassing op subsidies die worden verleend als vergoeding voor de uitvoering van openbaredienstverplichtingen en op subsidies voor de kolenindustrie.

Artikel 11.12

Transparantie

1.   Elk van beide partijen zorgt voor transparantie op subsidiegebied. Daartoe brengen zij elk jaar aan de andere partij verslag uit over het totale bedrag aan specifieke subsidies die van invloed kunnen zijn op de internationale handel, de aard van die subsidies en de verdeling ervan over de verschillende sectoren. Het verslag moet informatie bevatten over het doel, de vorm, het bedrag of budget en zo mogelijk de ontvanger van de door een regering of overheidsinstantie verleende subsidie.

2.   Het verslag wordt geacht te zijn uitgebracht als het naar de andere partij is verzonden of als de desbetreffende informatie uiterlijk 31 december van het volgende kalenderjaar beschikbaar is gesteld op een openbaar toegankelijke internetwebsite.

3.   Op verzoek van een partij verstrekt de andere partij nadere informatie over subsidieregelingen en over bijzondere individuele gevallen van specifieke subsidies. De partijen wisselen deze informatie uit met inachtneming van de beperkingen die voortvloeien uit het beroeps- of zakengeheim.

Artikel 11.13

Verband met de WTO-overeenkomst

De bepalingen van deze afdeling doen geen afbreuk aan het recht van een partij om uit hoofde van de desbetreffende bepalingen van de WTO-overeenkomst handelsmaatregelen toe te passen, een geschillenbeslechtingsprocedure in te leiden of een andere passende maatregel te treffen wanneer door de andere partij een subsidie wordt verleend.

Artikel 11.14

Monitoring

De partijen volgen nauwgezet de aangelegenheden waarnaar in deze afdeling wordt verwezen. Elk van beide partijen kan dergelijke aangelegenheden voorleggen aan het Handelscomité. De partijen komen overeen om, tenzij zij anderszins besluiten, na de inwerkingtreding van deze overeenkomst om het andere jaar na te gaan welke vorderingen bij de tenuitvoerlegging van deze afdeling zijn gemaakt.

Artikel 11.15

Toepassingsgebied

1.   De artikelen 11.9 tot en met 11.14 zijn van toepassing op subsidies voor goederen met uitzondering van subsidies voor de visserij, subsidies voor producten die vallen onder bijlage 1 bij de Overeenkomst inzake de landbouw en andere subsidies die vallen onder de Overeenkomst inzake de landbouw.

2.   De partijen stellen alles in het werk om regels voor subsidies voor diensten te ontwikkelen, daarbij rekening houdend met de ontwikkelingen op multilateraal vlak, en om op verzoek van een van de partijen informatie uit te wisselen. De partijen komen overeen om binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst voor het eerst van gedachten te wisselen over subsidies voor diensten.

HOOFDSTUK TWAALF

TRANSPARANTIE

Artikel 12.1

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

 

algemene maatregel, elke algemene handeling, procedure, interpretatie of ander vereiste, met inbegrip van niet-bindende maatregelen. Hieronder valt niet een besluit dat op een bepaalde persoon van toepassing is; en

 

belanghebbende, iedere natuurlijke of rechtspersoon op wie rechten en verplichtingen uit hoofde van een algemene maatregel van toepassing kunnen zijn in de zin van artikel 12.2.

Artikel 12.2

Doel en toepassingsgebied

De partijen erkennen dat hun respectieve regelgeving gevolgen voor hun onderlinge handel kan hebben en streven daarom naar een doeltreffende en voorspelbare regelgeving voor marktdeelnemers, en met name voor kleine bedrijven die op hun respectieve grondgebied zaken doen. De partijen bevestigen hun respectieve verbintenissen uit hoofde van de WTO-overeenkomst en leggen verduidelijkingen en verbeterde regelingen vast op het gebied van de transparantie, de raadpleging en een beter beheer van algemene maatregelen, voor zover deze gevolgen kunnen hebben voor enige onder deze overeenkomst vallende aangelegenheid.

Artikel 12.3

Publicatie

1.   Elk van beide partijen zorgt ervoor dat algemene maatregelen die gevolgen kunnen hebben voor enige onder deze overeenkomst vallende aangelegenheid:

a)

voor belanghebbenden gemakkelijk en op niet-discriminerende wijze toegankelijk zijn via een officieel aangewezen medium en, wanneer dit haalbaar en mogelijk is, langs elektronische weg, zodat belanghebbenden en de andere partij zich ermee vertrouwd kunnen maken;

b)

een toelichting bevatten op hun doel en motivering, en

c)

voldoende tijd tussen de bekendmaking en de inwerkingtreding bieden, waarbij zij naar behoren rekening houdt met de eisen van rechtszekerheid, legitieme verwachtingen en evenredigheid.

2.   Elk van beide partijen:

a)

streeft ernaar algemene maatregelen die zij voornemens is vast te stellen of te wijzigen voordien al te publiceren, met inbegrip van een toelichting op het doel en de motivering van het voorstel;

b)

biedt belanghebbenden redelijke mogelijkheden en met name voldoende tijd om commentaar te leveren op de voorgestelde maatregelen, en

c)

streeft ernaar rekening te houden met het commentaar op de voorgestelde maatregelen dat zij van de belanghebbenden ontvangt.

Artikel 12.4

Vragen en contactpunten

1.   Elk van beide partijen voert passende mechanismen in, of handhaven dergelijke mechanismen, om vragen van belanghebbenden te beantwoorden over voorgestelde of van kracht zijnde algemene maatregelen die gevolgen kunnen hebben voor aangelegenheden waarop deze overeenkomst van toepassing is, en over de wijze waarop deze maatregelen worden toegepast. De vragen kunnen worden ingediend via uit hoofde van deze overeenkomst opgerichte informatie- of contactpunten of via een ander geschikt mechanisme.

2.   De partijen erkennen dat een antwoord zoals bedoeld in lid 1 niet altijd definitief en juridisch bindend is, maar alleen ter informatie wordt gegeven, tenzij in hun wet- en regelgeving anders wordt bepaald.

3.   Op verzoek van een partij verstrekt de andere partij onverwijld informatie en beantwoordt zij terstond vragen met betrekking tot een bestaande of voorgestelde algemene maatregel die volgens de verzoekende partij van invloed kan zijn op de werking van deze overeenkomst, ongeacht of de verzoekende partij voordien van die maatregel in kennis was gesteld.

4.   Elk van beide partijen streeft ernaar informatie- of contactpunten voor belanghebbenden van de andere partij aan te wijzen of op te richten, die tot taak hebben te proberen voor belanghebbenden een doeltreffende oplossing te vinden voor problemen die kunnen voortvloeien uit de toepassing van algemene maatregelen. Dergelijke procedures moeten gemakkelijk toegankelijk, tijdgebonden, op resultaat gericht en transparant zijn. Zij doen geen afbreuk aan beroeps- of herzieningsprocedures die de partijen invoeren of handhaven. Ook doen zij geen afbreuk aan de rechten en verplichtingen van de partijen uit hoofde van hoofdstuk veertien (Beslechting van geschillen) en bijlage 14-A (Bemiddelingsmechanisme voor niet-tarifaire maatregelen).

Artikel 12.5

Administratieve procedures

Teneinde alle algemene maatregelen die gevolgen kunnen hebben voor aangelegenheden waarop deze overeenkomst van toepassing is, consequent, onpartijdig en op redelijke wijze uit te voeren, ziet elk van beide partijen erop toe dat zij in specifieke gevallen bij de toepassing van die maatregelen op bepaalde personen, goederen of diensten van de andere partij:

a)

ernaar streeft belanghebbenden van de andere partij voor wie een procedure rechtstreeks gevolgen heeft, tijdig en in overeenstemming met haar procedures een kennisgeving te sturen over de inleiding van een procedure, met daarbij een beschrijving van de aard van de procedure, een verklaring over de juridische instantie waar de procedure is begonnen en een algemene beschrijving van de aangelegenheden waarover het geschil gaat;

b)

belanghebbenden een redelijke mogelijkheid biedt om feiten en argumenten ter ondersteuning van hun standpunten naar voren te brengen voordat tot een definitief administratief optreden wordt overgegaan, voor zover de tijd, de aard van de procedure en het openbaar belang dit toelaten, en

c)

erop toeziet dat haar procedures gebaseerd zijn op de wet en hiermee in overeenstemming zijn.

Artikel 12.6

Herziening en beroep

1.   Elk van beide partijen voert rechterlijke, semi-rechterlijke of administratieve instanties of procedures in of handhaaft deze, met het oog op een onverwijlde herziening en, indien gerechtvaardigd, correctie van het administratieve optreden met betrekking tot aangelegenheden waarop deze overeenkomst van toepassing is. De instanties zijn onpartijdig en onafhankelijk van de dienst of de autoriteit die belast is met de administratieve handhaving en hebben geen materieel belang bij de uitkomst van de aangelegenheid.

2.   Elk van beide partijen zorgt ervoor dat de procespartijen bij dergelijke instanties of procedures recht krijgen op:

a)

een redelijke mogelijkheid om hun respectieve standpunten te ondersteunen of te verdedigen, en

b)

een beslissing die is gebaseerd op bewijsmateriaal en ingediende stukken, of, indien de wet dat vereist, op het door de administratieve autoriteit samengestelde dossier.

3.   Elk van beide partijen zorgt ervoor dat, behoudens beroep of latere herziening overeenkomstig de wet, de beslissing ten uitvoer wordt gelegd door de dienst of de autoriteit die voor het administratieve optreden ter zake bevoegd is en dat die beslissing ook ten grondslag komt te liggen aan de praktijk van de dienst of autoriteit ter zake.

Artikel 12.7

Regelgevingskwaliteit en -efficiency en goed bestuur

1.   De partijen komen overeen samen te werken bij de bevordering van de kwaliteit en efficiency van de regelgeving, onder meer door de uitwisseling van informatie en van optimale praktijken over de bij hen doorgevoerde hervorming van de regelgeving en de effectbeoordeling ter zake.

2.   De partijen onderschrijven de beginselen van goed bestuurlijk gedrag en komen overeen samen te werken bij de bevordering daarvan, onder meer door de uitwisseling van informatie en van optimale praktijken.

Artikel 12.8

Discriminatieverbod

Elk van beide partijen past op belanghebbenden van de andere partij normen inzake transparantie toe die niet minder gunstig zijn dan die welke gelden voor hun eigen belanghebbenden, of, indien deze beter zijn, voor belanghebbenden uit derde landen of voor derde landen.

HOOFDSTUK DERTIEN

HANDEL EN DUURZAME ONTWIKKELING

Artikel 13.1

Context en doelstellingen

1.   De partijen herbevestigen hun verbintenissen uit hoofde van Agenda 21 over milieu en ontwikkeling van 1992, het Uitvoeringsplan van Johannesburg over duurzame ontwikkeling van 2002 en de Ministeriële Verklaring van 2006 van de Economische en Sociale Raad van de VN over volledige werkgelegenheid en fatsoenlijk werk om de ontwikkeling van de internationale handel op zodanige wijze te bevorderen dat deze bijdraagt tot de doelstelling van duurzame ontwikkeling, en streven ernaar erop toe te zien dat deze doelstelling op elk niveau integraal deel uitmaakt van hun handelsrelatie en hierin tot uiting komt.

2.   De partijen erkennen dat economische en sociale ontwikkeling en milieubescherming nauw samenhangen en elkaar wederzijds versterkende componenten van duurzame ontwikkeling zijn. Zij benadrukken de voordelen van samenwerking bij handelsgerelateerde sociale en milieukwesties als onderdeel van een wereldwijde aanpak van handel en duurzame ontwikkeling.

3.   De partijen erkennen dat het in dit hoofdstuk niet hun bedoeling is om de arbeids- of milieunormen van de partijen te harmoniseren, maar om hun handelsbetrekkingen en samenwerking zodanig te versterken dat de duurzame ontwikkeling in de context van de leden 1 en 2 wordt bevorderd.

Artikel 13.2

Toepassingsgebied

1.   Tenzij in dit hoofdstuk anders wordt bepaald, is dit hoofdstuk van toepassing op door de partijen vastgetstede of gehandhaafde maatregelen die betrekking hebben op handelsgerelateerde aspecten van arbeids- (84) en milieukwesties in de context van artikel 13.1, leden 1 en 2.

2.   De partijen benadrukken dat milieu- en arbeidsnormen niet mogen worden gebruikt voor protectionistische handelsdoeleinden. Zij merken op dat hun comparatieve voordeel in geen geval ter discussie mag worden gesteld.

Artikel 13.3

Regelgevingsrecht en beschermingsniveaus

Gezien het recht van elk van beide partijen haar eigen beschermingsniveaus voor milieu en werknemers te bepalen en dienovereenkomstig haar wetgeving en beleid ter zake vast te stellen en te wijzigen, proberen zij te waarborgen dat die wetgeving en dat beleid in hoge beschermingsniveaus voor milieu en werknemers voorzien en deze bevorderen, in overeenstemming met de in de artikelen 13.4 en 13.5 genoemde internationaal erkende normen of overeenkomsten, en streven zij naar een voortdurende verbetering van die wetgeving en dat beleid.

Artikel 13.4

Multilaterale arbeidsnormen en -overeenkomsten

1.   De partijen erkennen de waarde van internationale samenwerking en overeenkomsten op het gebied van werkgelegenheid en arbeid als antwoord van de internationale gemeenschap op de uitdagingen en mogelijkheden die uit de mondialisering op economisch en sociaal gebied en op het gebied van de werkgelegenheid voortvloeien. Zij verbinden zich ertoe in voorkomend geval elkaar te raadplegen en samen te werken bij handelsgerelateerde vraagstukken op het gebied van arbeid en werkgelegenheid van wederzijds belang.

2.   De partijen herbevestigen hun verbintenis uit hoofde van de Ministeriële Verklaring van 2006 van de Economische en Sociale Raad van de VN over volledige werkgelegenheid en fatsoenlijk werk om volledige productieve werkgelegenheid en fatsoenlijk werk voor iedereen als hoofdelement van duurzame ontwikkeling voor alle landen en als prioritaire doelstelling van internationale samenwerking te erkennen, en om de ontwikkeling van de internationale handel op zodanige wijze te bevorderen dat deze tot volledige, productieve werkgelegenheid en fatsoenlijk werk voor iedereen, zowel mannen, vrouwen als jongeren, leidt.

3.   In overeenstemming met de verplichtingen die voortvloeien uit het lidmaatschap van de ILO en de Verklaring van de ILO over de fundamentele rechten en beginselen op het werk en de follow-up daarvan, die door de Internationale Arbeidsconferentie in 1998 tijdens haar 86e vergadering werd goedgekeurd, verbinden de partijen zich ertoe onderstaande beginselen inzake de fundamentele rechten in hun wetgeving en praktijk in acht te nemen, te bevorderen en te realiseren:

a)

de vrijheid van vereniging en de daadwerkelijke erkenning van het recht op collectieve arbeidsovereenkomsten;

b)

de uitbanning van alle vormen van dwangarbeid of verplichte arbeid;

c)

de daadwerkelijke afschaffing van kinderarbeid, en

d)

de uitbanning van discriminatie met betrekking tot werk en beroep.

De partijen herbevestigen hun verbintenis de ILO-overeenkomsten die Korea en de lidstaten van de Europese Unie geratificeerd hebben, daadwerkelijk uit te voeren. Zij streven voortdurend en consequent naar ratificatie van de fundamentele ILO-overeenkomsten en van andere overeenkomsten die door de ILO als „up-to-date” zijn geclassificeerd.

Artikel 13.5

Multilaterale milieuovereenkomsten

1.   De partijen erkennen de waarde van internationale governance en overeenkomsten op milieugebied als antwoord van de internationale gemeenschap op mondiale of regionale milieuproblemen en zij verbinden zich ertoe in voorkomend geval elkaar te raadplegen en samen te werken bij onderhandelingen over handelsgerelateerde milieuvraagstukken van wederzijds belang.

2.   De partijen herbevestigen hun verbintenis om de multilaterale milieuovereenkomsten waarbij zij partij zijn daadwerkelijk in hun wetgeving en praktijk ten uitvoer te leggen.

3.   De partijen herbevestigen hun verbintenis ten aanzien van het bereiken van de uiteindelijke doelstelling van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering en het bijbehorende Protocol van Kyoto. Zij verbinden zich ertoe samen te werken bij de ontwikkeling van het toekomstige kader inzake klimaatverandering in overeenstemming met het Actieplan van Bali (85).

Artikel 13.6

Handel ten behoeve van duurzame ontwikkeling

1.   De partijen herbevestigen dat de handel de duurzame ontwikkeling in al haar aspecten moet bevorderen. Zij erkennen het positieve effect dat fundamentele arbeidsnormen en fatsoenlijk werk op economische efficiëntie, innovatie en productiviteit kunnen hebben en benadrukken de waarde van een grotere politieke coherentie tussen het handelsbeleid enerzijds en het werkgelegenheids- en arbeidsbeleid anderzijds.

2.   De partijen streven ernaar de handel en de buitenlandse directe investeringen in milieugoederen en -diensten, waaronder milieutechnologieën, duurzame energie, energie-efficiënte goederen en diensten en goederen met een milieukeur te vergemakkelijken en te bevorderen, onder meer door de aanpak van niet-tarifaire belemmeringen ter zake. Zij streven er voorts naar de handel in goederen die bijdragen tot een duurzame ontwikkeling, waaronder goederen die onder programma's voor eerlijke en ethische handel vallen of waarvoor een verplichting tot maatschappelijk verantwoord ondernemen geldt, te vergemakkelijken en te bevorderen.

Artikel 13.7

Handhaving van beschermingsniveaus bij de toepassing en handhaving van wet- en regelgeving en normen

1.   De partijen doen geen afbreuk aan de daadwerkelijke handhaving van hun milieu- en arbeidswetgeving door een onafgebroken of herhaald handelen of nalaten, op een wijze die van invloed is op de handel of de investeringen tussen de partijen.

2.   De partijen zwakken de in hun wetgeving verleende bescherming van het milieu of van de werknemers niet af, noch verminderen zij deze om de handel of investeringen te bevorderen, door af te zien van toepassing van of anderszins af te wijken van, of door aan te bieden af te zien van toepassing van of anderszins af te wijken van hun wet- en regelgeving of normen, op een wijze die van invloed is op de handel of de investeringen tussen de partijen.

Artikel 13.8

Wetenschappelijke informatie

De partijen erkennen dat het belangrijk is om bij de opstelling en tenuitvoerlegging van maatregelen ter bescherming van het milieu en de sociale omstandigheden die van invloed zijn op de handel tussen de partijen, rekening te houden met wetenschappelijke en technische informatie, en internationale normen, richtsnoeren en aanbevelingen ter zake.

Artikel 13.9

Transparantie

De partijen komen overeen alle maatregelen ter bescherming van het milieu en de arbeidsomstandigheden die van invloed zijn op de handel tussen de partijen, in overeenstemming met hun respectieve interne wetgeving op transparante wijze op te stellen, in te voeren en ten uitvoer te leggen, deze maatregelen tijdig aan te kondigen, hierover een openbare raadpleging te houden en niet-overheidsactoren, waaronder de particuliere sector, op passende wijze tijdig te informeren en te consulteren.

Artikel 13.10

Evaluatie van effecten op de duurzaamheid

De partijen verbinden zich ertoe het effect van de tenuitvoerlegging van deze overeenkomst op de duurzame ontwikkeling, waaronder de bevordering van fatsoenlijk werk, te evalueren, te beoordelen en te volgen via hun bestaande participatieprocessen en participatieve instellingen en die welke in het kader van deze overeenkomst in het leven zijn geroepen, bijvoorbeeld door handelsgerelateerde beoordelingen van het effect op de duurzaamheid.

Artikel 13.11

Samenwerking

Gezien het belang van samenwerking bij handelsgerelateerde aspecten van het sociale en milieubeleid om de doelstellingen van deze overeenkomst te bereiken, verbinden de partijen zich tot de in bijlage 13 bedoelde samenwerkingsactiviteiten.

Artikel 13.12

Institutioneel mechanisme

1.   Elk van beide partijen wijst binnen haar diensten een instantie aan voor contacten met de andere partij over de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk.

2.   Het bij lid 1 van artikel 15.2 (Gespecialiseerde comités) opgerichte Comité voor handel en duurzame ontwikkeling bestaat uit hoge ambtenaren van de partijen.

3.   Het comité komt in het eerste jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst bijeen, en vervolgens wanneer het nodig is, om toezicht te houden op de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk, met inbegrip van de krachtens bijlage 13 ondernomen samenwerkingsactiviteiten.

4.   Elk van beide partijen richt een of meer interne adviesgroepen voor duurzame ontwikkeling (milieu en arbeid) op, die tot taak hebben advies te verlenen over de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk.

5.   De interne adviesgroep(en) bestaat (bestaan) uit onafhankelijke representatieve organisaties uit het maatschappelijk middenveld, met een evenwichtige vertegenwoordiging van milieu-, arbeids- en bedrijfsorganisaties, alsmede andere belanghebbenden.

Artikel 13.13

Mechanisme voor de dialoog met het maatschappelijk middenveld

1.   Leden van de interne adviesgroep(en) van elk van beide partijen komen bijeen in een forum van het maatschappelijk middenveld om te discussiëren over de duurzameontwikkelingsaspecten van de handelsbetrekkingen tussen de partijen. Het forum komt eenmaal per jaar bijeen, tenzij de partijen anders overeenkomen. De partijen nemen binnen een jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst in het kader van het Comité voor handel en duurzame ontwikkeling een besluit over de functionering van het forum.

2.   De interne adviesgroep(en) kiest (kiezen) welke leden haar/hen vertegenwoordigen, waarbij zij zorgt/zorgen voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de in artikel 13.12, lid 5, bedoelde belanghebbenden.

3.   De partijen kunnen de meest recente gegevens over de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk aan het forum van het maatschappelijk middenveld voorleggen. De standpunten, opinies of bevindingen van het forum kunnen rechtstreeks of via de interne adviesgroep(en) aan de partijen worden voorgelegd.

Artikel 13.14

Overleg op regeringsniveau

1.   Een partij kan de andere partij verzoeken om overleg over alle aangelegenheden van wederzijds belang die zich in verband met dit hoofdstuk voortdoen, met inbegrip van de mededelingen van de in artikel 13.12 bedoelde interne adviesgroep(en), door hiertoe een schriftelijk verzoek in te dienen bij het contactpunt van de andere partij. Het overleg begint terstond na de indiening van het verzoek om overleg.

2.   De partijen stellen alles in het werk om de aangelegenheid op een voor beide partijen bevredigende wijze op te lossen. Zij zorgen ervoor dat de oplossing in overeenstemming is met de activiteiten van de ILO of van multilaterale milieuorganisaties of -instanties ter zake, teneinde een grotere samenwerking en meer samenhang tussen het werk van de partijen en die organisaties te bevorderen. In voorkomend geval kunnen zij, met instemming van beide partijen, deze organisaties of instanties om advies vragen.

3.   Indien een partij van oordeel is dat de aangelegenheid verder moet worden besproken, kan zij verzoeken het Comité voor handel en duurzame ontwikkeling voor behandeling van de aangelegenheid bijeen te roepen door hiertoe een schriftelijk verzoek bij het contactpunt van de andere partij in te dienen. Het comité komt onverwijld bijeen en probeert overeenstemming te bereiken over een oplossing van de aangelegenheid. De oplossing van het comité wordt openbaar gemaakt tenzij het comité anders besluit.

4.   Het comité kan de interne adviesgroep(en) van een of van beide partijen om advies vragen en elk van beide partijen kan zijn eigen interne adviesgroep(en) om advies vragen. Een interne adviesgroep van een partij kan ook op eigen initiatief mededelingen aan die partij of aan het comité doen.

Artikel 13.15

Deskundigenpanel

1.   Tenzij de partijen anders overeenkomen, kan een partij 90 dagen na de indiening van een verzoek om overleg ingevolge artikel 13.14, lid 1, verzoeken een deskundigenpanel bijeen te roepen om een aangelegenheid, die tijdens het overleg op regeringsniveau niet op bevredigende wijze werd opgelost, te onderzoeken. De partijen kunnen documenten aan het deskundigenpanel voorleggen. Het deskundigenpanel verzoekt de partijen, de interne adviesgroep(en) of internationale organisaties overeenkomstig artikel 13.14 om informatie en advies indien het dit nuttig acht. Het deskundigenpanel komt bijeen binnen twee maanden nadat een partij een verzoek daartoe heeft ingediend.

2.   Het deskundigenpanel, dat wordt geselecteerd in overeenstemming met de in lid 3 uiteengezette procedure, geeft zijn advies over de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk. Tenzij de partijen anders overeenkomen, legt het deskundigenpanel binnen 90 dagen nadat de laatste deskundige is geselecteerd, een verslag voor aan de partijen. De partijen doen al het mogelijke om zich naar het advies of de aanbeveling van het deskundigenpanel over de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk te voegen. Het Comité voor handel en duurzame ontwikkeling houdt toezicht op de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen van het deskundigenpanel. Het verslag van het deskundigenpanel wordt beschikbaar gesteld aan de interne adviesgroep(en) van de partijen. Op vertrouwelijke informatie zijn de beginselen in bijlage 14-B (Procedureregels voor arbitrage) van toepassing.

3.   Na de inwerkingtreding van deze overeenkomst stellen de partijen in onderling overleg een lijst met ten minste 15 personen op die deskundig zijn op het door dit hoofdstuk bestreken gebied; ten minste vijf van deze personen, die het voorzitterschap van het deskundigenpanel zullen bekleden, zijn geen onderdaan van een van de partijen. De deskundigen zijn onafhankelijk van, hebben geen banden met en ontvangen geen instructies van een van de partijen of van de organisaties die in de interne adviesgroep(en) vertegenwoordigd zijn. Elk van beide partijen selecteert binnen 30 dagen na de ontvangst van het verzoek om samenstelling van een deskundigenpanel een deskundige uit de lijst van deskundigen. Indien een partij verzuimt haar deskundige binnen die periode te selecteren, selecteert de andere partij uit de lijst van deskundigen een onderdaan van de partij die verzuimt heeft een deskundige te selecteren. De twee geselecteerde deskundigen kiezen een voorzitter, die geen onderdaan van een van de partijen mag zijn.

Artikel 13.16

Beslechting van geschillen

Voor alle aangelegenheden die zich in verband met dit hoofdstuk voordoen, doen de partijen een beroep op de in de artikelen 13.14 en 13.15 opgenomen procedures.

HOOFDSTUK VEERTIEN

BESLECHTING VAN GESCHILLEN

AFDELING A

Doel en toepassingsgebied

Artikel 14.1

Doel

Het doel van dit hoofdstuk is geschillen tussen de partijen over de toepassing te goeder trouw van deze overeenkomst te vermijden en te beslechten en waar mogelijk tot een onderling overeengekomen oplossing te komen.

Artikel 14.2

Toepassingsgebied

Dit hoofdstuk is van toepassing op elk geschil over de interpretatie en toepassing van de bepalingen van deze overeenkomst, tenzij anders is bepaald (86).

AFDELING B

Overleg

Artikel 14.3

Overleg

1.   De partijen streven ernaar elk geschil over de interpretatie en toepassing van de in artikel 14.2 bedoelde bepalingen op te lossen door te goeder trouw overleg te voeren, teneinde tot een onderling overeengekomen oplossing te komen.

2.   Een partij verzoekt de andere partij schriftelijk om overleg en geeft daarbij aan om welke maatregel het gaat en welke bepalingen van de overeenkomst zij van toepassing acht. Een kopie van het verzoek om overleg wordt bij het Handelscomité ingediend.

3.   Het overleg wordt binnen 30 dagen na de datum van indiening van het verzoek gehouden en vindt, tenzij de partijen anders overeenkomen, plaats op het grondgebied van de partij waartegen de klacht gericht is. Het overleg wordt 30 dagen na de datum van indiening van het verzoek geacht te zijn afgesloten, tenzij de partijen overeenkomen het overleg voort te zetten. Alle tijdens het overleg verstrekte informatie wordt vertrouwelijk behandeld.

4.   Overleg over urgente kwesties, zoals over bederfelijke waren of seizoensgebonden goederen (87), vindt plaats binnen 15 dagen na de datum van indiening van het verzoek en wordt 15 dagen na de datum van indiening van het verzoek geacht te zijn afgesloten.

5.   Indien het overleg niet binnen de in lid 3 of lid 4 genoemde termijnen plaatsvindt, of indien het overleg is afgesloten zonder dat een onderling overeengekomen oplossing is bereikt, kan de klagende partij overeenkomstig artikel 14.4 verzoeken om de instelling van een arbitragepanel.

AFDELING C

Procedures voor de beslechting van geschillen

Onderafdeling A

Arbitrageprocedure

Artikel 14.4

Inleiding van de arbitrageprocedure

1.   Wanneer de partijen er niet in zijn geslaagd het geschil door middel van het in artikel 14.3 bedoelde overleg op te lossen, kan de klagende partij verzoeken om de instelling van een arbitragepanel.

2.   Het verzoek om instelling van een arbitragepanel wordt schriftelijk gedaan bij de partij waartegen de klacht gericht is en bij het Handelscomité. De klagende partij vermeldt in haar verzoek welke specifieke maatregel in het geding is en legt uit waarom die maatregel een inbreuk op de in artikel 14.2 bedoelde bepalingen is.

Artikel 14.5

Instelling van het arbitragepanel

1.   Een arbitragepanel bestaat uit drie scheidsrechters.

2.   De partijen voeren binnen 10 dagen na de datum van indiening van het verzoek aan het Handelscomité tot instelling van een arbitragepanel overleg over de samenstelling van dat panel.

3.   Wanneer de partijen binnen de in lid 2 genoemde termijn geen overeenstemming over de samenstelling van het arbitragepanel bereiken, kan een van de partijen de voorzitter van het Handelscomité of diens vertegenwoordiger verzoeken alle drie panelleden door loting aan te wijzen uit de in artikel 14.18 bedoelde lijst, te weten één lid uit de personen die door de klagende partij zijn aangewezen, één lid uit de personen die zijn aangewezen door de partij waartegen de klacht gericht is en één lid uit de personen die door de partijen zijn aangewezen om als voorzitter te fungeren. Wanneer de partijen het over een of meer leden van het arbitragepanel eens zijn, worden de overige leden volgens dezelfde procedure geselecteerd.

4.   De datum van instelling van het arbitragepanel is die waarop de drie scheidsrechters worden aangewezen.

Artikel 14.6

Tussentijds panelverslag

1.   Het arbitragepanel legt binnen 90 dagen na zijn instelling een tussentijds verslag aan de partijen voor, dat de resultaten van het feitenonderzoek, de toepasbaarheid van de desbetreffende bepalingen, alsmede de beweeggronden die aan de conclusies en aanbevelingen van het panel ten grondslag liggen, vermeldt. Wanneer het van oordeel is dat deze termijn niet kan worden gehaald, stelt de voorzitter van het arbitragepanel de partijen en het Handelscomité hiervan schriftelijk in kennis, met opgave van de redenen voor de vertraging en de datum waarop het panel zijn tussentijds verslag denkt te kunnen voorleggen. In geen geval mag het tussentijds verslag later dan 120 dagen na de instelling van het arbitragepanel worden voorgelegd.

2.   De partijen kunnen binnen 14 dagen nadat het tussentijds verslag is uitgebracht het arbitragepanel schriftelijk verzoeken bepaalde aspecten van dat verslag te heroverwegen.

3.   In dringende gevallen, zoals wanneer de zaak betrekking heeft op bederfelijke waren of seizoensgebonden goederen, stelt het arbitragepanel alles in het werk om zijn tussentijds verslag voor te leggen en kunnen de partijen het arbitragepanel schriftelijk verzoeken bepaalde aspecten van het tussentijds verslag te heroverwegen binnen de helft van de in de leden 1 en 2 genoemde termijnen.

4.   Het arbitragepanel kan het tussentijds verslag naar aanleiding van schriftelijk commentaar van de partijen wijzigen, en wanneer het dat zinvol acht, de zaak nader onderzoeken. In de definitieve uitspraak van het arbitragepanel worden de in de tussentijdse fase naar voren gebrachte argumenten besproken.

Artikel 14.7

Uitspraak van het arbitragepanel

1.   Het arbitragepanel maakt zijn uitspraak binnen 120 dagen na zijn instelling aan de partijen en aan het Handelscomité bekend. Wanneer het van oordeel is dat deze termijn niet kan worden gehaald, stelt de voorzitter van het arbitragepanel de partijen en het Handelscomité hiervan schriftelijk in kennis, met opgave van de redenen voor de vertraging en de datum waarop het panel zijn uitspraak denkt te kunnen bekendmaken. In geen geval mag de uitspraak later dan 150 dagen na de instelling van het arbitragepanel worden bekendgemaakt.

2.   In dringende gevallen, zoals wanneer de zaak betrekking heeft op bederfelijke waren of seizoensgebonden goederen, stelt het arbitragepanel alles in het werk om zijn uitspraak binnen 60 dagen na zijn instelling bekend te maken. De maximumtermijn is in geen geval langer dan 75 dagen na de instelling van het panel. Het arbitragepanel kan binnen 10 dagen na zijn instelling een voorlopige uitspraak doen over de vraag of het een zaak dringend acht.

Onderafdeling B

Naleving

Artikel 14.8

Naleving van de uitspraak van het arbitragepanel

Elk van beide partijen neemt de nodige maatregelen om de uitspraak van het arbitragepanel te goeder trouw na te leven; zij streven ernaar overeenstemming te bereiken over de termijn waar¬binnen zij de uitspraak zullen naleven.

Artikel 14.9

Redelijke termijn voor naleving

1.   Uiterlijk 30 dagen na de bekendmaking van de uitspraak van het arbitragepanel aan de partijen stelt de partij waartegen de klacht gericht is de klagende partij en het Handelscomité in kennis van de tijd die zij nodig heeft om de uitspraak na te leven.

2.   Indien de partijen het niet eens zijn over een redelijke termijn voor naleving van de uitspraak van het arbitragepanel, verzoekt de klagende partij het oorspronkelijke arbitragepanel binnen 20 dagen na de in lid 1 bedoelde kennisgeving door de partij waartegen de klacht gericht is schriftelijk om een redelijke termijn vast te stellen. Dit verzoek wordt medegedeeld aan de andere partij en aan het Handelscomité. Het arbitragepanel maakt zijn uitspraak binnen 20 dagen na de indiening van het verzoek aan de partijen en aan het Handelscomité bekend.

3.   Wanneer een van de leden van het oorspronkelijke arbitragepanel niet meer beschikbaar is, zijn de in artikel 14.5 beschreven procedures van toepassing. De termijn voor de bekendmaking van de uitspraak bedraagt 35 dagen na de datum van indiening van het in lid 2 bedoelde verzoek.

4.   De partij waartegen de klacht gericht is, stelt de klagende partij ten minste een maand voor afloop van de redelijke termijn schriftelijk in kennis van de vorderingen die zij maakt bij de nakoming van de uitspraak van het arbitragepanel.

5.   De partijen kunnen de redelijke termijn in onderling overleg verlengen.

Artikel 14.10

Onderzoek van maatregelen getroffen tot naleving van de uitspraak van het arbitragepanel

1.   De partij waartegen de klacht gericht is, stelt de klagende partij en het Handelscomité voor afloop van de redelijke termijn in kennis van de maatregelen die zij heeft getroffen om de uitspraak van het arbitragepanel na te leven.

2.   Wanneer er tussen de partijen onenigheid bestaat over het bestaan van een maatregel of over de vraag of een maatregel waarvan overeenkomstig lid 1 is kennisgegeven in overeenstemming is met de in artikel 14.2 bedoelde bepalingen, kan de klagende partij het oorspronkelijke arbitragepanel schriftelijk verzoeken hierover uitspraak te doen. In dat verzoek wordt aangegeven om welke specifieke maatregel het gaat en wordt uitgelegd waarom deze niet verenigbaar is met de in artikel 14.2 bedoelde bepalingen. Het arbitragepanel maakt zijn uitspraak binnen 45 dagen na de datum van indiening van het verzoek bekend.

3.   Wanneer een van de leden van het oorspronkelijke arbitragepanel niet meer beschikbaar is, zijn de in artikel 14.5 beschreven procedures van toepassing. De termijn voor de bekendmaking van de uitspraak bedraagt 60 dagen na de datum van indiening van het in lid 2 bedoelde verzoek.

Artikel 14.11

Tijdelijke maatregelen bij niet-naleving

1.   Indien de partij waartegen de klacht gericht is niet voor afloop van de redelijke termijn kennis geeft van een maatregel die zij heeft genomen om de uitspraak van het arbitragepanel na te leven, of indien het arbitragepanel oordeelt dat er geen maatregel is genomen om aan de uitspraak te voldoen of dat de maatregel waarvan overeenkomstig artikel 14.10, lid 1, is kennisgegeven, niet in overeenstemming is met de verplichtingen van de partij krachtens de in artikel 14.2 bedoelde bepalingen, biedt de partij waartegen de klacht gericht is de klagende partij, als die erom verzoekt, een tijdelijke compensatie aan.

2.   Indien de partijen geen overeenstemming over compensatie bereiken binnen 30 dagen na het eind van de redelijke termijn of de bekendmaking van de in artikel 14.10 bedoelde uitspraak van het arbitragepanel dat er geen maatregel is genomen om aan de uitspraak te voldoen of dat de maatregel waarvan overeenkomstig artikel 14.10, lid 1, is kennisgegeven, niet in overeenstemming is met de verplichtingen van de partij krachtens artikel 14.2, is de klagende partij gerechtigd om, na de partij waartegen de klacht gericht is en het Handelscomité hiervan in kennis te hebben gesteld, de verplichtingen uit hoofde van de in artikel 14.2 bedoelde bepalingen op te schorten in een mate die gelijkwaardig is aan de mate waarin de schending de voordelen voor de klagende partij tenietdoet of beperkt. In de kennisgeving wordt gespecificeerd in welke mate de klagende partij haar verplichtingen beoogt op te schorten. De klagende partij kan de opschorting 10 dagen na de datum van kennisgeving laten ingaan, tenzij de partij waartegen de klacht gericht is overeenkomstig lid 4 om arbitrage heeft verzocht.

3.   Wanneer de klagende partij haar verplichtingen opschort, kan zij ervoor kiezen haar tarieven tot het voor andere WTO-leden geldende niveau te verhogen voor een hoeveelheid verhandelde goederen die op zodanige wijze wordt vastgesteld dat deze hoeveelheid vermenigvuldigd met de toename van de tarieven gelijk is aan de waarde waarvoor de schending haar voordelen tenietdoet of beperkt.

4.   Indien de partij waartegen de klacht gericht is van oordeel is dat de mate van opschorting niet gelijkwaardig is aan de mate waarin de schending de voordelen voor de andere partij tenietdoet of beperkt, kan zij het oorspronkelijke arbitragepanel schriftelijk verzoeken hierover uitspraak te doen. Dit verzoek wordt voor het verstrijken van de in lid 2 bedoelde periode van 10 dagen medegedeeld aan de klagende partij en aan het Handelscomité. Het oorspronkelijke arbitragepanel maakt zijn uitspraak over de mate van opschorting van verplichtingen binnen 30 dagen na indiening van het verzoek aan de partijen en het Handelscomité bekend. De verplichtingen worden niet opgeschort voordat het oorspronkelijke arbitragepanel zijn uitspraak heeft bekendgemaakt en voor de eventuele opschorting wordt de uitspraak van het arbitragepanel in acht genomen.

5.   Wanneer een van de leden van het oorspronkelijke arbitragepanel niet meer beschikbaar is, zijn de in artikel 14.5 beschreven procedures van toepassing. De termijn voor de bekendmaking van de uitspraak bedraagt 45 dagen na de indiening van het in lid 4 bedoelde verzoek.

6.   De opschorting van verplichtingen is van tijdelijke aard en wordt slechts toegepast totdat de maatregel waarvan is vastgesteld dat deze niet in overeenstemming is met de in artikel 14.2 bedoelde bepalingen, is ingetrokken of gewijzigd en overeenkomstig artikel 14.12 met die bepalingen in overeenstemming is gebracht, of totdat de partijen zijn overeengekomen hun geschil bij te leggen.

Artikel 14.12

Onderzoek van nalevingsmaatregelen getroffen na de opschorting van verplichtingen

1.   De partij waartegen de klacht gericht is, stelt de klagende partij en het Handelscomité in kennis van elke maatregel die zij heeft getroffen om de uitspraak van het arbitragepanel na te leven, alsmede van haar verzoek om beëindiging van de opschorting van de verplichtingen door de klagende partij.

2.   Indien de partijen niet binnen 30 dagen na de kennisgeving overeenstemming bereiken over de verenigbaarheid van de maatregel waarvan is kennisgegeven met de in artikel 14.2 bedoelde bepalingen, verzoekt de klagende partij het oorspronkelijke arbitragepanel schriftelijk hierover uitspraak te doen. Dit verzoek wordt medegedeeld aan de partij waartegen de klacht gericht is en aan het Handelscomité. Het arbitragepanel maakt zijn uitspraak binnen 45 dagen na de indiening van het verzoek aan de partijen en aan het Handelscomité bekend. Indien het arbitragepanel oordeelt dat een maatregel die is getroffen om de uitspraak na te leven in overeenstemming is met de in artikel 14.2 bedoelde bepalingen, wordt de opschorting van verplichtingen beëindigd.

3.   Wanneer een van de leden van het oorspronkelijke arbitragepanel niet meer beschikbaar is, zijn de in artikel 14.5 beschreven procedures van toepassing. De termijn voor de bekendmaking van de uitspraak bedraagt 60 dagen na de indiening van het in lid 2 bedoelde verzoek.

Onderafdeling C

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 14.13

Onderling overeengekomen oplossing

De partijen kunnen te allen tijde onderling een oplossing voor een onder dit hoofdstuk vallend geschil overeenkomen. Zij stellen het Handelscomité van die oplossing in kennis. Na kennisgeving van de onderling overeengekomen oplossing is de procedure beëindigd.

Artikel 14.14

Reglement van orde

1.   Op de procedures voor de beslechting van geschillen in het kader van dit hoofdstuk is bijlage 14-B van toepassing.

2.   De hoorzittingen van het arbitragepanel staan, in overeenstemming met bijlage 14-B, open voor het publiek.

Artikel 14.15

Inlichtingen en technisch advies

Het arbitragepanel kan op verzoek van een partij of op eigen initiatief bij alle bronnen, met inbegrip van de bij het geschil betrokken partijen, de inlichtingen inwinnen die het nuttig acht voor de arbitrageprocedure. Het arbitragepanel heeft tevens het recht deskundigen om advies te vragen wanneer het dat nuttig acht. Alle op deze manier verkregen inlichtingen worden medegedeeld aan beide partijen, die hierover opmerkingen kunnen indienen. Belanghebbende natuurlijke of rechtspersonen van de partijen kunnen in overeenstemming met bijlage 14-B als amicus curiae opmerkingen bij het arbitragepanel indienen.

Artikel 14.16

Interpretatieregels

Arbitragepanels leggen de in artikel 14.2 bedoelde bepalingen uit volgens de gebruikelijke regels voor de interpretatie van het internationaal publiekrecht, met inbegrip van die in het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht. Wanneer een verplichting uit hoofde van deze overeenkomst identiek is aan een verplichting uit hoofde van de WTO-overeenkomst, legt het arbitragepanel zich vast op een interpretatie die in overeenstemming is met een eventuele relevante interpretatie die is vastgesteld in uitspraken van het Orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO, hierna „het DSB” (Dispute Settlement Body) genoemd. Uitspraken van een arbitragepanel kunnen de rechten en verplichtingen uit hoofde van de in artikel 14.2 bedoelde bepalingen niet verruimen of beperken.

Artikel 14.17

Besluiten en uitspraken van het arbitragepanel

1.   Het arbitragepanel stelt alles in het werk om elk besluit bij consensus te nemen. Wanneer het evenwel niet mogelijk is bij consensus tot een besluit te komen, wordt een besluit bij meerderheid van stemmen genomen. In geen geval worden afwijkende meningen van scheidsrechters gepubliceerd.

2.   De uitspraken van het arbitragepanel zijn bindend voor de partijen en scheppen geen rechten of verplichtingen voor natuurlijke of rechtspersonen. De uitspraak vermeldt de resultaten van het feitenonderzoek, de toepasbaarheid van de desbetreffende bepalingen, alsmede de beweeggronden die aan de conclusies en aanbevelingen van het panel ten grondslag liggen. Het Handelscomité maakt de volledige uitspraak van het arbitragepanel openbaar, maar kan besluiten dat niet te doen.

AFDELING D

Algemene bepalingen

Artikel 14.18

Lijst van scheidsrechters

1.   Het Handelscomité stelt uiterlijk zes maanden na de inwerkintreding van deze overeenkomst een lijst op van vijftien personen die bereid en in staat zijn om als scheidsrechter op te treden. Elk van beide partijen stelt vijf personen voor die als scheidsrechter kunnen optreden. De partijen kiezen in onderling overleg bovendien vijf personen die geen onderdaan van een van de partijen zijn en als voorzitter van het arbitragepanel kunnen fungeren. Het Handelscomité ziet erop toe dat de lijst te allen tijde uit dit aantal personen blijft bestaan.

2.   De scheidsrechters hebben gespecialiseerde kennis of ervaring op het gebied van het recht en de internationale handel. Zij zijn onafhankelijk, treden op persoonlijke titel op, nemen geen instructies met betrekking tot het onderwerp van het geschil aan van enige organisatie of regering, zijn niet verbonden aan de regering van een van de partijen en nemen bijlage 14-C in acht.

Artikel 14.19

Relatie tot WTO-verplichtingen

1.   Een beroep op de bepalingen in dit hoofdstuk over de beslechting van geschillen doet geen afbreuk aan enige rechtsvordering in het kader van de WTO, met inbegrip van die tot beslechting van een geschil.

2.   Wanneer echter een partij in verband met een specifieke maatregel een procedure voor de beslechting van een geschil heeft ingeleid, hetzij krachtens dit hoofdstuk, hetzij krachtens de WTO-overeenkomst, kan zij in verband met dezelfde maatregel geen procedure voor geschillenbeslechting in het andere forum inleiden totdat de eerste procedure is afgesloten. Bovendien kan een partij in verband met een identieke verplichting uit hoofde van deze overeenkomst en de WTO-overeenkomst niet in beide fora een procedure inleiden. In dat geval kan de partij, zodra een procedure voor geschillenbeslechting is ingeleid, geen procedure ten aanzien van de identieke verplichting uit hoofde van de andere overeenkomst meer inleiden in het andere forum, tenzij het gekozen forum om procedurele of bevoegdheidsredenen geen uitspraak doet.

3.   Voor de toepassing van lid 2 worden: o

a)

procedures voor de geschillenbeslechting krachtens de WTO-overeenkomst geacht te zijn ingeleid wanneer een partij overeenkomstig artikel 6 van het Memorandum van overeenstemming inzake de regels en procedures betreffende de beslechting van geschillen, opgenomen in bijlage 2 bij de WTO-overeenkomst, hierna „het DSU” (Disputes Settlement Understanding) genoemd, een verzoek om instelling van een panel indient, en worden zij geacht te zijn beëindigd wanneer het DSB overeenkomstig artikel 16 en artikel 17, lid 14, van het DSU het verslag van het panel, respectievelijk, in voorkomend geval, het verslag van de Beroepsinstantie, goedkeurt, en

b)

procedures voor geschillenbeslechting krachtens dit hoofdstuk geacht te zijn ingeleid wanneer een partij overeenkomstig artikel 14.4, lid 1, een verzoek om instelling van een panel indient en worden zij geacht te zijn beëindigd wanneer het arbitragepanel overeenkomstig artikel 14.7 zijn uitspraak bekendmaakt aan de partijen en het Handelscomité.

4.   Geen enkele bepaling in deze overeenkomst belet een partij de opschorting van verplichtingen die is toegestaan door het DSB, ten uitvoer te leggen. Er kan geen beroep op de WTO-overeenkomst worden gedaan om een partij te beletten verplichtingen uit hoofde van dit hoofdstuk op te schorten.

Artikel 14.20

Termijnen

1.   Alle in dit hoofdstuk vastgestelde termijnen, met inbegrip van die waarbinnen arbitragepanels hun uitspraken moeten bekendmaken, worden gerekend in kalenderdagen waarbij de eerste dag de dag is volgende op die waarop het desbetreffende besluit werd genomen of het desbetreffende feit plaatsvond.

2.   Alle in dit hoofdstuk vermelde termijnen kunnen in onderling overleg tussen de partijen worden verlengd.

HOOFDSTUK VIJFTIEN

INSTITUTIONELE, ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 15.1

Handelscomité

1.   De partijen richten een Handelscomité (88) op, bestaande uit vertegenwoordigers van de EU en vertegenwoordigers van Korea.

2.   Het Handelscomité vergadert eenmaal per jaar, beurtelings in Brussel en in Seoel, of op verzoek van een van de partijen. Het voorzitterschap van het Handelscomité wordt bekleed door de minister van Handel van Korea en het lid van de Europese Commissie dat bevoegd is voor handel, of door hun respectieve vertegenwoordigers. Het Handelscomité stelt zelf zijn vergaderrooster en agenda vast.

3.   Het Handelscomité:

a)

zorgt ervoor dat deze overeenkomst naar behoren functioneert;

b)

houdt toezicht op en vergemakkelijkt de tenuitvoerlegging en toepassing van deze overeenkomst, en bevordert de algemene doelstellingen ervan;

c)

houdt toezicht op de werkzaamheden van de gespecialiseerde comités, werkgroepen en andere organen die krachtens deze overeenkomst worden opgericht;

d)

zoekt naar wegen om de handelsbetrekkingen tussen de partijen te verbeteren;

e)

zoekt, onverminderd de in hoofdstuk veertien (Beslechting van geschillen) en bijlage 14-A (Bemiddelingsmechanisme voor niet-tarifaire maatregelen) toegekende rechten, naar passende wegen en methoden om eventuele problemen op de door deze overeenkomst bestreken gebieden te voorkomen, of om eventuele geschillen in verband met de interpretatie of de toepassing van deze overeenkomst op te lossen;

f)

bestudeert de ontwikkeling van de handel tussen de partijen, en

g)

buigt zich over alle andere aangelegenheden die van belang zijn met betrekking tot door deze overeenkomst bestreken gebieden.

4.   Het Handelscomité kan:

a)

besluiten gespecialiseerde comités, werkgroepen en andere organen op te richten en daaraan verantwoordelijkheden over te dragen;

b)

in contact treden met alle belanghebbenden, met inbegrip van de particuliere sector en organisaties van het maatschappelijk middenveld;

c)

van gedachten wisselen over wijziging van deze overeenkomst of wijzigingen in deze overeenkomst aanbrengen, in gevallen waarin hierin in de overeenkomst is voorzien;

d)

interpretaties van de bepalingen van deze overeenkomst geven;

e)

aanbevelingen doen of besluiten nemen voor zover dat in deze overeenkomst is geregeld;

f)

zijn eigen reglement van orde vaststellen, en

g)

andere maatregelen in het kader van de uitoefening van zijn functies nemen wanneer de partijen dit overeenkomen.

5.   Het Handelscomité brengt tijdens elke regelmatige vergadering van het Gemengd Comité verslag aan dit comité uit over zijn activiteiten en de activiteiten van de gespecialiseerde comités, werkgroepen en andere organen.

6.   Onverminderd de in hoofdstuk veertien (Beslechting van geschillen) en bijlage 14-A (Bemiddelingsmechanisme voor niet-tarifaire maatregelen) toegekende rechten, kan een van beide partijen kwesties in verband met de interpretatie of de toepassing van deze overeenkomst aan het Handelscomité voorleggen.

7.   Wanneer een partij informatie die zij ingevolge haar wet- en regelgeving als vertrouwelijk beschouwt, aan het Handelscomité, of aan gespecialiseerde comités, werkgroepen of andere organen overlegt, wordt die informatie door de andere partij vertrouwelijk behandeld.

8.   Omdat de partijen zich ervan bewust zijn dat transparantie en openheid belangrijk zijn, bevestigen zij dat zij elk rekening houden met de mening van hun bevolking, teneinde de uitvoering van de overeenkomst op een breed spectrum van standpunten te baseren.

Artikel 15.2

Gespecialiseerde comités

1.   De volgende gespecialiseerde comités, die onder toezicht van het Handelscomité staan, worden opgericht:

a)

het Comité voor de handel in goederen overeenkomstig artikel 2.16 (Comité voor de handel in goederen);

b)

het Comité voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen overeenkomstig artikel 5.10 (Comité voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen);

c)

het Douanecomité overeenkomstig artikel 6.16 (Douanecomité). Voor aangelegenheden die uitsluitend onder de Douaneovereenkomst vallen, treedt het Douanecomité op als het bij die overeenkomst opgerichte Gemengd comité douanesamenwerking;

d)

het Comité voor de handel in diensten en voor vestiging en elektronische handel overeenkomstig artikel 7.3 (Comité voor de handel in diensten en voor vestiging en elektronische handel);

e)

het Comité voor handel en duurzame ontwikkeling overeenkomstig artikel 13.12 (Institutioneel mechanisme), en

f)

het Comité voor zones voor passieve veredeling op het Koreaanse schiereiland overeenkomstig bijlage IV bij het Protocol betreffende de definitie van „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking.

De opdracht en de taken van deze gespecialiseerde comités worden in de desbetreffende hoofdstukken van en protocollen bij deze overeenkomst vastgesteld.

2.   Het Handelscomité kan besluiten andere gespecialiseerde comités op te richten om hem bij de uitvoering van zijn taken bij te staan. Het stelt de samenstelling, taken en werking van de uit hoofde van dit artikel opgerichte gespecialiseerde comités vast.

3.   Tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald, komen de gespecialiseerde comités gewoonlijk eenmaal per jaar op een passend niveau bijeen, beurtelings in Brussel en in Seoel, dan wel op verzoek van een van de partijen of van het Handelscomité; het voorzitterschap wordt bekleed door vertegenwoordigers van Korea en van de Europese Unie. De gespecialiseerde comités stellen zelf hun vergaderrooster en agenda vast.

4.   De gespecialiseerde comités stellen het Handelscomité ruimschoots voor hun vergaderingen in kennis van hun vergaderrooster en agenda. Bij elke regelmatige vergadering van het Handelscomité brengen zij verslag uit over hun activiteiten. De oprichting of het bestaan van een gespecialiseerd comité belet een partij niet een aangelegenheid direct aan het Handelscomité kan voorleggen.

5.   Het Handelscomité kan besluiten de taak van een gespecialiseerd comité te wijzigen of zelf uit te voeren, dan wel een gespecialiseerd comité op te heffen.

Artikel 15.3

Werkgroepen

1.   De volgende werkgroepen, die onder toezicht van het Handelscomité staan, worden opgericht:

a)

de Werkgroep motorvoertuigen en delen overeenkomstig lid 2 van artikel 9 (Werkgroep motorvoertuigen en delen) van bijlage 2-C (Motorvoertuigen en delen);

b)

de Werkgroep farmaceutische producten en medische hulpmiddelen overeenkomstig lid 3 van artikel 5 (Samenwerking bij regelgeving) van bijlage 2-D (Farmaceutische producten en medische hulpmiddelen);

c)

de Werkgroep chemische stoffen overeenkomstig punt 4 van bijlage 2-E (Chemische stoffen);

d)

de Werkgroep samenwerking bij handelsmaatregelen overeenkomstig lid 1 van artikel 3.16 (Werkgroep samenwerking bij handelsmaatregelen);

e)

de Werkgroep MRA overeenkomstig lid 6 van artikel 7.21 (Wederzijdse erkenning);

f)

de Werkgroep overheidsopdrachten overeenkomstig artikel 9.3 (Werkgroep overheidsopdrachten), en

g)

de Werkgroep geografische aanduidingen overeenkomstig artikel 10.25 (Werkgroep geografische aanduidingen).

2.   Het Handelscomité kan besluiten voor een specifieke taak of een specifiek onderwerp andere werkgroepen op te richten. Het stelt de samenstelling, taken en werking van de werkgroepen vast. Elke regelmatige of ad-hocvergadering tussen de partijen wordt als werkgroep in de zin van dit artikel beschouwd waneer de werkzaamheden betrekking hebben op aangelegenheden waarop deze overeenkomst van toepassing is.

3.   Tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald, komen werkgroepen op een passend niveau bijeen wanneer de omstandigheden zulks vereisen dan wel op verzoek van een van de partijen of van het Handelscomité. Het voorzitterschap wordt bekleed door vertegenwoordigers van Korea en van de Europese Unie. De werkgroepen stellen zelf hun vergaderrooster en agenda vast.

4.   De werkgroepen stellen het Handelscomité ruimschoots voor hun vergaderingen in kennis van hun vergaderrooster en agenda. Bij elke regelmatige vergadering van het Handelscomité brengen zij verslag uit over hun activiteiten. De oprichting of het bestaan van een werkgroep staat er niet aan in de weg dat een partij een aangelegenheid direct aan het Handelscomité kan voorleggen.

5.   Het Handelscomité kan besluiten de taak van een werkgroep te wijzigen of zelf uit te voeren, dan wel een werkgroep op te heffen.

Artikel 15.4

Besluitvorming

1.   Om de doelstellingen van deze overeenkomst te bereiken, krijgt het Handelscomité de bevoegdheid besluiten te nemen ten aanzien van alle in deze overeenkomst bedoelde aangelegenheden.

2.   Deze besluiten zijn bindend voor de partijen, die de nodige maatregelen treffen voor de uitvoering ervan. Het Handelscomité kan ook passende aanbevelingen doen.

3.   De besluiten en aanbevelingen van het Handelscomité worden vastgesteld in onderlinge overeenstemming tussen de partijen.

Artikel 15.5

Wijzigingen

1.   De partijen kunnen schriftelijk overeenkomen deze overeenkomst te wijzigen. Een wijziging treedt op een door de partijen overeengekomen datum in werking nadat de partijen schriftelijke kennisgevingen met elkaar hebben uitgewisseld waarin zij verklaren dat hun respectieve toepasselijke wettelijke vereisten en procedures volledig zijn afgerond.

2.   Onverminderd lid 1 kan het Handelscomité besluiten de bijlagen, aanhangsels, protocollen en aantekeningen bij deze overeenkomst te wijzigen. De partijen kunnen het besluit goedkeuren volgens hun respectieve toepasselijke wettelijke vereisten en procedures.

Artikel 15.6

Contactpunten

1.   Om de communicatie te vergemakkelijken en de doeltreffende uitvoering van deze overeenkomst te waarborgen, wijzen de partijen bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst coördinatoren aan. De aanwijzing van coördinatoren doet geen afbreuk aan de specifieke aanwijzing van bevoegde autoriteiten in het kader van specifieke hoofdstukken van deze overeenkomst.

2.   Op verzoek van een van de partijen geeft de coördinator van de andere partij aan welk bureau of welke ambtenaar verantwoordelijk is voor enige aangelegenheid die betrekking heeft op de uitvoering van deze overeenkomst en verleent hij de nodige hulp om de communicatie met de verzoekende partij te vergemakkelijken.

3.   Voor zover het krachtens hun wetgeving mogelijk is, verschaft elk van de partijen op verzoek van de andere partij via haar coördinatoren informatie, en antwoordt zij onverwijld op elke vraag van de andere partij met betrekking tot een bestaande of voorgestelde maatregel die van invloed kan zijn op de handel tussen de partijen.

Artikel 15.7

Belastingen

1.   Deze overeenkomst is alleen van toepassing op belastingmaatregelen wanneer dat nodig is om de bepalingen van deze overeenkomst uit te voeren.

2.   Geen enkele bepaling in deze overeenkomst is van invloed op de rechten en verplichtingen van beide partijen uit hoofde van belastingverdragen tussen Korea en de respectieve lidstaten van de Europese Unie. In geval van strijdigheid tussen deze overeenkomst en een dergelijk verdrag heeft dat verdrag voorrang voor zover het de strijdige bepalingen betreft. Wanneer er een belastingverdrag tussen Korea en de respectieve lidstaten van de Europese Unie bestaat, zijn alleen de krachtens dat verdrag bevoegde autoriteiten bevoegd om gezamenlijk vast te stellen of deze overeenkomst strijdig is met dat verdrag.

3.   Geen enkele bepaling in deze overeenkomst wordt uitgelegd als beletsel voor de partijen om bij de toepassing van de desbetreffende bepalingen van hun belastingwetgeving onderscheid te maken tussen belastingbetalers die niet in dezelfde situatie verkeren, in het bijzonder met betrekking tot hun verblijfplaats of de plaats waar hun kapitaal is geïnvesteerd.

4.   Geen enkele bepaling in deze overeenkomst wordt uitgelegd als beletsel voor het vaststellen of toepassen van maatregelen ter voorkoming van belastingontwijking of -ontduiking in overeenstemming met de fiscale bepalingen van overeenkomsten inzake voorkoming van dubbele belastingheffing, andere belastingregelingen of interne belastingwetten.

Artikel 15.8

Uitzonderingen in verband met de betalingsbalans

1.   In geval van ernstige problemen of dreigende ernstige problemen op het gebied van de betalingsbalans en de buitenlandse financiële positie mag een partij beperkende maatregelen ten aanzien van de handel in goederen en diensten en de vestiging instellen of handhaven.

2.   De partijen vermijden de toepassing van beperkende maatregelen als bedoeld in lid 1 zoveel mogelijk.

Beperkende maatregelen die krachtens dit artikel worden ingesteld of gehandhaafd, zijn niet-discriminerend en van beperkte duur en gaan niet verder dan wat nodig is om de moeilijkheden betreffende de betalingsbalans en de buitenlandse financiële positie op te lossen. Zij zijn, naargelang van het geval, in overeenstemming met de voorwaarden van de WTO-overeenkomst en de statuten van het Internationaal Monetair Fonds.

3.   Wanneer een partij beperkende maatregelen instelt of handhaaft of wijzigingen van dergelijke maatregelen vaststelt, stelt zij de andere partij daarvan onmiddellijk in kennis en legt zij haar zo spoedig mogelijk een tijdschema voor de opheffing van de maatregelen voor.

4.   Wanneer de beperkingen worden ingesteld of gehandhaafd, wordt hierover onmiddellijk overleg gevoerd in het Handelscomité. Tijdens dit overleg worden de betalingsbalanspositie van de betrokken partij en de in het kader van dit artikel ingestelde of gehandhaafde beperkingen beoordeeld, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met de volgende factoren:

a)

de aard en omvang van de betalingsbalans en de moeilijkheden met betrekking tot de buitenlandse financiële positie;

b)

de economische positie en de handelssituatie ten opzichte van het buitenland, of

c)

andere corrigerende maatregelen die genomen kunnen worden.

Het overleg heeft betrekking op de verenigbaarheid van de beperkende maatregelen met de leden 3 en 4. Alle bevindingen van statistische en andere aard met betrekking tot deviezen, monetaire reserves en de betalingsbalans die van het Internationaal Monetair Fonds afkomstig zijn, worden aanvaard, en de conclusies worden gebaseerd op het oordeel van het Fonds over de betalingsbalans en de externe financiële positie van de betrokken partij.

Artikel 15.9

Uitzonderingen op grond van veiligheidsoverwegingen

Geen enkele bepaling in deze overeenkomst wordt zodanig uitgelegd dat:

a)

een partij verplicht wordt gegevens te verstrekken waarvan zij openbaarmaking in strijd acht met haar wezenlijke veiligheidsbelangen;

b)

een partij belet wordt maatregelen te nemen die zij ter bescherming van haar wezenlijke veiligheidsbelangen nodig acht en die:

i)

verband houden met de productie van of handel in wapens, munitie of oorlogsmaterieel, dan wel met economische activiteiten die direct of indirect de bevoorrading van een militaire inrichting ten doel hebben;

ii)

betrekking hebben op splijt- of fusiestoffen of op grondstoffen waaruit deze kunnen worden vervaardigd, of

iii)

in tijden van oorlog of ernstige internationale spanningen worden genomen, of

c)

een partij belet wordt maatregelen te nemen tot uitvoering van haar internationale verplichtingen met het oog op de handhaving van de internationale vrede en veiligheid.

Artikel 15.10

Inwerkingtreding

1.   Deze overeenkomst wordt door de partijen goedgekeurd volgens hun eigen procedures.

2.   Deze overeenkomst treedt in werking 60 dagen nadat de partijen schriftelijke kennisgevingen met elkaar hebben uitgewisseld waarin zij verklaren dat hun respectieve toepasselijke wettelijke vereisten en procedures zijn afgesloten, of op een andere door de partijen overeengekomen datum.

3.   Onverminderd de leden 2 en 5 passen de partijen het Protocol betreffende culturele samenwerking toe vanaf de eerste dag van de derde maand na de datum waarop Korea zijn akte van ratificatie van het UNESCO-verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen, hierna het „UNESCO-verdrag” genoemd, dat op 20 oktober 2005 in Parijs is aangenomen, bij het secretariaat van de UNESCO in Parijs heeft neergelegd, tenzij Korea dit al voor de in de leden 2 en 5 bedoelde uitwisseling van kennisgevingen heeft gedaan.

4.   De kennisgevingen worden respectievelijk aan de secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie en het ministerie van Buitenlandse Zaken en Handel van de Korea, dan wel de opvolger daarvan, gericht.

5.

a)

Deze overeenkomst wordt voorlopig toegepast vanaf de eerste dag van de maand volgende op de datum waarop de EU en Korea elkaar kennis hebben gegeven van de voltooiing van hun respectieve procedures ter zake.

b)

In het geval dat sommige bepalingen van deze overeenkomst niet voorlopig kunnen worden toegepast, stelt de partij die dit niet kan de andere partij in kennis van de bepalingen die zij niet voorlopig kan toepassen. Onverminderd punt a) worden, mits de andere partij de noodzakelijke procedures heeft afgesloten en zij niet binnen 10 dagen na de kennisgeving dat sommige bepalingen niet voorlopig kunnen worden toegepast, bezwaar heeft gemaakt tegen voorlopige toepassing, de bepalingen van deze overeenkomst waarvan geen kennis is gegeven voorlopig toegepast vanaf de eerste dag van de maand volgende op de kennisgeving.

c)

Een partij kan de voorlopige toepassing beëindigen door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de andere partij. Die beëindiging treedt in werking op de eerste dag van de maand volgende op die van de kennisgeving.

d)

Wanneer deze overeenkomst of sommige bepalingen ervan voorlopig worden toegepast, wordt onder „inwerkingtreding van deze overeenkomst” verstaan de datum van voorlopige toepassing.

Artikel 15.11

Duur

1.   Deze overeenkomst geldt voor onbepaalde tijd.

2.   Elk van beide partijen kan de andere partij schriftelijk in kennis stellen van haar voornemen de overeenkomst op te zeggen.

3.   De opzegging wordt zes maanden na de datum van de in lid 2 bedoelde kennisgeving van kracht.

Artikel 15.12

Voldoen aan verplichtingen

1.   De partijen treffen alle algemene en bijzondere maatregelen die nodig zijn om aan hun verplichtingen krachtens deze overeenkomst te voldoen. Zij zien erop toe dat de in deze overeenkomst genoemde doelstellingen worden bereikt.

2.   Elk van beide partijen kan onmiddellijk passende maatregelen in overeenstemming met het internationale recht nemen wanneer deze overeenkomst niet volgens de algemene regels van het internationale recht wordt opgezegd.

Artikel 15.13

Bijlagen, aanhangsels, protocollen en aantekeningen

De bijlagen, aanhangsels, protocollen en aantekeningen bij deze overeenkomst vormen daarvan een integrerend onderdeel.

Artikel 15.14

Relatie tot andere overeenkomsten

1.   Tenzij anders is bepaald, worden eerdere overeenkomsten tussen de lidstaten van de Europese Unie en/of de Europese Gemeenschap en/of de Europese Unie en Korea niet vervangen of beëindigd door deze overeenkomst.

2.   Deze overeenkomst is een integrerend onderdeel van de algemene bilaterale betrekkingen waarop de kaderovereenkomst van toepassing is. Deze overeenkomst is een specifieke overeenkomst waarmee uitvoering wordt gegeven aan de handelsbepalingen in de zin van de kaderovereenkomst.

3.   Het Protocol betreffende wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken vervangt de bepalingen over wederzijdse administratieve bijstand in de douaneovereenkomst.

4.   De partijen komen overeen dat geen enkele bepaling in deze overeenkomst hen verplicht te handelen op een wijze die in strijd is met hun verplichtingen uit hoofde van de WTO-overeenkomst.

Artikel 15.15

Territoriale toepassing

1.   Deze overeenkomst is van toepassing, enerzijds, op elk grondgebied waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing zijn, onder de in die verdragen neergelegde voorwaarden, en, anderzijds, op het grondgebied van Korea. Verwijzingen naar „grondgebied” in deze overeenkomst wordt in deze zin begrepen, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.

2.   Voor de bepalingen met betrekking tot de tariefbehandeling van goederen is deze overeenkomst ook van toepassing op gebieden die tot het douanegebied van de EU behoren maar niet onder lid 1 vallen.

Artikel 15.16

Authentieke teksten

Deze overeenkomst is opgesteld in tweevoud, in de volgende talen: Bulgaars, Deens, Duits, Engels, Ests, Fins, Frans, Grieks, Hongaars, Italiaans, Lets, Litouws, Maltees, Nederlands, Pools, Portugees, Roemeens, Sloveens, Slowaaks, Spaans, Tsjechisch, Zweeds en Koreaans, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek.

Съставено в Брюксел на шести октомври две хиляди и десета година.

Hecho en Bruselas, el seis de octubre de dos mil diez.

V Bruselu dne šestého října dva tisíce deset.

Udfærdiget i Bruxelles den sjette oktober to tusind og ti.

Geschehen zu Brüssel am sechsten Oktober zweitausendzehn.

Kahe tuhande kümnenda aasta oktoobrikuu kuuendal päeval Brüsselis.

Έγινε στις Βρυξέλλες, στις έξι Οκτωβρίου δύο χιλιάδες δέκα.

Done at Brussels on the sixth day of October in the year two thousand and ten.

Fait à Bruxelles, le six octobre deux mille dix.

Fatto a Bruxelles, addì sei ottobre duemiladieci.

Briselē, divi tūkstoši desmitā gada sestajā oktobrī.

Priimta du tūkstančiai dešimtų metų spalio šeštą dieną Briuselyje.

Kelt Brüsszelben, a kétezer-tizedik év október hatodik napján.

Magħmul fi Brussell, fis-sitt jum ta' Ottubru tas-sena elfejn u għaxra.

Gedaan te Brussel, de zesde oktober tweeduizend tien.

Sporządzono w Brukseli dnia szóstego października roku dwa tysiące dziesiątego.

Feito em Bruxelas, em seis de Outubro de dois mil e dez.

Întocmit la Bruxelles, la șase octombrie două mii zece.

V Bruseli dňa šiesteho októbra dvetisícdesať.

V Bruslju, dne šestega oktobra leta dva tisoč deset.

Tehty Brysselissä kuudentena päivänä lokakuuta vuonna kaksituhattakymmenen.

Som skedde i Bryssel den sjätte oktober tjugohundratio.

Image

Voor het Koninkrijk België

Pour le Royaume de Belgique

Für das Königreich Belgien

Image

Deze handtekening verbindt eveneens de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Cette signature engage également la Communauté française, la Communauté flamande, la Communauté germanophone, la Région wallonne, la Région flamande et la Région de Bruxelles-Capitale.

Diese Unterschrift bindet zugleich die Deutschsprachige Gemeinschaft, die Flämische Gemeinschaft, die Französische Gemeinschaft, die Wallonische Region, die Flämische Region und die Region Brüssel-Hauptstadt.

За Релублика Ъьлгария

Image

Za Českou republiku

Image

På Kongeriget Danmarks vegne

Image

Für die Bundesrepublik Deutschland

Image

Eesti Vabariigi nimel

Image

Thar cheann Na hÉireann

For Ireland

Image

Για την Ελληνική Δημοκρατία

Image

Por el Reino de España

Image

Pour la République française

Image

Per la Repubblica italiana

Image

Για την Κυπριακή Δημοκρατία

Image

Latvijas Republikas vārdā –

Image

Lietuvos Respublikos vardu

Image

Pour le Grand-Duché de Luxembourg

Image

A Magyar Köztársaság részéről

Image

Gћal Malta

Image

Voor het Koninkrijk der Nederlanden

Image

Für die Republik Österreich

Image

W imieniu Rzeczypospolitej Polskiej

Image

Pela República Portuguesa

Image

Pentru România

Image

Za Republiko Slovenijo

Image

Za Slovenskú republiku

Image

Suomen tasavallan puolesta

För Republiken Finland

Image

För Konungariket Sverige

Image

For the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland

Image

За Европейския сьюз

Por la Unión Europea

Za Evropskou unii

For Den Europæiske Union

Für die Europäische Union

Euroopa Liidu nimel

Για την Ευρωπαϊκή Ένωση

For the European Union

Pour l'Union européenne

Per l'Unione europea

Eiropas Savienības vārdā –

Europos Sajungos vardu

Az Európai Unió részéről

Għall-Unjoni Ewropea

Voor de Europese Unie

W imieniu Unii Europejskiej

Pela União Europeia

Pentru Uniunea Europeană

Za Európske úniu

Za Evropsko unijo

Euroopan unionin puolesta

För Europeiska unionen

Image

Image

Image

Image


(1)  In deze overeenkomst wordt onder goederen verstaan producten als bedoeld in de GATT 1994, tenzij in deze overeenkomst anders is bepaald.

(2)  De partijen zijn het erover eens dat deze definitie de behandeling door de partijen, in overeenstemming met de WTO-overeenkomst, van handel op basis van de meestbegunstigingsclausule, onverlet laat.

(3)  Een partij mag een importeur verzoeken om voldoende garantie te stellen in de vorm van een zekerheid, een borgsom of een ander passend instrument, waardoor de uiteindelijke betaling van de douanerechten, heffingen en vergoedingen in verband met de invoer van de goederen is gewaarborgd.

(4)  Het feit alleen dat voor natuurlijke personen afkomstig uit bepaalde landen wel en voor die uit andere landen niet een visum vereist is, wordt niet geacht voordelen op grond van een specifieke verbintenis in dit hoofdstuk en de bijlagen erbij teniet te doen of uit te hollen.

(5)  Onder hoofdbestuur wordt verstaan het hoofdkantoor waar de uiteindelijke besluitvorming plaatsvindt.

(6)  Overeenkomstig haar aanmelding van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bij de WTO (doc. WT/REG39/1) is volgens de EU het begrip „daadwerkelijke en voortdurende band” met de economie van een lidstaat van de Europese Unie, dat is neergelegd in artikel 48 van het Verdrag, gelijkwaardig aan het begrip „omvangrijke zakelijke transacties” in artikel V, lid 6, van de GATS. Dienovereenkomstig zal de EU aan een rechtspersoon die overeenkomstig de wetgeving van Korea is opgericht en alleen zijn statutaire zetel of hoofdbestuur op het grondgebied van Korea heeft, de uit deze overeenkomst voortvloeiende voordelen enkel toekennen indien die rechtspersoon een daadwerkelijke en duurzame band met de economie van Korea heeft.

(7)  Dit punt is niet van toepassing op het recht van vestiging.

(8)  Dat audiovisuele diensten van het toepassingsgebied van deze afdeling zijn uitgesloten, doet geen afbreuk aan rechten en verplichtingen die uit het Protocol betreffende culturele samenwerking voortvloeien.

(9)  Dit punt omvat tevens maatregelen waardoor aan een dienstverlener uit de andere partij voor grensoverschrijdende dienstverlening als voorwaarde wordt gesteld dat hij op het grondgebied van een partij een vestiging als bedoeld in artikel 7.9, onder a), heeft of daar ingezetene is.

(10)  Dit punt geldt niet voor maatregelen van een partij die de input voor de verlening van grensoverschrijdende diensten beperken.

(11)  Niets in dit artikel mag zodanig worden uitgelegd dat het toepassingsgebied van deze afdeling hierdoor wordt uitgebreid.

(12)  Onder „oprichting” en „overname” van een rechtspersoon wordt ook verstaan deelneming in het kapitaal van een rechtspersoon met het oogmerk duurzame economische banden tot stand te brengen of te handhaven.

(13)  Wanneer de economische activiteit niet rechtstreeks door een rechtspersoon maar door andere vestigingsvormen zoals een filiaal of een vertegenwoordig wordt uitgeoefend, wordt de investeerder met inbegrip van de rechtspersoon via deze vestiging niettemin behandeld overeenkomstig hetgeen in deze overeenkomst voor investeerders is voorzien. Een dergelijke behandeling wordt tevens toegekend aan de vestiging via welke de economische activiteit wordt uitgeoefend, maar hoeft niet te worden uitgebreid tot andere onderdelen van de investeerder die zich buiten het grondgebied waar de economische activiteit wordt uitgeoefend, bevinden.

(14)  Dit hoofdstuk is niet van toepassing op bescherming van investeringen, anders dan de behandeling ingevolge artikel 7.12, procedures voor de beslechting van geschillen tussen investeerders en staat daaronder begrepen.

(15)  Voor alle duidelijkheid: onder de verwerking van nucleair materiaal worden verstaan alle activiteiten die zijn vermeld in de „International Standard Industrial Classification of all Economic Activities”, zoals vastgesteld in „Statistical Office of the United Nations, Statistical Papers, Series M, No 4, ISIC REV 3.1, 2002, code 2330”.

(16)  Oorlogsmaterieel is beperkt tot producten die uitsluitend zijn bestemd en vervaardigd voor militair gebruik in verband met oorlogsvoering of defensieactiviteiten.

(17)  Dat audiovisuele diensten van het toepassingsgebied van deze afdeling zijn uitgesloten, doet geen afbreuk aan de rechten en verplichtingen die uit het Protocol betreffende culturele samenwerking voortvloeien.

(18)  De punten a) tot en met c) zijn niet van toepassing op maatregelen die de productie van een landbouwproduct beperken.

(19)  Dit artikel is van toepassing op maatregelen ten aanzien van de samenstelling van raden van bestuur van een vestiging, zoals nationaliteits- en woonplaatsvereisten.

(20)  Niets in dit artikel mag zodanig worden uitgelegd dat het toepassingsgebied van deze afdeling hierdoor wordt uitgebreid.

(21)  De in dit lid neergelegde verplichting geldt niet voor niet onder dit hoofdstuk vallende bepalingen inzake de bescherming van investeringen, bepalingen inzake procedures voor de beslechting van geschillen tussen investeerders en staat daaronder begrepen.

(22)  Dit omvat tevens dit hoofdstuk en de bijlagen 7-A en 7-C.

(23)  Van de ontvangende vestiging kan worden verlangd dat zij vooraf ter goedkeuring een opleidingsprogramma voor de volledige duur van het verblijf voorlegt, om aan te tonen dat het verblijf bedoeld is voor opleiding op het niveau van een universitaire graad.

(24)  Het in dit punt bedoelde dienstencontract moet in overeenstemming zijn met de wet- en regelgeving en de eisen van de partij waar het contract wordt uitgevoerd.

(25)  Het in dit punt bedoelde dienstencontract moet in overeenstemming zijn met de wet- en regelgeving en de eisen van de partij waar het contract wordt uitgevoerd.

(26)  Een partij kan toestaan dat de periode overeenkomstig de op haar grondgebied toepasselijke wet- en regelgeving wordt verlengd.

(27)  Het in dit lid bepaalde doet geen afbreuk aan de rechten en verplichtingen die uit bilaterale overeenkomsten tot afschaffing van de visumplicht tussen Korea en de lidstaten van de Europese Unie voortvloeien.

(28)  Tenzij in bijlage 7-A anders is bepaald, mag geen der partijen verlangen dat een vestiging op hogere managementposities natuurlijke personen benoemt die een bepaalde nationaliteit hebben of op haar grondgebied woonachtig zijn.

(29)  Het in dit artikel bepaalde doet geen afbreuk aan de rechten en verplichtingen die uit bilaterale overeenkomsten tot afschaffing van de visumplicht tussen Korea en de lidstaten van de Europese Unie voortvloeien.

(30)  Onder „CPC” wordt verstaan de „Central Products Classification”, zoals vastgesteld in „Statistical Office of the United Nations, Statistical Papers, Series M, Nr. 77, CPC prov, 1991”.

(31)  Voor alle duidelijkheid zij opgemerkt dat niets in dit artikel mag worden uitgelegd als dat daarmee, bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst, een wijziging wordt beoogd van het regelgevingskader van de huidige regelgevende instantie in Korea die regels stelt voor particuliere koeriersdiensten.

(32)  Deze omvatten diensten die zijn vermeld in 2. Communicatiediensten, onder C. Telecommunicatiediensten, categorieën a tot en met g, in de MTN/GNS/W/120.

(33)  Elk van beide partijen beslist over het toepassingsgebied en de uitvoering van universele diensten.

(34)  Tarieven voor het verlenen van vergunningen omvatten niet betalingen in verband met veiling, aanbesteding of andere niet-discriminerende middelen om concessies te verlenen, of verplichte bijdragen voor het verlenen van een universele dienst.

(35)  Dit punt treedt uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst in werking. Elk van beide partijen waarborgt dat vergoedingen voor vergunningen met de inwerkingtreding van deze overeenkomst op niet-discriminerende wijze worden geheven en toegepast.

(36)  Of „margin squeeze”, voor de EU.

(37)  Elk van beide partijen geeft aan deze verplichting uitvoering overeenkomstig haar desbetreffende regelgeving.

(38)  Voor geschillen tussen dienstverleners of tussen dienstverleners en gebruikers dient de beroepsinstantie onafhankelijk van de partijen in het geschil te zijn.

(39)  Een maatregel die wordt toegepast ten aanzien van in een partij gevestigde dienstverleners die niet door de financiële toezichthoudende autoriteit van die partij worden gereglementeerd en evenmin onder haar toezicht staan, wordt voor de toepassing van deze overeenkomst als prudentiële maatregel aangemerkt. Met het oog op de rechtszekerheid moet een dergelijke maatregel in overeenstemming met dit artikel worden getroffen.

(40)  Overeengekomen is dat de uitdrukking „prudentiële redenen” het handhaven van de veiligheid, degelijkheid, integriteit of financiële verantwoordelijkheid van individuele verleners van financiële diensten kan omvatten.

(41)  Met het oog op de rechtszekerheid betreft deze verbintenis de rechten en vrijheden die zijn vermeld in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, de Guidelines for the Regulation of Computerized Personal Data Files (aangenomen bij resolutie 45/95 van de Algemene Vergadering van de VN van 14 december 1990), en de OESO-richtsnoeren inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en van grensoverschrijdend verkeer van persoonsgegevens (aangenomen door de OESO-Raad op 23 september 1980).

(42)  De opname van de elektronische handel in dit hoofdstuk doet geen afbreuk aan het Koreaanse standpunt over de vraag of leveringen langs elektronische weg als handel in diensten of als handel in goederen moeten worden beschouwd.

(43)  De uitzondering betreffende de openbare orde mag slechts worden ingeroepen in geval van een daadwerkelijke en voldoende ernstige bedreiging van de fundamentele maatschappelijke belangen.

(44)  Maatregelen die bedoeld zijn om directe belastingen op billijke of doeltreffende wijze te kunnen opleggen en innen omvatten maatregelen die een partij op grond van zijn belastingstelsel neemt en die:

a)

van toepassing zijn op investeerders en dienstverleners die geen ingezetenen zijn, gezien het feit dat de fiscale verplichtingen van niet-ingezetenen worden vastgesteld op grond van belastbare feiten die hun oorsprong vinden of geschieden op het grondgebied van de partij;

b)

van toepassing zijn op niet-ingezetenen om ervoor te zorgen dat belastingen op het grondgebied van de partij kunnen worden opgelegd of geïnd;

c)

van toepassing zijn op niet-ingezetenen of ingezetenen ter voorkoming van belastingontwijking of -ontduiking, uitvoeringsbepalingen daaronder begrepen;

d)

van toepassing zijn op gebruikers van diensten die op of vanaf het grondgebied van de andere partij worden verleend, om ervoor te zorgen dat door die gebruikers verschuldigde belastingen die hun bron op het grondgebied van de partij hebben, kunnen worden opgelegd of geïnd;

e)

een onderscheid maken tussen enerzijds investeerders en dienstverleners die belastingplichtig zijn ter zake van wereldwijd belastbare feiten, en anderzijds andere investeerders en dienstverleners, gezien het verschil in de aard van de heffingsgrondslag tussen hen; of

f)

inkomen, winst, voordeel, verlies, aftrek of krediet van ingezeten personen of filialen, dan wel tussen gelieerde personen of filialen van dezelfde persoon vaststellen, toewijzen of omslaan, om de belastinggrondslag van de partij te behouden.

De belastingvoorwaarden of -concepten in dit lid en deze voetnoot worden vastgesteld volgens de belastingdefinities en -concepten, dan wel gelijkwaardige of soortgelijke definities en concepten van het nationale recht van de partij die de maatregel neemt.

(45)  Onder „ernstige moeilijkheden voor het monetair beleid of het wisselkoersbeleid” wordt onder meer begrepen: ernstige betalingsbalans- of externe financiële moeilijkheden, en de vrijwaringsmaatregelen krachtens dit artikel zijn niet van toepassing op buitenlandse directe investeringen.

(46)  De in dit artikel bedoelde vrijwaringsmaatregelen dienen met name zodanig te worden toegepast dat zij:

a)

niet tot confiscatie leiden;

b)

in de praktijk niet tot een duaal of meervoudig koersstelsel leiden;

c)

niet anderszins interfereren met het vermogen van de investeerder om een marktrendement te behalen op het grondgebied van de partij die vrijwaringsmaatregelen heeft genomen ten aanzien van de activa waarop de beperkingen zien;

d)

geen onnodig nadeel toebrengen aan de commerciële, economische en financiële belangen van de andere partij;

e)

van tijdelijke aard zijn en geleidelijk worden afgebouwd wanneer de situatie die tot dergelijke maatregelen noopt, verbetert; en

f)

door de voor het wisselkoersbeleid bevoegde autoriteiten onverwijld worden bekendgemaakt.

(47)  De Europese Unie of lidstaten van de Europese Unie of Korea.

(48)  Zolang de omstandigheden van het tijdstip waarop de vrijwaringsmaatregelen of daarmee gelijkwaardige maatregelen zijn genomen, voortduren, kan de toepassing van vrijwaringsmaatregelen door de betrokken partij met nog eens zes maanden worden verlengd. Indien een partij in uiterst uitzonderlijke omstandigheden de vrijwaringsmaatregelen nog verder wil verlengen, pleegt zij vooraf overleg met de andere partij over de tenuitvoerlegging van de voorgestelde verlenging.

(49)  Opgenomen in WTO Document negs 268 (Job No[1].8274) van 19 november 2007.

(50)  Voor de toepassing van dit lid is retransmissie op het grondgebied van een partij via een gesloten en welbepaald netwerk van abonnees dat niet toegankelijk is van buiten het grondgebied van de partij, geen retransmissie op internet.

(51)  In deze onderafdeling heeft „geografische aanduiding” betrekking op:

a)

geografische aanduidingen, oorsprongsbenamingen, in bepaalde gebieden voortgebrachte kwaliteitswijn en tafelwijn met een geografische aanduiding, zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006, Verordening (EG) nr. 110/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008, Verordening (EEG) nr. 1601/1991 van de Raad van 10 juni 1991, Verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad van 17 mei 1999 en Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007, of bepalingen die deze verordeningen vervangen, en

b)

geografische aanduidingen als bedoeld in de Wet op de kwaliteitscontrole van landbouwproducten (Wet nr. 9759 van 9 juni 2009) en de Wet op de alcoholbelasting (Wet nr. 8852 van 29 februari 2008) van Korea.

(52)  De bescherming van een geografische aanduiding krachtens deze onderafdeling doet geen afbreuk aan andere bepalingen in deze overeenkomst.

(53)  Wijn in de zin van deze onderafdeling is een product dat valt onder post 22.04 van het GS en dat:

a)

voldoet aan Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007, Verordening (EG) nr. 606/2009 van de Commissie van 10 juli 2009 en Verordening (EG) nr. 607/2009 van de Commissie van 14 juli 2009 of wetgeving ter vervanging daarvan, of

b)

voldoet aan de Wet op de kwaliteitscontrole van landbouwproducten (Wet nr. 9759 van 9 juni 2009) en de Wet op de alcoholbelasting (Wet nr. 8852 van 29 februari 2008) van Korea.

(54)  Gearomatiseerde wijn in de zin van deze onderafdeling is een product dat valt onder post 22.05 van het GS en dat:

a)

voldoet aan Verordening (EG) nr. 1601/1991 van de Raad van 10 juni 1991 of wetgeving ter vervanging daarvan, of

b)

voldoet aan de Wet op de kwaliteitscontrole van landbouwproducten (Wet nr. 9759 van 9 juni 2009) en de Wet op de alcoholbelasting (Wet nr. 8852 van 29 februari 2008) van Korea.

(55)  Gedistilleerde dranken in de zin van deze onderafdeling zijn producten die vallen onder post 22.08 van het GS en die:

a)

voldoen aan Verordening (EG) nr. 110/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 en Verordening (EEG) nr. 1014/90 van de Commissie van 24 april 1990, of wetgeving ter vervanging daarvan, of

b)

voldoen aan de Wet op de kwaliteitscontrole van landbouwproducten (Wet nr. 9759 van 9 juni 2009) en de Wet op de alcoholbelasting (Wet nr. 8852 van 29 februari 2008) van Korea.

(56)  Voor alle waren wordt „soortgelijke waren” uitgelegd overeenkomstig artikel 23, lid 1, van de TRIPs-overeenkomst betreffende het gebruik van een geografische aanduiding ter benoeming van wijnen voor wijnen die niet hun oorsprong hebben in de door de geografische aanduiding in kwestie aangeduide plaats, of van een geografische aanduiding ter benoeming van gedistilleerde dranken voor gedistilleerde dranken die niet hun oorsprong hebben in de door de geografische aanduiding in kwestie aangeduide plaats.

(57)  De partijen komen overeen om, indien een voorstel wordt gedaan door:

a)

Korea voor een product van oorsprong dat binnen het toepassingsgebied van de in artikel 10.18, lid 2, en de voetnoten bij artikel 10.19 genoemde wetgeving van de Europese Unie valt; of

b)

de Europese Unie voor een product van oorsprong dat binnen het toepassingsgebied van de in artikel 10.18, lid 1, en de voetnoten bij artikel 10.19 genoemde wetgeving van Korea valt,

om een oorsprongsbenaming aan deze overeenkomst toe te voegen, die door een van beide partijen door middel van een andere wet dan de wetten die bedoeld zijn in artikel 10.18, leden 1 en 2, en de voetnoten bij artikel 10.19 als geografische aanduiding in de zin van artikel 22, lid 1, van de TRIPs-overeenkomst is erkend, te onderzoeken of die geografische aanduiding krachtens deze onderafdeling aan deze overeenkomst kan worden toegevoegd.

(58)  Dit betreft wijzigingen van de geografische aanduiding als zodanig, met inbegrip van de naam en de productcategorie. Voor wijzigingen van specificaties zoals bedoeld in artikel 10.18, leden 3 en 4, of van de verantwoordelijke toezichtinstanties zoals bedoeld in artikel 10.18, lid 6, onder d), blijft alleen de partij bevoegd waaruit een geografische aanduiding van oorsprong is. Dergelijke wijzigingen kunnen ter informatie worden medegedeeld.

(59)  Voor een besluit tot beëindiging van de bescherming van een geografische aanduiding is alleen de partij bevoegd waaruit de geografische aanduiding van oorsprong is.

(60)  Korea beschouwt modellen niet als nieuw indien een identiek of soortgelijk model algemeen bekend of algemeen in bedrijf genomen was voordat de registratieaanvraag voor het model werd ingediend. Korea beschouwt modellen niet als origineel als zij eenvoudig hadden kunnen worden ontworpen aan de hand van combinaties van modellen die algemeen bekend of algemeen in bedrijf genomen waren voordat de registratieaanvraag voor het model werd ingediend. De Europese Unie beschouwt modellen niet als nieuw indien een identiek model algemeen beschikbaar was voor de datum van indiening van een geregistreerd model of voor de datum van openbaarmaking van een niet-geregistreerd model. Een model wordt volgens de Europese Unie niet geacht een eigen karakter te hebben als de algemene indruk die het bij de geïnformeerde gebruiker wekt, niet verschilt van de algemene indruk die bij die gebruiker wordt gewekt door een model dat algemeen beschikbaar is.

(61)  Voor de toepassing van dit artikel kennen de Europese Unie en Korea aan „niet-geregistreerd model” en „niet-geregistreerde verschijningsvorm” dezelfde betekenis toe. De voorwaarden voor bescherming van een „niet-geregistreerd model” of een „niet-geregistreerde verschijningsvorm” zijn vastgelegd:

a)

voor Korea, in de Wet ter voorkoming van oneerlijke concurrentie en ter bescherming van handelsgeheimen (Wet nr. 8767 van 21 december 2007);

b)

voor de Europese Unie, in Verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende Gemeenschapsmodellen, laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1891/2006 van de Raad van 18 december 2006.

(62)  Voor de toepassing van dit artikel wordt „aanbieden” door de Europese Unie beschouwd als „in de handel brengen” en door Korea als „overdragen, leasen of tentoonstellen met het oog op overdracht of lease”.

(63)  De bescherming van een model uit hoofde van de auteursrechtwetgeving wordt niet automatisch verleend, maar alleen als een model in overeenstemming met die wetgeving voor bescherming in aanmerking komt.

(64)  Zoals gedefinieerd in bijlage 2-D (Farmaceutische producten en medische hulpmiddelen).

(65)  Gewasbeschermingsmiddelen, in de vorm waarin zij aan de gebruiker worden geleverd, bestaan geheel of gedeeltelijk uit werkzame stoffen, beschermstoffen of synergisten, en zijn bestemd voor een van de volgende toepassingen:

a)

de bescherming van gewassen of plantaardige producten tegen alle schadelijke organismen of het verhinderen van de werking van dergelijke organismen, tenzij deze middelen worden beschouwd als middelen die vooral om hygiënische redenen worden gebruikt en niet ter bescherming van gewassen of plantaardige producten;

b)

het beïnvloeden van de levensprocessen van planten, zoals het beïnvloeden van hun groei, voor zover het niet gaat om nutritieve stoffen;

c)

conservering van plantaardige producten, voor zover die stoffen of producten niet onder bijzondere bepalingen van de Europese Unie inzake conserveermiddelen vallen;

d)

de vernietiging van ongewenste planten of delen van planten, met uitzondering van algen, tenzij de producten op de bodem of in water worden gebruikt ter bescherming van planten; of

e)

de beperking of voorkoming van de ongewenste groei van planten, met uitzondering van algen, tenzij de producten op de bodem of in water worden gebruikt ter bescherming van planten.

(66)  Dit laat een mogelijke verlenging voor pediatrisch gebruik onverlet, indien hierin door de partijen is voorzien.

(67)  Zoals gedefinieerd in bijlage 2-D (Farmaceutische producten en medische hulpmiddelen).

(68)  Zoals gedefinieerd in artikel 10.2, lid 2, onder a) tot en met h).

(69)  Voor de toepassing van dit lid wordt de reikwijdte van „tussenpersoon” bepaald door de wetgeving van elk van beide partijen, maar omvat deze in elk geval degene die de inbreuk makende goederen levert of distribueert, en naar gelang van het geval ook aanbieders van onlinediensten.

(70)  Voor de toepassing van dit lid wordt de reikwijdte van „tussenpersoon” bepaald door de wetgeving van elk van beide partijen, maar omvat deze in elk geval degene die de inbreuk makende goederen levert of distribueert, en naar gelang van het geval ook verstrekkers van onlinediensten.

(71)  De term „naburige rechten” wordt door elk van beide partijen gedefinieerd overeenkomstig haar internationale verplichtingen.

(72)  Met betrekking tot de in artikel 10.63 bedoelde functie wordt onder een aanbieder van diensten verstaan een aanbieder van de doorgifte of routering van of van verbindingen voor digitale onlinecommunicatie, tussen door de gebruiker gespecificeerde punten, van door de gebruiker gekozen materiaal, zonder wijziging van de inhoud, en met betrekking tot de in de artikelen 10.64 en 10.65 bedoelde functies wordt onder een aanbieder van diensten verstaan een aanbieder of exploitant van faciliteiten voor onlinediensten of netwerktoegang.

(73)  Er bestaat overeenstemming over het feit dat er geen verplichting bestaat om deze procedures toe te passen op de invoer van goederen die door de houder van het recht of met diens toestemming in een ander land in de handel worden gebracht.

(74)  „Douanevervoer, overslag en in een vrije zone brengen” zoals gedefinieerd in de Overeenkomst van Kyoto.

(75)  Voor Korea omvat „onder een schorsingsregeling brengen” tijdelijke invoer en fabrieksentrepots. Voor de Europese Unie omvat „onder een schorsingsregeling brengen” tijdelijke invoer, actieve veredeling en behandeling onder douanetoezicht.

(76)  Voor de toepassing van dit artikel wordt onder goederen waarmee een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht wordt gemaakt verstaan:

a)

nagemaakte goederen, namelijk:

i)

goederen, met inbegrip van hun verpakking, waarop zonder toestemming een handelsmerk is aangebracht dat identiek is aan het naar behoren geregistreerde handelsmerk voor dergelijke goederen of daarvan niet wezenlijk kan worden onderscheiden, en dat zodoende inbreuk maakt op de rechten van de houder van het betrokken merk;

ii)

beeldmerken (logo, etiket, sticker, prospectus, gebruiksaanwijzing of garantiebewijs), zelfs indien deze afzonderlijk worden aangeboden, waarvoor hetzelfde geldt als voor de onder a) i) bedoelde goederen;

iii)

afzonderlijk aangeboden verpakkingen waarop merken van nagemaakte goederen zijn aangebracht en waarvoor hetzelfde geldt als voor de onder i) bedoelde goederen;

b)

„onrechtmatig gereproduceerde goederen waarop een auteursrecht rust”, namelijk: goederen die kopieën zijn of bevatten, die zijn vervaardigd zonder toestemming van hetzij de houder van een al dan niet overeenkomstig de wetgeving van elk van beide partijen geregistreerd auteursrecht of naburig recht, hetzij een naar behoren door de houder van het recht gemachtigd persoon in het productieland;

c)

goederen die volgens de wetgeving van de partij waar het verzoek om optreden van de douane wordt ingediend, inbreuk maken op:

i)

een octrooi;

ii)

een kwekersrecht;

iii)

een geregistreerd model, of

iv)

een geografische aanduiding.

(77)  In elk geval met inbegrip van degene die eigenaar van de goederen is of degene die een soortgelijk recht heeft om over de goederen te beschikken.

(78)  De toepassing van dit artikel op onderling afgestemde feitelijke gedragingen wordt bepaald door de mededingingswetgeving van elk van de partijen.

(79)  Een partij verleent speciale rechten wanneer zij ondernemingen aanwijst die toestemming hebben goederen te leveren of diensten te verlenen of hun aantal tot twee of meer beperkt, zonder daarbij objectieve, evenredige en niet-discriminerende criteria aan te houden, of wanneer zij ondernemingen voordelen op wet- of regelgevingsgebied toekent die een grote invloed hebben op het vermogen van andere ondernemingen om dezelfde goederen te leveren of diensten te verlenen.

(80)  Discriminerende maatregelen zijn maatregelen die niet voldoen aan de bepalingen in deze overeenkomst inzake nationale behandeling, met inbegrip van de voorwaarden die worden bedoeld in de desbetreffende bijlagen bij deze overeenkomst.

(81)  De partijen komen overeen dat dit artikel alleen van toepassing is op subsidies die na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst worden ontvangen.

(82)  Voor de toepassing van deze overeenkomst geldt dit artikel voor subsidies aan kleine en middelgrote ondernemingen die worden gegeven volgens de objectieve criteria of voorwaarden zoals bedoeld in artikel 2, lid 1, onder b), van de SCM-overeenkomst en voetnoot 2 daarbij.

(83)  De internationale handel van de partijen omvat zowel de binnenlandse als de exportmarkt.

(84)  Wanneer in dit hoofdstuk wordt verwezen naar arbeid en werknemers, gaat het om kwesties die betrekking hebben op het in het kader van de Internationale Arbeidsorganisatie, hierna „de ILO” genoemd, overeengekomen Programma voor fatsoenlijk werk en de Ministeriële Verklaring van 2006 van de Economische en Sociale Raad van de VN over volledige werkgelegenheid en fatsoenlijk werk.

(85)  UNFCCC-besluit 1/CP.13, aangenomen tijdens de dertiende vergadering van de conferentie van de partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC).

(86)  Voor geschillen over het protocol betreffende culturele samenwerking worden alle verwijzingen in dit hoofdstuk naar het Handelscomité verstaan als verwijzingen naar het Comité voor culturele samenwerking.

(87)  Seizoensgebonden goederen zijn goederen die, gezien over een representatieve periode, niet het hele jaar door worden ingevoerd, maar door seizoensinvloeden alleen in specifieke perioden van het jaar.

(88)  Zoals in het protocol betreffende culturele samenwerking is uiteengezet, is het Handelscomité niet bevoegd voor dat protocol; het Comité voor culturele samenwerking oefent ten aanzien van dat protocol alle functies van het Handelscomité uit, voor zover die functies van belang zijn voor de uitvoering van dat protocol.

LIJST VAN BIJLAGEN

Bijlage 1 bij Hoofdstuk Een

Opzettelijk blanco gelaten

Bijlage 2-A bij Hoofdstuk Twee

Afschaffing van douanerechten

Bijlage 2-B bij Hoofdstuk Twee

Elektronica

Bijlage 2-C bij Hoofdstuk Twee

Motorvoertuigen en delen

Bijlage 2-D bij Hoofdstuk Twee

Farmaceutische producten en medische hulpmiddelen

Bijlage 2-E bij Hoofdstuk Twee

Chemische stoffen

Bijlage 3 bij Hoofdstuk Drie

Landbouwvrijwaringsmaatregelen

Bijlage 4 bij Hoofdstuk Vier

TBT-coördinator

Bijlage 5 bij Hoofdstuk Vijf

Opzettelijk blanco gelaten

Bijlage 6 bij Hoofdstuk Zes

Opzettelijk blanco gelaten

Bijlage 7-A bij Hoofdstuk Zeven

Lijst van verbintenissen

Bijlage 7-B bij Hoofdstuk Zeven

Meestbegunstigingsvrijstelling

Bijlage 7-C bij Hoofdstuk Zeven

Lijst van meestbegunstigingsvrijstellingen

Bijlage 7-D bij Hoofdstuk Zeven

Aanvullende verbintenis inzake financiële diensten

Bijlage 8 bij Hoofdstuk Acht

Opzettelijk blanco gelaten

Bijlage 9 bij Hoofdstuk Negen

BOT-contracten en concessies voor openbare werken

Bijlage 10-A bij Hoofdstuk Tien

Geografische aanduidingen voor landbouwproducten en levensmiddelen

Bijlage 10-B bij Hoofdstuk Tien

Geografische aanduidingen voor wijnen, gearomatiseerdewijnen en gedistilleerde dranken

Bijlage 11 bij Hoofdstuk Elf

Opzettelijk blanco gelaten

Bijlage 12 bij Hoofdstuk Twaalf

Opzettelijk blanco gelaten

Bijlage 13 bij Hoofdstuk Dertien

Samenwerking inzake handel en duurzame ontwikkeling

Bijlage 14-A bij Hoofdstuk Veertien

Bemiddelingsmechanisme voor niet-tarifaire maatregelen

Bijlage 14-B bij Hoofdstuk Veertien

Procedureregels voor arbitrage

Bijlage 14-C bij Hoofdstuk Veertien

Gedragscode voor leden van arbitragepanels en bemiddelaars

Bijlage 15 bij Hoofdstuk Vijftien

Opzettelijk blanco gelaten

BIJLAGE 1

Opzettelijk blanco gelaten

BIJLAGE 2-A

AFSCHAFFING VAN DOUANERECHTEN

1.

Tenzij in de in deze bijlage opgenomen lijst van een partij anderszins is bepaald, geschiedt de afschaffing van de douanerechten door elk van beide partijen ingevolge artikel 2.5, lid 1, overeenkomstig de volgende afbouwcategorieën:

a)

de douanerechten op goederen van oorsprong waarop in de lijst van een partij afbouwcategorie 0 van toepassing is, worden volledig afgeschaft, zodat die goederen op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst vrij van alle douanerechten zijn;

b)

de douanerechten op goederen van oorsprong waarop in de lijst van een partij afbouwcategorie 2 van toepassing is, worden afgebouwd in drie gelijke jaarlijkse stappen, waarvan de eerste op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst plaatsheeft, zodat die goederen nadien vrij van alle douanerechten zijn;

c)

de douanerechten op goederen van oorsprong waarop in de lijst van een partij afbouwcategorie 3 van toepassing is, worden afgebouwd in vier gelijke jaarlijkse stappen, waarvan de eerste op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst plaatsheeft, zodat die goederen nadien vrij van alle douanerechten zijn (1);

d)

de douanerechten op goederen van oorsprong waarop in de lijst van een partij afbouwcategorie 5 van toepassing is, worden afgebouwd in zes gelijke jaarlijkse stappen, waarvan de eerste op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst plaatsheeft, zodat die goederen nadien vrij van alle douanerechten zijn;

e)

de douanerechten op goederen van oorsprong waarop in de lijst van een partij afbouwcategorie 6 van toepassing is, worden afgebouwd in zeven gelijke jaarlijkse stappen, waarvan de eerste op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst plaatsheeft, zodat die goederen nadien vrij van alle douanerechten zijn;

f)

de douanerechten op goederen van oorsprong waarop in de lijst van een partij afbouwcategorie 7 van toepassing is, worden afgebouwd in acht gelijke jaarlijkse stappen, waarvan de eerste op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst plaatsheeft, zodat die goederen nadien vrij van alle douanerechten zijn;

g)

de douanerechten op goederen van oorsprong waarop in de lijst van een partij afbouwcategorie 10 van toepassing is, worden afgebouwd in elf gelijke jaarlijkse stappen, waarvan de eerste op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst plaatsheeft, zodat die goederen nadien vrij van alle douanerechten zijn;

h)

de douanerechten op goederen van oorsprong waarop in de lijst van een partij afbouwcategorie 12 van toepassing is, worden afgebouwd in dertien gelijke jaarlijkse stappen, waarvan de eerste op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst plaatsheeft, zodat die goederen nadien vrij van alle douanerechten zijn;

i)

de douanerechten op goederen van oorsprong waarop in de lijst van een partij afbouwcategorie 13 van toepassing is, worden afgebouwd in veertien gelijke jaarlijkse stappen, waarvan de eerste op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst plaatsheeft, zodat die goederen nadien vrij van alle douanerechten zijn;

j)

de douanerechten op goederen van oorsprong waarop in de lijst van een partij afbouwcategorie 15 van toepassing is, worden afgebouwd in zestien gelijke jaarlijkse stappen, waarvan de eerste op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst plaatsheeft, zodat die goederen nadien vrij van alle douanerechten zijn;

k)

de douanerechten op goederen van oorsprong waarop in de lijst van een partij afbouwcategorie 18 van toepassing is, worden afgebouwd in negentien gelijke jaarlijkse stappen, waarvan de eerste op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst plaatsheeft, zodat die goederen nadien vrij van alle douanerechten zijn;

l)

de douanerechten op goederen van oorsprong waarop in de lijst van een partij afbouwcategorie 20 van toepassing is, worden afgebouwd in 21 gelijke jaarlijkse stappen, waarvan de eerste op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst plaatsheeft, zodat die goederen nadien vrij van alle douanerechten zijn;

m)

de douanerechten op goederen van oorsprong waarop in de lijst van een partij afbouwcategorie 10-A van toepassing is, worden op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst verlaagd met vijf procent van het basistarief. De douanerechten zullen op de eerste dag van jaar drie met nog eens vijf procent van het basistarief worden verlaagd, op de eerste dag van jaar vier met nog eens zeven procent van het basistarief en op de eerste dag van jaar vijf en jaar zes met telkens nog eens zeven procent van het basistarief. Op de eerste dag van jaar zeven zullen de douanerechten worden verlaagd met nog eens 10 procent van het basistarief, en op de eerste dag van jaar acht met nog eens 10 procent van het basistarief. Op de eerste dag van jaar negen zullen de douanerechten worden verlaagd met nog eens 12 procent van het basistarief, op de eerste dag van jaar tien met nog een 17 procent van het basistarief en op de eerste dag van jaar elf met nog eens 20 procent van het basistarief, zodat die goederen nadien vrij van alle douanerechten zijn;

n)

de douanerechten op goederen van oorsprong waarop in de lijst van een partij afbouwcategorie 10-B van toepassing is, worden op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst verlaagd tot 20 procent ad valorem, en blijven gedurende jaar twee 20 procent ad valorem. Vanaf de eerste dag van jaar drie worden de douanerechten afgebouwd in negen gelijke jaarlijkse stappen, zodat die goederen nadien vrij van alle douanerechten zijn;

o)

de douanerechten op goederen van oorsprong waarop in de lijst van een partij afbouwcategorie 12-A van toepassing is, blijven gedurende de jaren een tot en met negen gehandhaafd op het basistarief. Vanaf de eerste dag van jaar tien worden de douanerechten afgebouwd in vier gelijke jaarlijkse stappen, zodat die goederen nadien vrij van alle douanerechten zijn;

p)

de douanerechten op goederen van oorsprong waarop in de lijst van een partij afbouwcategorie 16-A van toepassing is, worden in zestien gelijke jaarlijkse stappen, waarvan de eerste op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst plaatsheeft, verlaagd tot 30 procent ad valorem, zodat die goederen vanaf de eerste dag van jaar zeventien vrij van alle douanerechten zijn;

q)

ten aanzien van de douanerechten op goederen van oorsprong waarop afbouwcategorie S-A van toepassing is, gelden de volgende bepalingen:

i)

voor goederen die Korea tussen 1 mei en 15 oktober binnenkomen, worden de douanerechten afgebouwd in achttien gelijke jaarlijkse stappen, waarvan de eerste op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst plaatsheeft, zodat die goederen nadien vrij van alle douanerechten zijn, en

ii)

voor goederen die Korea tussen 16 oktober en 30 april binnenkomen, worden de douanerechten op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst verlaagd tot 24 precent ad valorem en blijven zij gedurende jaar twee 24 precent ad valorem. Vanaf de eerste dag van jaar drie worden de douanerechten afgebouwd in vier gelijke jaarlijkse stappen, zodat die goederen nadien vrij van alle douanerechten zijn;

r)

ten aanzien van de douanerechten op goederen van oorsprong waarop afbouwcategorie S-B van toepassing is, gelden de volgende bepalingen:

i)

voor goederen die Korea tussen 1 september en de laatste dag van februari binnenkomen, worden de douanerechten op het basistarief gehandhaafd, en

ii)

voor goederen die Korea tussen 1 maart en 31 augustus binnenkomen, worden de douanerechten op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst verlaagd tot 30 precent ad valorem en blijven zij gedurende jaar twee 30 precent ad valorem. Vanaf de eerste dag van jaar drie worden de douanerechten afgebouwd in zes gelijke jaarlijkse stappen, zodat die goederen nadien vrij van alle douanerechten zijn;

s)

de douanerechten op goederen van oorsprong waarop afbouwcategorie E van toepassing is, worden op het basistarief gehandhaafd;

t)

voor artikelen waarop afbouwcategorie X van toepassing is, gelden de verplichtingen met betrekking tot de douanerechten in deze overeenkomst niet. Geen enkele bepaling van deze overeenkomst is van invloed op de rechten en verplichtingen van Korea met betrekking tot zijn uitvoering van de verbintenissen uit hoofde van WTO-document WT/Let/492 (Certificering van wijzigingen en rectificaties op lijst LX van de Republiek Korea) van 13 april 2005 en de wijzigingen daarvan.

2.

Het basistarief en de afbouwcategorie ter bepaling van het tussentijdse douanerecht voor een bepaald artikel na elke stap ter verlaging van het recht worden in de lijst van elk van beide partijen voor dat artikel aangegeven.

3.

De douanerechten na elke stap worden naar beneden afgerond, ten minste tot het dichtstbij zijnde tiende van een percentpunt of, indien het douanerecht in monetaire eenheden is uitgedrukt, ten minste tot het dichtstbij zijnde tiende van een eurocent voor de EU en de dichtstbij zijnde Koreaanse won voor Korea.

4.

Voor de toepassing van deze bijlage en de lijst van een partij gaat elke jaarlijkse verlaging in op de eerste dag van het desbetreffende jaar zoals gedefinieerd in punt 5.

5.

Voor de toepassing van deze bijlage en aanhangsel 2-A-1 betekent:

a)

jaar een, de periode van 12 maanden die begint op de datum waarop deze overeenkomst in werking treedt;

b)

jaar twee, de periode van 12 maanden die begint op de eerste verjaardag van de inwerkingtreding van deze overeenkomst;

c)

jaar drie, de periode van 12 maanden die begint op de tweede verjaardag van de inwerkingtreding van deze overeenkomst;

d)

jaar vier, de periode van 12 maanden die begint op de derde verjaardag van de inwerkingtreding van deze overeenkomst;

e)

jaar vijf, de periode van 12 maanden die begint op de vierde verjaardag van de inwerkingtreding van deze overeenkomst;

f)

jaar zes, de periode van 12 maanden die begint op de vijfde verjaardag van de inwerkingtreding van deze overeenkomst;

g)

jaar zeven, de periode van 12 maanden die begint op de zesde verjaardag van de inwerkingtreding van deze overeenkomst;

h)

jaar acht, de periode van 12 maanden die begint op de zevende verjaardag van de inwerkingtreding van deze overeenkomst;

i)

jaar negen, de periode van 12 maanden die begint op de achtste verjaardag van de inwerkingtreding van deze overeenkomst;

j)

jaar 10, de periode van 12 maanden die begint op de negende verjaardag van de inwerkingtreding van deze overeenkomst;

k)

jaar 11, de periode van 12 maanden die begint op de 10e verjaardag van de inwerkingtreding van deze overeenkomst;

l)

jaar 12, de periode van 12 maanden die begint op de 11e verjaardag van de inwerkingtreding van deze overeenkomst;

m)

jaar 13, de periode van 12 maanden die begint op de 12e verjaardag van de inwerkingtreding van deze overeenkomst;

n)

jaar 14, de periode van 12 maanden die begint op de 13e verjaardag van de inwerkingtreding van deze overeenkomst;

o)

jaar 15, de periode van 12 maanden die begint op de 14e verjaardag van de inwerkingtreding van deze overeenkomst;

p)

jaar 16, de periode van 12 maanden die begint op de 15e verjaardag van de inwerkingtreding van deze overeenkomst;

q)

jaar 17, de periode van 12 maanden die begint op de 16e verjaardag van de inwerkingtreding van deze overeenkomst;

r)

jaar 18, de periode van 12 maanden die begint op de 17e verjaardag van de inwerkingtreding van deze overeenkomst;

s)

jaar 19, de periode van 12 maanden die begint op de 18e verjaardag van de inwerkingtreding van deze overeenkomst;

t)

jaar 20, de periode van 12 maanden die begint op de 19e verjaardag van de inwerkingtreding van deze overeenkomst; en

u)

jaar 21, de periode van 12 maanden die begint op de 20e verjaardag van de inwerkingtreding van deze overeenkomst.

TARIEFLIJST VAN KOREA

Algemeen

1.

Verband met de geharmoniseerde tarieflijst van Korea (HSK). De bepalingen van deze lijst komen in het algemeen overeen met de HSK; voor de interpretatie ervan gelden, evenals voor de producten die onder de onderverdelingen van deze lijst vallen, de algemene aantekeningen op de HSK en de aantekeningen op de afdelingen en hoofdstukken van de HSK. Voor zover de bepalingen van deze lijst identiek zijn aan de overeenkomstige bepalingen van de HSK, hebben zij dezelfde betekenis als die overeenkomstige bepalingen van de HSK.

2.

Basisdouanerchten. De in deze lijst genoemde basisdouanerechten zijn die van de door Korea toegepaste tarieven voor de meest begunstigde landen, zoals die van kracht waren op 6 mei 2007.

Tarieflijst van Korea

HSK 2007

Omschrijving

Basistarief

Afbouwcategorie

Vrijwaring

0101101000

Paarden (voor fokkerijen)

0

0

 

0101109000

Andere

8

5

 

0101901010

Renpaarden

8

5

 

0101901090

Andere

8

5

 

0101909000

Andere

8

10

 

0102101000

Melkkoeien

89,1

0

 

0102102000

Mestrunderen

89,1

0

 

0102109000

Andere

89,1

0

 

0102901000

Melkkoeien

40

15

 

0102902000

Mestrunderen

40

15

 

0102909000

Andere

0

0

 

0103100000

Fokdieren van zuiver ras

18

0

 

0103910000

Met een gewicht van minder dan 50 kg

18

10

 

0103920000

Met een gewicht van 50 kg of meer

18

10

 

0104101000

Fokdieren van zuiver ras

0

0

 

0104109000

Andere

8

0

 

0104201000

Melkgeiten

8

10

 

0104209000

Andere

8

0

 

0105111000

Fokdieren van zuiver ras

9

0

 

0105119000

Andere

9

0

 

0105120000

Kalkoenen

9

0

 

0105191010

Fokdieren van zuiver ras

0

0

 

0105191090

Andere

18

0

 

0105199000

Andere

9

0

 

0105941000

Fokdieren van zuiver ras

9

0

 

0105949000

Andere

9

3

 

0105991010

Fokdieren van zuiver ras

0

0

 

0105991090

Andere

18

0

 

0105992000

Kalkoenen

9

0

 

0105999000

Andere

9

0

 

0106110000

Primaten

8

0

 

0106120000

Walvissen, dolfijnen en bruinvissen (zoogdieren van de orde Cetacea); lamantijnen en doejongs (zoogdieren van de orde Sirenia)

8

0

 

0106191000

Honden

8

3

 

0106192010

Fokdieren van zuiver ras

0

0

 

0106192090

Andere

8

0

 

0106193000

Herten

8

10

 

0106194000

Beren

8

0

 

0106195010

Fokdieren van zuiver ras

0

0

 

0106195090

Andere

8

0

 

0106196010

Fokdieren van zuiver ras

0

0

 

0106196090

Andere

8

0

 

0106199000

Andere

8

0

 

0106201000

Slangen

8

0

 

0106202000

Zoetwaterschildpadden

8

3

 

0106203000

Andere schildpadden

8

0

 

0106209000

Andere

8

0

 

0106310000

Roofvogels

8

5

 

0106320000

Psittaciformes (papegaaiachtigen) (papegaaien, parkieten, ara’s en kaketoes daaronder begrepen)

8

5

 

0106390000

Andere

8

0

 

0106901000

Amfibieën

8

0

 

0106902010

Honingbijen

8

5

 

0106902090

Andere

8

0

 

0106903010

Zeepieren

8

0

 

0106903020

Wormen van de soort Tubifex tubifex

8

0

 

0106903090

Andere

8

0

 

0106909000

Andere

8

3

 

0201100000

Hele en halve dieren

40

15

zie bijlage 3

0201200000

Andere delen, met been

40

15

zie bijlage 3

0201300000

Zonder been

40

15

zie bijlage 3

0202100000

Hele en halve dieren

40

15

zie bijlage 3

0202200000

Andere delen, met been

40

15

zie bijlage 3

0202300000

Zonder been

40

15

zie bijlage 3

0203110000

Hele en halve dieren

22,5

5

 

0203120000

Hammen en schouders, alsmede delen daarvan, met been

22,5

5

 

0203191000

Buikspek van varkens

22,5

10

zie bijlage 3

0203199000

Andere

22,5

10

zie bijlage 3

0203210000

Hele en halve dieren

25

5

 

0203220000

Hammen en schouders, alsmede delen daarvan, met been

25

5

 

0203291000

Doorregen varkensvlees

25

10

 

0203299000

Andere

25

5

 

0204100000

Hele en halve lammeren, vers of gekoeld

22,5

10

 

0204210000

Hele en halve dieren

22,5

10

 

0204220000

Andere delen, met been

22,5

10

 

0204230000

Zonder been

22,5

10

 

0204300000

Hele en halve lammeren, bevroren

22,5

10

 

0204410000

Hele en halve dieren

22,5

10

 

0204420000

Andere delen, met been

22,5

10

 

0204430000

Zonder been

22,5

10

 

0204501000

Vers of gekoeld

22,5

10

 

0204502000

Bevroren

22,5

10

 

0205001000

Vers of gekoeld

27

10

 

0205002000

Bevroren

27

10

 

0206100000

Van runderen, vers of gekoeld

18

15

 

0206210000

Tongen

18

15

 

0206220000

Levers

18

15

 

0206291000

Staarten

18

15

 

0206292000

Poten

18

15

 

0206299000

Andere

18

15

 

0206300000

Van varkens, vers of gekoeld

18

7

 

0206410000

Levers

18

5

 

0206491000

Poten

18

6

 

0206499000

Andere

18

5

 

0206800000

Andere, vers of gekoeld

18

15

 

0206900000

Andere, bevroren

18

15

 

0207111000

Met een gewicht van niet meer dan 550 g

18

12

 

0207119000

Andere

18

12

 

0207121000

Met een gewicht van niet meer dan 550 g

20

12

 

0207129000

Andere

20

10

 

0207131010

Dijen

18

10

 

0207131020

Borsten

18

10

 

0207131030

Vleugels

18

10

 

0207131090

Andere

18

10

 

0207132010

Levers

22,5

10

 

0207132090

Andere

27

10

 

0207141010

Dijen

20

10

 

0207141020

Borsten

20

13

 

0207141030

Vleugels

20

13

 

0207141090

Andere

20

10

 

0207142010

Levers

22,5

10

 

0207142090

Andere

27

10

 

0207240000

Niet in stukken gesneden, vers of gekoeld

18

10

 

0207250000

Niet in stukken gesneden, bevroren

18

7

 

0207261000

Delen

18

10

 

0207262010

Levers

22,5

10

 

0207262090

Andere

27

10

 

0207271000

Delen

18

7

 

0207272010

Levers

22,5

10

 

0207272090

Andere

27

10

 

0207320000

Niet in stukken gesneden, vers of gekoeld

18

10

 

0207330000

Niet in stukken gesneden, bevroren

18

13

 

0207340000

Vette levers (foies gras), vers of gekoeld

22,5

10

 

0207351000

Delen

18

10

 

0207352010

Levers

22,5

10

 

0207352090

Andere

27

10

 

0207361000

Delen

18

13

 

0207362010

Levers

22,5

7

 

0207362090

Andere

27

10

 

0208100000

Van konijnen of van hazen

22,5

10

 

0208300000

Van primaten

18

5

 

0208400000

Van walvissen, van dolfijnen of van bruinvissen (zoogdieren van de orde Cetacea); van lamantijnen of van doejongs (zoogdieren van de orde Sirenia)

30

3

 

0208500000

Van reptielen (slangen en schildpadden daaronder begrepen)

18

0

 

0208901000

Van herten

27

10

 

0208909010

Van zeedieren

30

3

 

0208909090

Andere

18

10

 

0209001000

Varkensvet

3

0

 

0209002000

Vet van gevogelte

3

0

 

0210110000

Hammen en schouders, alsmede delen daarvan, met been

25

5

 

0210120000

Buiken (buikspek) en delen daarvan

30

5

 

0210190000

Andere

25

5

 

0210201000

Gedroogd of gerookt

27

15

 

0210209000

Andere

27

15

 

0210910000

Van primaten

22,5

10

 

0210920000

Van walvissen, van dolfijnen of van bruinvissen (zoogdieren van de orde Cetacea); van lamantijnen of van doejongs (zoogdieren van de orde Sirenia)

22,5

10

 

0210930000

Van reptielen (slangen en schildpadden daaronder begrepen)

22,5

10

 

0210991010

Van runderen

22,5

15

 

0210991020

Van varkens

22,5

5

 

0210991030

Van pluimvee

22,5

10

 

0210991090

Andere

22,5

10

 

0210999010

Vlees van schapen of van geiten

22,5

10

 

0210999020

Vlees van pluimvee

22,5

10

 

0210999090

Andere

22,5

10

 

0301101000

Koikarpers

10

0

 

0301102000

Tropische vis

10

3

 

0301109000

Andere

10

3

 

0301911000

Salmo trutta, Oncorhynchus mykiss, Oncorhynchus clarki, Oncorhynchus aguabonita, Oncorhynchus gilae

10

7

 

0301912000

Oncorhynchus apache en Oncorhynchus chrysogaster

10

7

 

0301921000

Glasaal (voor aquicultuur)

0

0

 

0301929000

Andere

30 % of 1 908 won/kg indien dit meer is

10

 

0301930000

Karper

10

0

 

0301940000

Gewone of blauwvintonijn (Thunnus thynnus)

10

3

 

0301950000

Zuidelijke blauwvintonijn (Thunnus maccoyii)

10

3

 

0301992000

Geelstaart

10

3

 

0301994010

Pootvis (voor de aquicultuur)

0

0

 

0301994090

Andere

40 % of 2 781 won/kg indien dit meer is

10

 

0301995000

Kongeraal

10

5

 

0301996000

Zaagtandaal

10

5

 

0301997000

Slijmprikken van de soort Eptatretus burgeri

10

3

 

0301998000

Platvis

10

10

 

0301999010

Tandbaarzen van de soort Epinephelus septemfasciatus

10

3

 

0301999020

Egelvis

10

5

 

0301999030

Tilapia

10

0

 

0301999040

Vis van de soort Sebastes borealis (m.i.v. Pacifische roodbaars)

10

5

 

0301999051

Pootvis (voor de aquicultuur)

0

0

 

0301999059

Andere

38

5

 

0301999060

Harder

10

5

 

0301999070

Modderkruiper

10

3

 

0301999080

Meerval

10

3

 

0301999091

Groenling (Hexagrammos spp., Agrammus spp.)

10

3

 

0301999092

Kroeskarper

10

3

 

0301999093

Zalm

10

5

 

0301999094

Graskarper

10

0

 

0301999095

Ombervis

36

10

 

0301999099

Andere

10

10

 

0302111000

Salmo trutta, Oncorhynchus mykiss, Oncorhynchus clarki, Oncorhynchus aguabonita, Oncorhynchus gilae

20

10

 

0302112000

Oncorhynchus apache en Oncorhynchus chrysogaster

20

10

 

0302120000

Pacifische zalm (Oncorhynchus nerka, Oncorhynchus gorbuscha, Oncorhynchus keta, Oncorhynchus tschawytscha, Oncorhynchus kisutch, Oncorhynchus masou en Oncorhynchus rhodurus), Atlantische zalm (Salmo salar) en Donauzalm (Hucho hucho)

20

5

 

0302190000

Andere

20

5

 

0302210000

Heilbot (Reinhardtius hippoglossoides, Hippoglossus hippoglossus, Hippoglossus stenolepis)

20

10

 

0302220000

Schol (Pleuronectes platessa)

20

10

 

0302230000

Tong (Solea spp.)

20

10

 

0302290000

Andere

20

10

 

0302310000

Witte tonijn (Thunnus alalunga)

20

3

 

0302320000

Geelvintonijn (Thunnus albacares)

20

3

 

0302330000

Boniet

20

3

 

0302340000

Grootoogtonijn (Thunnus obesus)

20

3

 

0302350000

Gewone of blauwvintonijn (Thunnus thynnus)

20

0

 

0302360000

Zuidelijke blauwvintonijn (Thunnus maccoyii)

20

0

 

0302390000

Andere

20

3

 

0302400000

Haring (Clupea harengus, Clupea pallasii), met uitzondering van levers, hom en kuit

20

5

 

0302500000

Kabeljauw (Gadus morhua, Gadus ogac, Gadus macrocephalus), met uitzondering van levers, hom en kuit

20

10

 

0302610000

Sardines (Sardina pilchardus, Sardinops spp.), sardinella’s (Sardinella spp.) en sprot (Sprattus sprattus)

20

5

 

0302620000

Schelvis (Melanogrammus aeglefinus)

20

5

 

0302630000

Koolvis (Pollachius virens)

20

0

 

0302640000

Makreel (Scomber scombrus, Scomber australasicus, Scomber japonicus)

20

10

 

0302650000

Haai

20

3

 

0302660000

Paling of aal (Anguilla spp.)

20

10

 

0302670000

Zwaardvis (Xiphias gladius)

20

3

 

0302680000

Antarctische diepzeeheek (Dissostichus spp.)

20

5

 

0302691000

Alaskakoolvis

20

10

 

0302692000

Geelstaart

20

5

 

0302693000

Haarstaart

20

10

 

0302694000

Zeebrasem

20

10

 

0302695000

Kongeraal

20

10

 

0302696000

Zaagtandaal

20

5

 

0302697000

Horsmakreel

20

10

 

0302698000

Makreelgeep (m.i.v. vis van de soort Hyporhampus sajori)

20

0

 

0302699010

Spaanse makreel

20

10

 

0302699020

Egelvis

20

7

 

0302699030

Braam

20

5

 

0302699040

Zeeduivel

20

10

 

0302699090

Andere

20

10

 

0302701000

Levers

20

3

 

0302702000

Hom en kuit

20

3

 

0303110000

Rode zalm (Oncorhynchus nerka)

10

5

 

0303190000

Andere

10

5

 

0303210000

Forel (Salmo trutta, Oncorhynchus mykiss, Oncorhynchus clarki, Oncorhynchus aguabonita, Oncorhynchus gilae, Oncorhynchus apache en Oncorhynchus chrysogaster)

10

10

 

0303220000

Atlantische zalm (Salmo salar) en Donauzalm (Hucho hucho)

10

5

 

0303290000

Andere

10

5

 

0303310000

Heilbot (Reinhardtius hippoglossoides, Hippoglossus hippoglossus, Hippoglossus stenolepis)

10

10

 

0303320000

Schol (Pleuronectes platessa)

10

10

 

0303330000

Tong (Solea spp.)

10

10

 

0303390000

Andere

10

Zie aanhangsel 2-A-1, punt 5

 

0303410000

Witte tonijn (Thunnus alalunga)

10

3

 

0303420000

Geelvintonijn (Thunnus albacares)

10

3

 

0303430000

Boniet

10

3

 

0303440000

Grootoogtonijn (Thunnus obesus)

10

3

 

0303450000

Gewone of blauwvintonijn (Thunnus thynnus)

10

0

 

0303460000

Zuidelijke blauwvintonijn (Thunnus maccoyii)

10

3

 

0303490000

Andere

10

3

 

0303510000

Haring (Clupea harengus, Clupea pallasii)

10

7

 

0303520000

Kabeljauw (Gadus morhua, Gadus ogac, Gadus macrocephalus)

10

10

 

0303610000

Zwaardvis (Xiphias gladius)

10

3

 

0303620000

Antarctische diepzeeheek (Dissostichus spp.)

10

3

 

0303710000

Sardines (Sardina pilchardus, Sardinops spp.), sardinella’s (Sardinella spp.) en sprot (Sprattus sprattus)

10

10

 

0303720000

Schelvis (Melanogrammus aeglefinus)

10

5

 

0303730000

Koolvis (Pollachius virens)

10

0

 

0303740000

Makreel (Scomber scombrus, Scomber australasicus, Scomber japonicus)

10

12-A

 

0303750000

Haai

10

5

 

0303760000

Paling of aal (Anguilla spp.)

10

10

 

0303770000

Zeebaars (Dicentrarchus labrax, Dicentrarchus punctatus)

10

10

 

0303780000

Heek (Merluccius spp., Urophycis spp.)

10

10

 

0303791000

Alaskakoolvis

30

E

 

0303792000

Zandvis

10

5

 

0303793000

Haarstaart

10

10

 

0303794010

Vis van de soort Branchiostegus japonicus

10

5

 

0303794090

Andere

10

10

 

0303795000

Kongeraal

10

10

 

0303796000

Ombervis van de soort Larimichthys polyactis

10

10

 

0303797000

Horsmakreel

10

10

 

0303798000

Makreelgeep (m.i.v. vis van de soort Hyporhampus sajori)

34

10

 

0303799010

Spaanse makreel

10

10

 

0303799020

Egelvis

10

10

 

0303799030

Spiering

10

5

 

0303799040

Vis van de soort Sebastolobus macrochir

10

0

 

0303799050

Zonnevis

10

3

 

0303799060

Atkamakreel

10

3

 

0303799070

Vis van de soort Sebastes borealis (m.i.v. Pacifische roodbaars)

10

10-A

 

0303799080

Blauwe grenadier of hoki

10

7

 

0303799091

Zeeduivel

10

10

 

0303799092

Slijmprik (Pacifische, Atlantische)

10

7

 

0303799093

Rog van het geslacht Bathyraja spp.

10

10

 

0303799094

Bandeng of melkvis

10

0

 

0303799095

Ombervis

57

E

 

0303799096

Rog van de soort Raja tongu

10

10

 

0303799097

Zandspiering

10

10

 

0303799098

Tandvis, andere dan Dissostichus spp.

10

3

 

0303799099

Andere

10

10

 

0303801000

Levers

10

5

 

0303802010

Van Alaskakoolvis

10

5

 

0303802090

Andere

10

5

 

0304111000

Filets

20

3

 

0304112000

Surimi

20

3

 

0304119000

Andere

20

3

 

0304121000

Filets

20

5

 

0304122000

Surimi

20

5

 

0304129000

Andere

20

5

 

0304191010

Filets

20

10

 

0304191020

Surimi

20

5

 

0304191090

Andere

20

5

 

0304192010

Filets

20

10

 

0304192020

Surimi

20

3

 

0304192090

Andere

20

3

 

0304193010

Filets

20

0

 

0304193020

Surimi

20

3

 

0304193090

Andere

20

3

 

0304199010

Filets

20

5

 

0304199020

Surimi

20

5

 

0304199090

Andere

20

5

 

0304210000

Zwaardvis (Xiphias gladius)

10

3

 

0304220000

Antarctische diepzeeheek (Dissostichus spp.)

10

3

 

0304291000

Van Alaskakoolvis

10

10

 

0304292000

Van kongeraal

10

10

 

0304293000

Van kabeljauw

10

10

 

0304294000

Van schol

10

10

 

0304295000

Van rode tonijn

10

3

 

0304296000

Van tandvis, andere dan Dissostichus spp.

10

3

 

0304297000

Van tilapia

10

0

 

0304298000

Van vijlvis

10

3

 

0304299000

Andere

10

5

 

0304911000

Bevroren surimi

10

3

 

0304919000

Andere

10

3

 

0304921000

Bevroren surimi

10

5

 

0304929000

Andere

10

5

 

0304991010

Bevroren surimi

10

3

 

0304991090

Andere

10

3

 

0304999010

Bevroren surimi

10

5

 

0304999090

Andere

10

5

 

0305100000

Meel, poeder en pellets, van vis, geschikt voor menselijke consumptie

20

3

 

0305201000

Levers

20

3

 

0305202000

Hom en kuit, gedroogd

20

3

 

0305203000

Hom en kuit, gerookt

20

3

 

0305204010

Van Alaskakoolvis

20

5

 

0305204020

Van ombervis van de soort Larimichthys polyactis

20

3

 

0305204030

Van haring

20

5

 

0305204090

Andere

20

3

 

0305301000

Gedroogd

20

3

 

0305302000

Gezouten of gepekeld

20

3

 

0305410000

Pacifische zalm (Oncorhynchus nerka, Oncorhynchus gorbuscha, Oncorhynchus keta, Oncorhynchus tschawytscha, Oncorhynchus kisutch, Oncorhynchus masou en Oncorhynchus rhodurus), Atlantische zalm (Salmo salar) en Donauzalm (Hucho hucho)

20

5

 

0305420000

Haring (Clupea harengus, Clupea pallasii)

20

3

 

0305491000

Ansjovis

20

5

 

0305492000

Alaskakoolvis

20

3

 

0305499000

Andere

20

3

 

0305510000

Kabeljauw (Gadus morhua, Gadus ogac, Gadus macrocephalus)

20

10

 

0305591000

Haaienvinnen

20

5

 

0305592000

Ansjovis

20

10

 

0305593000

Alaskakoolvis

20

3

 

0305594000

Ombervis van de soort Larimichthys polyactis

20

10

 

0305595000

Egelvis

20

0

 

0305596000

Zaagtandaal

20

3

 

0305597000

Zandspiering

20

5

 

0305598000

Botervis of slijmvis, m.i.v. jonge vis van de soort Enedrias nebulosus

20

0

 

0305599000

Andere

20

5

 

0305610000

Haring (Clupea harengus, Clupea pallasii)

20

3

 

0305620000

Kabeljauw (Gadus morhua, Gadus ogac, Gadus macrocephalus)

20

5

 

0305631000

Zoute gefermenteerde ansjovis

20

10

 

0305639000

Andere

20

5

 

0305691000

Zalm

20

5

 

0305692000

Forel

20

10

 

0305693000

Haarstaart

20

5

 

0305694000

Sardines

20

3

 

0305695000

Makreel

20

10

 

0305696000

Ombervis van de soort Larimichthys polyactis

20

10

 

0305697000

Horsmakreel

20

10

 

0305698000

Makreelgeep (m.i.v. vis van de soort Hyporhampus sajoris)

20

0

 

0305699000

Andere

20

3

 

0306110000

Langoesten (Palinurus spp., Panulirus spp., Jasus spp.)

20

3

 

0306120000

Zeekreeften (Homarus spp.)

20

3

 

0306131000

Gepeld

20

5

 

0306139000

Andere

20

10

 

0306141000

Krabvlees

20

10

 

0306142000

Koningskrabben

20

3

 

0306143000

Blauwe krabben

14

10

 

0306149000

Andere

14

10

 

0306190000

Andere, daaronder begrepen meel, poeder en pellets, van schaaldieren, geschikt voor menselijke consumptie

20

10

 

0306210000

Langoesten (Palinurus spp., Panulirus spp., Jasus spp.)

20

3

 

0306220000

Zeekreeften (Homarus spp.)

20

3

 

0306231000

Levend, vers of gekoeld

20

3

 

0306232000

Gedroogd

20

3

 

0306233000

Gezouten of gepekeld

50 % of 363 won/kg indien dit meer is

10

 

0306241010

Blauwe krabben

20

10

 

0306241020

Sneeuwkrabben

20

10

 

0306241090

Andere

20

10

 

0306242000

Gedroogd

20

5

 

0306243000

Gezouten of gepekeld

20

10

 

0306291000

Levend, vers of gekoeld

20

10

 

0306292000

Gedroogd

20

10

 

0306293000

Gezouten of gepekeld

20

5

 

0307101011

Voor de kweek

0

0

 

0307101019

Andere

5

3

 

0307101090

Andere

20

5

 

0307102000

Bevroren

20

5

 

0307103000

Gedroogd

20

5

 

0307104000

Gezouten of gepekeld

20

3

 

0307210000

Levend, vers of gekoeld

20

10

 

0307291000

Bevroren

20

10

 

0307292000

Gedroogd

20

10

 

0307293000

Gezouten of gepekeld

20

3

 

0307310000

Levend, vers of gekoeld

20

7

 

0307391000

Bevroren

20

10

 

0307392000

Gedroogd

20

10

 

0307399000

Andere

20

5

 

0307411000

Inktvis

10

5

 

0307412000

Pijlinktvis

10

10

 

0307491010

Inktvis

10

10

 

0307491020

Pijlinktvis

22

E

 

0307492000

Gezouten of gepekeld

10

10

 

0307493000

Gedroogd

10

10

 

0307511000

Inktvis van de soort Octopus variabilis

20

7

 

0307512000

Inktvis van de soort Octopus membranaceus

20

10

 

0307519000

Andere

20

10

 

0307591010

Achtarmige inktvis

20

10

 

0307591020

Inktvis van de soort Octopus variabilis

20

10

 

0307591030

Inktvis van de soort Octopus membranaceus

20

10

 

0307591090

Andere

20

3

 

0307592000

Gedroogd

20

10

 

0307599000

Andere

20