23.5.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 145/7


NOTULEN VAN DE VERGADERING VAN WOENSDAG 23 NOVEMBER 2011

2012/C 145/03

Inhoud

1.

Urgent onderwerp nr. 2: De gevolgen van de Arabische lente voor buurlanden ten zuiden van de Sahara …

2.

Beknopte verslagen uit de werkgroepen …

3.

Verslag van de economische en sociale partners …

4.

Verklaring van Oryem Henry Okello, staatssecretaris van Internationale Zaken, minister van Buitenlandse Zaken (Oeganda), fungerend voorzitter van de ACS-Raad …

5.

Verklaring van Krzysztof Stanowski, vicestaatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking (Polen), fungerend voorzitter van de EU-Raad …

6.

Vragenuur - Raad …

7.

Debat met de Raad – catch-the-eye …

8.

Goedkeuring van de notulen van dinsdag 22 november 2011, ochtend en middag …

9.

Stemming over de ontwerpresoluties opgenomen in de door de drie vaste commissies opgestelde verslagen …

10.

Stemming over dringende ontwerpresoluties …

11.

Stemming over amendementen op het reglement van de PPV …

12.

Rondvraag …

13.

Datum en plaats van de 23ste bijeenkomst van de Paritaire Parlementaire Vergadering …

Bijlage I

Alfabetische lijst van de leden van de Paritaire Parlementaire Vergadering …

Bijlage II

Presentielijst van de 22ste bijeenkomst van 21 t/m 23 mei 2011 in Lomé (Togo) …

Bijlage III

Accreditering van vertegenwoordigers die geen parlementslid zijn …

Bijlage IV

Aangenomen teksten …

Resolutie over de gevolgen van het Verdrag van Lissabon voor het ACS-EU-partnerschap (ACP-EU/101.082/11/def.) …

Resolutie over de gevolgen van de schuld voor de ontwikkelingsfinanciering in de ACS-landen (ACP-EU/101.079/11/def.) …

Resolutie over de integratie van personen met een handicap in de ontwikkelingslanden (ACP-EU/100.954/11/def.) …

Resolutie over de gevolgen van de Arabische lente voor buurlanden ten zuiden van de Sahara (ACP-EU/101.111/11/def.) …

Resolutie over de voedselcrisis in de Hoorn van Afrika, vooral in Somalië (ACP-EU/101.112/11/def.) …

NOTULEN VAN DE VERGADERING VAN WOENSDAG 23 NOVEMBER 2011

(De vergadering wordt om 9.00 uur geopend.)

VOORZITTER: Assarid IMBARCAOUANE

Covoorzitter

1.   Urgent onderwerp nr. 2: De gevolgen van de Arabische lente voor buurlanden ten zuiden van de Sahara

José Costa Pereira (EEAS) leidt het debat in.

Sprekers: Bobbo Hamatoukour (Kameroen), Mariya Nedelcheva, Teshome Toga (Ethiopië), Véronique De Keyser, Olle Schmidt, Gabriele Zimmer, Francesco Enrico Speroni, Edit Bauer, Assarid Imbarcaouane (Mali), Zita Gurmai, Frank Engel, Younoussa Tondy (Niger), Edward Scicluna, Zuzana Roithova, Makhosini Hlongwane (Zimbabwe) en Sérgio de Sousa Mendes dos Santos (Angola).

De gebeurtenissen van 2011 in Noord-Afrika en het Midden-Oosten hebben politieke, economische en sociale gevolgen gehad voor de ACS-landen en Europa. Er wordt steun betuigd aan het voortgaande democratische overgangsproces in de regio.

2.   Beknopte verslagen uit de werkgroepen

De rapporteurs presenteren hun verslagen over de drie werkgroepen:

 

Eleni Theocharus: Energie-uitdagingen voor ontwikkelingslanden: vooruitzichten voor de toekomst

 

Toegang tot energie in ontwikkelingslanden is niet alleen cruciaal geweest voor het realiseren van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling, maar ook voor het uitvoeren van ontwikkelingsstrategieën op nationaal en internationaal niveau.

 

Attiat Mustafa Abdelhaleim Ahmed (Soedan): Volksgezondheidsproblemen: malaria en de sociaaleconomische invloed daarvan

 

Alles is in het werk gesteld om malaria te voorkomen, naar het is nog steeds nodig om op grotere schaal geïmpregneerde netten uit te delen; vrouwen en kinderen blijven de prioriteit.

 

Zita Gurmai: Participatieve benadering van jongeren voor het ontwikkelingsproces: strategie voor armoedebestrijding en verlaging van de jeugdwerkloosheid

 

De Arabische lente heeft laten zien hoe belangrijk het is om in te gaan op de legitieme ambities van jongeren.

 

Spreker: Patrick Gamedze (Swaziland).

3.   Verslag van de economische en sociale partners

Brenda King, voorzitter van het ACS-begeleidingscomité van het Europees Economisch en Sociaal Comité, geeft een presentatie.

Sprekers: Domenico Rosa (Europese Commissie), Michael Gahler, Komi Selom Klassou (Togo), Ali Soubaneh Atteye (Djibouti), Michèle Striffler, Boniface Yehouetome (Benin), Ibrahim Bundu (Sierra Leone), Miguel Angel Martínez Martínez, Véronique De Keyser en Brenda King.

De ontwikkeling van een sociale dialoog, vrouwenrechten, voedselzekerheid en toegang tot energie moeten bovenaan de agenda worden geplaatst.

4.   Verklaring van Oryem Henry Okello, staatssecretaris van Internationale Zaken, minister van Buitenlandse Zaken (Oeganda), fungerend voorzitter van de ACS-Raad

Oryem Henry Okello voert het woord, waarbij hij vooral aandacht heeft voor de lopende onderhandelingen over de economische partnerschapsovereenkomsten, de bekrachtiging van de tweede herziening van de Overeenkomst van Cotonou, het plan van de Europese Unie om de suikerquota voor de ACS-landen te beëindigen en de COP 17 UNFCCC-vergadering in Durban.

5.   Verklaring van Krzysztof Stanowski, adjunct-staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking (Polen), fungerend voorzitter van de EU-Raad

Krzysztof Stanowski voert het woord, waarbij hij aandacht heeft voor de rol van de Paritaire Parlementaire Vergadering als platform voor de noord-zuid- en de zuid-zuiddialoog, de vergadering in Durban, het Vierde Forum op hoog niveau over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp in Busan, en de toezegging van de Europese Unie om, ondanks de economische en financiële crisis, samen te werken met de ACS-partners.

6.   Vragenuur - Raad

Oryem Henry Okello geeft antwoord op de volgende vragen en aanvullende vragen:

 

Vraag nr. 1 van Norbert Neuser over de universele toegang tot energie.

 

Vraag nr. 2 van Olle Schmidt over Dawik Isaak, die tien jaar gevangen zit.

 

Vraag nr. 3 van Michael Cashman (vervangen door Jutta Haug) over de bekrachtiging van de tweede herziening van de Overeenkomst van Cotonou.

 

Vraag nr. 4 van Catherine Bearder (vervangen door Olle Schmidt) over de niet-duurzame en illegale jacht op wilde dieren.

Krzysztof Stanowski geeft antwoord op de volgende vragen en aanvullende vragen:

 

Vraag nr. 13 van Filip Kaczmarek over de universele toegang tot energie.

 

Vraag nr. 5 van Assarid Ag Imbarcaouane (Mali) over de toekomst van het volgende EOF en het financiële protocol.

 

Vraag nr. 6 van Amadou Ciré Sall (Senegal) over de Ministeriële Conferentie van de WTO in december 2011 en de concrete resultaten voor de minst ontwikkelde landen.

 

Vraag nr. 7 van Olle Schmidt over de stand van zaken van de mensenrechten in Eritrea.

 

Vraag nr. 8 van Horst Schnellhardt over de politisering van humanitaire hulp.

 

Vraag nr. 9 van Michael Cashman (vervangen door Jutta Haug) over de bekrachtiging van de tweede herziening van de Overeenkomst van Cotonou.

 

Vraag nr. 10 van Gabriele Zimmer over het verwerven en pachten van grond in ontwikkelingslanden.

 

Vraag nr. 11 wordt niet beantwoord omdat de vraagsteller niet aanwezig is.

 

Vraag nr. 12 van Catherine Bearder (vervangen door Olle Schmidt) over het illegaal vervoeren van giftig afval vanuit de EU naar ACS-landen.

 

Vraag nr. 14 van Fiona Hall (vervangen door Olle Schmidt) over COP17 in Durban.

 

Vraag nr. 15 van Jo Leinen (vervangen door Jutta Haug) over de klimaatonderhandelingen in Durban.

7.   Debat met de Raad – catch-the-eye

Sprekers: Musikari Kombo (Kenia), Alfred Sanou (Boerkina Faso), Hamadaou Sylla (Mali), Ismael El Hag Musa (Soedan), Eunice Kazembe (Malawi), Musa Hussein Naib (Eritrea), Charles W. Kakoma (Zambia), Patrick Gamedze (Swaziland), Makhosini Hlongwane (Zimbabwe), Mohammed Mukhtar Ahmed (Nigeria) en Michèle Rivasi.

Oryem Henry Okello en Krzysztof Stanowski beantwoorden de vragen over onderwerpen die uiteenlopen van economische partnerschapsovereenkomsten, toegang tot energie en klimaatverandering tot de noodsituatie in de Hoorn van Afrika.

(De vergadering wordt om 12.30 uur geschorst en om 15.00 hervat)

VOORZITTER: Louis MICHEL

Covoorzitter

8.   Goedkeuring van de notulen van dinsdag 22 november 2011, ochtend en middag

De notulen worden goedgekeurd.

9.   Stemming over de ontwerpresoluties opgenomen in de door de drie vaste commissies opgestelde verslagen

De covoorzitter herinnert de Vergadering aan de stemprocedures.

De gevolgen van het Verdrag van Lissabon voor het ACS-EU-partnerschap (ACP-EU/101.082/11/def.)

Verslag van Raphael Mangouala (Gabon) en Mariya Nedelcheva

Commissie politieke zaken

Aangenomen amendement: 1.

Verworpen amendementen: 2, 3 en overweging O.

De aldus gewijzigde resolutie wordt met algemene stemmen aangenomen.

De gevolgen van de schuld voor de ontwikkelingsfinanciering in de ACS-landen (ACP-EU/101.079/11/def.)

Verslag van Amadou Ciré Sall (Senegal) en Robert Sturdy

Commissie economische ontwikkeling, financiën en handel

Aangenomen amendementen: 1, 2, paragraaf 9 (1ste gedeelte).

Verworpen amendement: paragraaf 9 (2de gedeelte).

De aldus gewijzigde resolutie wordt met algemene stemmen bij 1 onthouding aangenomen.

De integratie van personen met een handicap in de ontwikkelingslanden (ACP-EU/100.954/11/def.)

Verslag van Musikari Kombo (Kenia) en Catherine Bearder

Commissie sociale zaken en milieu

Aangenomen amendementen: 1, paragraaf 4 (1ste en 2ste gedeelte), 2 en 3.

Verworpen amendement: paragraaf 4 (3de gedeelte).

De aldus gewijzigde resolutie wordt met algemene stemmen aangenomen.

10.   Stemming over dringende ontwerpresoluties

Dringende ontwerpresolutie over de voedselcrisis in de Hoorn van Afrika, vooral in Somalië (ACP-EU/101.112/11/def.)

Aangenomen amendement: 1.

De aldus gewijzigde resolutie wordt met algemene stemmen aangenomen.

Dringende ontwerpresolutie over de gevolgen van de Arabische lente voor buurlanden ten zuiden van de Sahara (ACP-EU/101.111/11/def.)

Aangenomen amendementen: 1, 2, 3, 5 (met mondeling amendement), paragraaf 9 (met mondeling amendement), 7.

Verworpen amendementen: 4, paragraaf 13.

Ingetrokken amendement: 6.

De aldus gewijzigde resolutie wordt met algemene stemmen aangenomen.

11.   Stemming over amendementen op het reglement van de PPV

Assarid Imbarcaouane (covoorzitter) vraagt – namens de Parlementaire Vergadering ACS – officieel om de stemming uit te stellen om de inhoud van de amendementen beter te kunnen bestuderen. Na overleg tussen de twee covoorzitters wordt de stemming uitgesteld.

12.   Rondvraag

De covoorzitter deelt mede dat Musikari Kombo (Kenia) vanaf 24 november 2011 aangesteld is als de volgende ACS-covoorzitter van de PPV.

Spreker: Musikari Kombo (Kenia).

De covoorzitter informeert de Vergadering over twee gezamenlijke verklaringen van de covoorzitters die zijn aangenomen na besluiten van het Bureau, de ene over de toestand in Somalië en de andere over de situatie van de mensenrechten in Eritrea.

Sprekers: Mussa Hussein Naib (Eritrea), Zuzana Roithová en Louis Michel.

Assarid Imbarcaouane (covoorzitter) deelt mede dat de ACS-Vergadering een steunverklaring aan Louis Michel heeft aangenomen naar aanleiding van de poging om een smaadschrift van de Alliance nationale pour le changement (ANC) uit te delen.

Sprekers: Miguel Angel Martínez Martínez, Jutta Haug en Louis Michel.

13.   Datum en plaats van de 23ste bijeenkomst van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU

De covoorzitter dankt de Togolese autoriteiten voor hun gastvrijheid en de uitstekende organisatie. Komi Selom Klassou (ondervoorzitter van de Nationale Vergadering van Togo) dankt de leden voor hun actieve bijdrage.

De Vergadering neemt een minuut stilte in acht als eerbetoon aan de op 22 november 2011 overleden Danielle Mitterrand.

De 23ste bijeenkomst van de PPV vindt plaats van 28 t/m 30 mei 2012 in Horsens (Denemarken). Camilla Sorensen (vertegenwoordigster van de Deense regering) informeert de leden over de voortgang van de voorbereidingen.

Rabindre T. Parmessar (Suriname) laat de Vergadering weten dat het Caribisch gebied in de derde week van december een besluit zal nemen over de plaats van de 24ste bijeenkomst.

(De vergadering wordt om 16.00 uur gesloten)

Assarid Ag IMBARCAOUANE en

Louis MICHEL

Covoorzitters

Mohamed Ibn CHAMBAS en

Luis Marco AGUIRIANO NALDA

Cosecretarissen-generaal


BIJLAGE I

ALFABETISCHE LIJST VAN DE LEDEN VAN DE PARITAIRE PARLEMENTAIRE VERGADERING

Vertegenwoordigers ACS

Vertegenwoordigers EP

ASSARID IMBARCAOUANE (MALI), waarnemend covoorzitter

MICHEL, covoorzitter

BOTSWANA (OV)

ARIF (OV)

BOEROENDI (OV)

ŠŤASTNÝ (OV)

KAMEROEN (OV)

HOARAU (OV)

CONGO (Republiek) (OV)

KLAß (OV)

GUYANA (OV)

McAVAN (OV)

COOKEILANDEN (OV)

NICHOLSON (OV)

JAMAICA (OV)

RONZULLI (OV)

LESOTHO (OV)

GOERENS (OV)

LIBERIA (OV)

SPERONI (OV)

TANZANIA (OV)

ROITHOVÁ (OV)

TUVALU (OV)

OUZKÝ (OV)

ZAMBIA (OV)

RIVASI (OV)

ZUID-AFRIKA

ALFONSI

ANGOLA

ALVES

ANTIGUA EN BARBUDA

BAUER

BAHAMAS

BEARDER

BARBADOS

BOVÉ

BELIZE

BULLMANN

BENIN

CALLANAN

BOERKINA FASO

CARVALHO

KAAPVERDIË

CASA

COMOREN

CASINI

CONGO (Democratische Republiek)

CASPARY

IVOORKUST

CASTEX

DJIBOUTI

CHRISTENSEN

DOMINICA

COELHO

ERITREA

DE KEYSER

ETHIOPIË

DE MITA

FIJI

DE SARNEZ

GABON

DELVAUX

GAMBIA

DURANT

GHANA

ENGEL

GRENADA

ESTARÀS FERRAGUT

GUINEE

FERREIRA, Elisa

GUINEE-BISSAU

FERREIRA, João

EQUATORIAAL-GUINEA

FORD

HAÏTI

GAHLER

MARSHALLEILANDEN (Republiek der)

GRIESBECK

SALOMONSEILANDEN

GUERRERO SALOM

KENIA

HALL

KIRIBATI

HÄNDEL

MADAGASCAR

HANNAN

MALAWI

HAUG

MAURITIUS

JENSEN

MAURITANIË

JOLY

MICRONESIA (Federale Staten van)

KACZMAREK

MOZAMBIQUE

KIIL-NIELSEN

NAMIBIË

KORHOLA

NAURU (Republiek)

KUHN

NIGER

LE PEN

NIGERIA

LEGUTKO

NIUE

LÓPEZ AGUILAR

OEGANDA

MANDERS

PALAU

MARTIN

PAPOEA-NIEUW-GUINEA

MARTÍNEZ MARTÍNEZ

CENTRAAL-AFRIKAANSE REPUBLIEK

MATO ADROVER

DOMINICAANSE REPUBLIEK

MAYER

RWANDA

McMILLAN-SCOTT

SAINT KITTS EN NEVIS

MITCHELL

SAINT LUCIA

MOREIRA

SAINT VINCENT EN DE GRENADINES

NEDELCHEVA

SAMOA

NEUSER

SAO TOMÉ EN PRINCIPE

ROSSI

SENEGAL

SCHLYTER

SEYCHELLEN

SCHMIDT

SIERRA LEONE

SCHNELLHARDT

SOMALIË

SCICLUNA

SOEDAN

SCOTTÀ

SURINAME

SENYSZYN

SWAZILAND

STRIFFLER

TSJAAD

STURDY

OOST-TIMOR

TIROLIEN

TOGO

TOIA

TONGA

VLASÁK

TRINIDAD EN TOBAGO

WIELAND

VANUATU

ZANICCHI

ZIMBABWE

ZIMMER

COMMISSIE POLITIEKE ZAKEN

ACS-leden

EP-leden

JEAN MARIE (SAINT LUCIA) covoorzitter

CASA, covoorzitter

TAMAPUA (SAMOA), OV

KORHOLA, OV

YEHOUETOME (BENIN), OV

CASTEX, OV

ANTIGUA EN BARBUDA

ALFONSI

IBOVI (CONGO, Republiek)

CALLANAN

IVOORKUST

CASINI

ATEYE (DJIBOUTI)

DE KEYSER

TOGA (ETHIOPIË)

DURANT

FIJI

FERREIRA, Elisa

ROGOMBE (GABON)

GAHLER

GUINEE-BISSAU

GRIESBECK

GUYANA

HANNAN

BEAUPLAN (HAÏTI)

HÄNDEL

LEBAJOA (LESOTHO)

KACZMAREK

KOLLIE (LIBERIA)

LE PEN

SERAMILA (MADAGASCAR)

LÓPEZ AGUILAR

IMBARCAOUANE (MALI)

MANDERS

VAN DER WALT (NAMIBIË)

MARTÍNEZ MARTÍNEZ

NAURU

MOREIRA

NIUE

NEDELCHEVA

PAPOEA-NIEUW-GUINEA

NICHOLSON

CENTRAAL-AFRIKAANSE REPUBLIEK

ROITHOVÁ

MUSA (SOEDAN)

SCHMIDT

PARMESSAR (SURINAME)

SPERONI

KLASSOU (TOGO)

STRIFFLER

HLONGWANE (ZIMBABWE)

WIELAND

COMMISSIE ECONOMISCHE ONTWIKKELING, FINANCIËN EN HANDEL

ACS-leden

EP-leden

CONGO (Democratische Republiek), covoorzitter

CARVALHO, covoorzitter

OULANYAH (OEGANDA), OV

LEGUTKO, OV

SIERRA LEONE, OV

ALVES, OV

KLOPPER (ZUID-AFRIKA)

ARIF

DE SOUSA MENDES DO SANTOS (ANGOLA)

BOVÉ

BAHAMAS

BULLMANN

BELIZE

CASPARY

NAIB (ERITREA)

ENGEL

BANDUA (GHANA)

FORD

EQUATORIAAL-GUINEA

GOERENS

COOKEILANDEN

GUERRERO SALOM

JAMAICA

HOARAU

KAZEMBE (MALAWI)

JENSEN

DEERPALSING (MAURITIUS)

KUHN

OULD GUELAYE (MAURITANIË)

MARTIN

MUKHTAR AHMED (NIGERIA)

MATO ADROVER

PALAU

MAYER

POLISI (RWANDA)

McMILLAN-SCOTT

SAINT KITTS EN NEVIS

MICHEL

SLATER (SAINT VINCENT EN DE GRENADINES)

MITCHELL

SAO TOMÉ EN PRINCIPE

SCHLYTER

SALL (SENEGAL)

ŠŤASTNÝ

POOL (SEYCHELLEN)

SCICLUNA

TONGA

STURDY

LEVELU (TUVALU)

TIROLIEN

KAKOMA (ZAMBIA)

ZANICCHI

COMMISSIE SOCIALE ZAKEN EN MILIEU

ACS-leden

EP-leden

SITHOLE (MOZAMBIQUE), covoorzitter

RIVASI, covoorzitter

KOMBO (KENYA), OV

BAUER, OV

NOEL (GRENADA), OV

SCHNELLARDT, OV

THOMPSON (BARBADOS)

BEARDER

MOTSHOME (BOTSWANA)

CHRISTENSEN

SANOU (BOERKINA FASO)

COELHO

KARERWA (BOEROENDI)

DELVAUX

HAMATOUKOUR (KAMEROEN)

DE MITA

KAAPVERDIË

DE SARNEZ

COMOREN

ESTARÀS FERRAGUT

DOMINICA

FERREIRA, João

BALDEH (GAMBIA)

HALL

GUINEE-BISSAU

HAUG

MARSHALLEILANDEN

KILL-NIELSEN

SALOMONSEILANDEN

JOLY

KIRIBATI

KLAß

MICRONESIA (Federale Staten van)

McAVAN

TONDYI (NIGER)

NEUSER

JÍMENES (DOMINICAANSE REPUBLIEK)

OUZKÝ

SOMALIË

RONZULLI

GAMEDZE (SWAZILAND)

ROSSI

NDUGAI (TANZANIA)

SCOTTÀ

WEIDOU (TSJAAD)

SENYSZYN

OOST-TIMOR

TOIA

TRINIDAD EN TOBAGO

VLASÁK

BUTUSOL (VANUATU)

ZIMMER


BIJLAGE II

PRESENTIELIJST VAN DE BIJEENKOMST VAN 21 T/M 23 NOVEMBER

IN LOMÉ (TOGO)

ASSARID IMBARCAOUANE (MALI), waarnemend covoorzitter

MICHEL, covoorzitter

KLOPPER (Zuid-Afrika) (1)

DOS SANTOS (Angola)

THOMPSON (Barbados)

YEHOUETOME (Benin)

MOTSHOME (Botswana) (OV) (1)

SANOU (Boerkina Faso)

KARERWA (Boeroendi) (OV)

HAMATOUKOUR (Kameroen) (OV)

MBUKU LAKA (Congo, Democratische Republiek)

IBOVI (Congo, Republiek) (OV)

SOUBANEH ATTEYE (Djibouti)

NAIB (Eritrea)

TOGA (Ethiopië)

VOCEA (Fiji) (1)

ROGOMBE (Gabon)

BALDEH (Gambia)

BANDUA (Ghana)

NOEL (Grenada)

BEAUPLAN (Haïti)

KOMBO (Kenia)

LEBAJOA (Lesotho) (OV)

KOLLIE (Liberia) (OV)

KAZEMBE (Malawi)

ASSARID IMBARCAOUANE (Mali) (OV)

DEERPALSING (Mauritius)

OULD GUELAYE (Mauritanië)

SITHOLE (Mozambique)

VAN DER WALT(Namibië)

AHMED (Nigeria)

OULANYAH (Oeganda)

JIMÉNEZ (Dominicaanse Republiek)

POLISI (Rwanda) (OV)

JEAN MARIE (Saint Lucia)

SLATER (Saint Vincent en de Grenadines)

TAMAPUA (Samoa)

SALL (Senegal)

POOL (Seychellen)

BUNDU (Sierra Leone)

MUSA (Soedan)

PARMESSAR (Suriname)

GAMEDZE (Swaziland)

NDUGAI (Tanzania) (OV)

WEIDOU (Tsjaad)

SANTOS (Oost-Timor)

KLASSOU (Togo)

BAKER (Trinidad en Tobago)

LEUELU (Tuvalu) (OV) (1)

BUTUSOL (Vanuatu)

KAKOMA (Zambia) (OV)

HLONGWANE (Zimbabwe)

ATTARD-MONTALTO (2) (vervangt MARTIN)

BAUER

BEARDER (2), (3)

BINEV (vervangt LE PEN)

CHRISTENSEN

DE KEYSER

ENGEL

FERREIRA, João (2), (3)

GAHLER

GURMAI (vervangt FERREIRA, E.)

HAUG

KACZMAREK

KIIL-NIELSEN (3), (4)

KLAß (OV)

LEGUTKO

LÓPEZ AGUILAR (3), (4)

MARTÍNEZ MARTÍNEZ (3), (4)

MORGANTI (3), (4) (vervangt ROSSI)

NEDELCHEVA (3), (4)

NEUSER

PONGA (vervangt CARVALHO)

PROTASIEWICZ (vervangt KORHOLA)

RIVASI (OV)

ROITHOVA (OV)

SCHMIDT

SCHNELLHARDT

SCICLUNA

SPERONI (OV) (3), (4)

STRIFFLER

THEOCHARUS (vervangt CASINI)

WŁOSOWICZ (vervangt NICHOLSON)

ZIMMER

WAARNEMERS:

CUBA

REGUEIFEROS LINARES

MADAGASCAR

SERAMILA

NIGER

TONDYI

UITGENODIGD:

ZUID-SOEDAN

GARANG DEG

ABYEI

AJONGO

BAYEH

DERE

VUGA

Eveneens aanwezig:

ZUID-AFRIKA

MANAMELA

MULDER

SOOKLAL

ANGOLA

DA SILVA

BARBADOS

CHANDLER

BENIN

DAYORI

HOUNGNIGBO

AKPOE

FIODENDJI

BOERKINA FASO

OUEDRAOGO

BOEROENDI

NIYUNGEKO

KAMEROEN

DAOUDA

KOMBO GBERI

OWONA KONO

DJIBOUTI

OMAR ABDI SAID

ERITREA

TEKLE

ETHIOPIË

DABA

SEID

FIJI

VOCEA

GABON

MILEBOU

MABEDI

MANGOUALA

GHANA

ANTWI

HAÏTI

RICHE

LOUIS-JEUNE

DOLE

DENIUS

CHERY

DOREUS

KENIA

AFFEY

KEMBI-GITTURA

LABOSO

LIBERIA

DUNAH

MALAWI

CITEYEYE

MALI

BA

SYLLA

MAURITIUS

KOONJUL

MAURITANIË

ABDELLA

BILAL

GUELADIO

OULD HAMOUD

OULD ZAMEL

MOZAMBIQUE

MALENDZA

MANUEL

NAMIBIË

NAHOLO

NIGERIA

BARAYA

IBRAHIM

MADWATTE

OKORIE

HAMZA

ESEDEME

BUKUOLA

OEGANDA

AKOL

BIHANDE-BWAMBALE

MUJUNGU

KATENTA-APULI

RWANDA

MUKANKUSI

SAMOA

CHAN TUNG

SENEGAL

SOW

SEYCHELLEN

FOCK TAVE

SIERRA LEONE

KAMARA

TORTO

SOEDAN

ABDEL MAGID AMIR

ABEL HALIM

OMER

OSMAN

SURINAME

CASTELEN

WANGSABESARI

ASABINA

SOMOHADJO

TANZANIA

MWANJELWA

TSJAAD

ADJI

TEKILIO

DINGAOMAIBE

MOG-NANGAR

AFFONO

TOGO

AHOLOU

KPOYI

PENN

MENSAH

TSIMESSE

SOMENU

DRAMANI

AMEGNONAN

ANANI

GBONE

SAGBO

BEDABA

VANUATU

JOY

ZIMBABWE

MLOTSHWA

MNKANDHLA

MUCHADA

ACS-RAAD

OKELLO, staatssecretaris van Internationale Zaken, minister van Buitenlandse Zaken (Oeganda), fungerend voorzitter van de ACS-Raad.

EU-RAAD

STANOWSKI, adjunct-staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking (Polen), fungerend voorzitter van de EU-Raad

ACS-COMITÉ VAN AMBASSADEURS

KATENTA-APULI

EUROPESE COMMISSIE

PIEBALGS, lid van de Commissie bevoegd voor Ontwikkelingssamenwerking

EDEO

COSTA PEREIRA

EESC

KING

FORNEA

COMESA

NKANAGU

ACS-SECRETARIAAT

CHAMBAS, cosecretaris-generaal

EU-SECRETARIAAT

AGUIRIANO NALDA, cosecretaris-generaal


(1)  Land vertegenwoordigd door een niet-parlementslid.

(2)  Aanwezig op 21 november 2011.

(3)  Aanwezig op 22 november 2011.

(4)  Aanwezig op 23 november 2011.


BIJLAGE III

BIJLAGE BIJ DE BIJEENKOMST VAN MAANDAG 21 NOVEMBER 2011

Accreditering van vertegenwoordigers die geen parlementslid zijn

1.   Botswana

Mevrouw Tebogo Lily MOTSHOME

Adjunct-ambassadeur

Ambassade van Botswana

Hoofd van de delegatie

2.   Fiji

Z.E. de heer Peceli V. VOCEA

Ambassadeur

Ambassade van de Republiek Fiji-eilanden

Hoofd van de delegatie

3.   Zuid-Afrika

De heer Lorenci KLOPPER

Politiek adviseur

Ambassade van de Republiek Zuid-Afrika

Hoofd van de delegatie

4.   Tuvalu

Z.E. de heer Tine LEUELU

Ambassadeur

Ambassade van Tuvalu

Hoofd van de delegatie


BIJLAGE IV

Resolutie over de gevolgen van het Verdrag van Lissabon voor het ACS-EU-partnerschap (ACP-EU/101.082/11/fin.)

Resolutie over de gevolgen van de schuld voor de ontwikkelingsfinanciering in ACS-landen (ACP-EU/101.079/11/fin.)

Resolutie over de integratie van personen met een handicap in ontwikkelingslanden (ACP-EU/100.954/11/fin.)

Resolutie over de voedselcrisis in de Hoorn van Afrika, vooral in Somalië (ACP-EU/101.112/11/fin.)

Resolutie over de gevolgen van de Arabische lente voor buurlanden ten zuiden van de Sahara (ACP-EU/101.111/11/fin.)

RESOLUTIE (1)

over de gevolgen van het Verdrag van Lissabon voor het ACS-EU-partnerschap

De Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU:

in vergadering bijeen in Lomé (Togo) van 21 tot en met 23 november 2011,

gezien artikel 17, lid 1 van haar Reglement,

gezien de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst (‘Overeenkomst van Cotonou’),

gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien de Overeenkomst van Georgetown tot oprichting van de Groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan,

gezien artikel 208 van het VWEU,

gezien het verslag van de Commissie politieke zaken (ACP-EU/101.082/11/fin.),

A.

overwegende dat de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst van Cotonou nog steeds het beste voorbeeld is van een alomvattende benadering van samenwerking waarvan de toegevoegde waarde veiliggesteld moet worden en overwegende dat dit partnerschap versterkt in plaats van verzwakt moet worden door zijn waarde als een wederzijdse politieke verbintenis te verhogen;

B.

overwegende dat de ACS-landen al lange tijd bevoorrechte partners van de Europese Unie zijn, en overwegende dat in het Verdrag van Lissabon solidariteit met en steun aan de zuidelijke landen voor het eerst worden behandeld als wezenlijke aspecten van de identiteit van de Europese Unie;

C.

overwegende dat het Europees Parlement met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon meer bevoegdheden krijgt, met een gedeelde verantwoordelijkheid met de Europese Raad, op veertig essentiële, nieuwe gebieden van het beleid en het optreden van de Europese Unie;

D.

overwegende dat het schrappen van de expliciete verwijzing naar de ACS-landen in het Verdrag van Lissabon een uitdaging vormt voor beide partijen om hun gezamenlijke belangen opnieuw te formuleren, zodat de waarde van het partnerschap, dat sinds 1975 bestaat, versterkt wordt;

E.

overwegende dat het Verdrag van Lissabon voorziet in een betere afstemming van het extern optreden van de EU;

F.

overwegende dat het Verdrag van Lissabon veranderingen teweeg heeft gebracht in de operationele manier waarop de EU, via haar Europese Dienst voor extern optreden (EDEO), thans haar betrekking onderhoudt met de ACS-groep; overwegende dat die veranderingen, hoofdzakelijk het ontbreken van een ACS-eenheid binnen de EDEO en de interne structuur van het nieuwe directoraat-generaal Ontwikkeling en samenwerking - EuropeAid van de Europese Commissie, gevolgen kunnen hebben voor het bijzondere partnerschap met de ACS-landen;

G.

overwegende dat de EU-ACS-betrekkingen gebaseerd zijn op een totaalpakket van aandachtsgebieden, van ontwikkeling tot de preventie van conflicten, en van veiligheid en stabiliteit tot de verdediging van de mensenrechten;

H.

overwegende dat de opgang van opkomende economieën, de verschuiving in het machtsevenwicht binnen het internationale systeem en het toenemend aantal beleidskaders zoals de G77 of de G24 de noodzaak hebben aangetoond om te analyseren hoe de ACS-groep, parallel aan het door de EU-ACS-betrekkingen geboden beleidskader, het best haar politieke en economische doelstellingen kan bereiken;

I.

overwegende dat de invloed van de PPV op politieke besluiten en strategische keuzen met betrekking tot ontwikkeling op nationaal, regionaal en internationaal niveau zeer beperkt blijft, ondanks haar unieke plaats in de noord-zuiddialoog;

J.

overwegende dat de ACS-groep bijna de helft van de staten in de wereld vertegenwoordigt maar geen stem heeft in mondiale bestuursfora, zoals de G20, die de armste landen uitsluit;

K.

overwegende dat, hoewel de van de EU ontvangen steun van cruciaal belang is geweest, ACS-landen ook de kansen die geboden worden door een zuid-zuidsamenwerking en partnerschappen met de opkomende economieën van China, India en Brazilië moeten aangrijpen, zodat zij hun enorme markten kunnen benutten om zich door handel te drijven een weg uit de armoede te banen;

L.

overwegende dat, voor de ACS-landen, de verscheidenheid aan partners onomkeerbaar en in het algemeen gunstig is, maar dat de uitvoer van grondstoffen zonder toegevoegde waarde, zelfs aan verschillende partners, de diversificatie en de reële ontwikkeling van de ACS-economieën remt;

M.

overwegende dat de EU met elke regio van de ACS-groep regionale strategieën heeft ontwikkeld die zich in verschillende ontwikkelingsfasen bevinden en waarvan er zich twee, als voortzetting op de Cotonou-traditie, tot gezamenlijke strategieën hebben ontwikkeld; overwegende dat deze strategieën drie apart beheerde betrekkingen kunnen worden wanneer de huidige partnerschapsovereenkomst van Cotonou in 2020 afloopt;

N.

overwegende dat de toekomst van de partnerschapsovereenkomst van Cotonou tevens zal worden bepaald door de onderhandelingen die bijdragen aan het volgende meerjarig financieel kader voor 2014-2020, waarmee de Europese Unie de financiële middelen moet krijgen voor haar buitenlands beleid;

1.

herinnert eraan dat de partnerschapsovereenkomst van Cotonou, die onlangs voor de tweede maal is herzien, als belangrijkste doelstellingen de uitroeiing van armoede, de bevordering van duurzame ontwikkeling en de geleidelijke integratie van de ACS-landen in de wereldeconomie heeft;

2.

verzoekt de ACS-landen en de Europese Unie om gebruik te maken van de gelegenheid die wordt geboden door het schrappen van de expliciete verwijzing naar de ACS-landen in het Verdrag van Lissabon om hun partnerschap nieuw leven in te blazen; roept daarom op tot het formuleren van gezamenlijke belangengebieden, zoals energie, de klimaatverandering of migratie;

3.

erkent het Verdrag van Lissabon als een positieve stap voorwaarts in het democratische proces, waardoor de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU doeltreffender kan zijn in het tot stand brengen van positieve veranderingen voor beide partijen;

4.

wenst dat in het buitenlands beleid van de EU, waarvan de uitbanning van armoede en op die manier het ontwikkelingsbeleid integraal deel uitmaken, alle ter beschikking staande middelen worden aangewend ten gunste van een vredesbeleid;

5.

is van mening dat de ACS-groep zichzelf in politiek opzicht moet versterken, terwijl de EU voorbereid moet zijn om haar partnerschap met de ACS-landen te herzien en te hernieuwen, waarbij verder moet worden gegaan dan de relatie donor-begunstigde en een partner-partnerrelatie tot stand moet komen;

6.

is verheugd over de aanstelling van een ambassadeurswerkgroep over de toekomstperspectieven van de ACS-groep na 2020;

7.

verwelkomt de instelling van een informele werkgroep tussen de EDEO en het directoraat-generaal Ontwikkeling en samenwerking - EuropeAid (DEVCO) om het ACS-EU-partnerschap te versterken; verzoekt deze groep om de leden van de PPV regelmatig op de hoogte te houden van haar werk;

8.

verzoekt de EU de samenwerking tussen de verschillende regio's van de ACS-groep onderling te versterken op gebieden zoals voedselzekerheid, technologieoverdracht, infrastructuur, klimaatverandering, migratie, handel, wetenschap, vrede, veiligheid en democratisering;

9.

is van mening dat de monitoring van aangenomen verslagen een niet te verwaarlozen instrument vormt voor de versterking van de PPV met betrekking tot de tenuitvoerlegging van besluiten; suggereert in dit opzicht dat de twee corapporteurs de monitoring van resoluties waarborgen en hun respectieve commissies regelmatig informeren over de geboekte vooruitgang en de ondervonden moeilijkheden;

10.

is van mening dat de ACS-landen uiteindelijk internationale partnerschappen moeten aangaan die in overeenstemming zijn met hun ontwikkelingsaspiraties en -capaciteiten;

11.

herinnert eraan dat de groep van ACS-landen 40% van de leden van de Verenigde Naties vertegenwoordigen; benadrukt daarom de noodzaak voor de ACS-groep om haar identiteit te versterken om invloed uit te kunnen oefenen op het internationale toneel;

12.

deelt de mening dat de ACS en de EU nog lang niet het volledige potentieel hebben bereikt dat het bevoorrechte partnerschap hen biedt teneinde invloed uit te oefenen op aangelegenheden zoals de hervorming van de VN, de Wereldbank en het IMF, de G20 en de UNFCCC-onderhandelingen en dat zij zich moeten inspannen om in die richting voort te gaan;

13.

nodigt de ACS-groep uit om uitvoerig gebruik te maken van artikel 12 van de Overeenkomst van Cotonou teneinde ten volle te profiteren van de mogelijkheid om invloed uit te oefenen op het communautaire beleid dat gevolgen heeft voor hun ontwikkeling; nodigt daartoe de ACS-parlementsleden uit om meer banden aan te gaan met de leden van het Europees Parlement;

14.

verzoekt om een centrale en strategische plaats voor de nationale en regionale strategiedocumenten in het kader van de werkzaamheden van de commissies van de PPV om deel te nemen aan de voorbereiding en de verwezenlijking van de doelstellingen van deze documenten;

15.

is van mening dat, naar het voorbeeld van de versterkte rol van de Europese nationale parlementen als gevolg van het Verdrag van Lissabon, de nationale parlementen van de ACS-groep zich meer zouden moeten laten gelden om hun gewicht in de nationale besluitvormingsprocessen te versterken;

16.

is van mening dat de ACS-landen als blok sterker zouden staan als zij de gemeenschappelijke belangen van hun leden in de Wereldhandelsorganisatie zouden behartigen, aangezien zij als sterker blok invloed kunnen uitoefenen op grondstof- en voedselprijzen, de bescherming van belangrijke markten kunnen veiligstellen en maatregelen kunnen eisen tegen Europese en Amerikaanse subsidies;

17.

herinnert eraan dat de drie regionale strategieën van de EU voor Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan en de strategie voor Zuid-Afrika gericht moeten zijn op het versterken van de centrale pijlers van het ACS-EU-partnerschap, zoals omschreven in de partnerschapsovereenkomst van Cotonou;

18.

verzoekt de Europese Unie om haar delegaties in de ACS-landen te voorzien van de personele en financiële middelen die nodig zijn voor de uitoefening van hun nieuwe bevoegdheden;

19.

herinnert eraan dat op het gebied van de handel nu de goedkeuring van het Europees Parlement nodig is voor het sluiten van handelsovereenkomsten; stelt daarom voor om serieus te overwegen of het mogelijk is om de besprekingen met betrekking tot handelsovereenkomsten in het onderhandelingsstadium op de agenda van de PPV te plaatsen;

20.

herinnert eraan dat de ACS-groep zich als een wereldspeler zou moeten manifesteren vanwege haar menselijke en natuurlijke hulpbronnen, haar historische banden met de EU en haar nabijheid tot opkomende economieën;

21.

dringt erop aan dat de nieuwe bevoegdheden van het Europees Parlement als gevolg van het Verdrag van Lissabon worden aangewend voor het versterken van de parlementaire dimensie van de ACS-EU-betrekkingen, waarvan de Paritaire Parlementaire Vergadering het belangrijkste onderdeel vormt; wenst dat deze parlementaire dimensie wordt vertaald in de budgettering van het Europees Ontwikkelingsfonds en betere informatie aan de ACS-parlementsleden over de nationale en regionale strategieën van de Europese Unie, alsmede over het gebruik van andere financiële instrumenten van de EU in de ACS-landen;

22.

verzoekt haar covoorzitters deze resolutie te doen toekomen aan de Ministerraad van de ACS-EU, de Europese Commissie, de Commissie van de Afrikaanse Unie en het Pan-Afrikaanse Parlement.

RESOLUTIE (2)

over de gevolgen van de schuld voor de ontwikkelingsfinanciering in ACS-landen

De Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU:

in vergadering bijeen in Lomé (Togo) van 21 tot en met 23 november 2011,

gezien artikel 17, lid 1 van haar Reglement,

gezien de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst, ondertekend in Cotonou op 23 juni 2000 en herzien in 2005 en 2010, met name de artikelen 60 en 66 daarvan,

gezien de VN-Millenniumverklaring van 8 september 2000, waarin de millenniumontwikkelingsdoelen worden uiteengezet die de internationale gemeenschap gezamenlijk heeft opgesteld met het oog op de uitbanning van armoede en honger,

gezien de consensus van Monterrey, aangenomen tijdens de Internationale Conferentie over ontwikkelingsfinanciering in Monterrey, Mexico, van 18-22 maart 2002,

gezien de conferentie over nieuwe financieringsmechanismen van 28 en 29 mei 2009 in Parijs en de internationale conferentie over financiering van ontwikkeling van 28 november t/m 2 december 2008 in Doha,

gezien het initiatief ten behoeve van arme landen met een zware schuldenlast dat in 1996 werd genomen door het IMF en de Wereldbank om te waarborgen dat geen enkel arm land een onbeheersbare schuldenlast heeft,

gezien het multilaterale initiatief voor schuldvermindering dat in juni 2005 door de G8 werd genomen,

gezien de ontwerpbeginselen van de UNCTAD voor het bevorderen van het verantwoordelijk verstrekken en opnemen van overheidskrediet van 26 april 2011,

gezien de Europese Consensus over ontwikkeling (3),

gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld ‘Supporting developing countries in coping with the crisis – Where does the EU go from Doha? What prospects for meeting the EU targets of 2010 and 2015?’ van 15 april 2009,

gezien de resolutie van het Europees Parlement van 8 maart 2011 over belastingen en ontwikkeling – samenwerking met ontwikkelingslanden met het oog op goed bestuur in belastingaangelegenheden (2010/2102(INI)) (4),

gezien het verslag van de Commissie economische ontwikkeling, financiën en handel (ACP-EU/101.079/11/fin.)

A.

overwegende dat de wereldwijde crisis heeft geleid tot hogere overheidsschulden in veel landen in de wereld en overwegende dat een derde van de ACS-landen ofwel in een schuldencrisis verkeert of een hoog risico loopt om in een schuldencrisis terecht te komen;

B.

overwegende dat de financiering van hoge schulden een belemmering voor ontwikkeling kan worden vanwege een andere besteding van belangrijke begrotingsmiddelen en/of door lagere investeringen in openbare sociale diensten en armoedegerelateerde uitgaven; overwegende dat schuldfinanciering ook de investeringen kan verlagen die nodig zijn voor het bevorderen van economische groei;

C.

overwegende dat 1% economische groei van de handel drie keer meer waard is dan openbare ontwikkelingshulp;

D.

overwegende dat donorlanden de ACS-landen moeten helpen bij het bereiken en behouden van een beheersbare schuldenlast op de lange termijn, waardoor hun inspanningen worden versterkt om armoede te verminderen en groei te bevorderen; overwegende dat het in dit geval goed is dat de Club van Parijs van crediteuren in juli 2010 een tweede schuldtranche van de Seychellen heeft ingetrokken om dat land te helpen om zijn schulden beheersbaar te maken;

E.

overwegende dat schuldsanering een van de doelstellingen van MDG 8 is die er specifiek op gericht is om "uitvoerig aandacht te besteden aan de schuldenproblematiek in de ontwikkelingslanden" door middel van nationale en internationale maatregelen om de schulden op de lange termijn beheersbaar te maken;

F.

overwegende dat op dit moment het initiatief ten behoeve van arme landen met een zware schuldenlast (HIPC) en het multilaterale initiatief voor schuldvermindering (MDRI) de belangrijkste internationale instrumenten zijn voor schuldverlichting voor de ontwikkelingslanden; overwegende dat per december 2010 schuldverminderingspakketten in het kader van HIPC zijn goedgekeurd voor 36 landen, waarvan 32 in Afrika, ter waarde van 72 miljard dollar voor schuldsanering in de loop van de tijd; overwegende dat de Europese Commissie en de EU-lidstaten het grootste deel van de kosten van HIPC en MDRI dragen;

G.

overwegende dat HIPC en MDRI aflopen en dat daarom beleidshervormingen en nieuwe internationale regelingen voor lagere leningen en schuldbeheersing en -kwijtschelding nodig zijn;

H.

overwegende dat toekomstige regelingen voor schuldbeheersing en -houdbaarheid niet alleen gebaseerd moeten zijn op financiële overwegingen, maar ook rekening moeten houden met de uitgavenbehoeften van de ontwikkelingslanden met schulden om de mdg's te kunnen bereiken;

I.

overwegende dat de toezichtorganen van de ACS-landen, zoals de hoogste controle-instanties, parlementen en maatschappelijke organisaties, een grote rol moeten spelen in het monitoren van het gebruik van begrotingsmiddelen door de overheid en op die manier in het verminderen van het wanbeheer van overheidsmiddelen;

J.

overwegende dat goed bestuur, de rechtsstaat en transparantie onontbeerlijk zijn voor een goed beheer van overheidsmiddelen en de houdbaarheid van de schuld;

K.

overwegende dat verantwoordelijk gedrag van alle kredietverstrekkers van cruciaal belang is voor het bevorderen van houdbare financiering van goede kwaliteit;

L.

overwegende dat, in de nasleep van de wereldwijde economische crisis, de ACS-landen meer aandacht moeten besteden aan binnenlandse mobilisatie van middelen als een verzachtend middel voor een mogelijke verlaging van de buitenlandse steun en buitenlandse financieringsbronnen voor de tenuitvoerlegging van hun strategieën voor armoedebestrijding;

1.

verzoekt de EU en andere donoren een aantal richtsnoeren op te stellen voor verantwoorde financiering, vooral ten tijde van een wereldwijde financiële crisis die de schuldsituatie in ontwikkelingslanden verder verslechtert door overloopeffecten, met name een daling van de wereldwijde handel en een daaraan gerelateerde instorting van de export van grondstoffen;

2.

verzoekt de EU, de ACS-groep en haar regionale organisaties om gezamenlijk en in samenwerking met relevante internationale organen een model uit te werken voor een geschikte schuldverrekeningsregeling voor landen met hoge schulden, gebaseerd op onafhankelijke effectbeoordelingen van hun sociaaleconomische situatie, om zo minder ruimte te bieden aan overpolitisering van de besluitvorming inzake schuldsanering, met inbegrip van mogelijke corruptie aan de kant van de donor (retrocommissies); is van oordeel dat dit het voor de donoren mogelijk maakt om per geval rekening te houden met de afzonderlijke situatie van het ACS-partnerland en zijn algemene ontwikkelingsniveau; is van mening dat de schuldverrekeningsregeling de vorm kan hebben van schuldkwijtschelding, schuldherschikking, schuldterugbetaling of een combinatie van deze mogelijkheden;

3.

verzoekt donoren om gezamenlijk met het ACS-partnerland de specifieke voorwaarden vast te stellen voor zijn schuldverrekeningsregeling om voor een juist evenwicht te zorgen tussen de verplichting om de schuldendienst te betalen en de verplichting om aan de basisbehoeften van de bevolking te voldoen, omdat goed schuldbeheer een voorwaarde is voor duurzame ontwikkeling;

4.

is van oordeel dat alle aanvullende middelen die ACS-regeringen krijgen door de kwijtschelding van schulden moeten worden aangewend om de maatschappelijke uitgaven te verhogen op gebieden als basisonderwijs, primaire gezondheidszorg en HIV/AIDS om op die manier bij te dragen aan het bereiken van de MDG's; verzoekt de Commissie daarom om samen met ACS-partnerlanden de mogelijkheid te onderzoeken van schuldomvorming tot overheidsinvesteringen in maatschappelijke diensten en publieke goederen als onderdeel van hun specifieke schuldverlichtingsregeling of in combinatie met andere regelingen;

5.

is van mening dat wanneer schuldkwijtschelding wordt overwogen in een specifiek ACS-land, dit ook kan gebeuren om de opbrengsten van schuldkwijtschelding toe te wijzen aan de financiering van het opzetten van kleine en middelgrote ondernemingen, wier vestiging en groei een noodzakelijke voorwaarde is voor het ontstaan en ontwikkelen van een middenklasse in ACS-landen; nodigt de Commissie daarom uit om samen met de ACS-partnerlanden de mogelijkheid te onderzoeken van het waar nodig omvormen en verleggen van schuldverrekeningsstrategieën voor de ACS-landen in de richting van overheidsinvesteringen in het mkb, er rekening mee houdend dat dit soort lokale ondernemingen in grote mate kunnen bijdragen aan nieuwe banen en binnenlandse groei en op die manier aan schuldvermindering in ACS-landen;

6.

acht het nodig om toegang tot kredieten te bevorderen om een levensvatbaar ondernemingsklimaat te waarborgen; nodigt de ACS-landen en private partners daarom uit om maatregelen te nemen om aan deze voorwaarde te voldoen;

7.

verzoekt de Commissie en de donorlanden de ACS-landen te helpen met het opstellen van nationale schuldstrategieën binnen het kader van hun nationale ontwikkelingsstrategieën, met betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld, die vooral moeten zorgen voor een gezonde herstructurering van hun economie en de interne vorming van kapitaal en besparingen;

8.

verzoekt de EU en de OESO de definitie van officiële ontwikkelingssteun (ODA) niet te verruimen en een einde te maken aan de praktijk om schuldverlichting als hulp aan te merken; verzoekt de EU echter om schuldverlichting in combinatie met andere schuldverrekeningsregelingen te beschouwen als onderdeel van een allesomvattende poging om in de behoeften van ontwikkelingslanden te voorzien;

9.

verzoekt de Commissie om (met hulp van relevante internationale instellingen als de VN-organisaties, de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds en de Association of European Development Finance Institutions) nauwkeurig de effecten van de ontwikkeling van het schuldniveau van ACS-landen te monitoren, met specifieke aandacht voor de situatie van de minst ontwikkelde landen en de kleine eilandstaten in ontwikkeling;

10.

verzoekt de Commissie om de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU middels een verslag regelmatig te informeren over de geldende schuldverrekeningsregelingen met de ACS-partnerlanden en over het effect dat deze hebben op de capaciteiten van deze landen om aan de mdg's te voldoen, vooral met het oog op de bestrijding van honger en ondervoeding en het aanbieden van gezondheidsdiensten;

11.

dringt er bij de ACS-landen op aan om de verplichte financiering van hun buitenlandse en binnenlandse schuld serieus te nemen;

12.

is van mening dat een coherent ontwikkelingsbeleid, en in het bijzonder coherentie tussen het handelsbeleid, het ontwikkelingsbeleid en het beleid inzake financiële transparantie, een leidend beginsel moet zijn voor de communautaire ontwikkelingssamenwerking en moet bijdragen aan de ontwikkeling van normen voor het verantwoordelijk verstrekken en opnemen van krediet;

13.

verzoekt de ACS-partnerlanden hun binnenlandse inspanningen op het gebied van goed financieel beheer, begrotingscontrole, corruptiebestrijding, fraude en belastingontduiking op te voeren en hun langetermijninspanningen te handhaven om het stabiele economische milieu te creëren dat nodig is om hun nationale financiële markten en bankensectoren beter te ontwikkelen;

14.

is van oordeel dat de ACS-landen zich moeten richten op het opstellen en uitvoeren van houdbare belastingstelsels, met inbegrip van de instelling van een degelijk orgaan voor de inning van belastingen dat bevoegd is om het wezenlijke belang van de staat te verdedigen, namelijk de beschikking over wat de primaire bron van overheidsmiddelen moet zijn;

15.

erkent de belangrijke rol van internationale samenwerking in de bestrijding van onwettige kapitaalstromen en het opstellen van goede regels voor financiering en investeringen op mondiaal niveau; wijst op de verbondenheid van de EU met beleidssamenhang met het oog op ontwikkeling en roept de EU op de ACS-landen te steunen in hun strijd tegen illegale uitstroom en kapitaalvlucht, omdat die worden aangemerkt als groot obstakel voor de mobilisering van binnenlandse inkomsten voor ontwikkeling;

16.

is van mening dat de ACS-landen moeten proberen een klimaat te creëren dat gunstig is voor investeringen door het opstellen van wetten die waarborgen dat investeerders de rechtszekerheid hebben die ze nodig hebben om te investeren;

17.

pleit voor betere grensoverschrijdende samenwerking tussen ACS-landen bij de uitwisseling van beste praktijken met betrekking tot de voorbereiding van hun overheidsbegroting en de controle op het gebruik ervan voor het publieke welzijn; beveelt de Commissie aan om krachtens het elfde EOF meer financiële middelen toe te wijzen voor technische bijstand en capaciteitsopbouw in de ACS-landen, die worden gebruikt voor de begrotingsvaststelling en -controle en voor schuldbeheer;

18.

verzoekt haar covoorzitters deze resolutie te doen toekomen aan de Ministerraad van de ACS-EU, de Europese Commissie, het Europees Parlement, de Wereldbank, het Internationaal Monetair Fonds en de EU-lidstaten.

RESOLUTIE (5)

over de integratie van personen met een handicap in ontwikkelingslanden

De Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU:

in vergadering bijeen in Lomé (Togo) van 21 tot en met 23 november 2011,

gezien artikel 17, lid 1 van haar Reglement,

gezien de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst („Overeenkomst van Cotonou”), met name artikel 8, lid 4 over non-discriminatie,

gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap (Gehandicaptenverdrag), aangenomen in 2006, en met name artikel 32 daarvan, waarin staat dat alle partijen handicaps en personen met een handicap in hun pogingen tot internationale samenwerking moeten opnemen,

gezien de resoluties 7/9 van 27 maart 2008 van de VN-Raad voor de mensenrechten, 10/7 van 26 maart 2009, 13/11 van 25 maart 2010 en 16/15 van 24 maart 2011 over de mensenrechten van personen met een handicap,

gezien artikel 19 van het VWEU, artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, die elke vorm van discriminatie verbieden, en de artikelen 21 en 26 daarvan, waarin de rechten van mensen met een handicap uiteen worden gezet,

gezien de resoluties van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU over de rechten van mensen met een handicap en ouderen in de ACS-landen van 1 november 2011, en over gezondheidskwesties, jongeren, ouderen en personen met een handicap, aangenomen op de vergadering in Kaapstad op 21 maart 2002,

gezien de resolutie van het Europees Parlement van 19 januari 2006 over invaliditeit en ontwikkeling,

gezien het World Report on Disability, gepubliceerd door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en de Wereldbank in juni 2011,

gezien de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (MDG's) van de VN en het slotdocument van de MDG-Top in 2010 getiteld „Keeping the Promise: United to Achieve the Millennium Development Goals” (Res. 65/1),

gezien de Verklaring van Beijing over de rechten van mensen met een handicap, waarin wordt opgeroepen tot een hogere levensstandaard, gelijke deelneming en de uitbanning van discriminatoire houdingen en praktijken,

gezien de Millenniumverklaring van de Verenigde Naties van 8 september 2000, die de millenniumontwikkelingsdoelen (mdg's) definieert als door de internationale gemeenschap gezamenlijk vastgelegde criteria voor de bestrijding van armoede,

gezien de resoluties 65/186 en 64/131 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties inzake de verwezenlijking van de millenniumontwikkelingsdoelen voor personen met een handicap voor 2015 en later,

gezien de communautaire handicapstrategie voor de periode 2010-2020 „Een hernieuwd engagement voor een onbelemmerd Europa” (COM(2010)636 definitief) en haar oorspronkelijke uitvoeringsplan 2010-2015 (SEC(2010)1324 definitief),

gezien de toelichting van de EU over handicap en ontwikkeling voor Europese delegaties en diensten,

gezien het verslag van het Internationaal Arbeidsbureau getiteld „The price of exclusion: the economic consequences of excluding people with disabilities from the world of work”, gepubliceerd in 2009,

gezien artikel 18, lid 4 van het Afrikaanse Handvest voor de rechten van de mens en de volkeren (1981), waarin staat dat personen met een handicap het recht hebben op speciale beschermingsmaatregelen, en artikel 16, lid 1, waarin staat dat elk individu het recht moet hebben om de best haalbare situatie van geestelijke en lichamelijke gezondheid te genieten,

gezien het Afrikaanse decennium van de rechten van gehandicapten (2000-2009), het Aziatisch-Pacific decennium van de gehandicapten (1993-2002), het nieuwe Aziatisch-Pacific decennium van de gehandicapten (2003-2012) en het Europees Jaar van mensen met een handicap (2003),

gezien het verslag van de Commissie sociale zaken en milieu (ACP-EU/100.954/11/fin.),

A.

overwegende dat meer dan een miljard mensen in de wereld – 15% van de bevolking – met een of andere handicap leeft (6);

B.

overwegende dat het Gehandicaptenverdrag het volgende stelt: "Personen met een handicap zijn onder meer personen met langdurige fysieke, mentale, intellectuele of zintuiglijke beperkingen die hen in wisselwerking met diverse drempels kunnen beletten volledig, effectief en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de samenleving";

C.

overwegende dat handicaps kwetsbare bevolkingsgroepen onevenredig hard raken en dat de waarschijnlijkheid van een handicap toeneemt met de mate van armoede (WRD 2011); overwegende dat een handicap daarom een ontwikkelingskwestie is;

D.

overwegende dat het doel van het Gehandicaptenverdrag is het volledige genot door alle personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid te bevorderen, beschermen en waarborgen, en ook de eerbiediging van hun inherente waardigheid te bevorderen;

E.

overwegende dat de EU, 19 van haar lidstaten en 48 ACS-landen het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap (Gehandicaptenverdrag) hebben geratificeerd en veel meer landen het hebben ondertekend;

F.

overwegende dat internationale verbintenissen alleen doeltreffend zijn als ze worden gesteund door nationale wetgeving en beleid;

G.

overwegende dat de WHO en de Wereldbank de volgende oorzaken zien voor de uitsluiting van personen met een handicap: inadequaat beleid en inadequate normen, negatieve houdingen, gebrek aan dienstverlening, onvoldoende financiering, ontoegankelijkheid, gebrek aan raadpleging en betrokkenheid en gebrek aan gegevens en bewijzen;

H.

overwegende dat mensen met een handicap uitsluiting kunnen ervaren uit alle aspecten van het leven, inclusief werk, overheidsdiensten, vervoer, communicatie, onderwijs en informatie;

I.

overwegende dat in landen waar de levensverwachting hoger is dan 70 jaar mensen ongeveer 8 jaar van hun leven te kampen hebben met een of meer handicaps;

J.

overwegende dat veel ontwikkelingslanden aanzienlijke – maar gedeeltelijke – vooruitgang hebben geboekt bij het betrekken van mensen met een handicap bij ontwikkelingsprojecten;

K.

overwegende dat wordt geschat dat de werkgelegenheid onder mensen met een handicap wereldwijd de helft is van die van mensen zonder handicap en dat de meerderheid van de gehandicapten in ontwikkelingslanden in de werkzame leeftijd werkloos is en in armoede leeft;

L.

overwegende dat de uitsluiting van gehandicapten van werk grote economische gevolgen heeft, naar schatting van de IAO variërend van 3% tot 7% van het bbp van de Afrikaanse landen, en overwegende dat de kosten van integratie veel lager zijn dan de kosten van uitsluiting, want door de mogelijkheid voor gehandicapten om volledig aan de samenleving deel te nemen, kunnen zij voor zichzelf en anderen zorgen en aan de economie bijdragen;

M.

overwegende dat gehandicaptenverenigingen een specifieke rol spelen in het uitdragen van de specifieke belangen van mensen met een handicap aan politici en het algemene publiek;

N.

overwegende dat de uitsluiting van gehandicapten de onderliggende factor is voor hun ongelijke behandeling, op grond van discriminatie in de wetgeving, fysieke en communicatieve obstakels of van een sociaal stigma of onzichtbaarheid in beleidsprocessen en -begrotingen, en overwegende dat twee van de grootste belemmeringen voor de integratie van gehandicapten in de samenleving hun onzichtbaarheid en de negatieve houding tegenover hen zijn;

O.

overwegende dat gehandicapte vrouwen en meisjes bijzonder kwetsbaar zijn en drie keer meer kans lopen op gendergerelateerd geweld dan vrouwen zonder handicap; verwijzend naar de gevaarlijke trend dat dit geweld waarschijnlijk niet wordt gerapporteerd (7);

1.

verzoekt alle ACS-landen en EU-lidstaten die het Gehandicaptenverdrag en het facultatieve protocol daarbij nog moeten ondertekenen en ratificeren om dat zonder voorbehoud te doen en om nationale mechanismen op te stellen voor de tenuitvoerlegging en monitoring ervan;

2.

moedigt parlementsleden aan om samen te werken om ervoor te zorgen dat nationale wetten en plannen op het gebied van gehandicapten worden aangenomen door hun parlementen, onder andere door begrotingen en het gebruik van privérekeningen van leden te onderzoeken;

3.

verzoekt de nationale parlementen om commissies op te richten om de tenuitvoerlegging van wetgeving die voorziet in de behoeften van gehandicapten te onderzoeken;

4.

verwelkomt het feit dat op de VN-topconferentie op hoog niveau over de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling in 2010 werd erkend dat de rechten van gehandicapten van cruciaal belang zijn om de mdg's te bereiken; roept de internationale gemeenschap daarom op de mdg-initiatieven zodanig vorm te geven dat gehandicapten deel uitmaken van de belangrijkste doelgroepen;

5.

erkent dat speciale maatregelen om te zorgen voor gelijke behandeling van gehandicapten, inclusief quota's voor verkiezingen voorzover relevant in de lokale context, positieve effecten hebben gehad op het beeld van gehandicapten op nationaal niveau, en dringt er bij de ACS- en EU-landen op aan de rechten van gehandicapten te bevorderen;

6.

benadrukt dat de media een actievere rol moeten spelen bij het wegnemen van stereotypen en het bevorderen van integratie; verzoekt internationale, nationale en lokale besluitvormers om te zorgen voor meer bewustwording via de media, het onderwijsbeleid en publiekscampagnes;

7.

benadrukt met klem de belangrijke rol die gehandicaptenverenigingen spelen bij de bewustmaking van de integratieproblemen van gehandicapten; verzoekt alle ACS- en EU-landen om de ontwikkeling van een beweging voor gehandicapten in de ACS- en EU-landen te steunen;

8.

benadrukt de noodzaak van toegankelijke omgevingen en lesmaterialen om deelname aan onderwijsactiviteiten van alle kinderen en volwassenen met een handicap mogelijk te maken; wijst op de noodzaak om de ontwikkeling van een onderwijscultuur die gevoelig is voor en inspeelt op de behoeften van jonge gehandicapten te stimuleren en te steunen, met name door gespecialiseerde training voor ondersteunende docenten; benadrukt de essentiële rol die de donorgemeenschap speelt bij het stimuleren van een toegankelijke onderwijsinfrastructuur en het waarborgen dat de EU de verbondenheid met gehandicapten opneemt in haar dialogen met de onderwijssector;

9.

benadrukt dat 98% van de gehandicapte kinderen in ontwikkelingslanden geen toegang heeft tot vrij openbaar basisonderwijs; benadrukt dat dit de volledige verwezenlijking van het tweede millenniumdoel voor ontwikkeling in de weg staat;

10.

benadrukt de noodzaak om onderwijsfaciliteiten verder te verbeteren en de groei van een onderwijscultuur die gericht is op het op doeltreffende wijze voorzien in de behoeften van jonge gehandicapten te stimuleren;

11.

verzoekt nationale en lokale regeringen om alle aspecten van toegankelijkheid op te nemen in alle nieuwe wetgeving en de bestaande wetgeving zodanig aan te passen dat deze aan de eisen van toegankelijkheid voldoet; verzoekt de donorgemeenschap alle aspecten van toegankelijkheid in haar planning en uitvoering van ontwikkelingsbeleid en in haar contractuele betrekkingen met anderen op te nemen;

12.

verzoekt om een uitwisseling van goede praktijken tussen zowel de ontwikkelings- als de ontwikkelde landen; vraagt de Europese Commissie een forum te ontwikkelen voor de uitwisseling van praktijken op het gebied van integratie van gehandicapten met andere internationale donoren en roept haar op zich beter te houden aan haar verplichtingen krachtens artikel 32 van het Gehandicaptenverdrag;

13.

benadrukt het belang van gegevensverzameling voor een doeltreffende tenuitvoerlegging van het Gehandicaptenverdrag en verzoekt de EU- en ACS-regeringen om nauw samen te werken met nationale diensten voor statistiek en ervoor te zorgen dat de verzameling van uitgesplitste gegevens wordt verbeterd en prioriteit krijgt en dat de meest recente en uitgebreide gegevens de basis vormen van hun werk en uitvoering van het beleid;

14.

dringt er bij de ACS-landen op aan om de integratie van gehandicapten in hun nationale ontwikkelingsagenda's te mainstreamen, mechanismen aan te nemen voor het vergroten van de vertegenwoordiging van gehandicapten op alle niveaus van besluitvorming, om te voorzien in specifieke en adequate begrotingstoewijzingen voor gehandicapten en om te zorgen voor meer voorlichting voor iedereen over ziekten die tot handicaps kunnen leiden;

15.

dringt er bij de ACS-landen op aan om een inclusieve houding tegenover en een inclusief beeld van handicaps te bevorderen en om de dialoog te bevorderen tussen gehandicapten en overheden op elk niveau;

16.

verzoekt de ACS- en EU-regeringen om maatregelen te nemen in strafinrichtingen om ervoor te zorgen dat er voor overtreders met een handicap faciliteiten zijn die zijn aangepast aan hun specifieke omstandigheden wanneer ze worden vastgehouden of zich in de maatschappij bevinden;

17.

steunt de ACS-landen bij het verbeteren van de toegang tot onderwijs, microkredietstelsels en andere mogelijkheden om inkomsten te genereren;

18.

vraagt de EU- en ACS-landen om meer voorlichting voor iedereen over HIV/AIDS, ook voor gehandicapten, die vaak zijn uitgesloten van diensten ter preventie en behandeling van HIV/AIDS;

19.

roept op om bij de uitvoering van relevante EU- en gezamenlijke projecten de mogelijkheden van de integratie van gehandicapten te onderzoeken;

20.

verzoekt om door de EU gefinancierde infrastructuurprojecten te controleren om ervoor te zorgen dat ze toegankelijk zijn voor gehandicapten en om EU-vertegenwoordigingen in derde landen zo te bouwen of te renoveren dat ze tegemoetkomen aan de behoeften van gehandicapten;

21.

verzoekt de EU om in haar projecten rekening te houden met de behoeften van gehandicapten en gehandicaptenorganisaties, ook bij projecten ter bevordering van de toegang tot de rechter; verzoekt om in alle landenstrategiedocumenten rekening te houden met de behoeften van gehandicapten;

22.

benadrukt dat de EU en de ACS integratiebeleid in alle relevante VN- en internationale fora moeten bevorderen, aangezien de kwestie van gehandicapten in veel internationale gesprekken op hoog niveau (Rio+20, OESO-agenda) momenteel niet aan de orde komt en hoog op de politieke agenda moet komen te staan;

23.

benadrukt dat er veel en verschillende oorzaken zijn voor handicaps en dat die moeten worden aangepakt middels een breed scala aan beleidsmaatregelen; verzoekt de ACS-landen daarom om maatregelen voor verkeersveiligheid te nemen, ondervoeding als een risicofactor voor de ontwikkeling van handicaps te bestrijden, de toegang tot schoon drinkwater te verbeteren, de aan handicaps gerelateerde gevolgen van conflicten aan te pakken en te zorgen voor de toegang tot openbare gezondheidsdiensten en fatsoenlijk werk door het mainstreamen van de integratie van gehandicapten in hun nationale ontwikkelingsplannen; verzoekt de EU prioriteit te geven aan deze overwegingen in al haar ontwikkelingssamenwerking met de ACS-landen;

24.

verzoekt de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU om eens in de twee jaar verslag uit te brengen over goede praktijken en vooruitgang op het gebied van integratie in de ACS-landen en die te herzien en verduidelijken;

25.

verzoekt haar covoorzitters deze resolutie te doen toekomen aan de Ministerraad van de ACS-EU, het Europees Parlement, de Europese Commissie, het voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie, de Afrikaanse Unie, het Pan-Afrikaanse Parlement en de Raad voor de mensenrechten van de VN.

RESOLUTIE (8)

over de voedselcrisis in de Hoorn van Afrika, vooral in Somalië

De Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU:

in vergadering bijeen in Lomé (Togo) van 21 tot en met 23 november 2011,

gezien artikel 17, lid 2 van haar Reglement,

gezien de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling,

gezien de verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 24 augustus 2011 over de reactie van de EU op de hongersnood in de Hoorn van Afrika,

gezien de donorconferentie van de Afrikaanse Unie in Addis Abeba op 25 augustus 2011,

A.

overwegende dat de voortdurende droogte die de Hoorn van Afrika verwoest – gecombineerd met conflicten in de regio, hoge voedselprijzen en steeds beperktere middelen – heeft geleid tot de grootste humanitaire en voedselcrisis ter wereld, die volgens het Bureau van de Verenigde Naties voor de coördinatie van humanitaire zaken momenteel 13,3 miljoen mensen treft, waaronder 840 000 vluchtelingen, en er al tienduizenden mensen, van wie meer dan de helft kinderen, zijn gestorven;

B.

overwegende dat er een noodsituatie in de Hoorn van Afrika is met de ergste droogte in zestig jaar en massale ontheemding van de bevolking - een kwart van de 7,5 miljoen Somaliërs is ontheemd, ofwel in het land zelf of als vluchteling in buurlanden;

C.

overwegende dat de ondervoedingspercentages in de meeste door droogte geteisterde regio's boven de 30% liggen, wat meer dan het dubbele is van de internationaal erkende drempelwaarde voor een noodsituatie;

D.

overwegende dat Somalië, waar vier miljoen mensen zijn getroffen en in zes regio's de hongersnood is afgekondigd, het land is dat het hardst wordt getroffen door de humanitaire ramp; overwegende dat de omstandigheden in dat land worden verergerd door het ontbreken van natuurlijke hulpbronnen en door de gevolgen van twintig jaar conflicten op zijn grondgebied;

E.

overwegende dat door de hongersnood elke week weer duizenden mensen op de vlucht slaan en dat de humanitaire situatie in de kampen met de dag slechter wordt, waarbij 30% van de kinderen jonger dan vijf jaar aan ondervoeding lijdt, epidemieën uitbreken, waaronder cholera en mazelen, en over gevallen van verkrachting wordt bericht (9);

F.

overwegende dat 80% van de vluchtelingen vrouwen en kinderen zijn die op weg naar de vluchtelingenkampen veelal te maken hebben met seksueel geweld en intimidatie;

G.

overwegende dat Dadaab, in Kenia, op dit moment het grootste vluchtelingenkamp ter wereld is, met 463 710 (10) vluchtelingen, terwijl het kamp slechts bestemd is voor 90 000 mensen; overwegende dat, op een bepaald moment, meer dan 3 000 Somaliërs de grens naar Ethiopië en Kenia overtrokken op zoek naar voedsel en veiligheid;

H.

overwegende dat tot dusver financiering beschikbaar is ter waarde van slechts 62% van de 2,4 miljard dollar die de VN heeft gevraagd om de droogte in de regio te bestrijden en dat er nog 940 miljoen dollar nodig is om er de nodige hulp te verlenen;

I.

overwegende dat de toegang tot de betreffende mensen de grootste belemmering blijft voor het verbeteren van de voedselsituatie in de regio; overwegende dat Somalië nog steeds een van de gevaarlijkste landen voor de verleners van humanitaire hulp is;

J.

overwegende dat het Wereldvoedselprogramma een aanvullend bedrag van 250 miljoen euro nodig heeft om de hulp te verlenen die voor de komende zes maanden nodig zal zijn;

K.

overwegende dat de Commissie als reactie op de noodsituatie in de Hoorn van Afrika 97,47 miljoen euro heeft toegewezen aan de regio en bezig is haar steun te verhogen, waarmee haar totale humanitaire bijdrage aan de inspanningen om de droogte te bestrijden dit jaar op 158 miljoen euro komt; overwegende dat de belangrijkste lidstaten van de Afrikaanse Unie op de donorconferentie in Addis Abeba hebben besloten bijna 350 miljoen dollar beschikbaar te stellen aan de landen die door de droogte zijn getroffen;

L.

overwegende dat de Somalië-missie van de Afrikaanse Unie (AMISOM) voornamelijk wordt gefinancierd door de Afrikaanse vredesfaciliteit, die weer wordt gefinancierd uit de middelen voor langetermijnontwikkeling van het negende Europees Ontwikkelingsfonds (EOF);

M.

overwegende dat het effect van klimaatverandering een ernstige invloed heeft gehad op de oogstopbrengsten, wat samen met de stijgende voedselprijzen een tegenslag betekent voor de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling;

N.

overwegende dat het nomadenbestaan, de veehouderij en waterzekerheid (met inbegrip van dammen en leidingen) moeten worden gesteund; overwegende dat de huidige situatie van nomadengemeenschappen in de Hoorn van Afrika aanleiding geeft tot grote bezorgdheid; overwegende dat regeringen moeten voortbouwen op het goede werk dat al is gedaan en het droogtebeheer in de betrokken gebieden moeten institutionaliseren;

1.

maakt zich grote zorgen over de ongekende en steeds verslechterende humanitaire situatie in de Hoorn van Afrika en vindt de zware tol aan mensenlevens als gevolg van de hongersnood onaanvaardbaar;

2.

onderstreept dat er voor volgend jaar geen verbetering van de situatie wordt verwacht, omdat de oogsten laat zullen zijn met minder dan gemiddelde opbrengsten, weidegronden en waterbronnen zijn uitgeput en de prijzen van basisgraangewassen als maïs, alsook water en brandstof, explosief zijn gestegen;

3.

vraagt om betere beschikbaarstelling van middelen door de internationale gemeenschap, die haar inspanningen moet verdubbelen om deze noodsituatie aan te pakken, zodat kan worden voorzien in de groeiende humanitaire behoeften en een verslechtering van de situatie kan worden voorkomen;

4.

wijst op de noodzaak om de steuninspanningen te controleren door het aanwijzen van betrouwbare partners ter plaatse en het verbeteren van coördinatie- en distributieregelingen om op die manier oneigenlijk gebruik of plundering van voorraden te voorkomen;

5.

is verheugd over het feit dat de EU middelen beschikbaar heeft gesteld (op het niveau van de Commissie en de lidstaten); verwelkomt de inspanningen van de Afrikaanse Unie om de crisis aan te pakken en onderstreept de dringende behoefte aan niet alleen voedselhulp maar ook aan verbeterde gezondheidzorg en sanitaire voorzieningen ter plaatse;

6.

veroordeelt de rol van de militante islamitische groepering al-Shabab, die de hulporganisaties hindert, en prijst het Wereldvoedselprogramma voor zijn inspanningen om voedselhulp te bieden aan een zo groot deel van de bevolking als operationeel mogelijk is;

7.

bevestigt dat terrorismebestrijding een speerpunt moet zijn, maar roept op tot solidariteit tussen de buurlanden om te voorkomen dat er een oorlog uitbreekt, waarvan de gevolgen zeer verwoestend zullen zijn;

8.

onderstreept dat het zeer moeilijk is voor de mensen in Somalië om toegang te krijgen tot voedselhulp, vooral in het midden en zuiden van het land en de gebieden die door de al-Shabab-militie worden gecontroleerd; wijst op de noodzaak om iedereen die door het conflict in Somalië wordt getroffen op elk niveau te betrekken; roept op tot de invoering van een stelsel voor nationale verzoening zodat met de wederopbouw van het land kan worden begonnen;

9.

verzoekt de betrokken autoriteiten om organisaties voor humanitaire hulp onbelemmerde toegang te verlenen en te waarborgen dat burgers, vooral vrouwen en kinderen, in alle omstandigheden worden beschermd, in overeenstemming met het internationaal humanitair recht; veroordeelt ook met klem de geweldsescalaties, waaronder zelfmoordaanvallen en ontvoeringen;

10.

roept de Europese Unie en de regeringen in de regio op om de overgang van humanitaire hulp naar ontwikkelingshulp zo snel mogelijk te verbeteren; verzoekt de Commissie de projecten van Oost-Afrikaanse landen inzake de preventie van hongersnood en systemen voor vroegtijdige waarschuwing voor droogte te steunen;

11.

onderstreept dat de Afrikaanse landen ook langetermijnmaatregelen moeten nemen, met steun van de internationale gemeenschap, om ervoor te zorgen dat droogte niet onvermijdelijk tot hongersnood leidt; onderstreep dat naast het nemen van directe maatregelen langetermijnsteun moet worden geboden om ervoor te zorgen dat mensen duurzame middelen van bestaan hebben;

12.

verzoekt de Afrikaanse regeringen om zich aan hun toezegging te houden om ten minste 10% van hun nationale begrotingen aan landbouw te besteden, met het doel om een jaarlijks groeipercentage van 6% in de landbouwsector te halen, om kleine boeren toegang tot land te waarborgen en te zorgen voor investeringen in landbouw en handel om in de dagelijkse voedselbehoefte van hun burgers te kunnen voorzien;

13.

is in dit verband ingenomen met het besluit van de Commissie om tot eind 2013 meer dan 680 miljoen euro aan de regio toe te zeggen in de vorm van langetermijnsteun voor landbouw, plattelandsontwikkeling en voedselzekerheid en het creëren van meerwaarde voor haar landbouwproducten; roept op tot een verhoging van het aandeel officiële ontwikkelingssteun voor landbouw;

14.

vraagt om transparantere, betere en tijdige informatie over de voedselreserves en -voorraden en over de prijsvorming op internationaal niveau, zoals gevraagd in de recente mededeling van de Commissie getiteld "Grondstoffen en grondstoffenmarkten: uitdagingen en oplossingen"; dringt erop aan dat financiële instellingen die actief zijn op het gebied van speculatie op de voedsel- en landbouwgrondstoffenmarkten hun speculatieve activiteiten beëindigen, die zorgen voor hoge en fluctuerende voedselprijzen, en voorrang te geven aan de bestrijding van armoede en menselijk leed en niet aan winsten;

15.

verzoekt zijn covoorzitters deze resolutie te doen toekomen aan de ACS-EU-Ministerraad, de Europese Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Veiligheidsraad en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de instellingen van de Afrikaanse Unie, de regeringen en lidstaten van de IGAD, de Parlementaire Vergadering ACS-EU en de regeringen van de lidstaten.

RESOLUTIE (11)

over de gevolgen van de Arabische lente voor buurlanden ten zuiden van de Sahara

De Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU:

in vergadering bijeen in Lomé (Togo) van 21 tot en met 23 november 2011,

gezien artikel 17, lid 2 van haar Reglement,

gezien de resolutie van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU van 18 mei 2011 over 'De democratische opstanden in Noord-Afrika en het Midden-Oosten: consequenties voor de ACS-landen, Europa en de wereld' (ACP-EU/100.958/11/fin.),

gezien de resoluties van het Europees Parlement van 3 en 7 februari, 7 april en 7 juli over respectievelijk de situatie in Tunesië en Egypte, betrekkingen van de Europese Unie met de samenwerkingsraad van de Golf, de situatie in Syrië, Bahrein en Jemen en het externe beleid van de EU ten behoeve van democratisering,

gezien de ontwikkeling van het Europees nabuurschapsbeleid sinds 2004 en vooral de gezamenlijke mededelingen van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 25 mei 2011 getiteld "Inspelen op de veranderingen in onze buurlanden" (COM(2011)0303) en van 8 maart 2011 getiteld "Een partnerschap voor democratie en gedeelde welvaart met het zuidelijke Middellandse Zeegebied" (COM(2011)0200),

gezien de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst, die op 23 januari 2000 in Cotonou is ondertekend en in 2005 en 2010 is herzien,

gezien de Verklaring van Caïro van de Afrikaanse Unie over het versterken van de politieke governance voor vrede, veiligheid en stabiliteit in Afrika van 4-5 september 2011,

gezien het Afrikaans Handvest voor democratie, verkiezingen en bestuur van 30 januari 2007,

gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van de VN (ICCPR) van 16 december 1966,

gezien het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en het Protocol inzake de status van vluchtelingen van 31 januari 1967,

gezien de Universele verklaring van de rechten van de mens, aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 10 december 1948,

A.

overwegende dat de overwinning van de Tunesische, Egyptische en Libische bevolkingen een nieuwe wind van hoop, vrijheid, solidariteit, democratie en werkelijke verandering vertegenwoordigt, die wordt verlangd door de bevolkingen van deze drie landen en door alle onderdrukte volken;

B.

overwegende dat deze opstanden hebben geleid tot het verlies van mensenlevens en tot miljoenen ontheemden en vluchtelingen, zowel binnen als buiten de landen in kwestie;

C.

overwegende dat enkele problemen die door de Arabische lente aan het licht zijn gekomen dezelfde zijn als die waar een aantal landen ten zuiden van de Sahara mee te maken hebben: hoge jeugdwerkloosheid, stijgende voedsel- en brandstofprijzen, voortdurende corruptie, schending van de fundamentele rechten en beperkte deelname aan de besluitvorming;

D.

overwegende dat deze opstanden in het geval van Libië hebben geleid tot het lynchen van talrijke zwarte Afrikanen uit landen ten zuiden van de Sahara, die ten onrechte werden beschouwd als huurlingen die door Kadhafi werden betaald, en overwegende dat gangsters en andere criminelen enorme hoeveelheden lichte en zware wapens hebben buitgemaakt; overwegende dat deze situaties een bedreiging vormen voor de buurlanden van Libië (Algerije, Mauritanië, Mali, Niger, Tsjaad, Boerkina Faso);

E.

overwegende dat de politieke onrust in een aantal landen ten zuiden van de Sahara kan worden gezien als weerspiegeling van de Arabische lente, maar een beperkt effect heeft wat verandering betreft;

F.

overwegende dat in dit verband rekening moet worden gehouden met het gevaar dat er militaire wapens naar de Sahel-/Saharalanden worden gebracht en het gevaar dat dat met zich meebrengt voor de veiligheid van de aangrenzende regio's;

G.

overwegende dat de Cairo Call for Peace de gemeenschappelijke vastberadenheid van de Afrikaanse Unie weerspiegelde om vrede in Afrika te realiseren en daarvoor bepaalde concrete stappen te ondernemen, waarbij de cultuur van vrede wordt benadrukt, vooral via het onderwijs, om toekomstige generaties de plaag van oorlog en geweld te besparen;

H.

overwegende dat, ondanks het feit dat het Afrikaanse continent rijk is aan olie, mineralen, andere natuurlijke hulpbronnen en landbouwmogelijkheden, het grootste deel van de bevolking nog steeds erg arm is, wat een schending van de menselijke waardigheid vormt;

1.

spreekt haar volledige en absolute steun uit voor de legitieme, democratische ambities van de bevolking van het Midden-Oosten en Noord-Afrika, die kunnen fungeren als de inspiratie voor democratische verandering in de Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara en mogelijk kunnen bijdragen aan democratische consolidatie op het hele Afrikaanse continent;

2.

verzoekt de autoriteiten om af te zien van het gebruik van geweld tegen demonstranten, om hun vrijheid van vergadering en meningsuiting te eerbiedigen en om hun veiligheid te waarborgen; roept op tot onafhankelijke onderzoeken naar de gebeurtenissen die leiden tot de dood, verwonding of gevangenneming van vreedzame demonstranten in de betrokken landen en tot berechting van de verantwoordelijken;

3.

roept op tot de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van alle demonstranten die zijn gearresteerd en alle politieke gevangenen, mensenrechtenactivisten en journalisten;

4.

betuigt opnieuw haar solidariteit met het Egyptische volk en haar steun voor de democratische overgang; spreekt grote bezorgdheid uit over de recente gewelddadige gevechten, waarbij veel burgers werden gedood en honderden gewond raakten door de veiligheidstroepen; roept op tot onafhankelijke en transparante onderzoeken en het ter verantwoording roepen van de verantwoordelijken; dringt aan op het beëindigen van de noodtoestand en de militaire rechtspraak voor burgers;

5.

veroordeelt met klem de voortdurende wrede onderdrukking door het Syrische regime en de gewelddadige acties en mensenrechtenschendingen door veiligheidstroepen tegen de bevolking; spreekt haar medeleven uit met de families van de slachtoffers en spreekt nogmaals haar solidariteit met het Syrische volk uit; roept op tot een spoedige overgang naar democratie in Syrië;

6.

verwelkomt de voortgang die is bereikt door de Raad voor Vrede en Veiligheid van de Afrikaanse Unie en moedigt de voortzetting van de inspanningen aan om een proces van democratische stabilisatie uit te voeren en vrijheid, grond- en mensenrechten alsmede vrede en rechtvaardigheid te waarborgen;

7.

merkt op dat de recente ontwikkelingen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten politieke, economische en sociale gevolgen hebben, niet alleen in de betrokken landen, maar ook in de ACS-landen en Europa;

8.

roept de Europese Unie op om het voortdurende proces van politieke en economische hervorming in de regio met klem te steunen; benadrukt dat, om het proces van overgang naar democratie te steunen, alle instrumenten die beschikbaar zijn binnen het Europees nabuurschapsbeleid (ENB) en het ontwikkelingsbeleid moeten worden aangewend;

9.

verzoekt de Marokkaanse autoriteiten om het recht van het Sahrawi-volk op zelfbeschikking volledig te respecteren als de enige levensvatbare, juiste en houdbare oplossing voor het conflict; benadrukt de noodzaak van het volledig respecteren en continueren van het onderhandelingsproces in het kader van de VN;

10.

verzoekt de Europese Unie, haar lidstaten en de Afrikaanse Unie (AU) om solidariteit te blijven tonen in deze humanitaire noodsituatie die honderdduizenden mensen treft die uit Libië zijn gevlucht naar de buurlanden Tunesië, Egypte, Niger, Mali en Tsjaad en naar Europa;

11.

dringt aan op de betrokkenheid van de EU-lidstaten, de Verenigde Naties en specialistische organisaties in het proces van het opnemen van, zorgen voor en re-integreren van ingezetenen van buurlanden van Libië, die massaal arriveren, en het proces van het vrijlaten van slachtoffers van onterechte arrestaties;

12.

verwelkomt de Verklaring van Caïro van de Afrikaanse Unie over het versterken van de politieke governance voor vrede, veiligheid en stabiliteit in Afrika;

13.

wijst erop dat de AU een aantal instrumenten heeft aangenomen betreffende mensenrechten, democratie en goed bestuur; roept alle AU-leden ertoe op die instrumenten aan te nemen en ten uitvoer te leggen, vooral het Afrikaans Handvest voor de rechten van de mens en de volkeren en het Handvest van de Afrikaanse Unie voor democratie, verkiezingen en goed bestuur, en spoort de autoriteiten in de Afrikaanse landen aan om laatstgenoemde te ratificeren;

14.

roept op tot een strikte toepassing van de Gedragscode betreffende de wapenuitvoer, met inbegrip van meer openheid met betrekking tot wapenhandel tussen de EU en Afrika;

15.

is van oordeel dat verkiezingen noodzakelijk zijn, maar niet toereikend zijn om de voorwaarden te scheppen voor een democratiseringsproces, wat verder gaat dan het simpele feit van het houden van verkiezingen; is van mening dat het voor het succesvol bereiken van democratisering van cruciaal belang is om zich te verbinden aan de sociale en economische ontwikkeling van het land, met het oog op respect voor de fundamentele rechten van de bevolking, zoals onderwijs, gezondheid en werk, en specifieke aandacht te besteden aan jeugdwerkloosheid;

16.

benadrukt de kritieke rol van bestuur, eerbiediging van de rechtsstaat, eerlijke toekenning van financiële middelen onder alle lagen van de bevolking en nationaal leiderschap in het voorkomen van conflicten en het bevorderen van duurzame vrede; verzoekt de ACS-landen en de EU speciale aandacht te besteden aan het ontwikkelen en steunen van maatschappelijke organisaties, het versterken van de administratieve capaciteiten, corruptiebestrijding en de opbouw van institutionele capaciteiten;

17.

verzoekt de landen van de Arabische lente om vast te houden aan de gelijke behandeling van mannen en vrouwen en laatstgenoemden aan te moedigen actief te worden in de maatschappij en haar besluitvormings- en politieke organen;

18.

is van mening dat een onafhankelijke rechtspraak en media een essentiële rol spelen in het creëren en reguleren van democratische praktijken om de rechtstaat te versterken en democratische instellingen op te bouwen, waaronder goed functionerende, pluralistische parlementen;

19.

wijst op de rol die moderne technologie en de sociale media speelden in het mobiliseren van de publieke opinie in verband met de Arabische lente, en wijst erop dat de mediaverslaggeving van deze gebeurtenissen bepaalde opstanden in Afrika bezuiden de Sahara overschaduwde;

20.

erkent dat een aantal Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara problemen ondervinden met de integratie van bepaalde etnische groepen en stammen in hun democratische bestuursstructuren; dringt er bij die landen op aan te leren van de ervaring van andere Afrikaanse naties die verscheidene vormen van regionale en culturele autonomie hebben verleend om te voorkomen dat bepaalde groepen in de maatschappij worden geïsoleerd;

21.

verzoekt de Europese Unie om initiatieven te nemen om de handelsbetrekkingen met de landen bezuiden de Sahara te versterken om de economische gevolgen van de Arabische lente te verzachten;

22.

roept de Europese Unie op een tijdelijke opschorting te overwegen van de terugbetaling van de schulden door de landen in de overgang naar democratie; dringt erop aan dat de activa van de corrupte leiders worden bevroren en worden teruggegeven aan de landen in kwestie;

23.

uit haar bezorgdheid over de logistieke hulpbronnen en wapens die in handen zijn gekomen van de schimmige AQMI (al-Qaeda in the Islamic Maghreb), waardoor de onveiligheid in de Sahel-/Saharastrook snel toeneemt;

24.

dringt aan op betrokkenheid van de EU-lidstaten, de Verenigde Naties en specialistische organisaties bij het proces om wapens van voormalige strijders en van burgers terug te krijgen en de veiligheid te waarborgen van de buurlanden van Libië die door destabilisatie worden bedreigd;

25.

wijst erop dat de grote hoeveelheden wapens die AQMI in bezit heeft niet alleen een bedreiging vormen voor de buurlanden, maar voor de hele wereld;

26.

verzoekt haar covoorzitters deze resolutie te doen toekomen aan de Ministerraad van de ACS-EU, de Europese Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de EU-lidstaten, de instellingen van de Afrikaanse Unie, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, de voorzitter van het Pan-Afrikaanse Parlement, de regeringen en parlementen van de landen van het Midden-Oosten en de landen die onder het Europees nabuurschapsbeleid vallen alsmede de secretaris-generaal van de Unie voor het Middellandse Zeegebied.


(1)  Op 23 november in Lomé (Togo) vastgesteld door de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU.

(2)  Op 23 november in Lomé (Togo) vastgesteld door de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU.

(3)  PB C 46 van 24.2.2006, blz. 1.

(4)  http://www.europarl.europa.eu/sides/getDoc.do?type=TA&reference=P7-TA-2011-0082&language=NL&ring=A7-2011-0027.

(5)  Door de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU aangenomen op 23 november 2011 in Lomé (Togo).

(6)  World Report on Disability (WRD), Wereldgezondheidsorganisatie en de Wereldbank, juni 2011.

(7)  Jaarverslag van Amnesty International voor 2011.

(8)  Door de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU aangenomen op 23 november 2011 in Lomé (Togo).

(9)  Situatieverslagen van het OCHA voor Somalië en de Hoorn van Afrika van augustus tot november 2011.

(10)  Crisisverslag van ECHO over de Hoorn van Afrika, nr. 6, van 1 oktober 2011.

(11)  Op 23 november in Lomé (Togo) vastgesteld door de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU.